Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3908

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2019
Datum publicatie
10-05-2019
Zaaknummer
18/00625
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2018:2538, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat zijn onroerende zaken geen waarde hebben als gevolg van de ligging nabij veehouderijen en de aanwezigheid van fijnstof,

En dat de aanslagen in de watersysteemheffing moeten worden vernietigd. Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-05-2019
FutD 2019-1328
V-N Vandaag 2019/1100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummer 18/00625

uitspraakdatum: 7 mei 2019

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juni 2018, nummer LEE 16/3833, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van het Noordelijk belastingkantoor (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende voor het jaar 2016 aanslagen in de watersysteemheffing van het Wetterskip Fryslân (hierna: het Waterschap) opgelegd tot een totaalbedrag van € 220,57.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2019. Belanghebbende is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Belanghebbende is uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van het hoger beroep bij aangetekende brief van 5 maart 2019 aan het adres [a-straat 1] , [Z] . Blijkens informatie op de website post.nl is de uitnodiging op 6 maart 2019 bij belanghebbende bezorgd. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van twee bebouwde percelen aan de [b-straat] 8 en de [b-straat] 25 te [A] (hierna ook: de huisjes) en van twee aldaar gelegen onbebouwde percelen. De WOZ-waarde voor het jaar 2016 van [b-straat] 8 is door de heffingsambtenaar van de gemeente De Fryske Marren vastgesteld op € 99.000 en die van de [b-straat] 25 op € 75.000. De bedragen van de onderhavige aanslagen in de watersysteemheffing gebouwd zijn gebaseerd op een percentage (0,06564%) van de WOZ-waarden; die van de aanslagen in de watersysteemheffing ongebouwd op de perceelsoppervlakten.

2.2.

Binnen een straal van ongeveer 500 meter van de huisjes bevinden zich twee veehouderijen met elk circa 500 koeien. Sedert september 2015 heeft belanghebbende gezondheidsklachten, die volgens hem worden veroorzaakt door de aanwezigheid van intensieve veehouderij. Belanghebbende bezoekt zijn huisjes in [A] alleen nog na het treffen van persoonlijke veiligheidsmaatregelen, waaronder het dragen van een gasmasker. De laatste keer dat hij de huisjes heeft bezocht, was op 31 maart 2016.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of de aanslagen terecht zijn opgelegd, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de heffingsambtenaar bevestigend wordt beantwoord.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij de huisjes in [A] door de gezondheidsschade die hij heeft opgelopen en waarvoor de gemeente en het Waterschap, die de boeren die die schade veroorzaken ongestoord hun gang laten gaan, medeverantwoordelijk zijn, niet kan gebruiken en dat daarom geen waarde aan de huisjes kan worden toegekend. Dit leidt ertoe, naar het Hof begrijpt, dat volgens belanghebbende de aanslagen in de watersysteemheffing dienen te worden vernietigd.

3.3.

De heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 117 van de Waterschapswet wordt onder de naam watersysteemheffing een heffing geheven van, onder anderen, hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde dan wel gebouwde onroerende zaken. Voor de heffing ter zake van gebouwde onroerende zaken geldt volgens artikel 121, eerste lid, aanhef en onderdeel d van de Waterschapswet als grondslag de WOZ-waarde.

4.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 2 van de Verordening op de watersysteemheffing Wetterskip Fryslân 2016 (hierna: de Verordening) wordt ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de zorg voor het watersysteem onder de naam watersysteemheffing een directe belasting geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van ongebouwde dan wel gebouwde onroerende zaken in het gebied van het waterschap. In artikel 3 van de Verordening is opgenomen dat als heffingsmaatstaf voor gebouwde onroerende zaken de waarde geldt die voor het kalenderjaar voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken en voor ongebouwde onroerende zaken de oppervlakte van de onroerende zaak, uitgedrukt in een aantal hectaren of een gedeelte daarvan.

4.3.

Belanghebbende had op 1 januari 2016 de bebouwde percelen aan de [b-straat] 8 en de [b-straat] 25 te [A] en twee aldaar gelegen onbebouwde percelen, alle gelegen in het gebied van het Waterschap, in eigendom. Dit brengt mee dat de aanslagen in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen van de Waterschapswet en de Verordening, en daarmee terecht, zijn opgelegd. Daaraan doet niet af dat belanghebbende in verband met gezondheidsklachten geen gebruik van de huisjes maakte. Dit zou niet anders zijn indien zou worden geoordeeld dat het Waterschap medeverantwoordelijk is voor het ontstaan van belanghebbendes gezondheidsklachten.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff, voorzitter, mr. A.I. van Amsterdam en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 7 mei 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(H. de Jong) (J.W. van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 mei 2019

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.