Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4179

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2019
Datum publicatie
24-05-2019
Zaaknummer
200.229.086/02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 337 Rv kan van tussenvonnissen alleen hoger beroep worden ingesteld wanneer sprake is van een voorlopige voorziening of wanneer tegelijkertijd van het eindvonnis in hoger beroep wordt gekomen. Daarnaast kan hoger beroep van een tussenvonnis worden ingesteld wanneer die mogelijkheid expliciet is opengesteld. In het tussenvonnis van 28 december 2016 heeft de rechtbank weliswaar meerdere bindende eindbeslissingen genomen, maar deze zijn niet opgenomen in het dictum. Daarom is geen sprake van een deelvonnis waarvan wel in hoger beroep kan worden gekomen. Evenmin is gebleken dat de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis heeft opengesteld. Hoger beroep van dit tussenvonnis is daarom niet mogelijk. Het hof is voornemens appellante daarom in de hoofdzaak niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2019/409
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.229.086/02

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 406065)

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SubsidieZeker B.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

appellante, tevens eiseres in het incident,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie,

hierna: SubsidieZeker,

advocaat: mr. H.C.M. Kortman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BCS HRM en Salarisadministratie B.V.,

gevestigd te Sint-Michielsgestel,

geïntimeerde, tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie,

hierna: BCS,

advocaat: mr. D.J.J. Folgering.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 februari 2019 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte na tussenarrest namens SubsidieZeker,

- de akte na tussenarrest namens BCS.

1.3

Vervolgens heeft SubsidieZeker aanvullende stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2.1

Bij tussenarrest van 12 februari 2019 heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over het voornemen van het hof om SubsidieZeker in de hoofdzaak niet ontvankelijk te verklaren.

2.2

BCS heeft bij akte na tussenarrest aangevoerd dat het voornemen van het hof om SubsidieZeker in de hoofdzaak niet ontvankelijk te verklaren juist is en recht doet aan de regels van het burgerlijk procesrecht. Daarom heeft zij aangevoerd zich te zullen refereren aan het oordeel van het hof. Zij heeft het hof echter expliciet verzocht bij de proceskostenveroordeling rekening te houden met de gang van zaken en de proceshouding van SubsidieZeker. BCS heeft gesteld dat zij extra en nodeloos (proces)kosten heeft gemaakt ten gevolge van de (foutieve) wijze van procederen door SubsidieZeker. Volgens BCS was SubsidieZeker zich bewust van haar processuele ‘geknoei’ en heeft zij door haar proceshouding misbruik gemaakt van procesrecht. BCS meent dan ook dat het voorgaande, ten gunste van haar, dient te worden verdisconteerd in de proceskostenveroordeling in de vorm van het uitspreken van een integrale proceskostenveroordeling of door ten gunste van BCS af te wijken van het liquidatietarief. BCS heeft haar schade begroot op een bedrag van tenminste € 8.850,- (zijnde 30 uur maal het door de raadsman van BCS gehanteerde uurtarief ad € 295,-).

2.3

SubsidieZeker heeft zich bij akte na tussenarrest op het standpunt gesteld dat zij wel degelijk ontvankelijk is in de hoofdzaak. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank bij tussenvonnis van 28 december 2016 zeer stringent een eindoordeel over de kwestie heeft gegeven en dat die bindende eindbeslissingen in het petitum hadden moeten worden opgenomen. In een dergelijk geval had volgens SubsidieZeker tussentijds beroep open moeten staan. SubsidieZeker heeft aangevoerd dat zij tussentijds in hoger beroep is gekomen om haar rechten ter zake cruciale beslissingen in deze zaak niet te verspelen.

2.4

Het hof volgt SubsidieZeker niet in haar standpunt. Zoals reeds is overwogen in rechtsoverweging 3.7 van het tussenarrest van 12 februari 2019 kan van tussenvonnissen alleen hoger beroep worden ingesteld wanneer sprake is van een voorlopige voorziening of wanneer tegelijkertijd van het eindvonnis in hoger beroep wordt gekomen. Daarnaast kan hoger beroep van een tussenvonnis worden ingesteld wanneer die mogelijkheid expliciet (in het dictum) is opengesteld. In het tussenvonnis van 28 december 2016 heeft de rechtbank weliswaar meerdere bindende eindbeslissingen genomen, maar deze zijn niet opgenomen in het dictum. Daarom is geen sprake van een deelvonnis waarvan wel in hoger beroep kan worden gekomen. Evenmin blijkt dat de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit tussenvonnis heeft opengesteld. Hoger beroep van dit tussenvonnis zonder tevens van het eindvonnis in hoger beroep te komen, is daarom niet mogelijk. Het hof ziet geen aanleiding om SubsidieZeker, bij wijze van uitzondering op de hoofdregel, alsnog toe te laten in hoger beroep te komen van het tussenvonnis. SubsidieZeker is daarom niet ontvankelijk in dit door haar ingestelde hoger beroep.

2.5

SubsidieZeker zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof ziet geen grond om ten gunste van BCS af te wijken van het liquidatietarief. SubsidieZeker heeft bij akte na tussenarrest uitvoerig onderbouwd op welke gronden zij is gekomen tot de beslissing om op deze wijze te procederen. Dat deze beslissing op onjuiste gronden is genomen en heeft geleid tot nodeloze proceshandelingen zijdens BCS kan niet als misbruik van procesrecht worden aangemerkt en leidt niet tot een andere kostenveroordeling.

BCS heeft bij memorie van antwoord in de hoofdzaak meegedeeld dat de memorie van antwoord in onderhavige zaak gelijkluidend is aan de genomen memorie van antwoord in de zaak met zaaknummer 200.242.789. Om die reden zal het hof geen punten toekennen voor de memorie van antwoord in deze zaak. Het hof zal 1 punt toekennen voor de memorie van antwoord in het incident (tarief II) en 0,5 punt voor de akte na tussenarrest (tarief VII). Gelet op het voorgaande zullen de kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van BCS worden vastgesteld op € 5.200,00 aan griffierecht en op € 3.098,00 (1 punt x tarief II en 0,5 punt x tarief VII) voor salaris advocaat conform het liquidatietarief.

2.6

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zoals hierna vermeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart SubsidieZeker niet ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 december 2016;

veroordeelt SubsidieZeker in de kosten van het hoger beroep, tot aan de uitspraak aan de zijde van BCS vastgesteld op € 5.200,00 aan griffierecht en op € 3.098,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, R. Prakke-Nieuwenhuizen en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2019.