Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:4027

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-05-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
WAHV 200.210.029
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dwangsom. De beslistermijn is niet opgeschort door de verzuimbrief. Er waren in het administratief beroepschrift al gronden ingediend waardoor er geen sprake was van een verzuim. De officier van justitie heeft niet tijdig beslist. Eisen aan ingebrekestelling a.b.i. artikel 4:17 Awb. De brief van de gemachtigde voldoet aan die eisen. De officier van justitie is een dwangsom verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2019/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.210.029

8 mei 2019

CJIB 164788523

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 31 oktober 2016

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 7 januari 2019 wordt hier overgenomen.


Het verdere procesverloop

Op 24 januari 2019 is een brief met aanvullende gronden van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De zaak is behandeld op de zitting van 24 april 2019. De gemachtigde van de betrokkene is niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [D] .

Beoordeling

1. Gelet op wat is overwogen in het tussenarrest van 7 januari 2019 wordt de beslissing van de kantonrechter vernietigd. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

2. De gemachtigde voert tegen de beslissing van de officier van justitie aan dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen uitzonderingsgevallen voordoen. Het hof zal op basis van deze grond - in het licht van bestendige, bekende en daarom niet nader te bespreken vaste rechtspraak van het hof op dit punt - het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 220,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht bij driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 12 augustus 2012 om 21.20 uur op de Haagweg te Rijswijk met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

4. De gemachtigde voert aan dat er een zeer korte geelfase is geweest. Naar schatting was deze minder dan één seconde. Nu er sprake was van een zeer korte geelfase was er voor de betrokkene onvoldoende tijd om te remmen voor het verkeerslicht. De verklaring van de verbalisant vermeldt dat er een geelfase was van 3 seconden, terwijl op de foto 2,0 seconden staat. Daarnaast wordt getwijfeld aan de juiste werking van de apparatuur omdat uit de foto's het kenteken van de betrokkene niet valt op te maken en omdat niet kan worden vastgesteld dat de apparatuur geijkt is. Geen van de gegevens die staan op de NMi-verklaring die de gemachtigde heeft overgelegd staan op de foto. De gemachtigde voert verder nog aan dat het dossier geen ambtsedige verklaring bevat, waardoor er geen bijzondere bewijskracht aan de verklaring van de verbalisant kan toekomen.

5. Ten aanzien van het laatste verweer overweegt het hof dat dergelijke verweren in vele zaken aan het hof zijn voorgelegd en inmiddels ook vele malen verworpen. Het hof volstaat daarom in dit geval met verwerping van dit verweer onder verwijzing naar het arrest van het hof van 4 april 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:2855).

6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.

7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"Door middel van twee foto's van roodlichtapparatuur werd de overtreding fotografisch vastgelegd.

Foto 1: het betreffende voertuig activeert de lus achter de stopstreep cq. het rode verkeerslicht. Op het moment van de overtreding brandde het licht reeds 1,3 seconden.

Foto 2: een seconde later.
De geelfase bedroeg 3 seconden."

8. Verder bevat het dossier foto's van de gedraging. Hoewel de foto's niet heel duidelijk zijn, is te zien dat op de eerste foto het voertuig van de betrokkene zich net voorbij de stopstreep bevindt. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig het verkeerslicht heeft gepasseerd. Daarnaast is er een uitvergroting van het kenteken waarop duidelijk te lezen staat [00-YY-YY] . Uit de gegevens op de foto's blijkt dat op het moment van de eerste foto het rode licht 1,3 seconden rood licht had uitgestraald en op het moment van de tweede foto 2,1 seconden. De geeltijd bedroeg 2,9 seconden.

9. Het hof ziet geen aanleiding om aan de gegevens in het dossier te twijfelen. De NMi-verklaring die de gemachtigde heeft overgelegd is een verklaring die betrekking heeft op een onderzoek naar een detector snelheidsmeter en niet roodlichtapparatuur. Op grond van de Regeling meetmiddelen politie is voor meetmiddelen die worden gebruikt voor het constateren van roodlichtgedragingen geen NMi-verklaring vereist. Dit is ook niet op grond van enige andere wettelijke bepaling voorgeschreven. Dat op de verklaring die de gemachtigde heeft overgelegd gegevens staan die niet op de foto staan, is dan ook geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de gebruikte roodlichtapparatuur. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.

10. De stelling van de gemachtigde dat de geellichtfase 2,0 seconden was, berust op een onjuiste lezing van de gegevens op de foto. Nu ervan mag worden uitgegaan dat de geellichtfase bij het desbetreffende verkeerslicht in ieder geval 2,9 seconden bedroeg, overweegt het hof dat de bestuurder van het voertuig voldoende tijd heeft gehad om te anticiperen op het daarop volgende rode licht. Dat het verkeerslicht direct op rood is gesprongen, is door de gemachtigde in het geheel niet aannemelijk gemaakt. Indien een driekleurig verkeerslicht geel licht uitstraalt, houdt dit in beginsel in dat moet worden gestopt. Door niet te stoppen voor het gele licht heeft de bestuurder van het voertuig het risico aanvaard dat het verkeerslicht nog gedurende zijn manoeuvre rood licht zou gaan uitstralen. Er zijn dan ook geen omstandigheden die aanleiding geven om de sanctie te matigen of achterwege te laten.

11. De gemachtigde voert verder aan dat de officier van justitie een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De beslistermijn is niet opgeschort door de verzuimbrief. Er waren in het administratief beroepschrift al gronden ingediend waardoor er geen sprake was van een verzuim. Daarnaast heeft de gemachtigde de brief van 10 januari 2013 niet ontvangen.

12. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier het volgende vast. De sanctie is bij beschikking van 20 september 2012 opgelegd. Op 24 oktober 2012 is administratief beroep ingesteld door de gemachtigde. De officier van justitie heeft de gemachtigde bij brief van 10 januari 2013 en bij brief van 21 januari 2013 verzocht om binnen vier weken na dagtekening van die brief, het verzuim de gronden op te geven, te herstellen. Op
22 februari 2013 heeft de gemachtigde een ingebrekestelling aan de CVOM gestuurd. De officier van justitie heeft per brief van 26 maart 2013 laten weten dat de beslistermijn met tien weken wordt verlengd. Op 15 april 2013 is vervolgens de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep verstuurd. Per brief van 28 mei 2013 heeft de gemachtigde de officier van justitie verzocht om een dwangsom vast te stellen. Bij brief van 25 juli 2013 heeft de gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van de dwangsom door de officier van justitie op 13 juni 2013.

13. Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) houdt, voor zover van belang, in:
“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”

14. Artikel 7:24 van de Awb houdt voor - zover hier van belang - in:
“1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken. (…)

3. De termijn wordt opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4. Het beroepsorgaan kan de beslissing voor ten hoogste tien weken verdagen. (…)

6. Verder uitstel is mogelijk voor zover:
a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,
b. de indiener van het beroepschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of
c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften. (…)”

15. Het hof stelt vast dat het administratief beroepschrift wel gronden bevat. Er was daarom geen sprake van een verzuim in de zin van artikel 7:24 juncto artikel 6:6 Awb. De officier van justitie heeft de gemachtigde dan ook ten onrechte bij brieven van
10 januari 2013 en 21 januari 2013 in de gelegenheid gesteld het verzuim om gronden op te geven te herstellen. Dit brengt mee dat de beslistermijn niet is opgeschort met vier weken.

16. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb eindigde de beroepstermijn in dit geval op 1 november 2012. Gelet op het eerste en vierde lid van artikel 7:24 van de Awb en in aanmerking genomen dat de termijn gelet op het hiervoor onder 15. vermelde niet is opgeschort, eindigde de beslistermijn op 21 februari 2013. De officier van justitie heeft op 13 april 2013 op het administratief beroep beslist. Die beslissing is dan ook niet tijdig gegeven.

17. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat in de ingebrekestelling van

22 februari 2013 niet wordt aangedrongen op het alsnog nemen van een beslissing. Daardoor voldoet het niet aan de eisen (vgl. het arrest van het hof van 11 maart 2019, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2019:2163).

18. Van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb is sprake als duidelijk is dat de belanghebbende het bestuursorgaan maant om alsnog een bepaald besluit te nemen. Een ingebrekestelling moet aan de volgende eisen voldoen:
- voldoende duidelijk moet zijn op welke aanvraag het document betrekking heeft;

- de belanghebbende moet zich op het standpunt stellen dat het bestuursorgaan niet tijdig op de aanvraag heeft beslist;

- de belanghebbende moet er op aandringen dat een zodanige beslissing alsnog wordt genomen (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 december 2014, 201402074/1/A3, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:RVS:2014:4682).

19. Bij brief van 22 februari 2013 heeft de gemachtigde de officier van justitie onder meer het volgende verzocht: 'Nu de termijn verstreken is en u tot op heden nog geen beslissing heeft genomen stel ik u hierbij in gebreke wegens het niet nemen van een beslissing. Voorts verzoek ik u deze zaak te seponeren wegens deze termijnoverschrijding en derhalve de beschikking te vernietigen op grond van artt. 7:24 jo. 6:2 Awb.
Graag ontvang ik van u binnen 2 weken uw schriftelijke bevestiging hieromtrent.'

19. Anders dan in het arrest waar door de advocaat-generaal naar wordt verwezen, is hier niet verzocht om te beslissen op een informatieverzoek maar verzocht om de beschikking te vernietigen en om dit binnen twee weken te bevestigen. Hiermee is er op aangedrongen om binnen twee weken een beslissing te nemen over de beschikking. Naar oordeel van het hof is hierdoor sprake van een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17 van de Awb.

21. Bij brief van 22 februari 2013 heeft de gemachtigde de officier van justitie in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. De officier van justitie verbeurde daarom ingaande 7 maart 2013 een dwangsom en wel tot 13 april 2013, derhalve een dwangsom van in totaal € 1.020,-.

22. Aan de niet nader onderbouwde opmerking van de gemachtigde dat de redelijke termijn voorbij lijkt te zijn, gaat het hof voorbij.

23. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

stelt vast dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 1.020,- is verschuldigd;

wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.