Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:428

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-01-2019
Datum publicatie
22-01-2019
Zaaknummer
21-003851-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:2295, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep ingesteld door het openbaar ministerie tegen de vrijspraak van de voorbedachten rade in eerste aanleg. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord. Het hof veroordeelt verdachte, rekening houdend met diens verminderde toerekeningsvatbaarheid, tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003851-16

Uitspraak d.d.: 18 januari 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 24 juni 2016 met parketnummer 08-910077-14 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (België) op [1990] ,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 maart 2018, 13 maart 2018, 30 mei 2018, 26 november 2018, voortgezet op 4 januari 2019 en – overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. W.H. Teusink, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft verdachte ter zake van medeplegen van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij toegewezen (met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente) met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte wegens ernstige en onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a, eerste lid, sub c Sv. In de eerste plaats heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte een kwetsbare verdachte is en dat de wijze waarop hij is verhoord in strijd is met artikel 29 Sv, artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 32 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie). Verdachte zou vanaf het moment dat hij op 27 september 2014 is aangehouden tot 15 december 2014 in beperkingen hebben verbleven, hetgeen een zodanig lange periode is dat dit een ontoelaatbare druk heeft gevormd. In voornoemde periode is verdachte veelvuldig gehoord, langdurig en soms meermalen per dag, waarbij de verhoorders geen rekening hebben gehouden met de invloed van verdachtes zwakbegaafdheid en de druk waaraan hij in mentaal opzicht is blootgesteld. Uit de Pro Justitia rapportage (psychologisch onderzoek) van drs. S. Labrijn (hierna: Labrijn) van 14 maart 2015 blijkt onder meer dat de intelligentie van verdachte op zwakbegaafd niveau wordt geschat, dat nieuwe informatie traag tot hem doordringt en dat hij zich dienend en afhankelijk opstelt en nauwelijks in staat is om voor zichzelf op te komen. Een en ander brengt met zich mee dat verdachte vragen van de verhoorders niet goed heeft begrepen, onder druk antwoord heeft gegeven op (gesloten) vragen en conclusies van de verhoorders heeft bevestigd, zodat moet worden geconcludeerd dat verdachte niet in vrijheid heeft kunnen verklaren. In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in verband met het uitblijven van een volledige (sporen)onderzoek op de plaats delict. Ten onrechte is geen onderzoek verricht naar sporen op de plaats waar volgens [zus slachtoffer] (de zus van [slachtoffer] ) verdachte, de tweede man en [slachtoffer] zouden hebben gestaan in het portiek en op de vluchtroute naar de achterzijde van de flat. Hierdoor zijn mogelijk ontlastende sporen voor verdachte niet aangetroffen en derhalve niet onderzocht, terwijl uit het dossier kan worden afgeleid dat deze sporen er zeker wel geweest kunnen zijn. Het handelen van het openbaar ministerie dient te worden aangemerkt als een doelbewuste, in ieder geval grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de verdediging gevoerde verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens ernstige en onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek geen doel treffen en het openbaar-ministerie zodoende ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Daartoe heeft hij betoogd dat de omstandigheid dat pas in een latere fase het intelligentieniveau van verdachte door de deskundige op een zwakbegaafd niveau is geschat, niet met zich meebrengt dat met terugwerkende kracht de verhoorders daarop acht hadden moeten slaan tijdens de verhoren. Van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv is geen sprake. Indien aangenomen zou worden dat hiervan wel sprake is, kan niet gezegd worden dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, nu verdachte op ieder willekeurig moment een nieuwe verklaring had kunnen afleggen.

Het oordeel van het hof

Het hof verwerpt – met de rechtbank – de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en neemt onderstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. De rechtbank overwoog:

“Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan slechts sprake zijn bij een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte te kort wordt gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Niet gebleken is dat verdachte verklaringen heeft afgelegd onder invloed van zodanige (ongeoorloofde) druk van de verhorende ambtenaren dat gezegd moet worden dat die verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd.

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Er is sprake van verdenking van een ernstig feit met meer verdachten waarin omvangrijk onderzoek heeft plaatsgevonden; daarbij zijn veel intensieve en langdurige verhoren, ook afhankelijk van en voortvloeiend uit de verklaringen van de verdachte, niet ongebruikelijk. Verdachte heeft, naar hij zelf heeft toegegeven, om hem moverende redenen ook meermalen over verschillende onderwerpen opzettelijk en weloverwogen onjuiste verklaringen afgelegd.

Verbalisant [verbalisant 1] , die met uitzondering van een kort verhoor op 14 oktober 2014 steeds deel uitmaakte van het verhoorkoppel, heeft de opleiding vkv (verhoor kwetsbare verdachten) afgerond en bij vrijwel alle verhoren is de raadsman van verdachte aanwezig geweest.

Dat verdachte zwakbegaafd is, was niet eerder bekend dan op 15 maart 2015 door de inhoud van het hiervoor genoemde rapport van 15 maart 2015 (het hof gaat uit van een kennelijke verschrijving en begrijpt: 14 maart 2015) en leidt ook overigens niet tot een ander oordeel.

Dat de verhoorders verdachte de suggestie hebben gedaan om geestelijke bijstand te zoeken en op 6 november 2014 wisten dat verdachte onder behandeling was van een psycholoog, noopt evenmin tot een andere conclusie.

Dat er sprake is geweest van het onthouden van medische bijstand is op geen enkele wijze gebleken. Artikel 32 van de Ambtsinstructie is daarom niet van toepasing.

Van een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte te kort wordt gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is derhalve niet gebleken.”

In aanvulling hierop overweegt het hof nog als volgt. Uit de Pro Justitia rapportage (psychologisch onderzoek) van Labrijn van 14 maart 2015 blijkt onder meer dat het totale intelligentiequotiënt (TIQ) van verdachte is geschat op 76 (met een betrouwbaarheidsinterval van 72-82). Ter terechtzitting in hoger beroep op 5 maart 2018 heeft Labrijn in het verlengde hiervan verklaard dat verdachte in de range van zwakbegaafdheid dichter bij een beneden gemiddeld niveau scoort, dan bij een zwakbegaafd niveau. Voorts heeft zij verklaard dat zij zich kan voorstellen dat de zwakbegaafdheid van verdachte aan anderen ontgaat. Het hof ziet – anders dan de verdediging – geen grond om aan te nemen dat verdachte in het geheel niet wist wat hij deed tijdens de verhoren. Daar komt bij dat bij veruit het merendeel van de verhoren de raadsman van verdachte aanwezig is geweest. Niet is gebleken dat de raadsman op enig moment tijdens de verhoren aandacht heeft gevraagd voor de (mogelijke) zwakbegaafdheid van verdachte of bezwaar heeft gemaakt tegen een (mogelijke) ongeoorloofde druk op verdachte.

De rechtbank vervolgde haar overwegingen met betrekking tot de ontvankelijkheid als volgt:

“Door en namens verdachte is verder aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat onvoldoende onderzoek is gedaan op de plaats delict, in het bijzonder in het portiek en op de vluchtroute naar de achterzijde van de flat, zodat sporen die mogelijk ontlastend zijn voor verdachte niet zijn ontdekt.

Bovendien heeft de officier van justitie ten onrechte geen gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om opdracht te geven tot dat onderzoek en heeft hij ten onrechte de indruk gewekt dat de informatie in het aanvullend proces-verbaal van 18 juni 2015 al in een eerder stadium aan de rechtbank en de verdediging ter kennis was gebracht.

In dit verband heeft de raadsman ook aangevoerd dat de bemonstering van gebruikerssporen van het pistool (het hof begrijpt: het gas-alarmpistool) dat in de auto van verdachte is aangetroffen, is zoekgeraakt.

Het verweer treft geen doel. De door de verdediging genoemde feiten en omstandigheden dwingen naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat sprake is van een ernstige schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte te kort wordt gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces.”

Het hof overweegt in aanvulling hierop nog dat niet aannemelijk is geworden dat er mogelijk ontlastende sporen voor verdachte zouden zijn geweest. De stelling van de verdediging dat het aanvullende proces-verbaal van [verbalisant 2] doet vermoeden dat die sporen “er wel zeker geweest kunnen zijn”, is daarvoor onvoldoende.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 27 september 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en – al dan niet – met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het (impliciet primair) tenlastegelegde – kort gezegd: het medeplegen van moord.

In algemene zin heeft de advocaat-generaal zich ten aanzien van de door verdachte afgelegde verklaringen op het standpunt gesteld dat die verklaringen met de nodige behoedzaamheid moeten worden bekeken, maar niet van het bewijs uitgesloten hoeven te worden, daar waar onderdelen van die verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.

De advocaat-generaal heeft betoogd – met verwijzing naar de overwegingen in het vonnis van de rechtbank – dat vastgesteld kan worden dat verdachte en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) samen van Bergen op Zoom naar Enschede zijn gereisd, zij beiden op de plaats van de levensberoving aanwezig zijn geweest en zij vervolgens samen weer zijn teruggereisd naar Bergen op Zoom en zich onderweg hebben ontdaan van voorwerpen die op hun betrokkenheid bij het levensdelict wijzen. Dat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld wie van beiden geweld heeft of hebben toegepast, staat gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt aan een bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg.1 Daarmee staat vast dat verdachte en [medeverdachte 1] zich ten minste schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van doodslag. Nu voorts sprake is geweest van een gestructureerde planning van de levensberoving (in elk geval vanaf het moment dat de voorzieningenrechter aan [medeverdachte 2] de verplichting oplegde om terug naar Enschede te verhuizen), de levensberoving conform de gemaakte plannen tot uitvoering is gebracht en van eventuele contra-indicaties die in de weg zouden kunnen staan aan een bewezenverklaring van de voorbedachten rade niet is gebleken, kan het bestanddeel voorbedachten rade eveneens bewezen worden. De door de rechtbank in haar vonnis genoemde contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachten rade staan – indien hiervan al sprake zou zijn – aan een veroordeling van moord niet in de weg.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging.

In de eerste plaats heeft de raadsman aangevoerd dat alle door verdachte afgelegde verklaringen en de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten van het bewijs dienen te worden uitgesloten in verband met schending van artikel 29 Sv. Dat er een advocaat bij de verhoren aanwezig is geweest, maakt dat niet anders. Na uitsluiting van de verklaringen van verdachte en de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten resteert enkel de suggestie van derden met betrekking tot de moordplannen en de eventuele uitvoering daarvan door verdachte, hetgeen onvoldoende is voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Dit geldt temeer nu geen van de bewijsmiddelen – ook de aanwezigheid van verdachte op de plaats delict – uitsluit dat de verdachte in Enschede was om [slachtoffer] een pak slaag te geven en een ander vervolgens, zonder voorafgaand overleg met verdachte, heeft besloten [slachtoffer] te doden.

In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat waaruit kan worden afgeleid dat verdachte het plan had om [slachtoffer] te vermoorden of te doden. Uit het dossier kan enkel worden afgeleid dat het opzet van verdachte was gericht op het “bedreigen” en/of “bijeen slaan” van [slachtoffer] . Niet kan worden vastgesteld dat verdachte de dood van [slachtoffer] heeft gewild, noch heeft hij kunnen voorzien dat de dood van [slachtoffer] zou volgen. Verdachte is enkel getuige geweest van het neersteken van [slachtoffer] door zijn mededader en heeft zich niet gedistantieerd en was daartoe ook niet gehouden, omdat hij niet wist dat het oogmerk van zijn mededader was gericht op de dood van [slachtoffer] en dit oogmerk op een voor verdachte onverwacht moment tot uitvoering is gebracht door de mededader. Verdachte dient derhalve wegens het ontbreken van (voorwaardelijk) opzet te worden vrijgesproken.

De feiten en omstandigheden

Gelet op de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat het hof – op hoofdlijnen overeenkomstig de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden – uit van de hieronder genoemde feiten en omstandigheden.

[slachtoffer] en [medeverdachte 2] hebben een relatie gehad waaruit op 1 mei 2013 een dochtertje genaamd [naam dochter] is geboren. [slachtoffer] en [medeverdachte 2] woonden samen aan de [adres] te Enschede. Op enig moment – in april 2014 – is de relatie tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 2] geëindigd. Begin juli 2014 is [medeverdachte 2] met [naam dochter] bij haar moeder – [medeverdachte 3] – aan de [adres] in Bergen op Zoom gaan wonen. Omdat [slachtoffer] het niet eens was met een permanent verblijf van [naam dochter] buiten Enschede, heeft hij in augustus 2014 een kort geding aangespannen tegen [medeverdachte 2] .

Medio augustus 2014 hebben [medeverdachte 2] en verdachte voor het eerst contact met elkaar en spreken zij samen af. Uit dit contact komt een liefdesrelatie voort.

Op 4 september 2014 is in de Rechtbank te Breda het door [slachtoffer] aangespannen kort geding behandeld. Bij vonnis van 18 september 2014 heeft de voorzieningenrechter in kort geding bepaald dat [medeverdachte 2] met [naam dochter] binnen een week na betekening van het vonnis diende terug te keren naar Enschede op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij daarin in gebreke zou blijven.

[medeverdachte 2] heeft in de week na dat vonnis meermalen gezegd dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was. Van dergelijke uitlatingen is ook de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] , verdachte, getuige geweest.

[naam] (hierna: [naam] ) – een vriendin van [medeverdachte 2] – heeft verklaard dat zij heeft gehoord dat [medeverdachte 2] zei dat “ze wilde dat [slachtoffer] dood was” en verdachte hier aanvankelijk eigenlijk niets op zei, maar verdachte toen [medeverdachte 2] dit voor de derde of vierde keer zei zelf zei dat “het inderdaad wel het beste zou zijn, dat [medeverdachte 2] dan overal van af zou zijn”. Voorts heeft [naam] verklaard dat [medeverdachte 2] op dinsdagavond opnieuw zei dat ze vond dat [slachtoffer] “gewoon dood moest”. Nadat [naam] had gezegd dat [medeverdachte 2] haar dochter daarmee haar vader zou afnemen en zij vroeg wat [medeverdachte 2] zou doen als zij door de politie zou worden aangehouden, zei [medeverdachte 2] dat het dan “janken, janken, janken zou worden of gewoon haar hoofd koel houden”.

Verdachte heeft in de week na het vonnis diverse personen benaderd met het verzoek een wapen te leveren of een “gevaarlijke man”. Daarbij wordt onder andere gesproken over “een blaffer met een demper”, “pang pang” en “valse nummerplaten”. Voorts maakt verdachte op 19 september 2014 een notitie in de mobiele telefoon die op dat moment bij hem in gebruik is met de inhoud: “ [adres] , [plaats] [slachtoffer] Turk”.

Op 21 september 2014 wordt in de avond op de mobiele telefoon die op dat moment in gebruik is bij verdachte op Google gezocht naar “vermommings masker te koop”.

Op 22 september 2014 tussen 11.00 uur en 15.45 uur heeft verdachte de volgende sms’jes naar [medeverdachte 2] gestuurd:

“stuur eens het nummer van die kutturk” en

“in welk casino zit hij schatke als ik het regel is er geen weg trg en moet je beseffen dat als [naam dochter] vraagt later achter haar echte vader hoop ik dat je ermee kunt leven eh” en

“wat ga je haar dan wijsmaken” en

“wat ga je haar dan wijsmaken” en

“en we zullen er 9 van de 10 900 euro voor moeten neerleggen heb ik al bij een paar mensen gehoord” en

“je wilt dan dat ik het regel”.

Diezelfde dag stuurt [medeverdachte 2] een sms-bericht aan verdachte met de inhoud: “Daar weet je zelf het antwoord op maar sms’en is niet zo handig nu schat”. Waarop verdachte reageert met het bericht: “Oke en dan verwijder je die berichten maar”.

Op 23 september 2014 zijn verdachte en [medeverdachte 2] samen met [naam] naar Rotterdam en Bergen op Zoom gegaan. In Rotterdam zijn diverse kledingstukken (een donker blauwe trui met lichte letters erop en een lichtgrijze joggingbroek), een zwart petje en donkere schoenen gekocht voor verdachte. [medeverdachte 2] en/of verdachte hebben aan [naam] hebben laten weten dat zij over de aankoop van deze goederen niet mocht praten met haar vriend [naam] (hierna: [naam] ). In Bergen op Zoom is diezelfde dag een messenset bij de Bergse Dumphal gekocht. [medeverdachte 2] heeft deze messen contant betaald. In een carnavalswinkel in Bergen op Zoom heeft verdachte een masker uitgezocht, dat vervolgens door [medeverdachte 2] is afgerekend.

Op 24 september 2014 zijn verdachte en [medeverdachte 2] samen naar Enschede gereden in de auto van een vriendin van [medeverdachte 2] – [naam] – omdat de auto die in gebruik was bij verdachte te veel op zou vallen in verband met de Belgische kentekenplaten. In het Diabelli II-onderzoek is nader onderzoek verricht naar wat er die dag precies is gebeurd in Enschede. Uit het onderzoek naar het navigatiesysteem waar die dag gebruik van werd gemaakt door [medeverdachte 2] en verdachte blijkt dat zij niet alleen twee keer langs de voorzijde van de woning van [slachtoffer] zijn gereden, maar dat zij ook langs de achterzijde zijn gereden en daar mogelijk zeer langzaam hebben gereden of kort hebben stilgestaan. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat [medeverdachte 2] en verdachte in totaal iets meer dan een uur in Enschede zijn geweest. In die tijd is er een bezoek gebracht aan een telefoonwinkel gevestigd aan de [adres] te Enschede en aan de Praxis (van 15.15.48 uur tot en met 15.31.21 uur). In de telefoonwinkel zijn twee Lebara simkaarten gekocht. Bij de Praxis zijn een schroevendraaier, montagetape, een schroefverwijderaar en een liter terpentine gekocht.

Op 25 september 2014 heeft er in de avonduren sms-contact plaatsgevonden tussen de telefoon die in gebruik was bij verdachte en de telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 1] . Met de telefoon die in gebruik was bij verdachte is naar de telefoon die in gebruik was bij [medeverdachte 1] ge-sms’t: “kun jij aan een pang pang geraken of gevaarlijke mannen”. Vervolgens is er op de telefoon van verdachte een sms-bericht binnengekomen met de tekst: “ja bel is man” en “ik heb pang pang hier bij mij liggen en zware manne ben ik en ken er veel dus bel is makker wat is er aan de hand”. Hierna heeft er tussen deze toestellen een belcontact van 228 seconden plaatsgevonden.

Op 26 september 2014 heeft verdachte ’s ochtends bij de Bergse Dumphal onder andere een mes met/in een foedraal gekocht. Uit diverse verklaringen volgt dat verdachte en [medeverdachte 1] een groot deel van die dag samen hebben doorgebracht. [medeverdachte 2] heeft verdachte en [medeverdachte 1] omstreeks 13.00 uur/13.30 uur samen in de woning van haar moeder – [medeverdachte 3] – in Bergen op Zoom gezien. Rond 16.00 uur zijn verdachte en [medeverdachte 1] bij [naam] geweest. Rond 19.00 uur zijn zij vervolgens samen vertrokken vanaf de woning van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in Bergen op Zoom in de zwarte Volkswagen Golf van de moeder van verdachte.

Uit onderzoek van de laptop die is aangetroffen in de woning van [medeverdachte 3] in Bergen op Zoom blijkt dat er op 26 september 2014 omstreeks 13.32 uur via Google Maps is gezocht op “Bergen op Zoom” en “Enschede”.

Op 27 september 2016 omstreeks 01.20 uur is [naam] (hierna: [naam] ), die woonachtig in dezelfde flat als [slachtoffer] , wakker geworden van autoportieren die meerdere keren hard werden dichtgeslagen. [naam] heeft aan de achterzijde van de flat, ter hoogte van haar balkon, een zwarte of donkerkleurige Volkswagen Golf hatchback of daarop lijkende auto met haaientand-/haaienvinantenne op het dak en sportvelgen gezien. Er stonden twee jongens of mannen bij de auto die bij de achterbank van de auto bezig waren alsof ze de achterbank opklapten of wat met de voorstoel deden. De mannen waren opvallend nerveus, aldus [naam] . Ze keken steeds schichtig om zich heen en keken voorts omhoog naar de flatwoningen. Ze praatten niet met elkaar, maar maakten elkaar dingen duidelijk met hun handen. Op een gegeven moment liepen zij om de flat heen. De ene man was ongeveer 20 jaar oud. Hij droeg donkere kleding, een donker shirt met glitters er op en een zwarte baseballpet. De andere man had een blanke huidskleur. Hij droeg een lichtgekleurde joggingbroek en een lichtgekleurd shirt met lange mouwen. Ook hij droeg een zwarte baseballpet.

Omstreeks 01.15/01.20 uur heeft [getuige 1] – die op dat moment zijn hond uitliet – gezien dat er bij de achterzijde van de flat twee, hem onbekende personen, naast een donkerkleurige auto stonden, waarvan het portier aan de passagierszijde openstond. Kort daarop heeft hij de mannen voor de flat aan de [adres] in Enschede zien staan, nabij de flat van de hem bekende [slachtoffer] . Hij heeft gehoord dat beide mannen fluisterden. Na ongeveer vijf à zes minuten na terugkomst in zijn woning hoorde hij geschreeuw uit de richting van de voorzijde van de flat. Vanuit zijn slaapkamerraam heeft hij gezien dat de door hem genoemde auto met hoge snelheid en gierende banden vanaf de oprit wegreed in de richting van de [adres] .

Op 27 september 2014 om 01.44 uur heeft getuige [getuige 2] een laatste bericht van [slachtoffer] ontvangen via Facebook. Daarna heeft zij geen bericht meer van hem ontvangen.

In de nacht van 26 op 27 september 2014 heeft [zus slachtoffer] – de zus van [slachtoffer] – heel vaak de deurbel horen gaan en heeft zij gehoord dat [slachtoffer] via de intercom sprak met iemand die vroeg wie daar was. Vervolgens heeft zij hem naar zijn slaapkamer horen gaan, waarna de deurbel opnieuw ging en zij hem via de intercom heeft horen praten. [slachtoffer] zei: “Ik ken je niet, ik kom naar beneden”. Ze heeft gehoord dat [slachtoffer] naar beneden liep. Ze is na ongeveer vijf minuten naar beneden gelopen. Toen zij de trap afkwam en richting de toegangsdeur van het portiek keek, zag zij [slachtoffer] met zijn rug rechts tegen de muur. Zij heeft een persoon die zij herkende als de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] heel dicht voor [slachtoffer] zien staan. Zij heeft gezien dat die nieuwe vriend breed stond, alsof hij [slachtoffer] wat aan wilde doen. Zij zag aan het gezicht van [slachtoffer] dat hij angstig was. [zus slachtoffer] vond de situatie dreigend en was bang. Zij heeft gezien dat een andere man die zij niet kende, de deur openhield. Hij stond half in de deuropening en half in de hal. Deze man stond heel dicht bij de vriend van [medeverdachte 2] . [slachtoffer] heeft naar haar toe bevestigd dat één van die mannen de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] was en heeft haar in het Turks gevraagd of zij de politie wilde bellen. Toen zij de trap op rende om de politie te bellen, hoorde zij haar broer schreeuwen en meermalen “au” roepen. Zij is daarop direct naar beneden gerend en zag dat [slachtoffer] buiten op straat in elkaar zakte. Tijdens het verhoor van [zus slachtoffer] is aan haar een foto getoond van verdachte. Zij heeft de persoon op deze foto herkend als de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] , één van de mannen die zij had gezien in het portiek. Tijdens de Foslo-confrontatie bij de politie heeft [zus slachtoffer] [medeverdachte 1] niet herkend, echter na afloop van deze confrontatie heeft zij verklaard dat de persoon op foto 4 (op deze foto was [medeverdachte 1] te zien) veel leek op de persoon die zij in de nacht van 26 op 27 september 2014 in de hal van haar flatwoning heeft gezien en waarover zij heeft verklaard. Tijdens de pro forma behandeling op 25 maart 2015 bij de rechtbank Overijssel, locatie Almelo heeft [zus slachtoffer] gezegd dat zij [medeverdachte 1] herkende als de man die zij samen met de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] in de nacht van 26 op 27 september 2014 in de hal van haar flatwoning heeft gezien. Verdachte heeft bekend dat hij één van de mannen was in de nacht van 26 op 27 september 2014 in het portiek bij de woning van [slachtoffer] in Enschede. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij [slachtoffer] op enig moment heeft vastgepakt.

[getuige 3] heeft om 01.51 uur het alarmnummer gebeld, nadat [zus slachtoffer] voor zijn auto was gesprongen en hem toeschreeuwde de hulpdiensten te waarschuwen.

Om 01.53 uur heeft de politiemeldkamer aan de politie-eenheid de opdracht gegeven om te rijden naar de [adres] in Enschede, omdat zich daar een steekpartij had voorgedaan.

Omstreeks 01.57 uur zijn de eerste hulpdiensten ter plaatse gearriveerd. Door hen werd een hevig bloedende man (het hof begrijpt: [slachtoffer] ), deels liggend op een parkeervak en deels op de rijbaan van de [adres] , ter hoogte van de portiekingang van het flatgebouw [adres] te Enschede aangetroffen. Omstreeks 02.10 uur werd door een van de medewerkers van de ambulancedienst vastgesteld dat [slachtoffer] was overleden.

Bij de sectie op het levenloze lichaam van [slachtoffer] is gebleken dat er sprake was van twee steekwonden: een steekwond links voor aan de borst met daarmee samenhangend een steekkanaal waarin de linkerlong en het hart waren geperforeerd en een steekwond links aan de buik met oppervlakkige perforatie van de buikwand zonder perforatie van de inwendige organen. Arts en patholoog A. Maes van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft geconcludeerd dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van een bij leven opgelopen steekwond links aan de borst. Het steekkanaal van deze verwonding links aan de borst loopt van links naar rechts en iets voetwaarts (bezien vanuit de rugligging van het slachtoffer) en voorwaarts.

Verdachte en [medeverdachte 1] zijn op 27 september 2014 omstreeks 04.00/04.30 uur weer in de woning in Bergen op Zoom teruggekeerd. Verdachte heeft aan [medeverdachte 2] gevraagd of het goed was dat [medeverdachte 1] zou blijven slapen. [medeverdachte 2] heeft hiermee ingestemd, waarna er voor [medeverdachte 1] een slaapplek is ingericht op zolder.

Op 27 september 2014 vertrokken verdachte en [medeverdachte 1] naar België. Om 11.19 uur stuurde verdachte een sms-bericht naar [medeverdachte 2] met de tekst: “Schat zijn er al lichtjes gepasseerd daar?”. Diezelfde dag omstreeks 14.20/14.22 uur heeft verdachte sms-berichten aan [medeverdachte 2] gestuurd met de tekst: “Schatje kunnen we 250 euro regelen voor [medeverdachte 4] ” en “Want die vraagt da”. Hierop heeft [medeverdachte 2] om 14.23 uur een sms aan verdachte gestuurd met de tekst: “Is goed schatje waar ben je nu?”.

Diezelfde dag omstreeks 17.00 uur zijn verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in Bergen op Zoom aangehouden door de politie. Zij zaten alle drie in de hiervoor genoemde zwarte Volkswagen Golf. Deze auto had wielen die voorzien waren van sportvelgen. Op het dak van de auto was een antenne aangebracht in de vorm van een haaientand/haaienvin. Ten tijde van de aanhouding droeg [medeverdachte 1] een zwart T-shirt met daarop glinsterende chroomkleurige punten die tezamen een afbeelding vormden.

Door de politie is nader onderzoek verricht naar voornoemde zwarte Volkswagen Golf. In de auto werd onder andere een handschreven briefje aangetroffen met de tekst: “rondhoren voor een blaffer” en “vingerafdrukken vijlen”. In de kofferbak werd in de ruimte voor het reservewiel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aangetroffen.

Op aanwijzen van verdachte zijn er diverse goederen aangetroffen. Bij de Parkeerplaats Struik aan de A1 zijn twee zwarte baseballpetjes, waarvan één petje met het opschrift ‘Special Forces’, één gele huishoudhandschoen en twee messen in een sloot en in een weiland aangetroffen. Bij de parkeerplaats Varakker aan de A15 zijn in een vuilniszak – die in de boom hing in de bosjes – een mes, een wit masker, een valse Belgische kentekenplaat, een handdoek, een blauwe hoodie met het opschrift ‘Red bridge NYC’, een zwart/wit gebreide (kol)trui, een fles met terpentine en een plastic tas van de Praxis aangetroffen. Bij de Carwash in de gemeente Schelle (in België) zijn in een afvalcontainer in een zwarte vuilniszak onder andere een zwarte joggingbroek met witte strepen op de zijkant, een grijze joggingbroek, een grijs T-shirt, een paar schoenen en sokken, een paar grijze sokken en een verpakking van een Lebara-simkaart aangetroffen. In diezelfde afvalcontainer werd in een stoffen tas een gas-alarmpistool aangetroffen.

Voornoemde goederen zijn door het team Forensische Opsporing onderzocht op onder meer biologische sporen. Deze sporen en sporendragers zijn voor nader onderzoek overgedragen aan het NFI. Door middel van vergelijkend DNA-onderzoek is op de binnenrand van de zwarte baseballpet met het opschrift ‘Special Forces’ (AAHJ4745NL#01) een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.2 Op de binnenrand van de andere zwarte baseballpet (AAHF9240NL) is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen, waar het DNA-profiel van [medeverdachte 1] in past, maar waarvan de matchkans niet is berekend. Op de binnenzijde van de zwarte leren handschoenen (AAHJ4744NL#01 en #02) zijn DNA-sporen aangetroffen die overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Ook de buitenzijde van deze zwarte leren handschoenen is bemonsterd (AAHJ4744Nl #03 tot en met #09). Deze bemonstering bevat celmateriaal van drie personen. De deskundige van het NFI heeft gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] en verdachte en een willekeurig persoon, dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van verdachte en twee willekeurige onbekende personen. Het hof leidt hieruit af dat op de buitenzijde van de zwarte leren handschoenen celmateriaal is aangetroffen van zowel [slachtoffer] als van verdachte.

Aan de binnenzijde van de aangetroffen gele huishoudhandschoen (AAHJ4748NL#01) is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal drie personen. De deskundige van het NFI heeft gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van [medeverdachte 2] en twee onbekende personen, dan wanneer de monstering celmateriaal bevat van drie willekeurige onbekende personen. Voorts heeft de deskundige gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van [medeverdachte 1] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van drie willekeurige onbekende personen. Het hof leidt hieruit af dat aan de binnenzijde van de gele huishoudhandschoen celmateriaal is aangetroffen van zowel [medeverdachte 1] als van [medeverdachte 2] . Op het lemmet van een van de messen die is aangetroffen op de parkeerplaats Stuik langs de A1 (AABW5351NL#01) is bloed aangetroffen, waaruit een DNA-mengprofiel is verkregen. De deskundige van het NFI heeft hierover gerapporteerd dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] en een onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering celmateriaal bevat van twee willekeurige onbekende personen. Het hof leidt hieruit af dat het bloed dat is aangetroffen op het lemmet van dit mes DNA-materiaal bevat van zowel [slachtoffer] als minimaal een andere persoon. Op de blauwe hoodie die is aangetroffen in de groenstrook van de parkeerplaats Varakker langs de A15 is aan de achterzijde bloed aangetroffen. Vanuit de bloedbemonstering (AAHJ4738NL#01) is een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] , met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Daarnaast is deze blauwe hoodie onderzocht op dragersporen. Zowel vanuit de binnenzijde van de kraag (AAHJ4738NL#02) als vanuit de binnenzijde van het linker manchet (AAHJ4738NL#03) van deze trui is een DNA-profiel verkregen dat overeenkomsten vertoont met het DNA-profiel van verdachte, met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Op de zwart/wit gebreide trui zijn twee DNA-mengprofielen aangetroffen. De eerste bemonstering (AAHJ4736NL#01) bevat celmateriaal waaruit een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen is verkregen dat overeenkomt met de DNA-profielen van verdachte en [medeverdachte 2] . De tweede bemonstering (AAHJ4736NL#02) bevat celmateriaal waaruit een DNA-mengprofiel is verkregen van minimaal drie personen dat overeenkomt met de DNA-profielen van [medeverdachte 1] , verdachte en minimaal één onbekende persoon. De matchkansen hiervan zijn niet berekend.

Op de grijze joggingbroek die is aangetroffen bij de Carwash in België is op de tailleband (AAHP5127NL#01) een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomst met dat van verdachte, met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Op deze broek werden ook diverse bloedgelijkende sporen waargenomen. Vanuit de bloedbemonstering aan de voorzijde van deze broek is ter hoogte van de linker broekzak (AAHP5127NL#02 en AAHP5129NL#01) een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard. Vanuit de bloedbemonstering in de linker broekzak van deze grijze joggingbroek (AAHP5130#01 en AAHP5131#01) is een DNA-mengprofiel verkregen. Zowel het DNA-profiel van verdachte als dat van [slachtoffer] past binnen dit mengprofiel. De matchkans hiervan is niet berekend. Vanuit de tailleband (AAHP5130NL#01) van de zwarte joggingbroek die eveneens aldaar is aangetroffen is een DNA-mengprofiel verkregen. De DNA-profielen van [medeverdachte 1] en verdachte passen binnen dit mengprofiel. De matchkans is hiervan niet berekend.

Daarnaast is bij het onderzoek door de politie in de omgeving van de [adres] aan de achterzijde van de flat van [slachtoffer] ter hoogte van de achteruitgang van het portiek een foedraal (van een mes) aangetroffen. Van de randen van dit foedraal (AAGV6560NL#01) werd een DNA-profiel verkregen dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte, met een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard.

Twee van de aangetroffen messen zijn soortgelijk aan de drie messen die in de keukenla van [medeverdachte 3] zijn aangetroffen, terwijl soortgelijke messen in sets van vijf stuks worden verkocht bij de hiervoor genoemde Bergse Dumphal. De Bergse Dumphal verkoopt ook messen in foedraal die soortgelijk zijn aan het bebloede mes dat bij de parkeerplaats Struik langs de A1 is aangetroffen en de foedraal die is aangetroffen achter de flat waar [slachtoffer] woonde.

Het oordeel van het hof

De door verdachte afgelegde verklaringen

Zowel naar aanleiding van de gevoerde verweren als ambtshalve overweegt het hof met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van de door de verdachte afgelegde verklaringen als volgt.

Verdachte heeft veelvuldig en zeer uitgebreid verklaard. Het hof stelt vast dat verdachte op vele punten inconsistent en op onderdelen – naar eigen zeggen – zelfs (bewust) leugenachtig heeft verklaard aangaande het tenlastegelegde en zijn eigen rol daarin. Gelet hierop dient naar het oordeel van het hof met de nodige behoedzaamheid met deze verklaringen te worden omgegaan. Dit betekent echter niet dat de verklaringen van verdachte in zijn geheel terzijde moeten worden geschoven. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van verdachte in ieder geval gebruikt kunnen worden voor het bewijs, indien en voor zover die verklaringen voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen, waarbij in voorkomende gevallen een uitzondering kan worden gemaakt voor ondergeschikte onderdelen van de tenlastelegging.

Medeplegen

Juridisch kader medeplegen

Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.3 De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiele – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. Verder geldt dat de bijdrage van de medepleger in de regel zal worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd.4

Beoordeling door het hof

Het hof overweegt – op hoofdlijnen: met de rechtbank – als volgt.

Kort nadat [medeverdachte 2] en verdachte op de hoogte waren geraakt van de inhoud van het kort-gedingvonnis van 18 september 2014 is er meermalen door [medeverdachte 2] gezegd dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was. Verdachte is niet alleen getuige geweest van deze uitlatingen, maar heeft ook bevestigd dat dat beter zou zijn. Daarnaast blijkt uit sms-contacten tussen [medeverdachte 2] en verdachte (in het bijzonder het hiervoor genoemde contact op 22 september 2014) dat er iets met [slachtoffer] moest gebeuren. De dag erna hebben [medeverdachte 2] en verdachte inkopen gedaan en onder andere zijn kleding, een masker en een vijfdelige messenset gekocht. Weer een dag later zijn verdachte en [medeverdachte 2] naar Enschede gereden en hebben zij vóór en – heel langzaam – achter langs de woning van [slachtoffer] gereden en/of daar stilgestaan. Op 26 september 2014 heeft verdachte nog een mes met bijbehorend foedraal gekocht.

Verder is verdachte op zoek is gegaan naar “(vuur)wapens” en/of ‘gevaarlijke mannen’ en heeft hij in dat verband ook diverse mensen benaderd, waaronder [naam] , [naam] en [medeverdachte 1] . Zo heeft verdachte op 25 september 2014 contact opgenomen met [medeverdachte 1] en hem per sms-bericht gevraagd om “een pang pang” en/of “gevaarlijke mannen”. Verdachte heeft verklaard dat hij in de avond van 26 september 2014 in het gezelschap van [medeverdachte 1] uit de woning van (de moeder van) [medeverdachte 2] in Bergen op Zoom naar Enschede is vertrokken om daar om 04.00 uur à 04.30 uur weer terug te keren.

Op 27 september 2014 is kort na 1.44 uur aan [slachtoffer] in of vlakbij het portiek van zijn woning een dodelijke steekwond toegebracht. Verdachte was naar het oordeel van het hof op dat moment in of vlakbij het portiek aanwezig. Verdachte heeft bij herhaling verklaard dat hijzelf één van de twee mannen is die door [zus slachtoffer] is gezien in het portiek van de flat in de nacht van 26 op 27 september 2014. Verdachte heeft vanaf vrijwel het begin van zijn verhoren bij de politie verklaard dat hij die nacht in gezelschap was van [medeverdachte 1] .

Na het steken van [slachtoffer] heeft verdachte zich op de weg terug naar Bergen op Zoom en in België ontdaan van diverse voorwerpen. Op aanwijzen van verdachte zijn op parkeerplaatsen langs de snelweg in Nederland en bij een carwash in België diverse voorwerpen gevonden. Daartoe behoorden onder meer de die week gekochte kleding van verdachte, een masker en messen waarvan er twee soortgelijk zijn aan de messen zoals die behoren tot vijfdelige messensets zoals er eerder een door [medeverdachte 2] was aangeschaft (en waarvan er drie in de keukenla van [medeverdachte 3] zijn aangetroffen) en één mes – met daarop bloed van [slachtoffer] – gelijkend op het op 26 september 2014 door verdachte gekochte mes met foedraal. Een soortgelijk foedraal – met daarop DNA van verdachte – is achter de flat van [slachtoffer] in Enschede aangetroffen. De ochtend ná de steekpartij te Enschede heeft verdachte tegen [medeverdachte 3] gezegd iets voor haar dochter te hebben gedaan en heeft sms-verkeer tussen verdachte en [medeverdachte 2] over een betaling aan [medeverdachte 1] plaatsgevonden, waarmee [medeverdachte 2] instemde.

Voor de vraag of verdachte als medepleger van het delict kan worden aangemerkt, acht het hof in het licht van het voorgaande het volgende van belang. Verdachte heeft herhaaldelijk ontkend dat hij één of meer mes(sen) heeft meegenomen naar de plaats delict en heeft voorts verklaard dat hij niet wist dat er door [medeverdachte 1] één of meer mes(sen) waren meegenomen naar Enschede. Het hof acht die verklaring niet geloofwaardig, enerzijds door zijn aanwezigheid of betrokkenheid bij de aanschaf van messen die soortgelijk zijn aan de na de dood van [slachtoffer] op zijn aanwijzen gevonden messen met de eerder al beschreven eigenschappen en anderzijds doordat [medeverdachte 1] zich nu juist bij verdachte meldde na zijn vraag naar, samengevat, ‘gevaarlijke mannen en wapens’. Vaststaat dat [medeverdachte 1] door verdachte is benaderd in zijn zoektocht naar wapens en/of ‘gevaarlijke mannen’ en dat [medeverdachte 1] hierop is ingegaan en zich bij verdachte heeft aangeboden als ‘gevaarlijke man’, dat [slachtoffer] tweemaal is gestoken en door de steekwond links aan de borst is overleden, dat verdachte en [medeverdachte 1] ten tijde van het incident ter plaatse aanwezig waren, dat er op aanwijzen van verdachte drie messen zijn aangetroffen, waarbij het hof op basis van de forensische onderzoeksresultaten concludeert dat op een van die messen bloed is aangetroffen van [slachtoffer] en op de randen van het foedraal – passend bij een soortgelijk mes – dat aan de achterzijde van de flat is aangetroffen DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen. Daarnaast zijn twee van de messen die op aanwijzen van de verdachte zijn aangetroffen soortgelijk aan de drie messen die in de keukenla van [medeverdachte 3] zijn aangetroffen, terwijl verdachte in die periode met enige regelmaat in die woning bij [medeverdachte 2] aanwezig was en aldaar dan (met haar) verbleef. Uit onderzoek is gebleken dat dergelijke messen in sets van vijf worden verkocht bij de Bergse Dumphal in Bergen op Zoom, waar op 23 september 2014 in aanwezigheid van verdachte door [medeverdachte 2] een dergelijke messenset gekocht is. Het andere mes dat op aanwijzen van verdachte is aangetroffen en waarop – zoals hiervoor genoemd – bloed is aangetroffen van [slachtoffer] is, evenals het foedraal waarop aan de randen DNA-materiaal is aangetroffen van verdachte, soortgelijk aan een mes met foedraal dat ook bij de Bergse Dumphal in Bergen op Zoom te koop wordt aangeboden, terwijl verdachte verklaard heeft dat hij een dergelijk mes met foedraal op 26 september 2014 bij de Bergse Dumphal in Bergen op Zoom heeft gekocht. Het hof leidt hieruit af dat bij verdachte ten tijde van het tenlastegelegde wetenschap bestond over de aanwezigheid van één of meer messen.

Vervolgens rijst de vraag wat de rol van verdachte is geweest bij de uitvoering van het misdrijf. Verdachte heeft daarover herhaaldelijk (zowel tijdens de verhoren bij de politie als tijdens de reconstructie) verklaard dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt. De verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt vindt naar het oordeel van het hof voldoende steun in de verklaring van [zus slachtoffer] inhoudende dat zij zag dat de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] heel dicht op [slachtoffer] stond en er sprake was van een bedreigende situatie. Dat sprake was van een bedreigende situatie wordt voorts ondersteund door het feit dat [slachtoffer] aan [zus slachtoffer] heeft gevraagd om de politie te bellen. De verdachte heeft ontkend dat hij degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken. Volgens hem was het [medeverdachte 1] die – uit het niets – twee messen uit de binnenzak van zijn jas tevoorschijn haalde en [slachtoffer] met deze messen vervolgens in de buik en de borst heeft gestoken. [medeverdachte 1] heeft iedere betrokkenheid bij het tenlastegelegde ontkend. Het hof komt tot de conclusie dat enkel kan worden vastgesteld dat [slachtoffer] tweemaal is gestoken, kort nadat [zus slachtoffer] zich had omgedraaid en naar boven liep om de politie te bellen. Zij heeft enkele momenten later [slachtoffer] horen schreeuwen, hem “au” horen roepen en niet veel later gezien dat hij op straat in elkaar was gezakt. De verklaring van verdachte dat [medeverdachte 1] degene is geweest die [slachtoffer] tweemaal heeft gestoken, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in andere bewijsmiddelen. Ook hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over de minuscule bloedspatjes die zijn aangetroffen op het rugpand van de trui die verdachte ten tijde van het tenlastegelegde aan had, geeft hierover naar het oordeel van het hof onvoldoende uitsluitsel.

Voor het scenario dat verdachte zelf degene is geweest die de dodelijke steek heeft toegebracht vindt het hof eveneens onvoldoende directe en objectieve bewijsmiddelen in het dossier aanwezig.

Dit brengt met zich mee dat naar het oordeel van het hof op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld wie het dodelijke letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht. Enkel kan worden vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte 1] kort voor de dood van [slachtoffer] beiden aanwezig waren op/nabij de plaats delict, dat op initiatief van verdachte de confrontatie met [slachtoffer] is gezocht, dat verdachte wist van de aanwezigheid van door hemzelf en door [medeverdachte 2] gekochte messen en dat verdachte [slachtoffer] heeft vastgepakt en dat aan [slachtoffer] kort daarna twee steekwonden, waarvan één dodelijke, zijn toegebracht.

Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat een bewezenverklaring van het medeplegen van moord of doodslag is uitgesloten, nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken en de tenlastelegging geen andere feitelijke gedragingen bevat, miskent dit betoog dat de tenlastelegging spreekt over “tezamen en in vereniging met een of meer anderen”. In een dergelijk geval is immers niet vereist dat bewezen wordt dat verdachte zelf heeft gestoken. In het onderhavige geval kan het niet anders dan dat óf verdachte beide steekwonden heeft toegebracht óf [medeverdachte 1] beide steekwonden heeft toegebracht of elk van hen één steekwond heeft toegebracht.

Mede bezien in het licht van het hierna te bespreken opzet van – en zelfs de voorbedachte raad bij – verdachte en gelet op het feit dat verdachte bewust diverse personen heeft benaderd om [slachtoffer] om het leven te brengen en hij uiteindelijk [medeverdachte 1] heeft benaderd en hij hem daadwerkelijk met dat doel heeft meegenomen naar Enschede om [slachtoffer] om het leven te brengen en gezien het feit dat verdachte [slachtoffer] heeft vastgehouden kort vóór en/of tijdens het steken en verdachte op 27 september 2014 om geld heeft gevraagd voor [medeverdachte 1] – naar het hof bij gebreke van enige andere aannemelijke verklaring daarvoor aanneemt: als tegenprestatie voor verleende diensten – heeft het handelen van verdachte – vanuit verdachte bezien – te gelden als gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] . Dat niet kan worden vastgesteld wie uiteindelijk de dodelijke steekwond aan [slachtoffer] heeft toegebracht, doet aan dit oordeel niet af.

Daar komt bij dat in dit geval moet worden geoordeeld dat, hoewel [medeverdachte 2] er niet bij was toen [slachtoffer] werd gestoken en zij niet de tenlastegelegde uitvoeringshandeling heeft verricht, ook zij heeft te gelden als medepleger van verdachte, en omgekeerd, verdachte heeft te gelden als medepleger in relatie tot [medeverdachte 2] . Zij is degene die [slachtoffer] dood wilde hebben. Zij heeft meermalen hardop en in het bijzijn van onder meer verdachte [slachtoffer] doodgewenst. Uiteindelijk heeft zij verdachte daarvoor ingeschakeld. Dat blijkt onder meer uit de sms-wisselingen tussen verdachte en haar van 22 september 2014. Zij is bij de voorbereiding van de dood van [slachtoffer] nauw betrokken geweest: zij was (op 23 september 2014) aanwezig bij het aanschaffen van kleding die verdachte tijdens het delict moest dragen en zij heeft toen zelf een masker en een messenset gekocht. Zij is een dag later samen met verdachte naar Enschede gereden en heeft hem toen de woning van [slachtoffer] getoond en uitgelegd hoe hij binnen kon komen. Na terugkeer van verdachte en [medeverdachte 1] heeft zij hen onderdak geboden en later aanvankelijk gelogen om verdachte en [medeverdachte 1] een alibi te geven. Zij heeft later ingestemd met een betaling aan [medeverdachte 1] , naar moet worden aangenomen, bij gebreke van enige aannemelijke andere verklaring, voor verleende diensten. Nadat verdachte en [medeverdachte 1] naar Enschede waren vertrokken, heeft zij zich niet van het plan gedistantieerd: zij heeft ervan af gezien [slachtoffer] of hulpdiensten telefonisch te waarschuwen voor wat stond te gebeuren, terwijl zij dat wel had kunnen doen. Zij was ook degene die – in haar eigen beleving – van zijn dood zou profiteren, doordat haar verhuisplicht op grond van het kortgedingvonnis dan zou komen te vervallen. Dit alles overziend is het hof van oordeel dat [medeverdachte 2] met haar handelen een aanzienlijke intellectuele rol als medepleger heeft vervuld, naast een niet onaanzienlijke rol als feitelijk uitvoerder van voorbereidingshandelingen, en dat daarom heeft te gelden dat sprake is van zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen haar en verdachte dat ook in dit opzicht sprake is van medeplegen.

Nu bij medeplegen, zoals gezegd, het accent ligt op de nauwe en bewuste samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, is het hof van oordeel dat in elk geval verdachte met zijn hiervoor beschreven handelen voorafgaand aan, rondom en na het overlijden van [slachtoffer] een zodanig significante en wezenlijke uitvoerende bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 2] en verdachte en [medeverdachte 1] bij het om het leven brengen van [slachtoffer] , dat het handelen van verdachte medeplegen oplevert zoals bedoeld in artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Opzet

De vraag dient zich aan of verdachte willens en wetens samen met zijn mededaders het overlijden van [slachtoffer] heeft bewerkstelligd. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

[medeverdachte 2] heeft na het kort geding-vonnis herhaaldelijk en onder meer in aanwezigheid van verdachte gezegd dat [slachtoffer] dood moest. Verdachte en [medeverdachte 2] hebben ter uitvoering daarvan kennelijk met elkaar gesproken, getuige de al genoemde sms-berichten die zij op 22 september 2014 hebben uitgewisseld, en op 23 respectievelijk 26 september 2014 messen gekocht. Op 24 september 2014 heeft verdachte met [medeverdachte 2] de toegangen tot de woning van [slachtoffer] verkend. Verdachte heeft bij diverse personen, waaronder bij [medeverdachte 1] , gevraagd naar “(vuur)wapens” en/of “gevaarlijke mannen” en is vervolgens met die [medeverdachte 1] – die zich als “gevaarlijke man” bij verdachte heeft aangeboden – in de nacht van 26 op 27 september 2014 vanuit Bergen op Zoom naar de woning van [slachtoffer] in Enschede gereden, gewapend met één of meer messen. Daar is [slachtoffer] zijn woning uitgelokt. Kort na 01.44 uur heeft er een confrontatie plaatsgevonden tussen verdachte en [medeverdachte 1] enerzijds en [slachtoffer] anderzijds, waarbij [slachtoffer] – die op dat moment alleen was – in het nauw is gedreven, letterlijk met zijn rug tegen de muur is gezet en door verdachte is vastgepakt. Kort nadat verdachte en [medeverdachte 1] door [zus slachtoffer] waren gezien, terwijl zij op heel korte afstand stonden van [slachtoffer] , die aan [zus slachtoffer] liet merken zich bedreigd te voelen en haar vroeg de politie te bellen, is [slachtoffer] in de buik en - met kracht - in de borst gestoken. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben zich vervolgens uit de voeten gemaakt, zonder acht te slaan op de toestand waarin [slachtoffer] op dat moment verkeerde en zonder hulp te verlenen of in te roepen, wetende dat [slachtoffer] zojuist op genoemde plaatsen in zijn bovenlichaam was gestoken.

Naar het oordeel van het hof zijn de gedragingen van verdachte voorafgaand en rondom het tenlastegelegde naar hun uiterlijke verschijningsvorm zó zeer gericht op de dood van [slachtoffer] dat verdachte opzet heeft gehad op zijn dood. Dat niet vast staat of verdachte hem zelf de dodelijke steekwond heeft toegebracht, doet hieraan niet af.

Overigens zou, indien de verklaring van verdachte dat [medeverdachte 1] [slachtoffer] uit het niets heeft gestoken terwijl verdachte [slachtoffer] vast had, aan de zijde van verdachte óók dan sprake zijn van opzet op de dood van [slachtoffer] , zij het in voorwaardelijke vorm.

Het hof stelt – voor dat geval – voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is voorts niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aannemelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop heeft toegenomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dat dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg heeft aanvaard.5

Vastgesteld zou dienen te worden of het handelen van verdachte – op de wijze zoals hiervoor is vastgesteld en onder de veronderstelling dat hij [slachtoffer] vasthield terwijl [medeverdachte 1] hem uit het niets heeft gestoken – op zichzelf genomen de aanmerkelijk kans op het intreden van de dood met zich mee zou brengen. Het hof overweegt daartoe als volgt. Verdachte had [medeverdachte 1] geronseld ter uitvoering van zijn met [medeverdachte 2] bedachte actie om [slachtoffer] uit de weg te ruimen. [medeverdachte 1] presenteerde zich op verzoek van verdachte aan hem als gevaarlijke man. Verdachte was op de hoogte van de aanwezigheid van de (immers daartoe aangeschafte en daadwerkelijk meegenomen) messen toen hij met [medeverdachte 1] naar Enschede vertrok. De kans was in de gegeven omstandigheden dan aanmerkelijk dat [medeverdachte 1] tot uitvoering van het neersteken van [slachtoffer] zou overgaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat een persoon met (gerichte) messteken om het leven kan worden gebracht. Door zich onder genoemde omstandigheden in gezelschap van [medeverdachte 1] met messen naar [slachtoffer] te begeven en met [slachtoffer] de confrontatie aan te gaan, heeft verdachte minstgenomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] door [medeverdachte 1] zou worden gestoken en daaraan zou komen te overlijden. Van contra-indicaties die aan dit oordeel in de weg zouden staan, is naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Voorbedachten rade

Juridisch kader voorbedachten rade

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdsspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (op een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat in het gegeven geval niet met voorbedachten rade is gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachten rade vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachten rade niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in het geval dat vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling).

Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven, leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan.

Of in een dergelijk geval voorbedachten rade bewezen kan worden, hangt sterk af van de hiervoor bedoeld gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachten rade.6

Beoordeling van het hof

Het hof acht in het kader van de vraag of sprake is van voorbedachten rade als feiten en omstandigheden redengevend:

 dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 18 september 2014 in kort geding had bepaald dat zijn vriendin [medeverdachte 2] met haar dochter [naam dochter] binnen een week na betekening van het vonnis diende terug te keren naar Enschede op straffe van een dwangsom en verdachte door [medeverdachte 2] op de hoogte was gebracht van deze rechterlijke beslissing;

 dat in de week voorafgaand aan het tenlastegelegde [medeverdachte 2] meermalen heeft opgemerkt dat [slachtoffer] maar beter dood kon zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was en verdachte (meermalen) getuige is geweest van dergelijke uitlatingen en hij op enig moment heeft gezegd dat het inderdaad wel het beste zou zijn en dat [medeverdachte 2] dan overal van af zou zijn;

 dat er tussen verdachte en [medeverdachte 2] (sms-)contacten zijn geweest waaruit kan worden opgemaakt dat er iets moest gebeuren met [slachtoffer] , in het bijzonder het contact op 22 september 2014 onder meer inhoudende “in welk casino zit hij schatke als ik het regel is er geen weg trg en moet je beseffen dat als [naam dochter] vraagt later achter haar echte vader hoop ik dat je ermee kunt leven eh” en “wat ga je haar dan wijsmaken”;

 dat uit diverse sms-berichten en getuigenverklaringen blijkt dat verdachte daadwerkelijk op zoek is gegaan naar (vuur)wapens en/of “gevaarlijke mannen” en hij in dat kader ook diverse mensen heeft benaderd. In dat verband wijst het hof in het bijzonder op een sms-bericht van verdachte van 22 september 2014 aan [medeverdachte 2] met de inhoud: “En we zullen er 9 van de 10 900 euro voor moeten neerleggen heb ik al bij een paar mensen gehoord” en op de verklaring van [naam] inhoudende dat verdachte één à twee dagen na het vonnis van de voorzieningenrechter – buiten bij de woning van zijn moeder [medeverdachte 3] , in afwezigheid van derden – bij hem kwam met de vraag “Kun jij een blaffer met een demper voor mij regelen?”, nadat het binnen in die woning al ging over het feit dat het beter was dat [slachtoffer] er niet meer was en dat [naam] van tevoren wist wat ‘hun’ van plan waren, terwijl hij met “hun” bedoelt: “zijn zusje (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en haar vriend” (het hof begrijpt: verdachte);

 dat verdachte op 21 september 2014 op de mobiele telefoon die op dat moment bij hem in gebruik was heeft gezocht op “vermommings masker te koop”;

 dat verdachte twee dagen later – op 23 september 2014 – tezamen met [medeverdachte 2] (en [naam] ) in Rotterdam en Bergen op Zoom goederen heeft gekocht (zoals hiervoor genoemd onder feiten en omstandigheden), waaronder een masker en messen en aan [naam] is aangegeven dat zij over de aankoop van voornoemde goederen niet mocht praten met haar vriend [naam] ;

 dat verdachte op 24 september 2014 tezamen met [medeverdachte 2] is afgereisd naar Enschede (in een van een vriendin van [medeverdachte 2] geleende auto, omdat de auto waarvan verdachte doorgaans gebruik maakte te veel op zou vallen in verband met de Belgische kentekenplaten) en blijkens de onderzoeksresultaten van Diabelli II (zoals hiervoor reeds genoemd) de omgeving van de woning van [slachtoffer] is afgelegd en een bezoek is gebracht aan een telefoonwinkel en de Praxis;

 dat verdachte op 25 september 2014 bij [medeverdachte 1] heeft gevraagd naar “een pang pang” en/of “gevaarlijke mannen”;

 dat verdachte in de ochtend van 26 september 2014 bij de Bergse Dumphal in Bergen op Zoom een mes in/met een foedraal heeft gekocht en het voorts – anders dan verdachte hierover heeft verklaard, na te zijn geconfronteerd met de vondst bij de flat van [slachtoffer] van precies zo’n foedraal met verdachtes DNA erop – niet aannemelijk is geworden dat dit mes door een ander is gepakt dan wel in de woning van de oma van verdachte in België is achtergebleven;

 dat verdachte samen met [medeverdachte 1] in de avond van 26 september 2014 helemaal van Bergen op Zoom naar Enschede is gereden, een lange rit van ongeveer 2,5 uur, onder het meenemen van drie van de eerder aangeschafte messen;

 en hij één van de twee mannen is die door [zus slachtoffer] is gezien in het portiek van de flat van [slachtoffer] in de nacht van 26 op 27 september 2014 in Enschede.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat verdachte (tezamen met [medeverdachte 2] ) het vooropgezette plan had [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof neemt op grond van diezelfde feiten en omstandigheden, in het bijzonder ook zijn sms aan [medeverdachte 2] dat er, als hij het zou regelen, geen weg terug zou zijn en zij ermee zou moeten leven, als vaststaand aan dat verdachte vóór de uitvoering van zijn daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er contra-indicaties aannemelijk zijn geworden die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit het dossier drie contra-indicaties voortvloeien die van zodanig gewicht zijn dat niet tot een bewezenverklaring van voorbedachten rade kan worden gekomen. Het hof heeft eveneens acht geslagen op de door de rechtbank genoemde contra-indicaties, maar komt tot het oordeel dat – voor zover deze omstandigheden al aangemerkt zouden kunnen worden als contra-indicatie – deze aan het aannemen van de voorbedachten rade niet in de weg staan. Daartoe overweegt het hof meer in het bijzonder het volgende.

In de eerste plaats zag de rechtbank als contra-indicatie de omstandigheid dat verdachte ook (herhaaldelijk) heeft verklaard dat hij enkel de intentie had om [slachtoffer] “kletsen te geven” en/of “een lesje te leren” en/of “bang te maken”. Hoewel de door verdachte afgelegde verklaring op dit punt steun vindt in de verklaring van [getuige 4] die heeft verklaard dat hij wist dat verdachte naar [slachtoffer] toe zou gaan “om hem bang te maken of kletsen te geven”, acht het hof de door verdachte gegeven verklaring dat hij slechts die intentie had niet geloofwaardig in het licht van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden. In dat verband wijst het hof er op dat het dossier evenzeer andersluidende verklaringen, zowel van verdachte zelf als van derden, bevat waaruit blijkt dat de intentie bestond om [slachtoffer] van het leven te beroven. In dat verband wijst het hof nogmaals in het bijzonder op het sms-contact tussen verdachte en [medeverdachte 2] in de dagen voor het tenlastegelegde.

In de tweede plaats zag de rechtbank in de omstandigheid dat [slachtoffer] niet direct is neergestoken in het portiek van de flat een contra-indicatie voor het bestaan van een ‘tevoren’ gemaakt besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat er enige tijd – de rechtbank nam een tijdspanne van ongeveer vijf minuten aan – is verstreken tussen het eerste contact met [slachtoffer] en het steken, niet zonder meer een contra-indicatie vormt voor het aannemen van voorbedachten rade. Bovendien kan dit tijdsverloop ook juist duiden op een extra mogelijkheid voor beraad, naast de gelegenheid tot beraad die verdachte vanaf het ontstaan van het plan [slachtoffer] te doden tot en met de duur van de autorit van Bergen op Zoom naar Enschede heeft gehad. Overigens merkt het hof op dat de tijdspanne tussen het eerste contact met [slachtoffer] en het steken gelet op de (deels objectieve) aanwijzingen in het dossier korter moet zijn geweest dan vijf minuten. Het hof wijst er in dat verband op dat [getuige 2] om 01.44 uur een laatste bericht van [slachtoffer] heeft ontvangen en om 01.51 uur door [getuige 3] het alarmnummer is gebeld, nadat [zus slachtoffer] voor zijn auto was gesprongen met het verzoek de hulpdiensten te waarschuwen. [getuige 3] heeft verklaard dat hij zeker weet dat hij om 01.48/01.49 uur ter plaatse aankwam omdat hij op dat moment de route op zijn telefoon checkte. Daar komt nog bij dat er enige tijd moet zijn verstreken tussen het moment waarop [getuige 2] het laatste bericht van [slachtoffer] heeft ontvangen en het moment dat laatgenoemde – na het contact over de intercom – naar beneden is gegaan en verdachte en de mededader trof. Dat [zus slachtoffer] (herhaaldelijk) heeft verklaard dat zij na het verstrijken van ongeveer vijf minuten naar beneden is gegaan, doet aan het hiervoor genoemde niet af, nu aangenomen moet worden dat het niet geheel juist inschatten van een tijdsbestek onder zeer stressvolle omstandigheden zoals hier aan de orde, zeer goed denkbaar is.

In de derde plaats heeft de rechtbank bij wijze van contra-indicatie overwogen dat de omstandigheid dat de aanschaf van de hiervoor genoemde goederen niet kan bijdragen aan het bewijs van de voorbedachten rade nu dergelijk goederen en kleding ook in het kader van een ander geweldsdelict aangeschaft kunnen zijn. Naar het oordeel van het hof dient de aanschaf van de hiervoor genoemde goederen echter niet op zichzelf te worden beoordeeld, maar in het licht van de genoemde andere omstandigheden te worden bezien, tegen de achtergrond van het geheel van alle feiten en omstandigheden zoals die zijn gebleken. Daar komt bij dat voorwerpen al snel voor meerdere doeleinden bruikbaar zijn, hetgeen op zichzelf – en zeker niet zonder meer – een contra-indicatie oplevert voor het aannemen van voorbedachten rade.

Het hof ziet ook overigens geen contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan. Dat niet alle door [medeverdachte 2] en verdachte aangeschafte goederen bij de uitvoering van het plan [slachtoffer] te doden zijn gebruikt, levert bezien in het licht van alle opgesomde feiten en omstandigheden niet zo’n contra-indicatie op.

Het hof ziet ook geen contra-indicatie voor het bestaan van voorbedachte raad bij verdachte in het gegeven dat [medeverdachte 2] , terwijl zij op de hoogte was van het overlijden van [slachtoffer] , in de ochtend van 27 september 2014 in Whatsapp-gesprekken met [naam] en [naam] heeft geschreven “in (halve) shock” te zijn en in een getapt telefoongesprek heeft gezegd (samengevat) dat ze niet wist wat ze moest doen; of ze nou naar Enschede moest, haar of zijn advocaat moest bellen. In het licht van de door het hof hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden die duiden op een door verdachte en [medeverdachte 2] gesmeed (en dus vooropgezet) plan om [slachtoffer] uit de weg te ruimen vanwege de verhuisplicht, is het niet onaannemelijk dat [medeverdachte 2] bewust dergelijke dingen in genoemde Whatsapp-gesprekken en het telefoongesprek heeft geuit, ter verdoezeling van haar aandeel in het overlijden van [slachtoffer] . Dat zij dit soort afwegingen maakte, volgt uit haar al genoemde sms-bericht aan verdachte op 22 september 2014, waarin zij het niet zo handig noemt om over de plannen rondom [slachtoffer] te sms-en en uit haar al genoemde antwoord op de vragen die [naam] haar vóór de uitvoering van het plan stelde over de gevolgen voor [naam dochter] en haarzelf. Het hof gaat daarom niet uit van de oprechtheid van deze berichten.

Het hof acht ook geen aanknopingspunten aanwezig om aan te nemen dat verdachte en zijn mededader zouden hebben gehandeld in een hevige gemoedsopwelling, tegen de achtergrond van diezelfde opgesomde feiten en omstandigheden. Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld en acht het medeplegen van moord bewezen.

Conclusie

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen – die in een eventueel op te maken aanvulling worden opgenomen – in samenhang met de hiervoor genoemde overwegingen het medeplegen van de moord wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 27 september 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] opzettelijk en – al dan niet – met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te steken.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar dient te worden geacht. Hoewel de door Labrijn opgemaakte Pro Justitia rapportage (psychologisch onderzoek) van 14 maart 2015 inhoudt dat het tenlastegelegde verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, heeft zij op 5 maart 2018 ter terechtzitting van het hof verklaard dat die conclusie is gebaseerd op de aanname dat het verhaal dat de verdachte aan haar heeft verteld in overeenstemming is met de waarheid. Nu aangenomen moet worden dat het door de verdachte aan Labrijn vertelde verhaal niet in overeenstemming is met de waarheid, vervalt daarmee de conclusie van de deskundige dat sprake is van licht verminderde toerekeningsvatbaarheid en dient te worden uitgegaan van volledige toerekeningvatbaarheid, aldus de advocaat-generaal.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – indien het hof tot een veroordeling zou komen – de door de rechtbank aangenomen mate van toerekenbaarheid dient te worden bijgesteld. Uit zowel de door Labrijn gegeven informatie als de informatie van de psycholoog in de PI blijkt dat de psychische toestand van verdachte een significante rol heeft gespeeld in het tenlastegelegde.

Het oordeel van het hof

Het hof heeft bij het oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de door Labrijn opgemaakte Pro Justitia rapportage (psychologisch onderzoek) van 14 maart 2015.

Deze rapportage houdt voor zover thans van belang – samengevat – het navolgende in.

Ten tijde van het tenlastegelegde was er bij verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens, in de vorm van zwakbegaafdheid met daaruit voortvloeiend onrijpe c.q. kwetsbare kanten in de persoonlijkheid (gebrekkige identiteitsontwikkeling, afhankelijkheid, subassertiviteit en een gebrekkig assertiviteit). De bij verdachte gediagnostiseerde ziekelijke stoornis, te weten een aanpassingsstoornis met depressieve en angstige stemming, is veroorzaakt door het tenlastegelegde en heeft zich pas later (het hof begrijpt: na het tenlastegelegde) gemanifesteerd. De gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens heeft de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. Die beïnvloeding bestond onder meer hierin dat:

 voortvloeiend uit de gebrekkige identiteitsontwikkeling, afhankelijkheid en gebrekkig ontwikkelde autonomie verdachte zich liet beïnvloeden door zijn toenmalige vriendin (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) en hij naar eigen zeggen haar gevoelens van boosheid en angst overnam;

 voortvloeiend uit de afhankelijke trekken en de subassertiviteit is verdachte meegaand en kan hij moeilijk ‘nee’ zeggen in een relatie;

 voortvloeiend uit de zwakbegaafdheid overzag verdachte de consequenties van zijn handelen niet geheel.

Verdachte werd significant beïnvloed door zijn gebrekkige ontwikkeling, terwijl daarnaast ook de invloed vanuit zijn relatie (het hof begrijpt: met [medeverdachte 2] ) een belangrijke rol speelde. Geadviseerd is het tenlastegelegde licht verminderd aan verdachte toe te rekenen.

Ter terechtzitting van het hof van 5 maart 2018 heeft Labrijn verklaard dat zij op dat moment nog steeds achter de door haar beschreven conclusies in voornoemde rapportage staat.

Op grond van voornoemde rapportage en hetgeen door Labrijn ter zitting naar voren is gebracht, is er geen enkele reden om verdachte niet strafbaar te achten omdat het feit hem niet zou kunnen worden toegerekend. Het hof beschouwt verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Verdachte is strafbaar aangezien er – ook voor het overige – geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte in het geheel niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het bewezenverklaarde – kort gezegd medeplegen van moord – wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – in het voordeel van de verdachte acht dient te worden geslagen op de omstandigheid dat:

 verdachte first offender is;

 de periode na het tenlastegelegde op de psychische gesteldheid van verdachte – als gevolg van lange isolatie, lange en zware verhoren en de niet aflatende beschuldiging van het tenlastegelegde – een zware wissel heeft getrokken;

 verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek zonder zichzelf daarbij te sparen;

 verdachte spijt heeft betuigd aan de nabestaanden.

De verdediging heeft de hoop uitgesproken dat het hof – anders dan de rechtbank heeft gedaan – een lagere straf zal opleggen, welke recht doet aan het aandeel dat verdachte uiteindelijk onbedoeld ten deel is gevallen in de gebeurtenissen die hebben geleid tot de dood van [slachtoffer] .

Het oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna te geven duur leiden.

Verdachte heeft tezamen met één van zijn mededaders in de week voor het tenlastegelegde plannen gemaakt om het slachtoffer van het leven te beroven en heeft voorts voorbereidingen getroffen die verband houden met de uitvoering van het voorgenomen plan. Zo zijn er onder andere door verdachte dan wel in zijn aanwezigheid goederen aangeschaft die bestemd waren voor de uitvoering van het misdrijf en is verdachte tezamen met een van de mededaders afgereisd naar Enschede om kennis te nemen van de situatie rond de woning van het slachtoffer. In de nacht van 26 op 27 september 2014 is verdachte tezamen met de andere mededader afgereisd naar Enschede en is het nietsvermoedende slachtoffer gelokt naar de toegangsdeur van het portiek van de flat waar hij woonde en is er vervolgens op gruwelijke wijze een einde gemaakt aan zijn leven.

Met dit handelen hebben verdachte en zijn mededaders aan de naaste familie, vrienden en bekenden van het slachtoffer onnoemelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. De door [zus slachtoffer] – de zus van het slachtoffer – ter terechtzitting bij het hof voorgelezen verklaring en haar verklaring in eerste aanleg die zich in het dossier bevindt, illustreren dit enorme verlies. Het slachtoffer is het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, te weten het recht op leven.

Ook aan de destijds één jaar oude dochter van het slachtoffer – [naam dochter] – is bijzonder veel leed toegebracht. Haar vader is definitief van haar afgenomen, terwijl – en omdat – hij, zoals het in een rechtsstaat hoort, door middel van een civiele procedure trachtte contact met haar te behouden na de beëindiging van zijn relatie met haar moeder.

Een dergelijk feit schokt de rechtsorde in ernstige mate en brengt voorts gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid met zich mee.

Het hof heeft bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf gekeken naar straffen die zijn opgelegd ter zake van soortgelijke misdrijven en heeft geconstateerd dat er eigenlijk geen eenduidig landelijke straftoemetingsbeleid is voor dit ernstige feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd.

Verdachte en zijn mededaders hebben een vorm van eigenrichting gepleegd. Immers, door de dood van het slachtoffer zou mededader [medeverdachte 2] ontkomen aan de beslissing van de voorzieningenrechter op het door het slachtoffer aangespannen kort geding, waarin zij werd gehouden op straffe van een dwangsom terug te keren naar Enschede. Eigenrichting van deze aard en ernst is binnen de Nederlandse rechtsorde volstrekt onaanvaardbaar en verdachte zal te hebben accepteren dat die rechtsorde een zware strafrechtelijke reactie eist op dit gedrag. Het hof weegt deze omstandigheid in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf.

In het voordeel van verdachte weegt het hof bij het bepalen van de straf mee dat hij blijkens zijn Uittreksel Justitie Documentatie van 29 oktober 2018 niet eerder is veroordeeld en verdachte (mede) op aangeven van zijn mededader heeft gehandeld, op wie hij destijds hevig verliefd was, terwijl verdachte mogelijk ook mede daardoor gemakkelijk beïnvloedbaar is gebleken. In strafmatigende zin zal het hof tevens acht slaan op de hiervoor genoemde psychische gesteldheid van verdachte en de vaststelling met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een langdurige gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar (met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht), passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij – de moeder van [slachtoffer] – heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt

€ 9.732,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen, met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering benadeelde partij wordt toegewezen, conform de beslissing van de rechtbank hieromtrent.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – in geval van een veroordeling – de vordering toewijsbaar is, maar de hoofdelijkheid niet uitgesproken dient te worden, nu op voorhand al duidelijk is dat de mededaders geen inkomen hebben en verdachte voor de eventueel toe te wijzen schade wil opkomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof overweegt omtrent de vordering als volgt. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van in totaal € 9.732,92 ziet op kosten van lijkbezorging zoals bedoeld in artikel 6:108, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek en is integraal toewijsbaar. Over een bedrag van € 5.357,92 zal geen wettelijke rente worden toegewezen, omdat het Schadefonds Geweldsmisdrijven omstreeks dezelfde datum als waarop de benadeelde partij dit bedrag heeft voldaan een (voorwaardelijke) uitkering ter hoogte van dit bedrag (afgerond op

€ 5.358,00) aan de benadeelde partij heeft gedaan. Het resterende bedrag van € 4.375,00 is blijkens de desbetreffende offerte in gedeelten betaald, waardoor de wettelijke rente verschuldigd is met ingang van de dag waarop die betalingen (zullen) zijn gedaan:

€ 2.000,00 op 17 november 2015 en € 2.375,00 op (naar schatting) 1 januari 2016.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen, met inbegrip van de wettelijke rente zoals hiervoor genoemd.

Het hof ziet geen aanleiding af te zien van hoofdelijke veroordeling van verdachte tot vergoeding van deze schade, in dier voege dat indien en voor zover door verdachtes mededader(s) is betaald, ook verdachte daardoor zal zijn bevrijd.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof – eveneens hoofdelijk – de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, met dezelfde beslissing over de ingangsdata van de wettelijke rente als ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij overwogen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 9.732,92 (negenduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en tweeënnegentig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van:

 € 2.000,00 € 2.000,00 per 17 november 2015 tot aan de dag der voldoening, en

 € 2.000,00 € 2.375,00 per 1 januari 2016 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan verdachte de hoofdelijke verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 9.732,92 (negenduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en tweeënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 83 (drieëntachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere betalingsverplichting in zoverre vervalt.

Bepaalt dat indien en voor zover verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, ook de ander(en) daardoor in zoverre zullen zijn bevrijd.

Gelast de teruggave aan [naam] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: zwarte personenauto van het merk Volkswagen, type Golf met het kentekenen [kenteken] .

Aldus gewezen door

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. C.M.E. Lagarde en mr. W.A. Holland, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

en op 18 januari 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 18 januari 2019.

Tegenwoordig:

mr. F.A.M. Bakker, voorzitter,

mr. C.M.E. Lagarde en mr. W.A. Holland, raadsheren,

mr. J.B.H.M. Simmelink, advocaat-generaal,

mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 De advocaat-generaal wees op het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022 en het arrest van de Hoge Raad van 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:796.

2 Indien wordt gesproken over “een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard”, dan wordt hiermee telkens bedoeld: “de kans dat een willekeurig onbekend persoon matcht met het DNA profiel is kleiner dan één op één miljard”.

3 Hoge Raad 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905.

4 Hoge Raad 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972 (http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2012:BW9972).

5 Hoge Raad 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049 en vgl. Hoge Raad 30 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5396.

6 Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342 en Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963 en Hoge Raad 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761.