Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4096

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-05-2019
Datum publicatie
22-05-2019
Zaaknummer
200.232.500/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwijtbaar inkomensverlies. Inkomensverlies door verkoop onderneming niet verwijtbaar. Inkomensverlies door te laat aangevraagde arbeidsongeschiktheidsuitkering wel verwijtbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.232.500/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/114438 / FA RK 16-865)

beschikking van 9 mei 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.C.M. Koerhuis te Zwolle,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.J. Kanning te Assen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 november 2016 en 1 november 2017 uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s) van de man, ingekomen op 30 januari 2018;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht van mr. Koerhuis van 20 februari 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Koerhuis van 2 maart 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Kanning van 11 september 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Koerhuis van 13 september 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Koerhuis van 18 september 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 26 september 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft het woord mede gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen.

3 De feiten

3.1

Partijen hebben tot medio 2012 een affectieve relatie met elkaar gehad.

3.2

Uit deze relatie zijn geboren:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2004 (hierna: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2009 (hierna: [de minderjarige2] ) en

- [de minderjarige3] , geboren [in] 2011(hierna [de minderjarige3] ).

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking van 12 augustus 2014 heeft dit hof, oordelend in hoger beroep, bepaald dat de man met ingang van 1 november 2012 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 272,- per kind per maand zal voldoen.

Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage voor de kinderen met ingang van 1 januari 2017 € 284,- per kind per maand, met ingang van 1 januari 2018 € 288,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2019 € 294,- per kind per maand, waarbij het hof de bedragen telkens heeft afgerond.

3.4

De man heeft zich op 15 april 2016 gewend tot de rechtbank met het verzoek om, onder wijziging van genoemde beschikking van 12 augustus 2014, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] met ingang van 15 april 2016 te bepalen op € 130,- per kind per maand. Tevens heeft de man verzocht om de zorgregeling uit te breiden en te bepalen dat de kinderen de helft van de tijd bij hem en de helft van de tijd bij de vrouw zullen doorbrengen met een nog nader door partijen te bepalen wisseldag. De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.5

Bij (tussen)beschikking van 9 november 2016 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de zorgregeling ten aanzien van de kinderen uitgebreid tot een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen de ene week bij de man en andere week bij de vrouw zijn en bepaald dat partijen de wisseldag in onderling overleg moeten bepalen. Bij deze beschikking is de beslissing over de kinderalimentatie aangehouden.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 1 november 2017 is het verzoek van de man tot verlaging van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (hierna: de kinderalimentatie) afgewezen.

4.2

De man is met vier grieven in hoger beroep gekomen van deze beschikking. Deze grieven betreffen het (gewijzigde) inkomen van de man en zijn daaruit voortvloeiende draagkracht, de draagkracht van de vrouw en ieders aandeel in de kosten van de kinderen.

De man verzoekt, kort weergegeven en met inachtneming van de wijzigingen ter zitting, de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2017 te wijzigen en te bepalen op € 45,- per kind per maand en met ingang van 1 oktober 2018 op € 115,- per kind per maand, althans op zodanig bedrag als het hof in goede justitie meent.

4.3

De vrouw voert verweer en zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek van de man af te wijzen.

4.4

Het hof zal de grieven in hoger beroep per onderwerp bespreken, waarbij het hof voorbij zal gaan aan het verweer van de vrouw dat de grondslagwijziging van verzoek tot verlaging in hoger beroep (alsnog) dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn inleidend verzoek. De vrouw heeft ter zitting haar verweer op dit punt ingetrokken zodat dit geen verdere bespreking behoeft.

4.5

Nadat de bestreden beschikking is gegeven zijn de (financiële) omstandigheden gewijzigd. [de minderjarige1] heeft vanaf eind april/mei 2018 enige tijd geen contact meer gehad met de man en deze contacten zijn eerst kort voor de zitting in beperkte mate hersteld. Verder is komen vast te staan dat de man met ingang van 1 september 2018 een arbeidsongeschiktheidsuitkering zal ontvangen van € 20.270,- bruto per jaar. Partijen zijn het erover eens dat deze gewijzigde omstandigheden mede aan de beslissing ten grondslag moeten worden gelegd, maar verschillen van mening over de wijze waarop daarmee rekening moet worden gehouden.

5 De motivering van de beslissing

de ingangsdatum

5.1

De man heeft ter zitting zijn verzoek tot verlaging van de kinderalimentatie over de periode vanaf 16 april 2016 tot 1 januari 2017 ingetrokken. Het verzoek behoeft voor de periode tot 1 januari 2017 daarom geen (verdere) bespreking.

5.2

Het hof zal, overeenkomstig het gewijzigde verzoek van de man, als ingangsdatum voor de eventuele wijziging van de kinderalimentatie uitgaan van 1 januari 2017. De vrouw heeft, gezien het in april 2016 door de man ingediende wijzigingsverzoek, in ieder geval vanaf die datum rekening kunnen en moeten houden met een mogelijke verlaging van de door de man te betalen bijdrage. Het hof gaat derhalve voorbij aan het betoog van de vrouw dat een eventueel lagere bijdrage dan de eerder vastgestelde (en te indexeren) bijdrage niet per 1 januari 2017 maar eerst per datum beschikking dan wel per 1 maart 2017 zou moeten worden opgelegd. De enkele omstandigheid dat zij de kosten van de kinderen heeft gedragen zonder bijdrage van de man, is hiervoor onvoldoende. Dit wordt niet anders wanneer zij voor het betalen van de kosten van de kinderen heeft moeten lenen - zoals zij zonder nadere onderbouwing heeft gesteld. Nu het hof -zoals uit het hierna volgende zal blijken- de onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, zal het hof hierna (aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken) beoordelen of en in hoeverre een terugbetalingsverplichting in redelijkheid van de vrouw kan worden aanvaard.

de wijziging van omstandigheden

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat zich, sinds de beschikking van het hof van 12 augustus 2014, een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan in de zin van artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in die zin dat de man per 1 januari 2017 zijn onderneming (eenmanszaak) heeft overgedragen aan een (voormalige) werknemer en per 1 maart 2017 in die onderneming werkzaam is in loondienst voor 20uur per week. De man kan daarom worden ontvangen in zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.

5.4

Partijen zijn het er over eens dat deze wijziging(en) feitelijk hebben geleid tot een daling van inkomen van de man. Zij zijn het niet eens over het antwoord op de vraag of en in hoeverre deze wijziging ook dient te leiden tot een hernieuwde beoordeling van de kinderalimentatie en tot de door de man gewenste verlaging. Dat zal hierna nader aan de orde komen.

de behoefte van de kinderen

5.5

De man stelt de behoefte van de kinderen op € 507,- per kind per maand in 2014. De vrouw is het hiermee eens en de behoefte staat daarmee vast. Evenmin in geschil dat deze behoefte geïndexeerd dient te worden. Rekening houdend met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte dan met ingang van 1 januari 2017 € 529,- per kind per maand en met ingang van 1 januari 2018 € 537,- per kind per maand .

de draagkracht van de man

5.6

De man heeft tot 1 januari 2017 een administratie- en belastingadviesbureau uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak onder de naam ' [C] '. Per 1 januari 2017heeft hij deze eenmanszaak overgedragen aan een werknemer en is hij met betrekking tot het pand waarin de onderneming wordt uitgeoefend met ingang van die datum ook een huurovereenkomst aangegaan met die werknemer. De koopovereenkomst en de huurovereenkomst zijn op 27 maart 2017 door de man en de voormalige werknemer ondertekend. De man is met ingang van 1 maart 2017 in dienst getreden bij deze onderneming voor 20 uur per week. Deze overeenkomst is begin april 2017 ondertekend.

5.7

In de koopovereenkomst van de onderneming is opgenomen - artikel 17 - dat de man de mogelijkheid heeft om de onderneming binnen drie jaar terug te kopen met gesloten beurs indien zijn gezondheid dat toelaat. Mede om die reden is ook overeengekomen dat de koper de afgesproken koopsom (van € 75.000,-) eerst per 1 januari 2020 is verschuldigd en die koopsom alsdan gedurende tien jaar in maandelijkse termijnen van € 625,- per maand wordt voldaan. De huurovereenkomst is eveneens aangegaan - artikel 3.1 - voor de duur van drie jaar met een huurprijs van afgerond € 575,- per maand.

5.8

Tussen partijen is in geschil het inkomen van de man, in het bijzonder de vraag of en zo ja op welke wijze rekening moet worden gehouden met de overdracht van zijn onderneming en de indiensttreding. De kernvraag die daarbij aan het hof voorligt is of de inkomensvermindering die het gevolg is van de overdracht van de onderneming en de daarop volgende indiensttreding van de man al dan niet buiten beschouwing dient te worden gelaten. Bij de beantwoording van die vraag zal in het bijzonder moeten worden bezien of sprake is van 'verwijtbaar inkomensverlies' in die zin dat de man zich uit hoofde van zijn verhouding tot de kinderen met het oog op hun belangen had behoren te onthouden van de gedragingen die tot de inkomensvermindering hebben geleid. Bij een bevestigende beantwoording van deze vraag kan die inkomensvermindering ten dele of zelfs in het geheel buiten beschouwing worden gelaten.

5.9

De man heeft met betrekking tot de overdracht van de onderneming, de huurovereenkomst en de arbeidsovereenkomst verklaard dat hij tot deze ingrijpende beslissingen is gekomen omdat het werk hem in de loop van 2016 steeds zwaarder viel door toenemende vermoeidheidsklachten(onder meer door spasticiteit, krachtverlies en sensorische storingen in de benen) en concentratie- en geheugenproblemen. Uiteindelijk was hij niet meer in staat zijn werkzaamheden naar behoren uit te oefenen zonder zicht op verbetering op korte termijn. De man heeft ter onderbouwing van de door hem ervaren (progressieve) klachten en de daarmee gepaard gaande (toenemende) arbeidsbeperkingen verschillende medische stukken overgelegd. Het hof beschikt over een brief van de neuroloog van het UMCG van 29 maart 2017 aan de huisarts, brieven van de revalidatiearts i.o. van Vogellanden van 1 mei 2017 en 29 december 2017 aan de huisarts, en brieven van de neuroloog van het UMCG van 17 juli 2018 en 14 augustus 2018 aan de huisarts. Uit deze stukken en de daarop door de man gegeven toelichting ter zitting blijkt dat de man op begin 2017 (naar het hof begrijpt, door de huisarts in verband met aanhoudende en toenemende klachten) is verwezen voor nader onderzoek naar een neuroloog (naar de oorzaak van zijn klachten). Deze neuroloog is op basis van beeldvorming en eerste onderzoeken uitgegaan van een bipirimidaal syndroom met atrofie van het ruggenmerg en heeft de man verwezen naar een revalidatiearts in verband met de door de man ervaren toenemende beperkingen. De man is vervolgens met ingang van 1 mei 2017 tot en met 17 november 2017 een poliklinische revalidatiebehandeling gestart met de inzet van fysiotherapie, psychologie, revalidatiearts, ergotherapie, psychomotorische therapie en arbeidsrevalidatie, onder meer gericht op het optimaliseren van de loopfunctie, het trainen van complexe loopvaardigheden en balans alsmede het leren en toepassen van belasting/belastbaarheidsprincipes. De behandeling is vervolgens overgedragen naar de eerstelijns fysiotherapie met controle door de revalidatiearts. Medio 2018 is door middel van een genetisch onderzoek bevestigd dat sprake is van de diagnose X-gebonden adrenoleukodystrofie (X-ALD) in de vorm van adrenomyeloneuropathie (AMN), zijnde een (zeldzame) stofwisselingsziekte waarbij door een genetisch defect onder andere zenuwbeschadigingen ontstaan.

5.10

Naar het oordeel van het hof zijn met voornoemde bescheiden en de daarop door de man ter zitting gegeven toelichting de gezondheidsklachten en daaruit voortvloeiende arbeidsbeperkingen komen vast te staan. Voor het hof is daarmee ook aannemelijk geworden dat met name medische redenen ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing van de man om zijn onderneming over te dragen aan zijn werknemer en vervolgens bij deze werknemer in dienst te treden. De man heeft daarmee beoogd zijn arbeidsmogelijkheden voor dat moment en de toekomst, en daarmee zijn inkomsten, zo veel mogelijk op peil te houden. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat de inkomensvermindering die daardoor is ontstaan niet herstelbaar is en de man hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Gelet op de medische situatie van de man heeft hij deze keuze mogen maken. Ook in het licht van de bestaande en zwaarwegende onderhoudsverplichting tegenover de kinderen die niet alleen nu maar immers ook op langere termijn belang hebben bij een bijdrage van de zijde van de man. De wijze waarop de verkoop is vormgegeven en in het bijzonder de afspraak in artikel 17 over het recht om de onderneming terug te nemen, vindt het hof niet onredelijk. De man heeft toegelicht dat hij tot 2020 - naar het hof begrijpt voor een redelijke periode en gekoppeld aan de duur van het verwachte herstel na een rugoperatie - de mogelijkheid heeft willen openhouden voor een zodanig herstel dat het voortzetten van de onderneming als (fulltime) ondernemer weer mogelijk zou zijn. Immers de medische stukken bevestigen de stelling van de man dat tot lange tijd er geen zekerheid bestond over de oorzaak van zijn klachten. Niet onbegrijpelijk is dat dit mede heeft geleid tot de afspraak dat de koopsom eerst in 2020 - in maandelijkse termijnen - wordt voldaan. De hiermee nog immer bestaande verbondenheid met de onderneming is waarschijnlijk mede de reden dat de man in diverse stukken, ook waar het gaat om berichten naar de verzekeraar, bij herhaling nog spreekt over 'zijn bedrijf'. Hieruit kan naar het oordeel van de hof, in het licht van de medische bescheiden, niet worden afgeleid dat de overdracht en indiensttreding enkel een constructie is om verlaging van de kinderalimentatie te krijgen (die teruggedraaid zal worden wanneer deze verlaging een feit is).

5.11

Alles in ogenschouw nemende ziet het hof, anders dan de vrouw, geen aanleiding om bij de vaststelling van het inkomen van de man voorbij te gaan aan de overdracht van de onderneming en de (financiële) gevolgen daarvan, en alsnog uit te gaan van (fictieve) inkomsten uit de onderneming. Het hof zal dan ook niet overgaan tot een nadere beoordeling van het (mogelijke) inkomen uit onderneming. In het bijzonder behoeft geen bespreking het standpunt van de man dat hij bij voortzetting onderneming over 2017 waarschijnlijk geen hoger inkomen zou hebben gehad dan zijn daadwerkelijke inkomen uit loondienst als gevolg van de omstandigheid dat hij ofwel een lagere omzet zou hebben gehad gezien zijn urenverlies ofwel hogere personeelskosten zou hebben gehad om zijn urenverlies op te vangen.

5.12

Het hof zal voor het inkomen van de man met ingang van 1 januari 2017 uitgaan van het door de man gestelde inkomen loon uit arbeid van € 30.960,- bruto per jaar, zoals door hem onderbouwd met de door hem overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2017. De vrouw heeft de hoogte van dit inkomen niet betwist.

5.13

Met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsverzekering is ter zitting gebleken dat de man per 1 september 2018 een uitkering is toegekend van € 20.270,- per jaar op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 55-65% (waarvan de eerste termijn in verband met betaling achteraf eerst eind september dan wel begin oktober door de man wordt ontvangen). Het hof heeft voorts geconstateerd dat zowel de door de man genoemde 'wachttijd' van een jaar als het door de vrouw genoemde 'eigen risico' van een jaar een andere benaming is voor de periode van arbeidsongeschiktheid waarover de man geen uitkering van de verzekeraar ontvangt (maar dat jaar uit eigen vermogen dient te financieren). Uitgaande van een uitkering die hem per 1 september 2018 is toegekend, betekent dit dat de man zijn arbeidsongeschiktheid ongeveer een jaar daarvoor augustus/september 2017 - zal hebben gemeld bij de verzekeraar, [D] . Hij heeft dit ter zitting ook bevestigd.

5.14

Hiervoor heeft het hof reeds overwogen dat de man, gezien de door hem ervaren gezondheidsklachten en de daaruit voortkomende arbeidsbeperkingen, in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen om zijn onderneming per 1 januari 2017 over te dragen aan een derde en met deze een loondienstverband voor 20 uur per week aan te gaan. De man heeft geen goede reden genoemd waarom hij bij de overdracht van de onderneming de door hem ervaren klachten en beperkingen - en daarmee zijn arbeidsongeschiktheid - niet ook heeft gemeld bij [D] , maar daarmee heeft gewacht tot in augustus/september 2017, vele maanden na de overdracht van de onderneming en indiensttreding. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat de melding niet mogelijk was bij gebreke van een diagnose, maar ook ten tijde van zijn uiteindelijke melding was de diagnose nog niet gesteld. De (te) late melding van de man heeft er wel toe geleid dat de verzekeringsmaatschappij eerst per 1 september 2018 - na het verstrijken de eigen risico termijn van een jaar - een uitkering op basis van de verzekering heeft toegekend en ook heeft kunnen toekennen. Dat een eerdere melding niet zou hebben geleid tot een eerdere toekenning van de uitkering, zoals de man ter zitting heeft gesteld, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Naar het oordeel van het hof heeft de man op het punt van de melding van zijn arbeidsongeschiktheid aan de verzekeraar niet gehandeld zoals van hem in redelijkheid gevergd mocht worden. Hij heeft daarmee de belangen van de kinderen veronachtzaamd. Het is aan de man te wijten dat hij de uitkering ontvangt per 1 september 2018 en niet al met ingang van 1 januari 2018 dan wel enig moment daarna. Het hof gaat er van uit dat de man indien hij tijdig zijn arbeidsongeschiktheid had gemeld zoals van hem gevergd mocht worden, deze uitkering per 1 januari 2018 had kunnen ontvangen. Het niet ontvangen van een uitkering over deze periode - van 1 januari 2018 tot 1 september 2018 - kwalificeert het hof dan ook als verwijtbaar inkomensverlies. Het hof zal voorbijgaan aan dit inkomensverlies en over deze periode uitgaan van fictieve inkomsten ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.

Met ingang van 1 januari 2018 zal het hof naast het loon uit arbeid daarom ook de uitkering uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering ten bedrage van € 20.270 ,- bruto per jaar in aanmerking nemen. De hoogte van deze uitkering is door de vrouw niet betwist.

5.15

Wat betreft de inkomsten uit de huurovereenkomst, zal het hof uitgaan van een inkomen van € 302,- netto per maand, zoals de man deze heeft berekend op basis van de inkomsten en uitgaven voor deze bedrijfsruimte. Hij heeft ter zitting bevestigd dat hij een huurprijs van afgerond € 575,- netto per maand ontvangt. Een dergelijke huurprijs acht het hof redelijk, in het bijzonder gelet op de omstandigheid dat de bedrijfsruimte als bijgebouw deel uit maakt van, althans direct gelegen is achter de woning van de man. De vrouw heeft haar stelling dat de man, ondanks deze ligging, een hogere huurprijs had kunnen bedingen onvoldoende onderbouwd en het hof gaat daarom aan deze stelling voorbij. Anders dan de vrouw acht het hof ook de door de man gestelde kosten verbonden aan het pand redelijk en voldoende aannemelijk geworden. Naast een aandeel van éénderde in de diverse belastingen en verzekeringen, heeft de man ook een éénderde deel van de hypothecaire lening die is aangegaan ter financiering van de woning en de bijgebouwen als kosten verbonden aan de bedrijfsruimte opgevoerd. Dit komt het hof, nu de bedrijfsruimte in gebruik is bij een derde en niet meer bij de man zelf, niet onredelijk voor. Dit geldt te meer waar de man onweersproken heeft gesteld dat kostenverdeling - éénderde bedrijfsruimte en tweederde woning - ook door hem in de jaarstukken van de onderneming werd gehanteerd. Het hof volgt de man derhalve in de ter zitting genoemde netto inkomsten uit de verhuur van de bedrijfsruimte ten bedrage van € 302,- per maand.

5.16

Wat betreft zijn draagkracht heeft de man ter zitting in hoger beroep - in aanvulling en toelichting op zijn laatste berekening van zijn draagkracht - er verder op gewezen dat rekening moet worden gehouden met een tweetal lasten aan zijn zijde, bestaande uit een premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 2.325,- per jaar en een premie voor een lijfrente verzekering van € 600,- per jaar. Het hof zal de premie van de arbeidsongeschiktheidsverzekering in de berekening betrekken. Deze verzekering vloeit voort uit het ondernemerschap van de man en (door)betaling van de premie is nodig voor instandhouding van de verzekering en daarmee de uitkering die de man thans ontvangt. Deze last is derhalve noodzakelijk. Wat betreft de premie voor de lijfrenteverzekering voor een (aanvullende) pensioenvoorziening, heeft de man verwezen naar een pagina van de aangifte inkomstenbelasting 2017 waaruit volgt dat er fiscaal gezien ruimte is een dergelijke voorziening. Gezien het beperkte bedrag en het feit dat de vrouw geen bezwaar heeft gemaakt, zal het hof ook met deze premie rekening houden.

5.17

Vorenstaande overwegingen leiden tot de volgende (samenvattende) conclusies waar het gaat om het inkomen van de man voor de berekening van zijn draagkracht voor kinderalimentatie. De premie arbeidsongeschiktheidsverzekering en de premie lijfrenteverzekering zal daarbij telkens in aanmerking worden genomen (op zodanige wijze dat netto kosten daarvan ten laste van het netto besteedbaar inkomen worden gebracht voordat de draagkrachtformule wordt toegepast). Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man zal voorts rekening worden gehouden, in lijn ook met de door de man overgelegde berekening (productie 5) met de inkomensafhankelijke combinatiekorting naast de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. De vrouw heeft deze kortingen ook niet betwist.

5.18

Alles in ogenschouw nemende komt het hof tot de volgende berekeningen van de draagkracht van de man.

* vanaf 1 januari 2017

Een loon uit arbeid van € 30.960,- bruto per jaar, vermeerderd met het inkomen uit verhuur van de bedrijfsruimte van € 302,- netto per maand (€ 3.624,- netto per jaar), leidt naar de tarieven van 2017 tot een netto besteedbaar inkomen van in totaal € 2.401,-per maand. Op basis van de draagkrachtformule voor 2017 - 70% [NBI – (0,3 x NBI + 905)] - heeft de man € 543,-per maand beschikbaar voor de kinderen.

* vanaf 1 januari 2018

Genoemd loon uit arbeid van € 30.960,-bruto per jaar en een uitkering van € 20.270,- bruto per jaar leidt, samen met genoemde inkomsten uit verhuur, naar de tarieven van 2018 tot een netto besteedbaar inkomen € 3.231,- per maand. Op basis van de draagkrachtformule voor 2018 - 70% [NBI – (0,3 x NBI + 920)] - heeft de man € 939,- per maand beschikbaar voor de kinderen.

de draagkracht van de vrouw

5.19

De man heeft de draagkracht van de vrouw berekend op € 744,- per maand. De vrouw heeft dit bedrag niet of onvoldoende betwist zodat ook het hof hiervan uit zal gaan.

het aandeel in de kosten van de kinderen

5.20

Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen dient onbetwist ook de draagkracht van de vrouw in de beoordeling te worden betrokken. Beide ouders dienen samen in de behoefte van de kinderen te voorzien.

5.21

De totale behoefte van de kinderen bedraagt met ingang van 1 januari 2017 € 1.587,- per maand (3 x € 529,-) en met ingang van 1 januari 2018 € 1.611,- per maand (3 x € 537,-). De gezamenlijke draagkracht van de ouders bedraagt € 1.287,- per maand over 2017 (€ 543,- aan de zijde van de man en € 744,- aan de zijde van de vrouw). Met ingang van 1 januari 2018 is hun gezamenlijke draagkracht € 1.683,- per maand (€ 939,- aan de zijde van de man en € 744,- aan de zijde van de vrouw).

5.22

De gezamenlijke draagkracht van de ouders is pas vanaf 1 januari 2018 voldoende om volledig te voorzien in deze behoefte. Het hof zal daarom met ingang van die datum overgaan tot vergelijking van de draagkracht om vast te stellen wat het aandeel van de man en wat het aandeel van de vrouw is in de behoefte van de kinderen. Vóór 1 januari 2018 zal ieder van de ouders conform zijn/haar draagkracht moeten bijdragen.

5.23

Met ingang van 1 januari 2018 is het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen (939/1.683 x 1.611 =) € 899,- per maand en het aandeel van de vrouw (744/1.683 x 1.611 =) € 712,- per maand.

de zorgkorting

5.24

Bij de vaststelling van het bedrag aan kinderalimentatie dat de man aan de vrouw dient te betalen, dient rekening te worden gehouden met de kosten van de kinderen die hij maakt in de periode dat zij bij hem verblijven. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg.

5.25

Tussen partijen is niet in geschil dat voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] een percentage van 35 in aanmerking dient te worden genomen.

5.26

Voor [de minderjarige1] zijn partijen het niet eens over het percentage dat gehanteerd dient te worden na het wegvallen van het contact tussen haar en de man in april/mei 2018.

5.27

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat er na april/mei 2018 enige tijd geen contact is geweest tussen vader en dochter, maar dat [de minderjarige1] inmiddels weer toenadering heeft gezocht en het contact weer is hersteld met wat korte contactmomenten. De man heeft verklaard de wensen van [de minderjarige1] in de verdere opbouw van het contact te willen volgen. Tegen deze achtergrond acht het hof het redelijk om voor wat betreft [de minderjarige1] per 1 januari 2018 uit te gaan een zorgkorting van 15%, behorende bij een zorgregeling van gemiddeld twee dagen per week als redelijk geoordeeld gemiddelde van de afgelopen periode en de te verwachten komende periode. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de inspanningsverplichting die ouders jegens elkaar en het kind hebben om de contacten met beide ouders te bevorderen.

5.28

Uitgaande van de behoefte van de kinderen berekent het hof de zorgkorting met ingang van 1 januari 2017 op € 185,- per kind per maand (35% x € 529,-) en met ingang van 1 januari 2018 op € 188,- per kind per maand voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (35% van € 537,-) en € 81,- per maand voor [de minderjarige1] (15% x € 537,-) per maand.

de kinderalimentatie

5.29

Tot 1 januari 2018 is de gezamenlijke draagkracht van de ouders niet voldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Er is een tekort van € 300,- per maand voor de kinderen gezamenlijk (€ 1.587,- behoefte minus € 1.287,- gezamenlijke draagkracht). Uitgangspunt is dat dit tekort gelijkelijk wordt verdeeld tussen de man en de vrouw. Dat betekent dat de man een bedrag van € 150,- per maand ofwel € 50,- per kind per maand niet kan verzilveren. Dat deel wordt in mindering gebracht op de hem toekomende zorgkorting van € 185,- per kind per maand.

5.30

Van de zorgkorting mag een bedrag van € 135,- per kind per maand in mindering worden gebracht op het bedrag van € 543,- per maand dat de man op basis van zijn draagkracht voor de drie kinderen beschikbaar heeft. Dit betekent dat de man aan de vrouw een bedrag van € 138,- per maand (€ 543,- minus € 405,-) dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zijnde afgerond € 46,- per kind per maand.

5.31

Het bedrag van de zorgkorting wordt met ingang van 1 januari 2018 volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . De ouders hebben immers vanaf 1 januari 2018 samen voldoende draagkracht om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Op het aandeel van de man in de kosten van de kinderen op basis van de draagkrachtvergelijking van € 899,- per maand, of wel afgerond € 300,- per kind per maand, dient voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] € 188,- per kind per maand en voor [de minderjarige1] € 81,- per maand in mindering te worden gebracht.

5.32

Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen verminderd met de zorgkorting, komt dan neer op de volgende bedragen aan kinderalimentatie:

- met ingang van 1 januari 2017: € 46,- per kind per maand;

- met ingang van 1 januari 2018: € 112,- per kind per maand voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] (€ 300,- minus €188,-) en € 219,- per maand voor [de minderjarige1] (€ 300,- minus € 81,-).

Gelet op de grenzen van de rechtsstrijd zal het hof met ingang van 1 oktober 2018 de kinderalimentatie voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3] bepalen op € 115,- per kind per maand, overeenkomstig het verzoek van de man.

* de terugbetaling

5.33

Het hof komt, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie verlaagd dient te worden met ingang van 1 januari 2017. Daarmee ziet het hof zich gesteld voor de vraag of deze beslissing mogelijk zal leiden tot een verplichting van de vrouw tot terugbetaling van hetgeen in feite is betaald door de man of verhaald op de man. Uit het debat van partijen ter zitting leidt het hof af dat van betaling dan wel verhaal geen sprake is geweest. Dat wordt ondersteund door het LBIO overzicht behorende bij het journaalbericht van 18 september 2018 dat door de man in het geding is geweest. Dit betekent dat het hof niet hoeft te beoordelen of, en in hoeverre, in redelijkheid van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met de behoefte van de kinderen reeds is uitgegeven.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven ten dele. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen gemaakt van de draagkracht van de man voor zover het betreft zijn netto besteedbaar inkomen over het jaar 2017 en 2018. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

8 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 1 november 2017 en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het hof van 12 augustus 2014 voor zover het betreft de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2017 en bepaalt dat de man aan de vrouw de navolgende bedragen zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] :

voor [de minderjarige2] en [de minderjarige3]

- vanaf 1 januari 2017 tot 1 januari 2018 een bedrag van € 46,- per kind per maand;

- vanaf 1 januari 2018 tot 1 oktober 2018 een bedrag van € 112,- per kind per maand;

- vanaf 1 oktober 2018 een bedrag van € 115,- per kind per maand;

voor [de minderjarige1]

- vanaf 1 januari 2017 tot 1 januari 2018 een bedrag van € 46,- per maand;

- vanaf 1 januari 2018 een bedrag van € 219,- per maand,

waarbij de man de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. M.P. den Hollander en mr. I.M. Dölle, bijgestaan door mr. J. Robben als griffier, en is op 9 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.