Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:435

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2019
Datum publicatie
30-01-2019
Zaaknummer
200.234.833/01 en 200.239.520/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag en hoofdverblijfplaats. Na een functionerende co-ouderschapsregeling kort na de echtscheiding, volgt een ondertoezichtstelling en vervolgens - na advies van een bijzondere curator - gezag en hoofdverblijf van alle kinderen bij de moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.234.833/01 (hoofdverblijf) en 200.239.520/01 (gezag)

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/18/147436 / FA RK 14-755 en C/18/177579 / FA RK 17-2099 (hoofdverblijf) en C/18/180361 / FA RK 17-3468 (gezag)

beschikking van 17 januari 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.M.A. Arnoldus te Groningen,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H. Heeg te Groningen.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,

kantoorhoudende te Groningen,

verder te noemen: de GI,

2. [B] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3],

psycholoog NIP en forensisch mediator te [C] ,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

In de zaak met zaaknummer 200.234.833/01

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 10 maart 2015, 29 december 2015 (hersteld bij beschikking van 2 februari 2016), 13 juni 2017 en 28 november 2017, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

In de zaak met zaaknummer 200.239.520/01

1.2

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 20 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummer 200.234.833/01

2.1

Voor het verloop van de procedure tot 7 juni 2018 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 7 juni 2018.

In die beschikking heeft het hof [B] benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Het hof heeft de bijzondere curator verzocht te onderzoeken hoe het met de kinderen is, wat de gevolgen voor hen zijn van de strijd tussen de ouders en wat hun mening is over hun hoofdverblijfplaats. Het hof heeft de bijzondere curator verder verzocht hierover aan het hof te rapporteren en vanuit het belang van de kinderen aan het hof te adviseren welke beslissing het hof dient te nemen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen.

2.2

Het hof heeft daarna ontvangen:

- het verweerschrift;

- het rapport van de bijzondere curator van 27 augustus 2018;

- een journaalbericht van mr. Heeg van 12 september 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Arnoldus van 16 september 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Arnoldus van 23 november 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Arnoldus van 6 december 2018 met productie(s);

- de (onuitgewerkte) zittingsaantekeningen van de zittingen in eerste aanleg, toegestuurd door de rechtbank, ontvangen door het hof op 6 december 2018.

In de zaak met zaaknummer 200.239.520/01

2.3

Voor het verloop van de procedure tot 10 juli 2018 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van 10 juli 2018.

In die beschikking heeft het hof ook in deze zaak [B] benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Het hof heeft de bijzondere curator verzocht te onderzoeken hoe het met de kinderen is, wat de gevolgen voor hen zijn van de strijd tussen de ouders en wat hun mening is over het ouderlijk gezag. Het hof heeft de bijzondere curator verder verzocht hierover aan het hof te rapporteren en vanuit het belang van de kinderen aan het hof te adviseren welke beslissing het hof dient te nemen over het ouderlijk gezag.

2.4

Het hof heeft daarna ontvangen:

- een journaalbericht van mr. Arnoldus van 9 augustus 2018 met productie(s);

- het rapport van de bijzondere curator van 27 augustus 2018;

- de stukken die na het rapport van de bijzondere curator zijn binnengekomen, zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven.

In beide zaken

2.5

Op 7 december 2018 zijn de hierna nader te noemen minderjarigen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ieder afzonderlijk van elkaar en buiten aanwezigheid van partijen en belanghebbenden door het hof gehoord.

2.6

Beide zaken zijn gezamenlijk behandeld tijdens de mondelinge behandeling op 7 december 2018. Mr. Arnoldus is namens de vader verschenen. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de GI zijn verschenen [D] en [E] . Ook is de bijzondere curator verschenen. Ter zitting heeft mr. Heeg mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde aantekeningen.

3 De feiten

3.1

Voorafgaand en tijdens het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [de minderjarige1] , [in] 2004 (verder te noemen: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , [in] 2005 (verder te noemen: [de minderjarige2] );

- [de minderjarige3] , [in] 2009 (verder te noemen: [de minderjarige3] ).

3.2

[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] staan sinds 9 december 2014 onder toezicht. De termijn van de ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 28 november 2018 voor de duur van een half jaar verlengd, derhalve tot 9 juni 2019. De ondertoezichtstelling werd aanvankelijk uitgevoerd door het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering en thans door de GI.

3.3

Bij beschikking van 10 maart 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 6 augustus 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij die beschikking van 10 maart 2015 is ook (onder meer) een voorlopig co-ouderschapsregeling bepaald waarbij de kinderen de ene week bij de moeder verbleven en de andere week bij de vader en een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming gelast.

3.4

Bij beschikking van 29 december 2015 is - voor zover hier van belang - bepaald dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben en [de minderjarige3] bij de vader. Tevens is bepaald dat de op dat moment functionerende co-ouderschapsregeling voorlopig dient te worden gehandhaafd, inhoudende dat [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zeven dagen bij de vader verblijven en vervolgens zeven dagen bij de moeder.

3.5

[de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] hebben van 15 september 2016 tot 11 oktober 2016 op grond van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een gezinshuis verbleven.

3.6

In de bestreden beschikking van 28 november 2017 is (onder wijziging van de beschikking van 29 december 2015) het hoofdverblijf van [de minderjarige3] bij de moeder bepaald. Ook is bij die beschikking de definitieve zorgregeling tussen de vader en de kinderen [de minderjarige1] en [de minderjarige3] bepaald van - kort gezegd - een weekend per veertien dagen en een regeling voor de vakanties en feestdagen.

3.7

Bij de bestreden beschikking van 20 februari 2018 is de moeder alleen met het gezag over de kinderen belast.

3.8

Ter zitting is gesteld dat de zorgregeling zoals bepaald bij de beschikking van 28 november 2017 is gewijzigd in die zin dat thans geldt de op het verzoek van de GI van 16 februari 2018 door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling waarbij de vader een keer in de twee weken begeleide omgang heeft met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , waarbij de regie bij de GI ligt. Daarbij is aangegeven dat deze regeling niet wordt uitgevoerd. [de minderjarige1] heeft sinds 1 december 2017 geen omgang meer gehad met de vader, [de minderjarige2] niet meer sinds 22 januari 2017 en [de minderjarige3] niet meer sinds 2 november 2017.

4. De omvang van het geschil

In de zaak met zaaknummer 200.234.833/01

4.1

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 28 november 2017 is, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van 29 december 2015 voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige3] , bepaald dat [de minderjarige3] zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft.

4.2

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 november 2017. De vader verzoekt het hof - zo heeft hij ter zitting nader toegelicht - de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige3] en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de moeder in zoverre af te wijzen.

4.3

De moeder voert verweer en verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, althans het verzoek in hoger beroep af te wijzen dan wel de vader in zijn grieven niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de grieven af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking - zo leest het hof - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

In de zaak met zaaknummer 200.239.520/01

4.4

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 20 februari 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de moeder voortaan alleen met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zal worden belast.

4.5

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 20 februari 2018. Hij verzoekt het hof - zo heeft hij ter zitting nader toegelicht - de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het inleidend verzoek van de moeder tot eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] af te wijzen.

4.6

De moeder voert verweer en verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, althans het verzoek in hoger beroep af te wijzen dan wel de vader in zijn grieven niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de grieven af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Aan het hof liggen ter beoordeling voor de beslissingen van de rechtbank omtrent de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige3] en het gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De bijzondere curator heeft in haar rapportages van 27 augustus 2018 geconcludeerd dat er onvoldoende gronden zijn om de hoofdverblijfplaats te wijzigen en geadviseerd het eenhoofdig gezag bij de moeder te laten. Het hof ziet aanleiding om allereerst in te gaan op het gezag, nu dit de meest verstrekkende beslissing betreft.

Gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (zaaknummer 200.239.520/01)

5.2

Het hof dient in hoger beroep het voorliggende verzoek van de vader, dat er op neerkomt dat hij verzoekt om het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen in stand te laten, ex nunc te toetsen, dat wil zeggen op basis van de actuele situatie en de feiten en omstandigheden zoals die zich thans voordoen en bij het hof bekend zijn. Hierover is onder meer het volgende naar voren gekomen. De vader heeft [de minderjarige2] sinds begin 2017 niet meer gezien en [de minderjarige1] en [de minderjarige3] niet meer sinds eind 2017. In december 2017 is de vader ook uit het contact met de GI getreden en sindsdien heeft er geen contact meer tussen de vader en de GI plaatsgevonden. De vader wil uitsluitend in gesprek met de GI onder de voorwaarde dat hij zijn zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de moeder thuis kan bespreken. De GI is bereid te luisteren naar de zorgen van de vader en daarover ook met hem in gesprek te gaan maar de GI wil ook de zorgen die de GI over de vader heeft met hem bespreken. De vader lijkt hiervoor niet open te staan. Hierdoor is het de GI niet gelukt in gesprek te komen met de vader. De vader is niet ter zitting in hoger beroep verschenen. Op dit moment is er dan ook weinig bekend over de huidige situatie van de vader. Wel staat vast dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Zij worden belast met loyaliteitsproblematiek en volwassenproblematiek waarbij ook hulpverlening stagneert. Nu er al enige tijd geen behoorlijke communicatie plaatsvindt tussen de vader en de moeder noch tussen de vader en de GI, heeft de vader onvoldoende aangetoond op welke wijze hij op dit moment of binnen een afzienbare termijn met de moeder tot gezamenlijke afspraken over de kinderen wil komen en hoe hij voor het overige vorm wil geven aan de uitvoering van het gezamenlijk gezag. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat de vader tijdens het onderzoek van [F] heeft verklaard, zo blijkt uit het verslag van [F] van 25 september 2017, dat hij contacten met de moeder niet aankan en niet met haar kan samenwerken. Dit is echter wel een noodzakelijk vereiste voor een behoorlijke uitoefening van het gezamenlijk zag. [F] concludeert ook dat de vader de moeder op geen enkele wijze lijkt te kunnen verdragen en dat hij de moeder diskwalificeert zowel in haar moederrol als haar als persoon.

Daarbij komt dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het gezamenlijk gezag in het verleden verschillende keren tot problemen heeft geleid. Zo is de hulpverlening voor de kinderen gestagneerd en heeft het ongeveer een half jaar geduurd voordat de wisseling van school voor [de minderjarige1] geregeld was.

Bovendien is naar voren gekomen dat sinds de moeder bij beschikking van 20 februari 2018 met het eenhoofdig gezag is belast, de voor de kinderen noodzakelijk hulpverlening gestart is. Het hof acht het van groot belang dat deze hulpverlening op constructieve wijze kan worden voortgezet en is ook om die reden van oordeel dat de bestreden beschikking waarbij de moeder met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] is belast in stand dient te blijven.

5.3

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat het hof voorbij gaat aan de stellingen van de vader. De vader heeft aangevoerd dat de reden van het door hem ingestelde hoger beroep met name is gelegen in de omstandigheid dat hij zich al jaren ernstige zorgen maakt over de veiligheid van de kinderen bij de moeder thuis en dat hij niet wordt gehoord in zijn zorgen. Hij heeft daarom het idee dat hij steeds harder moet roepen of iets anders moet doen om de aandacht te krijgen.

Het hof stelt vast dat de zorgen van de vader de afgelopen jaren ook door verschillende hulpverleners zijn onderkend en het hof onderschrijft ook deze zorgen, voor zover die zien op het verleden.

Het hof volgt de vader alleen niet in zijn stelling dat er niets is gedaan met zijn zorgen. Het hof heeft de indruk gekregen dat de vader door alles wat er in het verleden is gebeurd niet meer bij machte is om positieve ontwikkelingen bij de kinderen en in de situatie van de moeder te zien. Vanwege de geconstateerde zorgen en de daaruit voortvloeiende ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen, zijn de kinderen juist ook onder toezicht gesteld en is er sprake van hulpverlening in gedwongen kader. Het hof is, anders dan namens de vader is betoogd, niet gebleken dat de moeder hulpverlening afhoudt. Ter zitting heeft zij verklaard, en dit is bevestigd door de GI, dat zij één à twee keer per week thuis hulp krijgt van [G] . [de minderjarige1] en [de minderjarige3] krijgen iedere week vier uur begeleiding van een persoonlijk begeleider, [de minderjarige3] gaat daarnaast een aantal keren per maand naar een zorgboerderij en [de minderjarige2] krijgt begeleiding van een coach. Daarbij komt dat de zorgsignalen die door de school worden gegeven over de kinderen, ook worden opgepakt door de GI en de hulpverlening. Er zijn dus verschillende professionele instanties betrokken die de veiligheid van de kinderen nauwlettend in de gaten houden. Het hof is van oordeel dat met deze hulpverlening de veiligheid van de kinderen voldoende is gewaarborgd. Het door de vader aangevoerde over de zorgen rondom de kinderen in de thuissituatie bij de moeder leidt dan ook niet tot een ander oordeel.

5.4

Ten overvloede overweegt het hof als volgt. De huidige termijn van de ondertoezichtstelling verstrijkt in juni 2019. De GI heeft ter zitting opgemerkt dat zij op dit moment van mening is dat de hulpverlening daarna niet meer in gedwongen kader hoeft plaats te vinden. Het hof betwijfelt - ook nu de moeder alleen belast is met het gezag over de kinderen - of hulpverlening in vrijwillig kader toereikend is. Op dit moment is er immers nog geen sprake van een behoorlijke omgang tussen de vader en de kinderen en ook de informatieverstrekking van de moeder aan de vader met betrekking tot de kinderen verloopt nog niet zonder problemen. Bovendien is er ten aanzien van de moeder al gedurende een langere periode sprake van een zeer kwetsbaar evenwicht tussen haar draagkracht en draaglast. Door het stopzetten van de omgang door de vader draagt de moeder op dit moment alleen de zorg voor de kinderen. Aangezien [de minderjarige1] en [de minderjarige2] extra zorg nodig hebben heeft dit gevolgen voor de draagkracht van de moeder. Het hof wijst de vader erop dat de moeder ter zitting heeft verklaard dat - zakelijk weergegeven - zij het spijtig vindt dat de vader op dit moment geen zorgtaken voor de kinderen op zich neemt. De kinderen missen de vader en de moeder hoopt dat de vader weer terugkomt in het leven van de kinderen.

Hoofdverblijfplaats [de minderjarige3] (zaaknummer 200.234.833/01)

5.5

Gelet op de bovenstaande beslissing over het gezag, heeft de vader geen belang meer bij zijn verzoek om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige3] bij hem te bepalen. Het hof zal het verzoek van de vader in hoger beroep dan ook afwijzen en de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen. Ten overvloede overweegt het hof als volgt. In hetgeen de vader ter onderbouwing van zijn verzoek heeft aangevoerd, ziet het hof ook geen reden om te bepalen dat [de minderjarige3] als enige van de drie kinderen zijn hoofdverblijfplaats bij de vader dient te hebben. [de minderjarige3] woont, evenals [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , sinds het beëindigen van het co-ouderschap eind 2017, volledig - en voor die tijd al enige jaren om de week - bij de moeder. Er is dus al gedurende geruime tijd sprake van een bestendige situatie.

5.6

Tot slot wenst het hof het volgende op te merken. Het is nu aan de vader om in het belang van de kinderen en met acceptatie van de rol die de moeder als gezaghebbende ouder inneemt in het leven van de kinderen de samenwerking met de GI aan te gaan om waar mogelijk de banden met zijn kinderen te herstellen en te intensiveren. Het hof wijst de vader erop dat [de minderjarige1] ook bij hof heeft aangegeven dat zij haar vader mist, hem graag wil zien en (meer) kaartjes van hem wil ontvangen. [de minderjarige2] heeft verklaard dat hij wel openstaat voor begeleide omgang met de vader. De bijzondere curator heeft in dit verband geadviseerd - en het hof onderschrijft dit advies - om zo mogelijk eerst een gesprek te organiseren tussen [de minderjarige2] , de vader en de coach van [de minderjarige2] , zodat de kwesties besproken kunnen worden die [de minderjarige2] dwars zitten en de begeleide omgang goed voorbereid kan worden, zodat [de minderjarige2] niet opnieuw teleurgesteld wordt: de vader dient in dit kader mee te bewegen met de wensen van [de minderjarige2] . Ter zitting heeft de advocaat van de vader aangeboden om met de vader, de GI en eventuele andere betrokkenen om de tafel te gaan zitten om met elkaar in gesprek te gaan over de huidige problemen en zorgen. Het hof hoopt dat dit gesprek ook feitelijk zal plaatsvinden en dat dit een opening zal bieden voor contactherstel tussen de vader en de kinderen en positieve ontwikkelingen tot gevolg zal hebben.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als hierna te melden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

in de zaak met zaaknummer 200.234.833/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 28 november 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

in de zaak met zaaknummer 200.239.520/01

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 20 februari 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.M. Dölle en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 17 januari 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.