Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4351

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
21-000746-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor overtreding van artikel 9, zevende lid, WVW 1994. Alternatief scenario niet aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000746-18

Uitspraak d.d.: 15 mei 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 5 februari 2018 met parketnummer 96-207208-17 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. van der Graaf, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte voor overtreding van artikel 9, zeven lid, van de Wegenverkeerswet veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 oktober 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs, een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs of een internationaal rijbewijs was gevorderd en/of van wie zodanig bewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, N34, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Door en namens verdachte is daartoe aangevoerd dat het broertje van verdachte gebruik heeft gemaakt van verdachtes rijbewijs. Toen zijn broertje werd staande gehouden heeft hij zich gelegitimeerd met het rijbewijs van verdachte, waarop het rijbewijs van verdachte is ingevorderd. Verdachte ontkent dat hij van deze invordering op de hoogte was.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat het rijbewijs dat is ingevorderd, is afgegeven door de persoon die de (snelheids) overtreding heeft gemaakt. Verdachte is voor die snelheidsovertreding onherroepelijk veroordeeld. Daarmee staat in rechte vast dat hij de snelheidsovertreding heeft begaan en derhalve het rijbewijs heeft ingeleverd. Nu dit rijbewijs niet aan verdachte is teruggeven kan het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen worden.

Het hof constateert dat uit het dossier blijkt dat op 3 juni 2017 een snelheidsovertreding is begaan waarbij meer dan 50 km/u te hard is gereden. De persoon die daarvoor staande is gehouden heeft zich gelegitimeerd met een rijbewijs dat op naam staat van: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] en wonende aan de [adres] . Voorts blijkt dat het rijbewijs is ingevorderd op 3 juni 2017 en dat het rijbewijs is toegezonden aan de CVOM. Op 6 juni 2017 heeft de officier van justitie een beslissing genomen inhoudende dat het rijbewijs van verdachte wordt ingehouden voor een periode van 8 maanden. Die beslissing is naar het adres van verdachte verzonden. Vervolgens is verdachte voor de snelheidsovertreding gedagvaard voor de zitting van de kantonrechter op 28 september 2017 en daar bij verstek veroordeeld. Dit vonnis is blijkens een de verdachte betreffend uittreksel van 4 april 2019 op 13 oktober 2017 onherroepelijk geworden. Op 8 oktober 2017 is verdachte staande gehouden voor het begaan van het onderhavige feit. Verdachte heeft toen verklaard dat hij in de veronderstelling was dat hij zijn rijbewijs alweer terug had gekregen maar dat hij het rijbewijs nog niet feitelijk in zijn handen had. Ook heeft hij verklaard dat hij niet wist dat het allemaal zo streng was.

Met het onherroepelijk worden van het vonnis van de kantonrechter op 13 oktober 2017 is in rechte komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die op 3 juni 2017 de snelheidsovertreding heeft begaan en dient het ervoor te worden gehouden dat verdachte zelf degene is geweest die het rijbewijs op 3 juni 2017 heeft ingeleverd. Verdachte komt eerst ter terechtzitting in hoger beroep met de verklaring dat zijn broertje zijn rijbewijs heeft gebruikt en dat hij daarvan niet op de hoogte was. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, in het bijzonder ook de verklaring van verdachte dat hij in de veronderstelling was dat hij het rijbewijs alweer terug had gekregen en dat hij niet wist dat het allemaal zo streng was, acht het hof het door verdachte aangedragen alternatieve scenario dat zijn broertje gebruik heeft gemaakt van zijn rijbewijs, niet aannemelijk geworden.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het door de verdediging gevoerde verweer en acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde, zoals hieronder nader is aangegeven in de bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 oktober 2017 te [plaats] , als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 een op zijn naam gesteld rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, N34, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie waarvoor dat bewijs was afgegeven, heeft bestuurd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, in weerwil van de omstandigheid dat zijn rijbewijs was ingevorderd, een auto bestuurd. Hij heeft daarmee bewust een door het bevoegd gezag opgelegd verbod dat beoogt het belang van de verkeersveiligheid te beschermen, genegeerd. Tevens heeft hij er met zijn handelen blijk van gegeven zich weinig gelegen te laten liggen aan de in het (weg- en maatschappelijk) verkeer geldende regels en aan de veiligheid op de weg. Het hof rekent dit verdachte aan.

Het hof houdt rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 april 2019 waaruit blijkt dat verdachte ten tijde van het begaan van het onderhavige feit eerder onherroepelijk is veroordeeld. Dit betreffen veroordelingen voor overtreding van de Wegenverkeerswet 1994 maar ook voor andere strafbare feiten.

Het hof houdt voorts rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die blijken uit het dossier en zoals die tijdens het onderzoek ter terechtzitting van het hof zijn besproken. Daaruit zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die als strafverminderend moeten worden aangemerkt.

Alles afwegende en in onderling verband en samenhang bezien acht het hof - net als de rechter in eerste aanleg - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden. Gelet op de aard en de ernst van het gepleegde feit is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lagere straf of een andere strafmodaliteit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. L.J. Hofstra en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 15 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.J. Rietveld is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.