Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3885

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
07-05-2019
Zaaknummer
200.253.667/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek vader tot beëindiging uithuisplaatsing dochter en plaatsing bij vader. Vader weigert inzage in het NIFP-rapport met betrekking tot het ouderschapsonderzoek. Hij brengt wel twee psychologische onderzoeken in. Deze onderzoeken geven echter onvoldoende informatie over de opvoedvaardigheden van de vader in relatie tot de verzwaarde opvoedingsvraag van de dochter. De dochter blijft in het pleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.253.667/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/163155 / FJ RK 18-911)

beschikking van 2 mei 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. E. Gürcan te Arnhem.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI,

advocaat: mr. L.A. Huitema te Amsterdam,

[de moeder] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de moeder.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 31 oktober 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 30 januari 2019;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Gürcan van 27 maart 2019 met productie(s);

- een brief van de GI van 2 april 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Gürcan van 5 april 2019 met productie(s);

- een brief van mr. Huitema van 10 april 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2019 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI zijn verschenen haar advocaat en mevrouw [B] .

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ), geboren [in] 2017. De ouders zijn beiden belast met het gezag over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 17 mei 2017 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Bij mondelinge beschikking van 16 juni 2017 (schriftelijk gegeven op 20 juni 2017) heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg. Bij beschikking van 28 juni 2017 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg.

3.3

Bij beschikking van 16 mei 2018 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] verlengd in een voorziening voor pleegzorg tot 17 mei 2019.

3.4

Bij brief van 14 augustus 2018 heeft de vader de GI verzocht om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] , vanwege gewijzigde omstandigheden, te beëindigen. Bij brief van 27 augustus 2018 heeft de GI het verzoek van de vader afgewezen.

3.5

De vader heeft op 17 september 2018 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank en verzocht om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader wordt bepaald, althans dat [de minderjarige] bij de vader wordt geplaatst.

3.6

Bij de bestreden beschikking van 31 oktober 2018 heeft de rechtbank de verzoeken van de vader afgewezen.

3.7

Op 14 december 2018 heeft de GI beslist dat [de minderjarige] wordt overgeplaatst naar een voorziening voor pleegzorg van [C] te [D] .

3.8

De vader heeft op 28 december 2018 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de GI van 14 december 2018 en verzocht om het bezwaarschrift gegrond te verklaren en de bestreden beslissing te herzien, in te trekken en een nieuw besluit te nemen, inhoudende dat er afgezien zal worden van de overplaatsing van [de minderjarige] en er overgegaan zal worden tot uithuisplaatsing van haar bij haar vader. Bij brief van 2 januari 2019 heeft de GI het verzoek van de vader afgewezen.

3.9

De vader heeft op 15 januari 2019 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank en verzocht de beslissing van de GI van 2 januari 2019 te vernietigen en te bepalen dat [de minderjarige] bij de vader zal worden (over)geplaatst.

3.10

Bij beschikking van 13 maart 2019 heeft de kinderrechter de verzoeken van de vader afgewezen.

3.11

[de minderjarige] is thans woonachtig in een pleeggezin.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking van 31 oktober 2018 zijn de verzoeken van de vader om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te beëindigen en om te bepalen dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vader wordt bepaald, althans dat [de minderjarige] bij de vader wordt geplaatst, afgewezen.

4.2

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de uithuisplaatsing wordt beëindigd en te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader zal hebben, althans dat [de minderjarige] bij de vader zal worden geplaatst.

4.3

De GI voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265d, tweede lid, BW kan - voor zover hier van belang - de met het gezag belaste ouder wegens gewijzigde omstandigheden de gecertificeerde instelling verzoeken de uithuisplaatsing te beëindigen of de duur ervan te bekorten.

De GI heeft op 27 augustus 2018 middels een schriftelijke beslissing het verzoek van de vader om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te beëindigen afgewezen. De vader heeft zich hierop tot de kinderrechter gewend met het verzoek om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te beëindigen, waartoe hij op grond van artikel 1:265d, vierde lid, BW gerechtigd is.

5.2

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vader heeft immers bij wijze van een second opinion twee (forensisch psychologische) onderzoeken laten uitvoeren, waarvan één door mevrouw [E] , psycholoog en werkzaam bij [F] , en één door mevrouw [G] , psycholoog, rechtbankmediator en forensisch mediator. Als gevolg van deze twee onderzoeken is er sprake van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de rechter dient te beoordelen of deze omstandigheden ertoe leiden dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] beëindigd dient te worden.

5.3

Het hof is van oordeel dat de door de vader gestelde gewijzigde omstandigheden niet kunnen leiden tot een beëindiging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] en overweegt daartoe als volgt.

5.4

Uit de stukken blijkt dat de vader eind 2017 door de GI is aangemeld bij het NIFP voor een ouderschapsonderzoek. Dit onderzoek is eind maart 2018 afgerond, maar de vader heeft een beroep gedaan op zijn wettelijke blokkeringsrecht waardoor het NIFP rapport niet in de procedure is ingebracht. Als gevolg hiervan is er geen zicht gekomen op de opvoedingsvaardigheden van de vader, hoewel de kinderrechter dit in de beschikkingen van 11 oktober 2017 (waarin is beslist tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing) en 10 augustus 2018 (waarin een eerder verzoek van de vader om de uithuisplaatsing van [de minderjarige] te beëindigen, is afgewezen) wel van belang achtte.

Inmiddels heeft de vader twee onderzoeken laten verrichten één door mevrouw Van [E] en één door mevrouw [G] . De vader is van mening dat uit deze onderzoeken blijkt dat hij geschikt is om [de minderjarige] zelf weer op te voeden. Het hof is echter van oordeel dat uit deze onderzoeken (nog steeds) onvoldoende blijkt dat de vader over voldoende opvoedcapaciteiten beschikt om [de minderjarige] , mede gezien haar verzwaarde opvoedingsvraag, zelf op te voeden.

5.5

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat het onderzoek van mevrouw [E] te beperkt is en onvoldoende informatie bevat om te kunnen concluderen dat [de minderjarige] door haar vader opgevoed zou kunnen worden. Er is in dit onderzoek immers geen zicht gekomen op het verstandelijke vermogen van de vader, de eventuele aanwezigheid van (psychiatrische) problematiek en de affectieve en pedagogische vaardigheden van de vader in relatie tot de (verzwaarde) opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] . Juist deze vragen (die wel zijn gesteld binnen het NIFP onderzoek) zijn van belang om te kunnen bepalen of [de minderjarige] thuis bij de vader (terug)geplaatst kan worden. Het hof deelt de conclusie van de vader dat het onderzoek geen ruimte biedt voor een andere interpretatie dan dat, alle kwaliteiten van de vader in samenhang bezien, de vader goed voor [de minderjarige] kan zorgen dan ook niet. Het enkele feit dat mevrouw [E] is aangesloten bij de stichting 'Register Beroepsbeoefenaren Complementaire Zorg' maakt dit niet anders.

Het hof overweegt met betrekking tot het onderzoek van mevrouw [G] allereerst dat dit onderzoek enkel ziet op het functioneren van de vader en niet op de problematiek van [de minderjarige] in relatie tot de opvoedingsvaardigheden van de vader, hetgeen wel een belangrijk aspect is om te bepalen of [de minderjarige] door de vader opgevoed kan worden. Het is het hof daarnaast onduidelijk op welke vraagstelling het onderzoek van [G] is gebaseerd, omdat het onderzoek zich voornamelijk lijkt te richten op de omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Het hof zou uit dit onderzoek dan ook hooguit kunnen concluderen dat er mogelijkheden zijn tot een uitbreiding van de omgang. Voorts leest het hof, anders dan de vader, in dit onderzoek van [G] juist een herbevestiging van de zorgen over de opvoedingssituatie bij de vader. Omdat er bij [de minderjarige] sprake is van een ontwikkelingsachterstand (en derhalve een verzwaarde opvoedingsvraag) is ze afhankelijk van hulpverlening en heeft ze verzorgers nodig die de zorgen erkennen en die bij de behoeftes van [de minderjarige] kunnen aansluiten. Uit het rapport van [G] en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is het hof niet gebleken dat de vader de ontwikkelingsproblemen van [de minderjarige] en de noodzaak om als ouder met professionele hulpverleners samen te werken volledig onderkent. De samenwerking van de vader met de hulpverlening verloopt uiterst moeizaam. Er kan door de hulpverleners met vader ook nauwelijks gediscussieerd worden over andere visies dan die van de vader.

5.6

Het hof is bovendien van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij onbelast contact heeft met beide ouders en dat zij met beiden een goede band kan opbouwen. Door de opstelling en het gedrag van de vader is de kans groot dat, als [de minderjarige] alleen door de vader zal worden opgevoed, het contact tussen de moeder en [de minderjarige] zal stagneren en daardoor de ontwikkeling van [de minderjarige] kan worden bedreigd. Het gegeven dat de vader het niet eens is met de echtscheiding en hiervan in hoger beroep wenst te gaan, bevestigt dit beeld. Het is derhalve des te meer in [de minderjarige] 's belang dat ze op een neutrale plek (in het perspectief biedende pleeggezin) opgroeit waar ze onbelast contact kan hebben met beide ouders.

5.7

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 31 oktober 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, I.A. Vermeulen en G.B.A. Brummer, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 2 mei 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.