Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4180

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
200.230.119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop tweedehands auto, non-conformiteit, onderzoeksplicht, ontbinding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.230.119

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5697918)

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.D.J. van Ruyven,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Dekker.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 23 augustus 2017 en 20 september 2017 (herstelvonnis) die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, team kanton en handelsrecht, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 17 november 2017;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- de akte uitlating producties namens [appellant] ;

- de antwoordakte namens [geïntimeerde] .

2.2

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

Op 28 oktober 2016 is tussen [geïntimeerde] (als koper) en [appellant] (als verkoper) een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot een BMW personenauto (bouwjaar februari 2014) met kenteken [kentekennummer] (hierna: de BMW of de auto).

3.3

De dochter van [geïntimeerde] , die feitelijk gebruik zou gaan maken van de BMW, heeft op
23 oktober 2016 een proefrit in de BMW gemaakt. Op 25 oktober 2016 heeft [geïntimeerde] zelf een proefrit in de BMW gemaakt.

3.4

Op 28 oktober 2016 is de BMW gekeurd bij [autobedrijf] te [vestigingsplaats] (hierna: [autobedrijf] ). In het opgemaakte keuringsrapport staat vermeld:

“Systeem uitgelezen met AUTOBOSS: foutmeldingP0045 (zie print)

Algehele staat: de auto heeft waarschijnlijk wel schade aan voorzijde gehad. Bumper

wijkt t.o.v. motorkap en airbag in stuurwiel zit niet op zijn plek.”

3.5

Foutmelding P0045 staat in de bijgevoegde print als volgt omschreven:

Regelsensor laaddruk turbo onderbreking

Als mogelijke oorzaken worden in de print genoemd:

- Zekering(en) maken slecht contact of zijn defect

- Bedrading en/of aansluiting defect

- Regelsensor laaddruk

3.6

[autobedrijf] heeft meegedeeld dat de reparatiekosten van het defect aan de regelsensor konden variëren van enkele tientallen euro's tot maximaal € 1.000,00. Partijen zijn vervolgens overeengekomen om de maximale reparatieprijs te delen, door € 500,00 in mindering te brengen op de koopsom.

3.7

Partijen hebben de aankoopprijs daarna vastgesteld op € 16.000,00. Hiervan is
€ 11.000,00 voldaan door een bankoverschrijving en € 5.000,00 door levering van een Peugeot 107, die in de visie van partijen een waarde vertegenwoordigde van € 5.000,00.

3.8

Op 2 november 2016 heeft Ekris Arnhem (hierna: Ekris), op verzoek van [geïntimeerde] , de BMW technisch gekeurd. In het keuringsrapport staat het volgende beschreven:

Tijdens deze technische keuring zijn wij onderstaande gebreken tegen gekomen:

Elektrisch gedeelte:

Na het uitlezen van het storingsgeheugen en diagnose te hebben gesteld zijn wij tot

de conclusie gekomen dat de luchtmassameter defect is. Tevens kloppen de

pinbezettingen van de bedrading op de elektrisch verstelbare turbo niet, ook is de vergrendeling van de stekker aan de kant van de turbo afgebroken. Dit zorgt voor meldingen over aandrijfstoring in de display alsmede een tekort aan vermogen. Ook ontdekten we een te hoge tegendruk in het uitlaat systeem veroorzaakt door een verzadigd roetfilter. Bij deze auto werken de claxon en de neutraalstandsensor op de versnellingsbak niet. De oorzaak hiervan zal met meer diagnose vastgesteld moeten worden. Wat we ook nog zien is dat de bestuurdersairbag niet goed is gemonteerd.

Motormechanisch:

De verbrandingsmotor lekt motorolie, dit lijkt afkomstig van een turboleiding en dit loopt over het roetfilter naar beneden. De rechter motorsteunarm is ondeugdelijk gelast. Deze is compleet gebroken geweest als gevolg van schade.

Carrosserie:

De auto heeft zichtbaar flinke schade gehad. Dit is zichtbaar aan een slecht herstelde langsbalk aan de rechter voorzijde, een niet goed afgestelde motorkap, bumper en zijscherm.

Stuurinrichting:

Beide stuurhuishoezen liggen los van het stuurhuis. Mechanische stuurdelen liggen bloot. Ook is het stuurhuis niet gecodeerd op deze auto.

Overige zaken:

De onderbeplating is niet met alle daarvoor bestemde verbindingen vastgezet, de luchtfilterbak ligt compleet los. Om de schade aan de langsbalk te verbergen is een niet originele afdekking tussen de remleiding en de balk gemonteerd.”

3.9

Op 3 november 2016 heeft de dochter van [geïntimeerde] per sms-bericht aan [appellant] het volgende meegedeeld:

“Beste [appellant] , zojuist heb ik je proberen te bellen maar helaas geen gehoor. Na een uitgebreide keuring bij de garage zijn er verschillende zware gebreken van de auto naar voren gekomen. Hierbij kregen wij te horen dat de kosten tot €10.000 op kan lopen. Met deze zware gebreken zijn wij niet akkoord gegaan bij de koop (en inruil) van deze auto, daarnaast is de verkoper verplicht om zware schade te vermelden bij verkoop van een auto. Gezien al deze punten zien wij geen andere optie dan de koopovereenkomst te ontbinden wegens dwaling. Graag hoor ik of je hier onderling uit wilt komen, (beide auto’s gaan weer terug naar oud eigenaar en het bedrag van €11.000 wordt teruggestort op de rekening van [geïntimeerde] ). Anders zijn wij helaas genoodzaakt om juridische stappen te ondernemen en aangifte te doen wegens oplichting. Graag ontvang ik een reactie van je. Groet [dochter van geïntimeerde] (ik zal het verdere contact opvolgen)”

3.10

Per sms-bericht van eveneens 3 november 2016 heeft [appellant] aan de dochter van [geïntimeerde] het volgende gestuurd:

“Dag [dochter van geïntimeerde] ,

Naar aanleiding van uw sms stuur ik u hierbij mijn reactie.

Bij de koop is duidelijk besproken wat de gebreken zijn. Daarnaast heb ik vrijwillig meegewerkt/ingestemd aan een proefrit en een onafhankelijk onderzoek (aankoopkeuring) door een garage naar uw keuze. Daaruit zijn een aantal gebreken naar voren gekomen die zelfs voor mij onbekend waren. Na dit onafhankelijk onderzoek heeft uw vader ( [geïntimeerde] ) ervoor gekozen om door te gaan met de onderhandeling en zijn we beiden tot een overeenstemming gekomen.

Verder bent u door het versturen van uw sms, waarin u mij beschuldigd van dwaling (u beschuldigt mij dmv een sms onterecht van een strafbaar feit) strafbaar voor laster!

Daarnaast stel ik het niet op prijs als u mij lastig blijft vallen. Zou het namelijk erg vervelend vinden om hiervoor juridische stappen te moeten ondernemen.

Verder eis is via deze weg graag mijn wintervelgen op behorende bij de peogoet 107. Dit hebben we afgesproken bij de overeenkomst en deze zou uw vader nog langs komen brengen. Dank alvast. Bvd.

Gr.”

3.11

Per aangetekende brief van 8 november 2016 heeft [geïntimeerde] de buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst ingeroepen op grond van non-conformiteit.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Kort gezegd heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg, na wijziging van eis, gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] de koopovereenkomst tussen partijen op 8 november 2016 rechtsgeldig heeft ontbonden en dat [appellant] vanwege de ontbinding gehouden is om het aankoopbedrag van € 16.000,00 aan [geïntimeerde] te voldoen, waarbij [geïntimeerde] geen genoegen hoeft te nemen met betaling van € 11.000,00 in combinatie met de teruglevering van de door hem aan [appellant] geleverde Peugeot. (Subsidiair heeft [geïntimeerde] op dit punt gevorderd dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat ten aanzien van de BMW en de Peugeot sprake is van twee losse overeenkomsten.) [geïntimeerde] heeft daarnaast gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade (waaronder de kosten die [geïntimeerde] heeft moeten maken ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid, wegenbelasting, verzekering, schorsing van het kenteken en vervangend vervoer) vermeerderd met de wettelijke rente. Tot slot heeft [geïntimeerde] vergoeding gevorderd van de buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten.

4.2

De kantonrechter heeft bij vonnis van 23 augustus 2017 (hersteld bij vonnis van
20 september 2017) voor recht verklaard dat [geïntimeerde] de koopovereenkomst tussen partijen op 8 november 2016 heeft ontbonden. Daarnaast heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant] vanwege de ontbinding uitvoerbaar bij voorraad een bedrag van € 11.000,00 aan [geïntimeerde] moet betalen en dat hij de door [geïntimeerde] aan hem geleverde Peugeot terug moet leveren onder vergoeding van de schade als gevolg van de waardevermindering van de Peugeot, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Verder heeft de kantonrechter de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 2.021,08 toegewezen en heeft hij [appellant] veroordeeld in de proceskosten en nakosten, dit laatste vermeerderd met de wettelijke rente.

5 Het geschil in hoger beroep

5.1

[appellant] heeft in hoger beroep onder aanvoering van vijf grieven gevorderd dat het hof de vonnissen van 23 augustus 2017 en 20 september 2017 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen. Alle grieven houden (in)direct verband met de vraag of de door [geïntimeerde] gekochte BMW voldoet aan de verwachtingen die hij op grond van de koopovereenkomst mocht hebben. De grieven lenen zich daarom voor gezamenlijke bespreking.

5.2

Het hof stelt bij zijn beoordeling het volgende voorop. Op grond van artikel 7:17
lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) mag een koper verwachten dat de gekochte zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Een gebrek levert geen non-conformiteit op als de koper op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst hiermee bekend was dan wel redelijkerwijs bekend had kunnen zijn. Dit laatste impliceert dat op de koper een zekere onderzoeksplicht kan rusten. In het geval een (tweedehands) auto wordt gekocht, waarvan de verkoper weet dat deze door de koper wordt gekocht om daarmee aan het verkeer deel te nemen, moet als regel worden aangenomen dat de auto niet beantwoordt aan de overeenkomst indien als gevolg van een daaraan klevend gebrek dat niet op eenvoudige wijze kan worden hersteld, zodanig gebruik van de auto gevaar voor de verkeersveiligheid zou opleveren (HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1338). Dit kan anders zijn wanneer de koper bijvoorbeeld het risico van zo’n gebrek heeft aanvaard. De regel mag echter niet worden omgekeerd, in die zin dat andere gebreken geen non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 BW zouden kunnen opleveren (HR 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3097).

5.3

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de BMW niet voldeed aan hetgeen [geïntimeerde] op basis van de koopovereenkomst mocht verwachten. [geïntimeerde] hoefde op grond van de koopovereenkomst niet te verwachten dat hij een zogenoemde geïmporteerde schade-auto kocht. Dat sprake is van een schade-auto leidt het hof niet alleen af uit de rapportage die Ekris heeft opgemaakt naar aanleiding van een door haar uitgevoerde technische keuring, maar ook uit de lage BPM die werd betaald toen de auto werd geïmporteerd. Het hof zal op beide punten hierna afzonderlijk ingaan.

5.4

In de rapportage van Ekris staat beschreven dat tijdens de technische keuring verschillende gebreken aan de auto zijn geconstateerd. In de rapportage worden onder andere de volgende gebreken genoemd (zie rov. 3.8): de rechter motorsteunarm is ondeugdelijk gelast, de langsbalk aan de rechter voorzijde is slecht hersteld, de motorkap, de bumper en het zijscherm zijn niet goed afgesteld, de bestuurdersairbag is niet goed gemonteerd, de stuurhuishoezen liggen los van het stuurhuis, mechanische stuurdelen liggen bloot, het stuurhuis is niet gecodeerd op de auto, de onderbeplating is niet met alle daarvoor bestemde verbindingen vastgezet en de luchtfilterbak ligt compleet los. De rapportage vermeldt daarnaast dat er een niet-originele afdekking tussen de remleiding en de (langs)balk is gemonteerd om de schade aan de langsbalk te verbergen. Gelet op de omvang en aard van de door Ekris geconstateerde gebreken, en gelet op de constatering van Ekris dat is geprobeerd om bepaalde schade aan de auto te verbergen, trekt het hof de conclusie dat de BMW een schade-auto (geweest) is.

5.5

Die conclusie wordt versterkt door wat [geïntimeerde] heeft aangevoerd in het kader van de BPM die betaald moest worden toen de BMW werd geïmporteerd. Volgens [geïntimeerde] blijkt uit gegevens van de RDW dat bij het invoeren van de BMW in Nederland de BPM is vastgesteld op € 834,- (zie onder 9 bij memorie van antwoord en onder 2.24 bij dagvaarding in eerste aanleg, waarbij het hof ervan uitgaat dat het in dit laatste stuk genoemde bedrag van € 334,- een kennelijke verschrijving is geweest). Volgens [geïntimeerde] zou de BPM ongeveer € 5.400,- hebben bedragen wanneer een soortgelijke nieuwe BMW zou zijn ingevoerd en had de BPM in dit concrete geval, gelet op de leeftijd van de auto, op ongeveer € 3.200,- in plaats van € 834,- moeten worden vastgesteld. [geïntimeerde] heeft hieruit de conclusie getrokken dat de auto op het moment van importeren zo goed als total loss is geweest, althans in ieder geval zeer forse schade moet hebben gehad. [appellant] heeft de hoogte van de BPM niet betwist. Hij heeft in hoger beroep evenmin de gevolgtrekking die [geïntimeerde] aan de lage BPM heeft verbonden betwist. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van het standpunt van [geïntimeerde] dat de auto op het moment van import een schade-auto was.

5.6

Vervolgens komt de vraag aan de orde of [geïntimeerde] op grond van de koopovereenkomst had kunnen of moeten verwachten dat hij een schade-auto kocht. [geïntimeerde] heeft voordat hij de koopovereenkomst sloot een aankoopkeuring laten uitvoeren door [autobedrijf] . Op wiens initiatief deze garage is benaderd, is voor de verdere beslissing niet relevant. [autobedrijf] heeft vastgesteld dat de auto een aantal gebreken had. Zo heeft [autobedrijf] vastgesteld dat er sprake was van een turbostoring, maar ook dat de auto waarschijnlijk schade aan de voorzijde heeft gehad, dat de bumper wijkt ten opzichte van de motorkap en dat de airbag in het stuurwiel niet op zijn plek zat (zie rov. 3.4). [autobedrijf] heeft verschillende mogelijke oorzaken genoemd voor de turbostoring en heeft geschat wat de te verwachten reparatiekosten zouden zijn. Hij heeft partijen verwezen naar een BMW-dealer om hierover meer zekerheid te verkrijgen. Deze verwijzing van [autobedrijf] zag – in tegenstelling tot wat [appellant] heeft aangevoerd – niet op de ernst van de geconstateerde gebreken of de consequenties van deze gebreken voor de verkeersveiligheid, maar op de hoogte van de te verwachten reparatiekosten. [appellant] heeft in het kader van de door [autobedrijf] ontdekte gebreken nog aangevoerd dat de BMW is geleverd in de staat die de aankoopkeuring door [autobedrijf] aangaf, dat de ontdekte gebreken partijen bekend waren en dat deze in de koopprijs waren verdisconteerd. Daarom meent [appellant] dat [geïntimeerde] op die gebreken geen beroep meer kan doen. Verder is volgens [appellant] geen sprake (geweest) van ernstige gebreken, omdat de problemen na vervanging van een turboslangetje (wat volgens [appellant] een eenvoudige en goedkope reparatie is) zijn verholpen.

5.7

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] genoegzaam aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan door een aankoopkeuring te laten verrichten. Ter beoordeling liggen echter niet de gebreken voor die door [autobedrijf] tijdens de aankoopkeuring zijn vastgesteld, maar de gebreken die Ekris tijdens de latere technische keuring heeft ontdekt. Dat Ekris een aantal gebreken heeft ontdekt die [autobedrijf] tijdens de keuring op 28 oktober 2016 niet heeft vastgesteld, maakt niet dat die gebreken voor risico van [geïntimeerde] moeten blijven. [geïntimeerde] heeft in de rapportage van [autobedrijf] geen aanleiding hoeven zien om aanvullend onderzoek te doen naar de door [autobedrijf] ontdekte gebreken of om een tweede aankoopkeuring te doen. Partijen hebben het risico van de nog niet exact bekende reparatiekosten van de door [autobedrijf] geconstateerde gebreken verdisconteerd in een lagere prijs. Ook heeft [geïntimeerde] op basis van die rapportage niet hoeven te verwachten dat de BMW forse schade heeft gehad. Evenmin gaven de leeftijd van de auto en de kilometerstand van de auto daartoe aanleiding. Aan de stellingen van [appellant] dat het gebrek op eenvoudige wijze kon worden hersteld, dan wel dat het turbo-gerelateerde gebrek door [geïntimeerde] zelf is veroorzaakt, gaat het hof voorbij. Zelfs indien de auto weer volledig zou functioneren door uitsluitend, zoals [appellant] heeft aangevoerd, een losgeraakt turboslangetje te vervangen, of wanneer zou blijken dat [geïntimeerde] het turbo-gerelateerde gebrek heeft veroorzaakt (wat nadrukkelijk door [geïntimeerde] wordt betwist) neemt dat niet weg dat de auto een schade-auto (geweest) is.

5.8

Ten aanzien van de gebreken die de auto non-conform maken, heeft [appellant] aangevoerd dat de auto die gebreken nog niet had toen [geïntimeerde] de auto kocht. [appellant] betwist dus dat de gebreken op het moment van levering bestonden en dat de auto daarom niet non-conform was op dat moment. Dat blijkt volgens [appellant] onder meer uit het feit dat door [geïntimeerde] en door zijn dochter een testrit is gemaakt zonder dat de gebreken werden ontdekt. Bovendien hebben [appellant] en zijn broer in de periode voordat de BMW werd verkocht zonder problemen in de auto gereden. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat onbekend is hoe [geïntimeerde] na aankoop met de auto is omgegaan en dat het mogelijk is dat [geïntimeerde] de gebreken zelf heeft veroorzaakt.

5.7

Uit het rapport van Ekris blijkt dat de schade doelbewust is verborgen door een niet-originele afdekking tussen de remleiding en de (langs)balk te monteren. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] de auto heeft laten repareren tussen aankoop en keuring door Ekris. Vanwege het verbergen van de schade, in combinatie met de lage BPM die voor de auto is betaald toen de BMW werd geïmporteerd, heeft het hof in rov. 5.3 overwogen dat de auto een schade-auto (geweest) is. Daarmee staat vast dat de schade-gerelateerde gebreken die door Ekris zijn ontdekt al aanwezig waren toen [geïntimeerde] de auto kocht. Ongeacht of [appellant] heeft geweten dat de auto deze gebreken had op het moment van verkoop, komen deze gebreken naar verkeersopvatting voor rekening en risico van [appellant] als verkoper. Daarmee staat vast dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst.

5.8

Vanwege de tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst was [appellant] verplicht de BMW op verzoek van [geïntimeerde] te herstellen. In dit geval is gebleken dat [appellant] niet bereid was om de gebreken aan de auto te herstellen. Dat blijkt uit het door [geïntimeerde] overgelegde sms-bericht van 3 november 2016 (productie 7 bij dagvaarding in eerste aanleg) van [appellant] aan [geïntimeerde] (zie rov. 3.10). Voor zover [appellant] met zijn eerste grief, zo begrijpt het hof, nog heeft aangevoerd dat de sms die [geïntimeerde] daarvóór aan [appellant] heeft gestuurd (zie rov. 3.9) niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling, gaat het hof daarin mee. Immers, [geïntimeerde] (althans, zijn dochter) heeft [appellant] in dat sms-bericht niet een redelijke termijn gegund om over te gaan tot herstel. Dit kan echter niet tot een andere beslissing leiden, omdat in dit geval op grond van artikel 6:83 aanhef en onder sub c BW het verzuim van [appellant] al is ingetreden zonder dat daarvoor een ingebrekestelling was vereist. [geïntimeerde] heeft terecht gesteld dat hij uit het sms-bericht van [appellant] aan zijn dochter mocht afleiden dat [appellant] niet bereid was tot herstel van de gebreken over te gaan en dus dat hij in de nakoming van de verbintenis tot herstel zou tekortschieten. [appellant] heeft ook niet betwist dat uit dit sms-bericht mocht worden afgeleid dat hij niet bereid was om de door Ekris geconstateerde gebreken te verhelpen. Hiermee is [appellant] in verzuim gekomen en kon [geïntimeerde] terecht aanspraak maken op ontbinding van de overeenkomst en schadevergoeding.

5.9

Het hof stelt vast dat [appellant] alleen in zijn algemeenheid bezwaar heeft gemaakt tegen de toewijzing van de door [geïntimeerde] gevorderde schadevergoeding door de kantonrechter. [appellant] heeft aangevoerd dat geen sprake was van non-conformiteit, waardoor geen grond bestond voor ontbinding. Daarom kan dus volgens hem geen ongedaanmakingsverplichting zijn ontstaan en kan ook geen sprake zijn van recht op schadevergoeding. Aangezien het hof heeft geoordeeld dat wel degelijk sprake is geweest van non-conformiteit en dat [geïntimeerde] op grond daarvan de overeenkomst rechtsgeldig heeft kunnen ontbinden, is wel degelijk een ongedaanmakingsverplichting en een recht op schadevergoeding ontstaan. De grief faalt dus.

5.10

[appellant] heeft in het bijzonder nog bezwaar gemaakt tegen de toegewezen afzonderlijke schadeposten die betrekking hebben op de door [geïntimeerde] betaalde motorrijtuigenbelasting, de verzekeringspremie en de buitengerechtelijke kosten. [appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door het kenteken van zijn auto niet eerder te schorsen. [geïntimeerde] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist. Hij heeft uitvoerig onderbouwd op welke gronden hij heeft besloten het kenteken van de auto (volgens [appellant] : “pas”) twee maanden na aankoop te schorsen (zie onder 67 e.v. bij memorie van antwoord). Met [geïntimeerde] is het hof van oordeel dat het in dit geval niet in strijd met de schadebeperkingsplicht is dat [geïntimeerde] de motorrijtuigenbelasting en verzekering twee maanden na de aankoop daarvan heeft laten door lopen. Verder heeft [appellant] met zijn stelling dat [geïntimeerde] ook kosten voor wegenbelasting en verzekering had moeten maken wanneer hij over ander vervoer zou hebben beschikt, miskend dat [geïntimeerde] – in tegenstelling tot nu – in dat geval ook het genot van het vervoermiddel zou hebben gehad. [geïntimeerde] heeft daarom terecht vergoeding van wegenbelasting en verzekeringspremie gevorderd en zijn vordering is dan ook terecht toegewezen. Hetzelfde geldt voor de door [geïntimeerde] gevorderde buitengerechtelijke kosten. [geïntimeerde] heeft uitvoerig onderbouwd dat de door hem gemaakte kosten zijn gemaakt in het kader van een poging om de kwestie alsnog buiten rechte te regelen. Een en ander kan ook worden afgeleid uit de door [geïntimeerde] als productie XV bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde urenspecificatie van zijn gemachtigde. [appellant] heeft onvoldoende gesteld om de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten alsnog af te wijzen. De grief faalt.

5.11

De laatste grief richt zich tegen de proceskostenveroordeling. Uit het voorgaande blijkt dat de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] terecht (ten dele) heeft toegewezen. [appellant] is door de kantonrechter dan ook terecht als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij aangemerkt en om die reden in de proceskosten veroordeeld. Daarom faalt ook de laatste grief.

6 De slotsom

6.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis, en het in dat kader gewezen herstelvonnis, zal worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 1.138,50 (1,5 punt x tarief I) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

6.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Utrecht van 23 augustus 2017 (hersteld bij vonnis van 20 augustus 2017);

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 1.138,50 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, S.C.P. Giesen en W.C. Haasnoot en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.