Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4354

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
23-05-2019
Zaaknummer
200.138.410/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling langdurige handelsrelatie tussen twee projectontwikkelaars, die over en weer (en via diverse vennootschappen) vorderingen hebben.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.138.410/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 123498 / HA ZA 11-7)

arrest van 21 mei 2019

in de zaak van

1 [appellant1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant1],

2. Nieland Beheer B.V.,

gevestigd te Beekbergen,

hierna: Nieland BV.,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. M.F.M. Groot Kormelink, kantoorhoudend te Ede.

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.J. Veldhuis, kantoorhoudend te Leeuwarden.


Het hof neemt het tussenarrest van 16 oktober 2018 hier over, met dien verstande dat het woord “grondslag” in de dertiende regel van rov. 2.2 moet worden gelezen als “misslag”.

1
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

In genoemd tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen bepaald. Deze comparitie heeft op 17 april 2019 plaatsgevonden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.2

Ter voorbereiding op de comparitie hebben [appellanten] c.s. een akte en een akte aanvullende productie genomen, waarbij de producties 40 tot en met 49 in het geding zijn gebracht en heeft [geïntimeerde] een akte genomen, waarbij negen producties in het geding zijn gebracht.
1.3 Vervolgens is arrest bepaald op de overgelegde processtukken.

2
2. De verdere bespreking van de grieven

2.1

Na wijziging van eis vorderen [appellanten] c.s. de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van de volgende bedragen:
a. € 371.236,- (exclusief rente) aan [appellanten] c.s., op basis van een door accountant [C] AA (hierna: [C] ) opgesteld "Totaaloverzicht r/c verhouding [appellant1] / [geïntimeerde] "
(hierna: het totaaloverzicht);
b. € 165.000,- aan [appellant1] vanwege het door [geïntimeerde] verschuldigde aandeel in de "BTW Landhuysen";
c. € 18.750,- aan [appellant1] vanwege te betalen kosten voor de afhandeling van vennootschappen;
d. € 91.658,- aan [appellant1] vanwege overeengekomen rentes over een aantal posten waarvan de hoofdsom is meegenomen in het door [C] opgestelde totaaloverzicht;
e. € 47.660,21 aan [appellant1] vanwege door [appellant1] ook ten behoeve van [geïntimeerde] in de jaren 2008 tot en met 2010 gedane betalingen aan crediteuren;
f. € 14.000,- aan [appellant1] vanwege de liquidatiekosten van een aantal projectvennootschappen;
g. de contractuele rente, subsidiair de wettelijke handelsrente, meer subsidiair de wettelijke rente over de vorderingen onder a. tot en met f.

2.2

Bij gelegenheid van de comparitie van 17 april 2019 hebben [appellanten] c.s. laten weten de vordering onder b. niet langer te handhaven. Het hof kan deze vordering dan ook onbesproken laten.

2.3

In het tussenarrest van 19 juli 2016 heeft het hof overwogen dat de grieven van [appellanten] c.s. het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorleggen. Het hof zal hierna dan ook de vorderingen van [appellanten] c.s. bespreken en daarbij betrekken wat [appellanten] c.s. in de grieven en in de latere processtukken ter onderbouwing van deze vorderingen hebben aangevoerd en wat [geïntimeerde] daartegenover in zijn memorie van antwoord en andere processtukken ter verweer naar voren heeft gebracht.

2.4

In de kern baseren [appellanten] c.s. hun vorderingen op [geïntimeerde] op de stelling dat [appellant1] en [geïntimeerde] gedurende een reeks van jaren zaken met elkaar hebben gedaan, doordat zij op 50/50 basis - al dan niet via hun persoonlijke vennootschappen, Nieland B.V. en Veenhuijsen Beheer B.V. (hierna: Veenhuijsen B.V.) - deelnamen in (voornamelijk) onroerend-goedprojecten. Zij brachten bij de start van elk project de helft van het te investeren bedrag in. Wanneer de een minder dan de helft van het benodigde kapitaal inbracht in een nieuw project, werd het verschil verrekend via een zogenaamde verrekenlijst, een soort rekening-courantverhouding, die van tijd tot tijd, nadat een aantal projecten was ingewikkeld, werd vereffend.
Volgens [appellanten] c.s. hebben [appellant1] en [geïntimeerde] op 2 juli 2008 afgesproken dat per
1 oktober 2008 een verrekening zou plaatsvinden. [geïntimeerde] heeft toen een handgeschreven overzicht opgesteld, dat door hem en [appellant1] is ondertekend. Dat overzicht is later door [appellant1] uitgewerkt en ook deze versie is door beide partijen ondertekend. In het uitgewerkte overzicht is, in overleg tussen partijen, een betaaldatum van 31 december 2008 vermeld.
Toen [geïntimeerde] niet betaalde, hebben [appellant1] en [geïntimeerde] de zaak voorgelegd aan [C] , hun gezamenlijke accountant, met het verzoek om de afrekening uit te werken. [C] heeft daarop het totaaloverzicht opgesteld, aldus [appellant1] .

2.5

In het tussenarrest van 19 juli 2016 heeft het hof het volgende overwogen (rov. 2.12):
"[geïntimeerde] heeft de door [C] AA in het totaaloverzicht opgenomen posten niet in detail besproken. Hij heeft betoogd dat geen rekening is gehouden met de juridische status van de vorderingen tussen de diverse vennootschappen. Naar aanleiding van dat betoog heeft het hof de hiervoor vermelde vragen gesteld.
Daarnaast heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [C] AA zijn werk niet heeft afgerond. Voor zover die stelling betrekking heeft op de verrekening van de in het totaaloverzicht vermelde “assets” is die stelling juist. Het hof komt daar hierna op terug. Voor zover de stelling betrekking heeft op niet in het overzicht genoemde projecten waarvan ook nog verrekening dient plaats te vinden, heeft [geïntimeerde] de stelling dat [C] AA zijn werk niet heeft afgerond onvoldoende onderbouwd. Als van dergelijke projecten sprake is (geweest), had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen aan te geven welke projecten het betreft. Voor zover [geïntimeerde] met zijn betoog dat [C] AA zijn werkzaamheden nog niet heeft afgerond ook de posten ter discussie wil stellen, waarvan [C] AA in zijn totaaloverzicht, en de uitwerking daarvan, heeft aangegeven dat daarover tussen partijen geen verschil van mening bestaat, heeft [geïntimeerde] dat betoog onvoldoende onderbouwd. [geïntimeerde] heeft niet gesteld welke posten door [C] ten onrechte als niet ter discussie staand tussen partijen heeft aangemerkt. Dat had, nu niet in geschil is dat [C] AA het totaaloverzicht in opdracht van beide partijen heeft opgesteld en hij om het totaaloverzicht op te kunnen stellen ook informatie heeft ingewonnen bij beide partijen en met beide heeft overlegd, wel voor de hand gelegen. Het hof zal er dan ook van uitgaan dat de in het totaaloverzicht in de kolom “ [geïntimeerde] ” vermelde bedragen, voor zover deze betrekking hebben op [geïntimeerde] , en niet op Veenhuijsen Beheer, in de rekening-courantverhouding tussen [appellanten] c.s. en [geïntimeerde] betrokken dienen te worden, indien er vanuit kan worden gegaan dat de afwikkeling van de diverse projecten in privé dient te geschieden."
In rov. 2.2 van het tussenarrest van 16 oktober 2018 heeft het hof overwogen niet terug te komen op dit oordeel en heeft het het beroep van [geïntimeerde] op dwaling, als tardief gedaan, buiten beschouwing gelaten.

2.6

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [C] een verklaring afgelegd. Hij heeft onder meer verklaard dat hij op verzoek van partijen het totaaloverzicht heeft opgesteld en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van de hem door [appellant1] en [geïntimeerde] aangereikte informatie en van de informatie waarover hij als accountant van hen in privé en hun (Nederlandse) vennootschappen beschikte. Hij heeft ook verklaard dat [appellant1] en [geïntimeerde] hem hebben laten weten dat zij instemden met de weergave van hun standpunten in die opstelling.
heeft deze verklaring van [C] niet weersproken.

2.7

De verklaring van [C] bevestigt het hiervoor weergegeven oordeel van het hof dat uitgegaan kan worden van het totaaloverzicht, voor zover uit dat totaaloverzicht blijkt dat [geïntimeerde] en [appellant1] het eens waren. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de in het tussenarrest van 19 juli 2016 in rov. 2.1.7 en 2.18 aangehaalde e-mailberichten van [geïntimeerde] volgt dat ook [geïntimeerde] het totaaloverzicht tot uitgangspunt nam voor de afwikkeling van de posities van partijen en dat [geïntimeerde] in zijn conclusie van antwoord onder 7 het volgende heeft opgemerkt over de werkzaamheden van [C] :
Door [C] is maandenlang (tot aan december 2010) energie en tijd gestoken in het opstellen van een financieel overzicht van alle lopende projecten en financiele transacties tussen de diverse internationale vennootschappen van partijen.
[C] bemiddelde, voerde met ieder van partijen afzonderlijke gesprekken en controleerde telkens bij elk van partijen of zij akkoord waren met diverse deelaspecten op zijn lijst. De kosten van [C] werden 50-50 door [geïntimeerde] en [appellant1] betaald.
(…)
[C] was op 95% van zijn werkzaamheden c.q. overzicht en had enkel nog een laatste vraag gesteld aan de beide heren. Vanaf dat moment haakte [appellant1] af en liet hij beslagen leggen.

2.8

In het licht van alles wat hiervoor is overwogen, heeft [geïntimeerde] de stelling van [appellanten] c.s. dat voor de bepaling van de vorderingen van [appellanten] c.s. uitgegaan moet worden van het totaaloverzicht onvoldoende weersproken. Het hof zal daarvan bij de bespreking van de diverse vorderingen uitgaan.

De vordering onder a.
2.9 Partijen verschillen bij deze vordering allereerst van mening over de vraag hoe moet worden omgegaan met het feit dat zij niet alleen in privé maar ook via hun vennootschappen handelden. [appellanten] c.s. stellen in dat verband dat is overeengekomen dat [appellant1] en [geïntimeerde] in privé zouden afwikkelen. Dat betekent dat [geïntimeerde] kan worden aangesproken tot betaling van de in het totaaloverzicht vermelde vorderingen op Veenhuijsen B.V. en ook dat in dat overzicht als vorderingen van Nieland B.V. aangemerkte vorderingen door [appellant1] geïnd kunnen worden. [geïntimeerde] heeft die stelling gemotiveerd weersproken.

2.10

In het totaaloverzicht wordt onderscheid gemaakt tussen vorderingen in privé en vorderingen vanuit Nieland B.V. op respectievelijk [geïntimeerde] en Veenhuijsen B.V. Ook is er een post “overige verrekeningen en winstdelingen” die ziet op vorderingen van [appellant1] op [geïntimeerde] en vice versa en een post “betalingen van crediteuren”, waarin betalingen zijn vermeld die [appellant1] of [geïntimeerde] vanuit hun privévermogen hebben gedaan aan crediteuren. Vervolgens is het resultaat van al deze posten bij elkaar opgeteld en is de som aangemerkt als “te betalen door [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. [cursivering hof] exclusief rente”.
Bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 17 april 2019 heeft [C] verklaard dat het door hem gemaakte onderscheid in vorderingen van en op [appellant1] en [geïntimeerde] of hun vennootschappen heeft gebaseerd op de administratie van partijen, onder meer op hun belastingaangiftes. Hij heeft ook verklaard dat partijen geen commentaar hebben geleverd op deze rubricering.
Partijen hebben deze verklaring van [C] ter comparitie niet weersproken.

2.11

Naar het oordeel van het hof volgt uit het totaaloverzicht dat [geïntimeerde] en [appellant1] bij de afrekening van de gezamenlijke projecten wel een onderscheid maakten tussen vorderingen van en op zich in prive en hun vennootschappen. Dat blijkt uit de door [C] toegepaste rubricering, die is gebaseerd op de administratie van partijen en de van hen verkregen informatie en uit de omschrijving van de opstelling van de diverse bedragen. Daarin worden [geïntimeerde] en diens vennootschap weliswaar vereenzelvigd door het gebruik van de naam “ [geïntimeerde] ”, waardoor de suggestie wordt gewekt dat sprake is van hoofdelijkheid, maar [appellant1] en Nieland B.V. juist niet, doordat zij niet worden aangemerkt als “ [appellant1] ”, maar als “ [appellanten] c.s.”.
In het licht hiervan hebben [appellanten] c.s. onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] en Veenhuijsen B.V. moeten worden vereenzelvigd, net als [appellant1] en Nieland B.V. Het hof merkt daarbij op dat het voor de omvang van de vordering op [geïntimeerde] niets uitmaakt, omdat in het totaaloverzicht niet alleen een vordering van [appellant1] op Veenhuijsen B.V. begrepen is (die niet toewijsbaar is jegens [geïntimeerde] ), maar ook een (hogere) vordering van Veenhuijsen B.V. op Nieland B.V., die door [geïntimeerde] nu niet verrekend kan worden met vorderingen van [appellant1] of Nieland B.V. op hem.

2.12

Uit het totaaloverzicht blijkt dat zowel [appellant1] als [geïntimeerde] menen dat Nieland B.V. een vordering van € 6.500,- op [geïntimeerde] heeft. [geïntimeerde] heeft in deze procedure niet aangevoerd dat deze vordering gecorrigeerd moet worden, bijvoorbeeld vanwege een te verrekenen vordering van hem op Nieland B.V. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de vordering van Nieland B.V. op [geïntimeerde] toewijsbaar tot een bedrag van € 6.500,- in hoofdsom. Voor zover Nieland B.V. een hoger bedrag vordert, is deze vordering niet toewijsbaar.

2.13

Ten aanzien van de vordering van [appellant1] op [geïntimeerde] volgt uit het totaaloverzicht dat een post van € 91.000,- niet ter discussie staat tussen partijen. Hetzelfde geldt voor een bedrag van € 12.123,- dat volgens beide partijen in mindering kan worden gebracht op de vordering van [appellant1] op [geïntimeerde] . Voor zover [geïntimeerde] (onderdelen van) deze posten toch ter discussie heeft gesteld, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd. In dit verband overweegt het hof dat ten aanzien van één betaling (betreffende het project Délifrance) door [geïntimeerde] is betoogd dat deze niet door [appellant1] maar door diens echtgenote is gedaan. Voor zover dat betoog al hout snijdt - [appellant1] heeft aangegeven dat zijn echtgenote ten behoeve van hem, [appellant1] , het bedrag heeft overgemaakt -, heeft de echtgenote van [appellant1] haar uit die betaling voortvloeiende vordering aan [appellant1] gecedeerd, waardoor deze vordering aan [appellant1] toekomt.

2.14

Partijen verschillen van mening over de posten “overige verrekeningen en winstdelingen” (€ 320.914,- volgens [appellanten] c.s. en € 294.201,- volgens [geïntimeerde] ) en “betalingen van crediteuren” (€ 22.826,- in het voordeel van [geïntimeerde] volgens [appellanten] c.s. en € 144.154,- in zijn voordeel volgens [geïntimeerde] ). Het hof zal deze beide posten bespreken.

2.15

Uit de specificatie van de post “overige verrekeningen en winstdelingen” volgt dat partijen over één onderdeel van mening verschillen, de afrekening van het project Goldberg. Volgens [geïntimeerde] heeft hij uit dit project een vordering van € 104.000,- op [appellant1] . [appellant1] houdt het op € 77.287,50. [appellanten] c.s. beroepen zich daartoe op een door hen overgelegde opstelling die sluit op dit bedrag. Volgens hen is deze opstelling van de hand van [geïntimeerde] . Het hof heeft [geïntimeerde] in zijn arrest van 19 juli 2016 in de gelegenheid gesteld op deze stelling te reageren. In zijn nadere akte van 30 augustus 2016 heeft [geïntimeerde] aangegeven dat hij zich het overzicht niet kan herinneren, maar dat het kan dat het overzicht door hem is opgesteld. Hij weet niet of partijen ook op basis van dit overzicht hebben afgewikkeld. Volgens hem kan enkel aan de hand van de administraties en jaarcijfers worden bekeken op welke wijze het project Goldbergsingel is afgewikkeld en welke invloed dat heeft op de privévermogens van partijen.
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] daarmee niet heeft weersproken dat het overzicht door hem is opgesteld. Uit het overzicht blijkt dat [geïntimeerde] meende dat de afwikkeling van het project Goldbergsingel resulteerde in een vordering van € 77.287,50 van hem in privé (in het overzicht wordt melding gemaakt van een bedrag “te voldoen aan veenhuysen/verrekenen met openstaande schuif van [geïntimeerde] ”) op [appellant1] in privé. Bovendien heeft hij ermee ingestemd dat de afwikkeling van het project Goldbergsingel in het totaaloverzicht werd meegenomen in de post “overige verrekeningen en winstdelingen”. De stelling van [geïntimeerde] dat hij niet weet of partijen dit project op basis van het overzicht hebben afgewikkeld, is niet overtuigend. Door het in het overzicht genoemde eindbedrag in de afrekening te betrekken, wikkelen partijen het project af overeenkomstig het (door [geïntimeerde] zelf opgestelde) overzicht.
Het hof gaat dan ook ten aanzien van de afwikkeling van het project Goldbergsingel uit van een bedrag van € 77.287,50. Het neemt daarbij ook in aanmerking dat [geïntimeerde] , hoewel hij daartoe meermalen de gelegenheid heeft gehad, het door hem genoemde bedrag van
€ 104.000,- niet heeft onderbouwd. Nog steeds is onduidelijk hoe het bedrag is opgebouwd, hoe het zich verhoudt tot het hiervoor besproken overzicht en of het alleen betrekking heeft op de Goldbergsingel of ook op een of meer andere projecten.

2.16

Ten aanzien van de post “betalingen van crediteuren” geldt dat [C] deze post in een bijlage bij het totaaloverzicht heeft gespecificeerd. Volgens [appellanten] c.s. bevat deze bijlage de door [C] geconstateerde crediteurenbetalingen op grond van de door hem geverifieerde jaarcijfers tot en met 2008. Daarnaast is in deze post volgens [appellanten] c.s. ook nog rekening gehouden met nagekomen (dus niet uit de jaarrekeningen blijkende) crediteurenbetalingen door [geïntimeerde] , waardoor per saldo en bedrag van € 22.826,- in het voordeel van [geïntimeerde] resteerde. Volgens [geïntimeerde] heeft [C] in de specificatie ten onrechte een bedrag van € 61.830,- aan door hem gedane betalingen (de door [appellant1] gedane betalingen strekken daarop nog in mindering) opgenomen in plaats van twee bedragen van € 99.872,- en € 83.286,-. Als [C] dat wel zou hebben gedaan, zou dat hebben geleid tot een vordering van hem op [appellant1] van € 144.154,-.

2.17

Het hof heeft [geïntimeerde] in het tussenarrest van 19 juli 2016 de gelegenheid geboden de door hem genoemde bedragen van € 99.872,- en € 83.872,- (alsnog) te onderbouwen. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] deze gelegenheid niet te baat heeft genomen. [geïntimeerde] heeft weliswaar verwezen naar een door hem in 2009 naar [C] gemaild overzicht (dat inmiddels achterhaald zou zijn doordat veel meer uitgaven zijn gedaan in verband van stormschade), maar hij heeft dat overzicht zelf niet overgelegd. Over het bedrag van
€ 83.872,- heeft hij helemaal niets opgemerkt. [geïntimeerde] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat hij in verband met door hem (mede) ten behoeve van [appellant1] gedane betalingen een bedrag van € 144.154,- in plaats van € 22.826,- van [appellant1] te vorderen heeft.

2.18

De tussenconclusie is dat kan worden uitgegaan van de bedragen die door [C] in de kolom “ [appellant1] ” in het totaaloverzicht vermelde bedragen. Van de meeste van deze bedragen geldt dat [geïntimeerde] deze in het kader van de totstandkoming van het totaaloverzicht heeft geaccepteerd. Voor zover dat niet het geval is, heeft [geïntimeerde] zijn stelling dat de door [appellant1] aangevoerde bedragen onjuist zijn (en de door hem aangevoerde andere bedragen wel correct zijn) onvoldoende onderbouwd. Dat betekent dat uitgegaan kan worden van het in de kolom “ [appellant1] ” vermelde totaalbedrag van € 371.236,- als vordering van [appellant1] en Nieland B.V. tezamen op [geïntimeerde] en Veenhuijsen B.V. tezamen. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de vorderingen van en op Veenhuijsen B.V. niet meer aan de orde. Omdat deze vorderingen per saldo negatief waren, komt de vordering Van [appellant1] en Nieland B.V. tezamen op [geïntimeerde] uit op een hoger bedrag dan € 371.236,-. Zij hebben echter niet meer dan dit bedrag gevorderd. Omdat het hof niet meer kan toewijzen dan is gevorderd, zal het hof uitgaan van € 371.236,-. Wanneer van dit bedrag de vordering van Nieland B.V. op [geïntimeerde] (€ 6.500,-) wordt afgetrokken, resteert een bedrag van
€ 364.736,- als vordering van [appellant1] op [geïntimeerde] . Ten aanzien van deze vordering geldt dat die is gebaseerd op de afrekening van een aantal door partijen gezamenlijk gedane projecten, waarvan gesteld noch gebleken is dat de daaruit voortvloeiende vordering niet opeisbaar is.

2.19

[geïntimeerde] heeft echter aangevoerd dat hij nog vorderingen op [appellant1] heeft in verband met de afwikkeling van ‘assets’. Het betreft enerzijds de naverrekening van een tweetal al afgewikkelde projecten, Buitenpost en Hoog Soeren, en anderzijds twee projecten waarin partijen gezamenlijk participeerden en die [appellant1] naar zich heeft toegetrokken, de projecten Kamay en (het schip) Sirius. [geïntimeerde] heeft deze assets ook gemeld in zijn contacten met [C] en [C] heeft ze vermeld in het totaaloverzicht. In de in rov. 2.1.11 van het arrest van 19 juli 2016 aangehaalde brief van [C] aan partijen heeft [C] over deze assets geschreven:
Daarnaast bracht de heer [geïntimeerde] in dat er nog gezamenlijke bezittingen (zie Assets) verrekend moeten worden. Aangezien er geen enkele overeenstemming en niet voldoende informatie was over deze posten heb ik die niet verder onderzocht.

2.20

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] ten aanzien van de assets geen tegenvordering heeft ingesteld. Hij beroept zich op de assets als (verrekenings)verweer tegen de vordering van [appellanten] c.s. Het hof stelt bij de bespreking van dit verweer voorop dat op [geïntimeerde] de stelplicht en eventuele bewijslast rusten van de gronden waarop zijn vordering is gebaseerd. Daarbij heeft bovendien te gelden dat de vordering van [appellant1] ondanks het op de assets gebaseerde verrekeningsverweer toewijsbaar is indien de gegrondheid van dat verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering van [appellant1] overigens toewijsbaar is (artikel 6:136 BW).

2.21

In het tussenarrest van 19 juli 2016 heeft het hof [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld om per asset aan te geven en (met relevante stukken) te onderbouwen wat de grondslag van de verrekening is en welk bedrag met de verrekening is gemoeid. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] deze mogelijkheid niet heeft benut. Zo heeft [geïntimeerde] ten aanzien van geen van de assets concrete bedragen genoemd. Onduidelijk is welk bedrag hij in de assets heeft geïnvesteerd en welk bedrag hij ten aanzien van de verschillende assets van [appellant1] te vorderen meent te hebben. Daaruit volgt al dat ook indien [geïntimeerde] al een vordering zou hebben op [appellant1] ten aanzien van de assets deze vordering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Als [geïntimeerde] zelf klaarblijkelijk niet in staat is het bedrag van zijn vordering te bepalen, is dat voor het hof, dat over de vordering heeft te oordelen, al helemaal niet te doen. Gezien het bovenstaande ten overvloede, zal het hof nog ingaan op de diverse assets afzonderlijk.

2.22

[appellanten] c.s. hebben gemotiveerd bestreden dat in projecten Hoog Soeren en Buitenpost nog (te verdelen) nabetalingen zijn gedaan. [geïntimeerde] heeft vervolgens ‘geen handen en voeten gegeven’ aan zijn stellingen, zodat het hof ook om die reden aan het verweer van [geïntimeerde] zal voorbijgaan.

2.23

Ten aanzien van het schip Sirius is slechts duidelijk geworden dat partijen betrokkenheid hebben gehad bij een schip, Sirius, dat in de haven van Barcelona ligt. Het is duidelijk dat het schip in 2017 is geleverd aan de Spaanse vennootschap Varadero 2000 S.A. Gesteld noch gebleken is dat [appellant1] betrokken is bij die vennootschap. [appellant1] heeft aangevoerd dat hij en [geïntimeerde] nooit (middellijk of onmiddellijk) eigenaar zijn geweest van het schip.
Volgens hem zijn zij wel als projectleider bij de beoogde renovatie van het schip betrokken geweest en hebben zij met de gedachte gespeeld te participeren in het project, maar hebben ze nooit geld gestoken in het project. [geïntimeerde] heeft niet duidelijk gemaakt welke rol hij en [appellant1] in het project hebben gespeeld, wanneer zij een rol hebben gespeeld, via welke vennootschap(pen) en welke bedragen ze in het project hebben geïnvesteerd. In het licht van het gedetailleerde verweer van [appellant1] heeft hij zijn stelling dat hij en [appellant1] samen hebben geparticipeerd in het project Sirius en dat er in het kader van dit project tussen hen moet worden afgerekend onvoldoende onderbouwd.

2.24

Ten aanzien van het project Kamay, ten slotte, is gebleken dat het project een stuk grond op Aruba betreft, dat in eigendom is van Cubejo Development Co N.V. [appellant1] is sinds 6 augustus 2009 aandeelhouder van Cubejo en dus eigenaar van het stuk grond. Hij heeft de aandelen voor 1 Arubaanse gulden gekocht van Tibushi N.V., een vennootschap waarvan [geïntimeerde] directeur was tot hij in oktober 2008 werd ontslagen. Aandeelhouder van Tibushi is Global Investment Corporation, een in 2017 ontbonden vennootschap. Volgens [geïntimeerde] waren hij en [appellant1] ieder (middellijk) houder van de helft van de aandelen in Global Investment Corporation. Indien het betoog van [geïntimeerde] juist is, waren hij en [appellant1] via Global Investment Corporation, Tibushi en Cubejo voor de helft eigenaar van de grond in Kamay, maar is [appellant1] nu, via Cubejo, voor 100% eigenaar van het stuk grond.
heeft bestreden dat hij en [geïntimeerde] (middellijk) de aandelen in Global Investment Corporation in handen hadden. Hij heeft ook bestreden dat [geïntimeerde] in het project Kamay heeft geparticipeerd of geïnvesteerd.

2.25

Naar het oordeel van het hof zijn er wel kritische kanttekeningen te plaatsen bij de stelling van [appellant1] dat [geïntimeerde] niet participeerde in het project Kamay. Die stelling is niet gemakkelijk verenigbaar met overgelegde e-mailcorrespondentie tussen partijen uit oktober 2008 (dus in de periode van het ontslag van [geïntimeerde] als bestuurder van Tibushi) waarin zij van gedachten wisselen over het project Kamay, onder meer over de mogelijkheid van verkoop van dat project om - kort gezegd - hun liquiditeitspositie te verbeteren. [appellant1] heeft het hof, desgevraagd, ter gelegenheid van de comparitie van 17 april 2019 geen bevredigende verklaring kunnen geven voor de inhoud van deze correspondentie in combinatie met zijn stelling dat [geïntimeerde] niet in het project Kamay heeft geparticipeerd.
Dit alles betekent echter niet dat de gegrondheid van het op het project Kamay gebaseerde verrekeningsverweer van [appellant1] eenvoudig is vast te stellen. Het kan zijn dat [appellant1] uiteindelijk betreffende dit project nog een vordering op [geïntimeerde] heeft, maar om die vordering te kunnen vaststellen moet duidelijk zijn hoeveel [geïntimeerde] in het project heeft geïnvesteerd – daarover heeft hij niets gesteld -, en wat de waarde van het project is. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat er nog niets is gebouwd; het betreft een stuk land dat braak ligt. [geïntimeerde] heeft dat laatste niet weerlegd.
De slotsom is dat een eventuele (tegen)vordering van [geïntimeerde] betreffende het project Kamay processueel illiquide is.

2.26

Het verrekeningsverweer van [geïntimeerde] faalt. Dat betekent dat de vordering onder a. toewijsbaar is tot € 6.500,- voor wat betreft Nieland B.V. en tot € 364.736,- voor wat betreft [appellant1] .

De vorderingen onder c. en f.
2.27 Uit de toelichting van [appellant1] op deze posten volgt dat het gaat om een begroting van de kosten die gemoeid zouden zijn met de afwikkeling en liquidatie van diverse vennootschappen waarin partijen participeerden. Volgens [appellant1] zijn de vennootschappen nog niet afgewikkeld en lopen de kosten ervan nog door. [appellant1] heeft echter geen inzicht gegeven in de omvang van deze kosten, zodat hij zijn door [geïntimeerde] bestreden vorderingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. De vorderingen zijn dus niet toewijsbaar.

De vordering onder d.

2.28

[appellant1] stelt dat partijen bij de verschillende projecten een (in percentage wisselende) rentevergoeding zijn overeengekomen. Toen partijen op 2 juli 2008 de handgeschreven vastgelegde afspraken maakten over de afwikkeling, hebben zij ook afgesproken dat de diverse projectrentes in de afrekening zouden worden betrokken. In de uitwerking van die afspraken worden de rentebedragen voor de verschillende projecten ook vermeld. In het totaaloverzicht zijn geen rentebedragen meegenomen. [C] heeft wel vermeld dat het door hem berekende bedrag van € 371.236,- dat [geïntimeerde] aan [appellanten] c.s. diende te betalen een bedrag exclusief rente is. [appellant1] heeft dan ook nog naast dit bedrag aanspraak op de projectrente, aldus [appellant1] . [appellant1] heeft de rente berekend op
€ 91.658,87. Bij die berekening is ook rekening gehouden met bedragen die [geïntimeerde] van [appellant1] te vorderen heeft.
[geïntimeerde] heeft bestreden dat partijen de verschuldigdheid van rente over de projecten zijn overeengekomen. Voor zover [appellant1] c.s. zich op de handgeschreven en de uitgewerkte versie van de op 2 juli 2008 gemaakte afspraken beroepen, stelt [geïntimeerde] dat aan deze stukken geen bewijskracht toekomt omdat hij de handtekening onder deze stukken betwist.

2.29

[geïntimeerde] heeft niet betwist dat het handgeschreven stuk door hem is opgesteld. Het stuk is, heeft hij erkend, grotendeels in zijn handschrift opgesteld. Grotendeels, omdat [appellant1] er ook het een en ander heeft bijgeschreven. Het hof volgt [geïntimeerde] om die reden niet in het betoog dat geen enkele betekenis kan worden toegekend aan het stuk. Voor zover vaststaat dat het stuk door [geïntimeerde] is opgesteld - en dat staat vast voor dat deel van het stuk dat in zijn handschrift is geschreven en waarvan [geïntimeerde] niet bestrijdt dat hij het heeft geschreven – kan ervan worden uitgegaan dat het stuk een schriftelijke mededeling van [geïntimeerde] bevat. In zoverre heeft het stuk, los van de vraag of het door [geïntimeerde] is ondertekend, betekenis. Het hof tekent daarbij aan dat [geïntimeerde] niet heeft bestreden dat hij bedoeld heeft met het stuk de tussen partijen gemaakte afspraken vast te leggen. Dat het stuk slechts een discussiestuk was en om die reden, of om een andere reden, een vrijblijvend karakter had, heeft hij niet (gemotiveerd) gesteld.

2.30

In het stuk worden, in het handschrift van [geïntimeerde] , vier bedragen genoemd met een omschrijving, te weten:
50.000,- klap erop
183.000,- Juuk Elhorst
66.000,- Deli
254.000,- S.C.”
In de uitwerking worden deze bedragen gespecificeerd, waarbij voor de genoemde projecten een onderscheid wordt gemaakt tussen hoofdsom en rente.
Voor ‘klap erop” wordt een bedrag in hoofdsom van 50.000 gehanteerd en de rente tot 2008 wordt op pm gesteld.
Voor “Juuk /Elhorst is het totaalbedrag 182.747 waarvan 144.750 de hoofdsom betreft en twee rentebedragen worden vermeld, 17370 (tot 2006) en 20627 (2006 tot en met 2008).


Bij het project “Deli” bedraagt het totaal 65844, waarvan de rentecomponent 10044.
Het project “S.C.” heet in de uitwerking “Salina Serca” en leidt tot een vordering van 254.000, waarvan 54.000 aan rente.
Vastgesteld kan worden dat de totaalbedragen in de uitwerking overeenkomen met de bedragen die [geïntimeerde] in het handgeschreven stuk heeft gekoppeld aan de desbetreffende projecten, zij het dat de bedragen in het handgeschreven stuk zijn afgerond.
Het hof stelt vast dat in het totaaloverzicht van “Juuk/Elhorst”en “S.C.” alleen de hoofdsommen zijn opgenomen. Van ‘klap erop” is een bedrag van € 48.451,- opgenomen.
Het project “Deli” komt in het totaaloverzicht terug met bedragen van € 28.800,- (op [geïntimeerde] ) en € 4.542,- (op Veenhuijsen B.V.).

2.31

Naar het oordeel van het hof volgt uit de hiervoor besproken stukken dat partijen op 2 juli 2008 ook afspraken hebben gemaakt over de verschuldigdheid van projectrente. In het licht hiervan is het verweer van [geïntimeerde] dat partijen geen projectrente zijn overeengekomen onvoldoende onderbouwd. Het hof volgt [appellanten] c.s. in de berekening van de rente, behoudens voor wat betreft het project “Deli”. Uit de hiervoor besproken stukken waarop [appellanten] c.s. zich beroepen, volgt dat partijen uitgingen van een hoofdsom van
€ 55.800,-, waar in het totaaloverzicht met een vordering in hoofdsom van € 28.800,- wordt gerekend. Uitgaande van de methodiek die [appellanten] c.s., in het voordeel van [appellant1] , hebben toegepast bij de door [appellant1] aan [geïntimeerde] verschuldigde rente voor een van de projecten (waar de aanvankelijk overeengekomen rente werd ‘gekort’ naar rato van de verhouding tussen de aanvankelijk bepaalde hoofdsom en de in het totaaloverzicht meegenomen hoofdsom), komt het hof uit op een rente van 28.800/55.800 x € 10.044,- = € 5.184,-, derhalve € 4.860,- minder. De vordering is dan ook toewijsbaar tot een bedrag van
€ 86.798,87.

De vordering onder e.
2.32 Deze vordering betreft volgens [appellanten] c.s. de helft van de door [appellant1] tot 2010 nog extra betaalde crediteuren ter afhandeling van de gezamenlijke boedel. [appellanten] c.s. hebben ter adstructie van hun vordering een lijst met betalingen overgelegd.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd tegen deze vordering. Volgens hem is onduidelijk waarom hij in privé aansprakelijk zou zijn voor kosten van vennootschappen, waarin hij geen enkel belang meer heeft. Onduidelijk is of de vennootschappen nog baten hebben en de kosten niet zelf kunnen voldoen, aldus [geïntimeerde] , die erop wijst dat de vordering ook niet is onderbouwd.
In rov. 2.21 van zijn arrest van 19 juli 2016 heeft het hof [appellanten] c.s. in de gelegenheid gesteld de vordering nader te onderbouwen door betalingsbewijzen in het geding te brengen en door, gelet op het verweer van [geïntimeerde] , een toelichting te geven op de juridische grondslag van de vordering.

2.33

Het hof stelt vast dat [appellanten] c.s. ten aanzien van een groot aantal posten waaruit de vordering is opgebouwd facturen in het geding heeft gebracht. De facturen zijn niet gericht aan [appellanten] c.s., maar aan diverse vennootschappen. Op de facturen is vermeld dat deze zijn betaald, maar dat de betalingen zijn verricht door [appellanten] c.s. volgt daaruit niet. [appellanten] c.s. hebben dan ook niet de gevraagde betalingsbewijzen in het geding gebracht. Daarop stuit de vordering al af.


Het hof laat dan nog daar dat indien de facturen al door [appellanten] c.s. zijn betaald zij niet hebben onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de helft van de facturen die zijn gericht aan diverse vennootschappen, waarvan onduidelijk is dat deze vennootschappen de facturen zelf niet kunnen betalen en dat [geïntimeerde] een belang heeft bij deze vennootschappen.
De vordering is onvoldoende onderbouwd.

De vordering onder g.
2.34 [appellanten] c.s. vorderen de contractuele rente van 9% vanaf 2 juli 2008 over hun vordering. Dat partijen een contractuele rente van 9% zijn overeengekomen, hebben [appellanten] c.s. onvoldoende onderbouwd. Het enkele feit dat partijen ten aanzien van bepaalde projecten een projectrente zijn overeengekomen, betekent niet dat deze rente na afrekening van het project nog verschuldigd is, en al helemaal niet over bedragen die zij elkaar ten aanzien van andere projecten verschuldigd zijn.

Ook de gevorderde ingangsdatum hebben [appellanten] c.s. onvoldoende onderbouwd. Uit hun eigen stellingen volgt dat partijen in het kader van de uitwerking van de aanvankelijk gemaakte afspraken betaling door [geïntimeerde] per 31 december 2008 zijn overeengekomen.
De primaire vordering is dan ook niet toewijsbaar.

2.35

De subsidiaire vordering betreft de wettelijke handelsrente. Naar het oordeel van het hof zijn de overeenkomsten tussen partijen waaruit de vorderingen van [appellanten] c.s. op [geïntimeerde] voortvloeien te beschouwen als handelsovereenkomsten. Ze vallen dan ook onder het bereik van artikel 6:119a BW. Het hof zal uitgaan van de hiervoor genoemde uiterste betalingsdatum van 31 december 2008, zodat de wettelijke handelsrente ingaat op
1 januari 2009. het hof merkt in dit verband op dat indien niet van deze datum als uiterste betalingsdatum zou zijn uitgegaan op grond van artikel 6:119 lid 2 onder b BW een eerdere ingangsdatum op zijn plaats zou zijn geweest.

2.36

De slotsom is dat over de toewijsbare bedragen de wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf 1 januari 2009.

Conclusies
2.37 De vordering van [appellant1] is toewijsbaar tot een bedrag van € 364.736,- +
€ 86.798,87 = € 451.534,87 en van Nieland B.V. tot een bedrag van € 6.500,-, in beide gevallen vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 1 januari 2009. De grieven slagen
in zoverre en falen voor zover zij ertoe strekken dat een hoger bedrag dient te worden toegewezen.
Aan bewijslevering komt het hof, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet toe.

2.38

[geïntimeerde] is overwegend in het ongelijk gesteld en zal worden verwezen in de proceskosten (voor wat betreft de eerste aanleg: in het geding in conventie). Voor de proceskostenveroordeling in eerste aanleg sluit het hof aan bij de door de rechtbank toegepaste berekening van het geliquideerd salaris. Voor de proceskostenveroordeling in hoger beroep zal het hof uitgaan van 6,5 punten (memorie van grieven, twee comparities, pleidooi, drie akten), tarief VII.

2.39

Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen voor zover in conventie gewezen en bekrachtigen voor zover in reconventie gewezen.

3
3. De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 13 juni 2012 voor zover in reconventie tussen partijen gewezen;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen van 13 juni 2012 voor zover in conventie tussen partijen gewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant1] te betalen een bedrag van € 451.534,87, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 januari 2009 tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Nieland B.V. te betalen een bedrag van € 6.500,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 1 januari 2009 tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het geding in conventie in eerste aanleg en van het geding in hoger beroep en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van [appellanten] c.s. gevallen:
voor het geding in eerste aanleg in conventie op € 3.308,89 aan verschotten en op
€ 6.450,- voor geliquideerde kosten van de advocaat;
voor het geding in hoger beroep op € 5.034,43 aan verschotten en op € 30.407,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. G. van Rijssen en mr. I. Tubben en is in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.