Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4350

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
21-007217-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstal in vereniging van verschillende goederen en diefstal van een vrachtauto, nadat deze door de politie in beslag was genomen. Het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario acht het hof niet aannemelijk. Het hof legt een gevangenisstraf op voor de duur van 8 maanden gelet op de geraffineerde wijze waarop de diefstallen hebben plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-007217-17

Uitspraak d.d.: 15 mei 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2017 met parketnummer 18-830387-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

wonende te [adres 1]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 mei 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van voorarrest, en oplegging aan verdachte van de schadevergoedingsmaatregel ter hoogte van € 10.0000,00. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de ingediende vordering. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. van der Graaf, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde feit. Hoger beroep tegen deze gegeven vrijspraak is niet mogelijk. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 22 december 2017 verdachte voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de ingediende vordering.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd - voor zover in hoger beroep aan de orde - dat:

1:
hij op of omstreeks 17 mei 2015 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit een bedrijf gelegen aldaar aan de [adres 2] (genaamd [benadeelde] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] ), een grote hoeveelheid incontinentiemateriaal en/of verbandmiddelen en/of toiletartikelen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

2:
hij in of omstreeks de periode van 17 mei 2015 tot en met 18 mei 2015 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf het terrein van [bedrijf 2] gevestigd aldaar aan de [adres 3] heeft weggenomen een vrachtauto van het merk Mercedes, type 515, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen vrachtauto onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Vaststelling van de feiten 1

De rechtbank heeft het volgende overwogen.

Op 16 mei 2015, omstreeks 20.15 uur ziet een getuige bij de [adres 4] dat meerdere

personen bezig zijn een grote bestelbus af te plakken. De letters van de firma “ [bedrijf]

” worden afgeplakt met witte stickers. De personen zijn met een

tweede, kleinere auto, met het kentekennummer [kenteken 1] . 2

Op 17 mei 2015 omstreeks 05.09 uur komt er een melding binnen bij de politie dat op de

[adres 6] te [plaats 2] meerdere personen bezig zijn afplakmateriaal van een vrachtauto te verwijderen. De politie gaat ter plaatse en treft op de genoemde locatie een vrachtauto aan van het merk Mercedes, type 515 en voorzien van het kenteken [kenteken 2] . In de vrachtauto bevinden zich pallets met onder andere toiletartikelen en luiers. 3 De vrachtauto wordt vervolgens door [bedrijf 2] overgebracht naar hun terrein.

Onderweg naar het bergingsbedrijf wordt de chauffeur gevolgd door een grijze Kia Picanto. 4

Tussen 17 mei 2015 om 21.30 uur en 18 mei 2015 om 08.00 uur wordt de vrachtauto

gestolen vanaf het terrein van [bedrijf 2] dat is gelegen aan de [adres 3] te [plaats 2] . Daarbij

zijn de beugels van het schuifhek dat toegang geeft tot het terrein, losgeschroefd. 5

Op 18 mei 2015 omstreeks 19.20 uur krijgt de politie de melding dat uit de track & trace-gegevens blijkt dat de desbetreffende vrachtauto in de [straat 2] te [plaats 2] zou staan.

De politie gaat ter plaatse en daar wordt de vrachtauto leeg aangetroffen. 6

Uit de track & trace-gegevens van de vrachtauto blijkt dat deze in de nacht van 17 mei 2015

tweemaal op het adres [adres 5] te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , is geweest, op de

tijdstippen 00.08 uur en 04.07 uur. Op voornoemd adres is het bedrijf [benadeelde]

gevestigd. Uit de camerabeelden van dit bedrijf blijkt dat tijdens de voornoemde tijdstippen

goederen uit het bedrijf zijn weggenomen en zijn ingeladen in de vrachtauto. De goederen

betreffen incontinentiemateriaal, verbandmiddelen en toiletartikelen en zijn eigendom van de bedrijven [bedrijf 4] en [bedrijf 5] . [bedrijf 5] heeft onder meer Dove in

voorraad. 7 Uit de camerabeelden blijkt voorts dat de goederen zijn weggenomen gedurende de schafttijden van het personeel welke onder meer zijn om 0.00 uur en 4.00 uur en dat in ieder geval vier personen bij de diefstallen zijn betrokken, waarbij een aantal personen gebruik heeft gemaakt van de vorkheftrucks van [benadeelde] waarmee de pallets met goederen zijn ingeladen in de hiervoor genoemde vrachtauto. 8

De vrachtauto is op 16 mei 2015 gehuurd bij [bedrijf] door [getuige 1]

, waarbij tevens aanwezig waren verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en een onbekend gebleven persoon. 9

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op zondagochtend (de rechtbank begrijpt dat wordt

bedoeld: 17 mei 2015) omstreeks 7.15 uur werd wakker gemaakt door een van de jongens

met wie hij de dag daarvoor naar [bedrijf] was geweest. Deze

jongen was boos/paniekerig omdat de vrachtauto was weggesleept. Hij had dit zien

gebeuren. Hij was met drie vrienden van hem en het zal op dat moment tussen 6.00 uur en

6.30

uur zijn geweest. [getuige 1] moest vervolgens van de jongens naar het politiebureau

gaan om navraag te doen naar de vrachtauto. Daar werd aan [getuige 1] verteld dat de

vrachtauto was weggesleept naar [bedrijf 2] . Vervolgens moest [getuige 1] met de jongens mee

naar [bedrijf 2] en daar zagen zij dat de vrachtauto achter een hek geparkeerd stond. [getuige 1] is vervolgens weer weggegaan. Volgens [getuige 1] zijn de jongens waarover hij het heeft in

zijn verklaring dezelfde jongens als die de dag daarvoor mee zijn geweest om de vrachtauto te huren bij [bedrijf] . 10

Verdachte heeft twee telefoonnummers in gebruik, te weten [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2] . 11

Voornoemde telefoonnummers zijn onderworpen aan een uitgebreid telecomonderzoek.

Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen. Beide telefoonnummers bevonden

zich in de nabijheid van het verhuurbedrijf te [plaats 3] op het moment dat de vrachtauto daar

werd gehuurd. Eén van de telefoonnummers bevond zich in de nabijheid van de [adres 4] te [plaats 2] in de periode dat de vrachtauto daar stil stond en werd afgeplakt. Beide telefoonnummers hebben tijdens of kort voor de eerste diefstal bij [benadeelde] op 17 mei 2015 masten aangestraald in de nabijheid van voornoemd bedrijf. Ook na de diefstal blijkt uit de mastgegevens dat één van de telefoonnummers zich steeds bevond in de nabijheid van de locatie van de vrachtauto. In de periode dat de vrachtauto na de tweede diefstal naar de [adres 6] te [plaats 2] is gereden en daar vervolgens langdurig stil heeft gestaan, heeft één van de telefoonnummers steeds masten aangestraald in de nabijheid van de vrachtwagen.

Op 17 mei 2015 om 4.58 uur heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verdachte en [betrokkene 2]

waarin verdachte vraagt waar [betrokkene 1] woont. Hij heeft een kist of kluis in zijn ‘camion’ (de rechtbank begrijpt dat hiermee wordt bedoeld: een vrachtauto). Zowel voor, tijdens, als na de diefstallen bij [benadeelde] heeft verdachte veelvuldig contact gehad met een telefoonnummer dat staat op naam van [betrokkene 1] . [betrokkene 1] is eigenaar van het garagebedrijf aan de [adres 6] te [plaats 2] . 12 Op ditzelfde adres is door de politie op 18 mei 2015 een pallet met in plastic verpakte deodorant van het merk Dove gezien. 13

Op 18 mei 2015 omstreeks 02.00 uur is een auto te [plaats 2] staande gehouden. In de auto

zaten verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en nog drie andere mannen. 14

Uit de telecomgegevens blijkt voorts dat in de periode dat de vrachtauto vanaf het terrein van [bedrijf 2] is gestolen en vervolgens via een aantal dorpen naar [plaats 2] is gereden, één

telefoonnummer van verdachte steeds masten heeft aangestraald in de nabijheid van de

vrachtauto. 15

Uit verder onderzoek blijkt dat verdachte vanaf 16 april 2015 voor de duur van een maand

een Kia Picanto, kleur grijs, heeft gehuurd met het kenteken [kenteken 3] . Deze auto blijkt op

26 juni 2015 nog niet te zijn teruggebracht. 16

Het hof sluit zich bij deze feitenvaststelling aan en maakt deze tot de zijne.

Bespreking van het verweer
Door en namens verdachte is aangevoerd dat hij niets te maken heeft gehad met de ten laste gelegde diefstallen. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn hond ging uitlaten en dat hij toen zag dat de jongens, met wie verdachte eerder die dag naar de verhuurder van de vrachtwagen was geweest, bezig waren met de vrachtwagen. Verdachte leidde uit het handelen van de jongens af dat zij van plan waren ergens wiet op te halen. Het plan van verdachte was om de wiet van deze jongens te stelen. Daarom is hij de vrachtwagen gevolgd, was hij steeds in de nabijheid van de vrachtwagen en dat is ook de reden waarom zijn telefoon in de omgeving van de vrachtwagen telefoonmasten heeft aangestraald.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat beide diefstallen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De advocaat-generaal heeft - kort gezegd - gesteld dat de verklaring van verdachte als volstrekt onaannemelijk ter zijde kan worden geschoven.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft niet ontkend dat hij op 16 mei 2017 aanwezig was bij het huren van de vrachtauto. Ook heeft hij niet ontkend dat hij in de ochtend van 17 mei 2017 met de andere jongens bij [getuige 1] is geweest om hem op te halen en naar de politie te brengen, zodat [getuige 1] kon vragen waar de door hem gehuurde vrachtwagen heen was gebracht. Voor het overige heeft verdachte zijn betrokkenheid bij de ten laste gelegde gedragingen ontkend.

Het hof acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario volstrekt onaannemelijk. De door verdachte gegeven verklaring voor het aanstralen van de telefoonmasten in de buurt van de vrachtwagen heeft verdachte niet nader met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Daarmee is de door verdachte gegeven verklaring zo weinig concreet dat deze niet op enige wijze te verifiëren is. Op vragen die mogelijk enige aanknopingspunten kunnen geven, heeft verdachte geen antwoord willen geven of hij geeft aan het niet meer te weten. Het door verdachte geschetste scenario is bovendien in strijd met de verklaring van [getuige 1] , inhoudende dat hij in de ochtend van 17 mei 2015 werd wakker gemaakt door de jongens die mee waren bij het huren van de vrachtwagen, waaronder dus verdachte, en dat die jongens [getuige 1] hebben gevraagd om naar het politiebureau te gaan en daar navraag te doen. Een dergelijke handelswijze strookt niet met een voornemen van verdachte om wiet van die jongens te stelen. Daar komt nog bij dat verdachte voor, tijdens en na de diefstallen veelvuldig contact heeft gehad met een telefoonnummer dat op naam staat van [betrokkene 1] . In het garagebedrijf van die [betrokkene 1] is op 18 mei 2015 een pallet met in plastic verpakt deodorant van het merk Dove gezien. Dat verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, op dat moment een andere ‘buit’ bij zich had die hij bij [betrokkene 1] wilde stallen, acht het hof eveneens onaannemelijk nu verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, zich de hele tijd in de buurt van de vrachtwagen bevond.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het gevoerde bewijsverweer en acht het hof bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde diefstallen, zoals hieronder nader is bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1:
hij op 17 mei 2015 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een bedrijf gelegen aldaar aan de [adres 2] (genaamd [benadeelde] ), een grote hoeveelheid incontinentiemateriaal, verbandmiddelen en toiletartikelen, toebehorende aan [bedrijf 4] en [bedrijf 5] ;

2:
hij in de periode van 17 mei 2015 tot en met 18 mei 2015 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf het terrein van [bedrijf 2] gevestigd aldaar aan de [adres 3] heeft weggenomen een vrachtauto van het merk Mercedes, type 515, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van verbreking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft samen met anderen een bestelbus gehuurd, waarna zij bij [benadeelde] meerdere pallets met goederen hebben weggenomen. Nadat de politie deze vrachtauto met pallets had aangetroffen, is deze vrachtauto inbeslaggenomen en overgebracht naar het terrein van een bergingsbedrijf. Verdachte en zijn mededaders hebben de vrachtauto - die op een afgesloten terrein stond - weggenomen. Uit het dossier is gebleken dat verdachte en zijn mededaders planmatig te werk zijn gedaan. Zo hebben zij nadat de vrachtauto is gehuurd de belettering afgeplakt en heeft de diefstal bij [benadeelde] , heel geraffineerd, tijdens twee pauzes van de werknemers van het bedrijf plaatsgevonden. Bovendien hebben verdachte en zijn mededaders - nadat de politie de vrachtauto in beslag had genomen – zich niet neergelegd bij het feit dat zij niet meer over deze goederen konden beschikken, maar hebben zij de vrachtauto van het afgesloten terrein weggenomen. Het hof acht deze handelswijze, waarbij respect voor justitieel optreden ten enenmale ontbreekt, buitengewoon brutaal. Verdachte heeft met zijn handelen forse schade en overlast voor de eigenaar van de goederen veroorzaakt. Verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoordelijkheid willen nemen.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 april 2019 blijkt dat verdachte ten tijde van het begaan van de onderhavige feiten eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten. Het hof houdt bij de strafoplegging voorts rekening met het feit dat verdachte tot 17 april 2015 een enkelband had in het kader van een andere strafzaak en dat de onderhavige feiten slechts enkele weken later zijn gepleegd. Kennelijk hebben de eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. Het hof rekent dit verdachte aan.

Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier blijken en zoals die ter zitting door en namens verdachte naar voren zijn gebracht. Daaruit zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die door het hof als strafverminderend moeten worden aangemerkt.

Alles afwegende en in samenhang bezien is het hof van oordeel dat de in eerste aanleg opgelegde straf geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof acht - mede gelet op verdachtes recidive en de omvang en de wijze waarop de diefstallen zijn gepleegd - een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 14.000,00, bestaande uit materiële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Enerzijds stelt het hof vast dat een machtiging van vertegenwoordigingsbevoegdheid van de benadeelde partij [benadeelde] in het dossier ontbreekt, anderzijds is het hof net als de rechtbank van oordeel dat weliswaar voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden die rechtstreeks het gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van verdachte, maar dat de hoogte van het schadebedrag onvoldoende is onderbouwd. Aanhouding van de behandeling voor een eventuele nadere onderbouwing levert een onevenredige belasting van het strafproces op, temeer nu de benadeelde partij heeft aangegeven ook een en ander verrekend te hebben met de huurpenningen. Gelet hierop acht het hof ook de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, zoals geëist door de advocaat-generaal, niet op zijn plaats. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dienen de benadeelde partij en verdachte, ieder de eigen kosten te dragen van het geding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door

mr. A.J. Rietveld, voorzitter,

mr. L.J. Hofstra en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,

en op 15 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.J. Rietveld is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar met paginanummering aangeduide processen-verbaal en andere stukken betreft dit (voor kopie conform het origineel verklaarde) op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal dan wel andere bescheiden, als bijlagen opgenomen bij het proces-verbaal van het opsporingsonderzoek van de Politie Noord-Nederland, districtsrecherche Groningen, onder de dossiernaam Marlu, BHV 2015147708, opgemaakt en gesloten op 9 december 2015.

2 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2015, p. 173 en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2015, p. 195.

3 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2015, p. 231.

4 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 18 mei 2015, p. 240 e.v.

5 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 18 mei 2015, p. 51 e.v.

6 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2015, p. 265 e.v. en een proces-verbaal van relaas d.d. 9 december 2015, p. 8.

7 Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 juni 2015, p. 20 e.v.

8 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2015, p. 204 e.v., een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 augustus 2015, p. 207 e.v. en een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus 2015, p. 220 e.v.

9 Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 30 september 2015, p. 609 e.v., een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 18 mei 2015, p. 60 e.v. en een proces-verbaal van herkenning personen d.d. 3 juni 2015, p. 168 e.v.

10 Een proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 18 mei 2015, p. 244 e.v. en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 9 september 2015, p. 251 e.v.

11 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 augustus 2015, p. 283 e.v.

12 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2015, p. 294 e.v. en een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 30 september 2015, p. 609 e.v.

13 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 juni 2015, p.232 e.v.

14 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 september 2015, p. 171.

15 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2015, p. 294 e.v.

16 Een proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 30 juni 2015, p. 198 e.v.