Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4239

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-05-2019
Datum publicatie
18-09-2019
Zaaknummer
200.248.774
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot benoeming deskundige en ontslag executeur. Uiterste wilsbeschikking strekkende tot benoeming deskundige nietig. Ontvankelijkheid. 4:42 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0236 met annotatie van F.W.J.M. Schols
JERF Actueel 2019/312
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.248.774

(zaaknummer rechtbank Gelderland 6971719)

beschikking van 16 mei 2019

in de zaak van

[de beschermingsbewindvoerder] B.V., in hoedanigheid van testamentair bewindvoerder van [de onderbewindgestelde]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoeker in hoger beroep, verder: [de beschermingsbewindvoerder] ,

advocaat: mr. P.M.H. Cruts te Simpelveld,

en

[de executeur] , in hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van [de erflater] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep, verder: [de executeur] ,

advocaat: mr. J. Bisschop te Apeldoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 september 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder: de bestreden beschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 31 oktober 2018, en

  • -

    het verweerschrift met producties.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 april 2019 plaatsgevonden. Namens [de beschermingsbewindvoerder] verscheen [medewerker beschermingsbewindvoerder] , bijgestaan door mr. Cruts, en vergezeld door [de onderbewindgestelde] voornoemd (verder: [de onderbewindgestelde] ).

[de executeur] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Bisschop.

3 De vaststaande feiten

3.1

Op [overlijdensdatum] is te [woonplaats] overleden [de erflater] , geboren te [plaats] op [datum] (hierna: [de erflater] ). Haar laatste woonplaats was [woonplaats] (arrondissement Gelderland). [de erflater] was de moeder van [de onderbewindgestelde] en [de executeur] .

3.2

[de erflater] heeft bij testament van 3 mei 2011 (verder: het testament) en bij aanvullend testament van 30 mei 2016 over haar nalatenschap beschikt. In het testament van 3 mei 2011 heeft zij [de executeur] , onder last van de hierna te noemen legaten, benoemd tot haar enig erfgenaam.

Aan [de onderbewindgestelde] heeft zij een bedrag gelegateerd, gelijk aan het erfdeel dat hij zou hebben gekregen indien hij samen met [de executeur] als erfgenaam tot haar nalatenschap was geroepen (verder: het legaat). [de erflater] heeft al hetgeen [de onderbewindgestelde] uit haar nalatenschap verkrijgt onder bewind gesteld. Daarnaast heeft [de erflater] [de executeur] benoemd tot executeur.

In het testament van 30 mei 2016 heeft zij aan [x] een legaat gemaakt van $ 20.000,-.

3.3

Tot de nalatenschap van [de erflater] behoort onder meer een beleggingspand aan [adres] dat wordt verhuurd (hierna: het beleggingspand) en de aandelen in het [recreatiecentrum] te [woonplaats] (hierna: [recreatiecentrum] ), die [recreatiecentrum] exploiteert dat bestaat uit een camping, bungalowpark, horeca, manege en groepsaccommodatie.

3.4

In het testament is onder B. Erfstelling en legaat voor zover van belang het volgende bepaald:

“3. Ter vaststelling van de grootte van het legaat moet de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap geschieden in onderling overleg. Als schulden worden in dit verband alleen aangemerkt de schulden genoemd in artikel 4:7 lid 1 onder a. tot en met d. Burgerlijk Wetboek, voor zover zij van toepassing zijn. Indien in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waardering geschiedt deze door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin ik mijn laatste woonplaats had en, indien die woonplaats buiten Nederland is gelegen, door de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement Arnhem".

3.5

In het testament is onder F. Bewind voor zover van belang het volgende bepaald:

“Ik stel een bewind in over al hetgeen [ [de onderbewindgestelde] ] (…) eventueel uit mijn nalatenschap verkrijgt (…). Ten aanzien van dit bewind geldt het volgende: (…)

Ik leg [ [de executeur] ] (…) de last op aan de kantonrechter te verzoeken een bewindvoerder aan te wijzen (…)

Het bewind treedt in werking op het tijdstip van mijn overlijden (…)

Het bewind is ingesteld in het belang van [ [de onderbewindgestelde] ] (…)

De bewindvoerder moet zo spoedig mogelijk, uiterlijk negen (9) maanden na mijn overlijden, een notariële beschrijving opmaken van de goederen waarop het bewind betrekking heeft (…) .

3.6

Bij beschikking van 2 november 2017 heeft de rechtbank Gelderland [de beschermingsbewindvoerder] benoemd tot testamentair bewindvoerder.

4 Het geschil

4.1

[de onderbewindgestelde] heeft in eerste aanleg – samengevat en voor zover hier van belang – verzocht dat de kantonrechter:

  • -

    een deskundige benoemt die de opdracht krijgt om binnen zes weken na de datum van de beschikking de waarde in het economisch verkeer te bepalen van het beleggingspand en de activa van [recreatiecentrum] en

  • -

    ontslag verleent aan [de executeur] als executeur onder aanwijzing van een onafhankelijk notaris tot uitvoering van deze taak binnen veertien dagen na de waardebepaling van de deskundige,

met veroordeling van [de executeur] in de proceskosten.

4.2

[de executeur] heeft daartegen in eerste aanleg verweer gevoerd.

4.3

Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter, voor zover in hoger beroep aan de orde, [de onderbewindgestelde] niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot ontslag van [de executeur] als executeur, [de onderbewindgestelde] veroordeeld in de proceskosten, tot aan de uitspraak aan de kant van [de executeur] begroot op € 500,- aan salaris gemachtigde, en het meer of anders verzochte afgewezen.

5 Het geschil in hoger beroep

5.1

[de onderbewindgestelde] bestrijdt de bestreden beschikking met zeven grieven en verzoekt het hof de bestreden beschikking (het hof begrijpt met uitzondering van onderdelen 5.2 en 5.3 van het dictum) te vernietigen en, opnieuw beschikkende:

  • -

    een onafhankelijke deskundige te benoemen, die de opdracht krijgt om binnen zes weken na de te geven beschikking, de vrije verkoopwaarde te bepalen van het beleggingspand en [recreatiecentrum] ten behoeve van de waardering van het legaat, en

  • -

    ontslag te verlenen aan [de executeur] als testamentair executeur onder aanwijzing van een onafhankelijke notaris tot uitvoering van deze taak binnen veertien dagen na de waardebepalingen door de deskundige,

met veroordeling van [de executeur] in de kosten van dit geding en in de kosten van de bodemprocedure in eerste aanleg.

5.2

[de executeur] voert verweer en verzoekt [de onderbewindgestelde] niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep, althans de verzoeken in hoger beroep af te wijzen, met veroordeling van [de onderbewindgestelde] in de proceskosten van de procedure, uitvoerbaar bij voorraad.

6 De motivering van de beslissing

6.1

Het hof zal de grieven 1 tot en met 5 – gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot benoeming van een deskundige - gezamenlijk beoordelen en de grieven 6 en 7 ieder afzonderlijk.

6.2

Het hof oordeelt met betrekking tot het verzoek tot benoeming van een deskundige als volgt. In het testament is een legaat opgenomen. Dat legaat behelst een vordering jegens de erfgenaam tot betaling van een geldsom. Om het beloop van die vordering (de ‘grootte’) te kunnen vaststellen dienen de samenstelling en omvang van de nalatenschap zoals beschreven onder B.3 van het testament (weergegeven in onderdeel 3.4 hierboven) bekend te zijn.

[de executeur] heeft als executeur aangifte erfbelasting gedaan (verzoekschrift eerste aanleg, bijlage 4). Uit de stellingen van [de beschermingsbewindvoerder] leidt het hof af dat de in de aangifte vermelde samenstelling van de nalatenschap naar mening van [de beschermingsbewindvoerder] (en [de onderbewindgestelde] ) juist is, behoudens de waardering van het beleggingspand en (de aandelen van) [recreatiecentrum] . Anders dan [de executeur] kennelijk betoogt is [de beschermingsbewindvoerder] / [de onderbewindgestelde] niet gebonden aan de uitkomst van de voorliggende taxaties. Vanwege het testamentair bewind over het legaat werd [de onderbewindgestelde] niet gebonden door zijn instemming met de door [de executeur] voorgestelde taxateurs, nog daargelaten dat [de onderbewindgestelde] noch [de beschermingsbewindvoerder] als zijn bewindvoerder met de uitkomst van die taxaties hebben ingestemd.

Derhalve is sprake van een situatie als bedoeld in onderdeel B. van het testament: onderling overleg heeft niet tot – algehele – overeenstemming geleid, de waarde van het beleggingspand en de aandelen van [recreatiecentrum] moeten nog worden bepaald om tot de vaststelling van de omvang van de nalatenschap en daarmee van de grootte van het legaat te komen.

6.3

Niettemin kan het door [de beschermingsbewindvoerder] verzochte niet worden toegewezen. De wetgever gaat blijkens artikel 4:42 lid 1 BW uit van een gesloten systeem van uiterste wilsbeschikkingen. In de wet is niet de mogelijkheid opgenomen bij uiterste wilsbeschikking te bepalen dat de kantonrechter een deskundige benoemt, laat staan dat - indien de kantonrechter dat zou doen - dat een beslissing is waartegen hoger beroep openstaat. De uiterste wilsbeschikking van [de erflater] inzake de benoeming van een deskundige door de kantonrechter is dan ook nietig. Dat betekent dan ook dat [de beschermingsbewindvoerder] (en [de onderbewindgestelde] ) niet ontvankelijk is (zijn) in het verzoek tot benoeming van een deskundige. Het hof zal de bestreden beschikking daarom op dit punt vernietigen en [de beschermingsbewindvoerder] (en [de onderbewindgestelde] ) niet-ontvankelijk verklaren.

6.4

Grief 6 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [de onderbewindgestelde] niet tot de kring van personen behoort die een verzoek tot ontslag van de executeur kunnen doen. In artikel 1: 149 lid 1 juncto lid 2 BW is bepaald dat de taak van de executeur eindigt door ontslag dat hem wordt verleend, hetzij op eigen verzoek, hetzij om gewichtige redenen, op verzoek van een mede-executeur, een erfgenaam of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat [de onderbewindgestelde] niet tot de kring van personen behoort die een dergelijk verzoek mag doen, zodat deze grief faalt.

6.5

Grief 7 richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen gewichtige redenen zijn de executeur ambtshalve te ontslaan. [de onderbewindgestelde] heeft een aantal gewichtige redenen aangevoerd die naar zijn mening zouden hebben moeten leiden tot ontslag.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat er geen gewichtige redenen zijn die tot ambtshalve ontslag van [de executeur] als executeur moeten leiden, zodat deze grief faalt. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Wat er ook van zij van de vraag of [de onderbewindgestelde] – in verband met het bewind – bevoegd was pandaktes te tekenen, dat [de executeur] hem die aktes heeft laten tekenen maakt hem nog niet een slechte executeur.

Ten aanzien van de facturen is het hof met de kantonrechter van oordeel dat uit de stukken blijkt dat de onjuiste vermelding in de grootboekrekening van de rekening courant reeds is gecorrigeerd. Voor zover er nog verschil van mening is tussen [de beschermingsbewindvoerder] / [de onderbewindgestelde] en [de executeur] over deze facturen vormt dit nog geen gewichtige reden voor ontslag van de executeur.

Ten aanzien van de uitbetaling van het legaat overweegt het hof dat door [de executeur] is gesteld en niet is bestreden dat de erfbelasting is betaald, dat er € 31.000,- is betaald aan [de onderbewindgestelde] en dat een deel van het legaat verrekend is met de rekening-courantschuld. Het feit dat in termijnen wordt betaald, levert geen gewichtige reden op die tot ambtshalve ontslag van de executeur zou moeten leiden

7 De slotsom

Alle grieven falen, zodat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd behoudens het volgende. Op grond van hetgeen onder 6.3 is overwogen zal het hof de bestreden beschikking ambtshalve vernietigen ten aanzien van de afwijzing van het verzoek tot benoeming van een deskundige en [de beschermingsbewindvoerder] / [de onderbewindgestelde] niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek tot benoeming van een deskundige. Het hof zal [de onderbewindgestelde] / [de beschermingsbewindvoerder] veroordelen in de proceskosten van [de executeur] in het geding in hoger beroep, tot aan de uitspraak aan de zijde van [de executeur] volgens het geldende liquidatietarief begroot op € 2.305,-, bestaande uit € 2.148,- salaris (2 punten voor verweerschrift in hoger beroep en mondelinge behandeling, tarief II (per punt € 1.074,-) plus € 157,- nasalaris.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 september 2018 ten aanzien van de afwijzing van het verzoek tot benoeming van een deskundige en verklaart [de beschermingsbewindvoerder] / [de onderbewindgestelde] niet-ontvankelijk in het verzoek tot benoeming van een deskundige;

bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 september 2018, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

veroordeelt [de onderbewindgestelde] / [de beschermingsbewindvoerder] in de proceskosten van [de executeur] in het geding in hoger beroep, tot aan de uitspraak aan de zijde van [de executeur] begroot op € 2.305,-;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, M.J. Stolwerk en G. van de Beek, bijgestaan door mr. M. Vodegel als griffier, en is op 16 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.