Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3879

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
09-05-2019
Zaaknummer
21-002191-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2017:1407
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak door de rechtbank van verkrachting. Het hof komt tot het oordeel dat de (deels technische) bewijsmiddelen de verklaring van aangeefster bevestigen. Er is geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv. Het hof acht voorts de verklaring van aangeefster betrouwbaar. Verder is sprake van het bestanddeel ‘dwang’. Gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met aftrek, met een proeftijd van vijf jaren en met bijzondere voorwaarden. Oplegging van de maatregel inhoudende dat veroordeelde zich voor de duur van 5 jaren moet onthouden van contact met aangeefster. Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en maatregel. Gedeeltelijke toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002191-17

Uitspraak d.d.: 3 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 13 april 2017 met parketnummer 18-830181-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft het hoger beroep bij akte beperkt tot de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden zoals deze zijn verwoord in het maatregelenrapport van Tactus van 24 maart 2017. De advocaat-generaal heeft voorts gevorderd dat het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] toewijst tot een bedrag van € 8.099,54, met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.A.M. Kwakman, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 13 april 2017, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van het onder 1 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. De rechtbank heeft verdachte ter zake van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht. De rechtbank heeft voorts de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] niet‑ontvankelijk verklaard en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 10 mei 2016 te [plaats] , gemeente [gemeente] , (in een woning gelegen aldaar aan de [straat] ) door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of de mond van die [benadeelde] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin dat verdachte,

- naar de woning van die [benadeelde] is gegaan en/of

- aldaar een mes op het aanrecht heeft gelegd en/of

- die [benadeelde] meermalen bij de keel heeft gepakt en/of

- tegen die [benadeelde] heeft gezegd “dat het haar laatste dag zou zijn”, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en/of

- de badjas van die [benadeelde] heeft opengetrokken en/of de onderbroek van die [benadeelde] heeft uitgetrokken en/of

- die [benadeelde] naar/over/op de bank heeft geduwd en/of

- die [benadeelde] heen en weer heeft gesleurd en/of

- het hoofd van die [benadeelde] heeft vastgepakt en/of tegen/op haar hoofd geduwd terwijl ze hem moest pijpen en/of tegen die [benadeelde] heeft gezegd: “In je keel”.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Verdachte wordt onder 1 verweten dat hij zich op 10 mei 2016 schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van aangeefster [benadeelde] .

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting van aangeefster [benadeelde] . Verdachte heeft op de zitting van de rechtbank verklaard dat aangeefster en hij de avond van 9 mei 2016 met instemming van beiden seks hebben gehad. Op de zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij in het weekend vóór dinsdag 10 mei 2016 voor het laatst en op vrijwillige basis seks heeft gehad met aangeefster. Verdachte heeft in eerste aanleg en in hoger beroep erkend dat hij in de ochtend van 10 mei 2016 in de woning van aangeefster is geweest. Hij heeft hierover verklaard dat hij de hond van aangeefster heeft uitgelaten, zoals hij dat vaker deed, vervolgens koffie heeft gedronken en daarna naar zijn werk is gegaan.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verklaring van aangeefster [benadeelde] ondersteunt. Dat verdachte in de ochtend van 10 mei 2016 in de woning van aangeefster is geweest, is geen ondersteunend bewijs voor het ten laste gelegde. Gelet op de geringe hoeveelheid van het op en in de vagina van aangeefster aangetroffen mannelijk (Y‑chromosomaal) DNA, dat een match oplevert met het Y‑chromosomale DNA-profiel van verdachte, is het aannemelijker dat dit Y‑chromosomale DNA van verdachte via eerder seksueel contact tussen hen op en in de vagina van aangeefster terecht is gekomen. Aangeefster was op de ochtend van 10 mei 2016 emotioneel door de spanningen in de relatie tussen verdachte en aangeefster en niet door de beweerdelijke verkrachting.

Het hof komt tot een ander oordeel

Aan de hand van de onderstaande bewijsmiddelen, bevattende onder meer redengevende feiten en omstandigheden, zet het hof zijn overwegingen uiteen.

Bewijsmiddelen, feiten en omstandigheden

Op 10 mei 2016 omstreeks 10:10 uur heeft aangeefster [benadeelde] zich met een collega bij het politiebureau gemeld. Op het moment dat verbalisant [verbalisant] aangeefster vroeg van welk feit zij aangifte wilde doen, werd aangeefster zichtbaar emotioneel. Verbalisant [verbalisant] zag dat aangeefster begon te huilen en te trillen.1 Verbalisant [verbalisant] neemt beide vrouwen apart en spreekt kort met beiden. Vervolgens neemt de zedenpolitie het onderzoek over.

Op 11 mei 2016 heeft aangeefster aangifte2 gedaan van verkrachting door verdachte en heeft zij ten overstaan van twee zedenrechercheurs een volledige verklaring afgelegd. Zij heeft verklaard dat verdachte op 10 mei 2016 rond 06:00 uur voor haar woning aan de [straat] te [gemeente] stond en vaak achter elkaar aanbelde. Nadat aangeefster verdachte had binnengelaten, liep verdachte naar de keuken en pakte hij uit de la een mes. Verdachte bedreigde aangeefster via haar moeder en zusje, in die zin dat aangeefster het gevoel had dat verdachte hen wat aan wilde doen. Verdachte vertelde aangeefster dat hij twee nachten niet geslapen had en cocaïne had gebruikt. Aangeefster rook alcohol en zag dat verdachte een geopend blik bier in zijn broeksband had. Verdachte zei dat het aangeefsters laatste dag zou zijn, maar aangeefster heeft verklaard verdachtes exacte woorden niet meer te weten. Verdachte pakte het mes en legde dit aan de kant op het aanrecht. Verdachte pakte aangeefster meerdere keren bij haar keel. [weergave bewijsmiddel] .

Getuige [getuige 1]3 heeft verklaard dat zij een collega is van aangeefster en dat aangeefster haar op 10 mei 2016 omstreeks 08:50 à 09:10 uur belde. Aangeefster was helemaal in paniek en kon geen adem krijgen tussen het huilen door. Aangeefster ging door in een stortvloed van de vreselijke dingen die haar waren overkomen. Getuige [getuige 1] is naar aangeefster toe gegaan en toen zij aangeefster trof, begon aangeefster meteen te huilen en met horten en stoten werd duidelijk dat verdachte haar die ochtend verkracht had en dat aangeefster ontzettend bang was. Aangeefster vertelde [getuige 1] dat verdachte die ochtend om 06:00 uur naar binnen was gekomen. Verdachte was heel agressief en aangeefster was bang dat verdachte cocaïne had gebruikt. Verdachte heeft uiteindelijk aangeefster verkracht.

De moeder van aangeefster, getuige [getuige 2]4, heeft verklaard dat aangeefster haar heeft verteld dat verdachte ’s ochtends aanbelde. Aangeefster moest open doen omdat verdachte veel lawaai maakte. Verdachte schreeuwde dat aangeefster de deur open moest doen. Toen heeft aangeefster de deur open gedaan en vervolgens heeft verdachte aangeefster gepakt en verkracht.

Op 10 mei 2016 is door de politie bij verdachte en aangeefster een zedenonderzoek verricht. Bij aangeefster5 werd op 10 mei 2016 om 14:20 uur een zedenset afgenomen, waarbij in en rondom de vagina en de mond werd bemonsterd (SIN ZAAC6163NL). Aangeefsters onderbroek werd inbeslaggenomen en verpakt (SIN AAJE2795NL). Uit het NFI-rapport d.d. 9 augustus 20166 volgt dat in de bemonsteringen van de buitenste en kleine schaamlippen en de twee bemonsteringen diep vaginaal van aangeefster (ZAAC6163NL#01, ZAAC6163NL#02, ZAAC6163NL#03 en ZAAC6163NL#04) op basis van de gemeten hoeveelheid geïsoleerd mannelijk DNA een aanwijzing is verkregen voor een relatief (zeer) geringe hoeveelheid mannelijk (Y‑chromosomaal) DNA. Aanvullend DNA-onderzoek heeft vervolgens plaatsgevonden. Uit het NFI-rapport d.d. 3 november 20167 volgt dat uit het referentiemonster van verdachte (ABJ850) een Y-chromosomaal DNA-profiel is verkregen en dat is betrokken bij een vergelijkend Y‑chromosomaal DNA-onderzoek. Uit dit onderzoek volgt dat de DNA-profielen uit de bemonsteringen van aangeefster matchen met het Y‑chromosomale DNA-profiel van verdachte en dat de resultaten van het vergelijkend Y‑chromosomale DNA-onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn als het mannelijk DNA in de bemonstering van de buitenste schaamlippen van aangeefster (ZAAC6163NL#01) van verdachte of een in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man afkomstig is, dan als het mannelijk DNA in de bemonstering van de buitenste schaamlippen van aangeefster (ZAAC6163NL#01) van een willekeurig gekozen, niet in de mannelijke lijn aan verdachte verwante man afkomstig is. Anders dan de raadsvrouw heeft gesteld ter terechtzitting in hoger beroep, hoeft naar oordeel van het hof de aanwezigheid van een geringe hoeveelheid Y-chromosomaal DNA van verdachte in en op de vagina van aangeefster, niet aannemelijker te maken dat dit DNA van verdachte door een eerder seksueel contact dan op 10 mei 2016 in en op de vagina van aangeefster terecht is gekomen. Het hof verwerpt dit verweer van de raadsvrouw.

Bewijsminimum

Voor zover door de verdediging wordt gesteld dat de verklaring van aangeefster het enige bewijsmiddel is, blijkt uit het hiervoor overwogene dat dat niet het geval is. Het hof is van oordeel dat de bovenstaande (deels technische) bewijsmiddelen de verklaring van aangeefster – en daarmee wat verdachte ten laste is gelegd – bevestigen. Er is daardoor geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Deze rechtsregel verzet zich er niet tegen dat een onderdeel van de bewezenverklaring berust op slechts één getuigenverklaring of een andere bewijsmiddel. Het hof verwerpt derhalve dit verweer van de raadsvrouw.

Overwegingen met betrekking tot de betrouwbaarheid van het bewijs

Vooropgesteld wordt dat verklaringen dienen te worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. Het enkele feit dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht zijn door emoties, schaamte of middelengebruik dan wel ontstaan door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.

In weerwil van wat de verdediging over de verklaring van aangeefster naar voren heeft gebracht, gaat het hof uit van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster bij de politie en de rechter-commissaris. Het hof komt hiertoe op grond van het volgende.

Aangeefster heeft onder de omstandigheden zoals hiervoor onder het kopje ‘Bewijsmiddelen, feiten en omstandigheden’ is weergegeven, kort na het gebeurde tegen verschillende personen spontaan haar verhaal gedaan. Zowel getuige [getuige 1] en verbalisant [verbalisant] namen hierbij waar dat verdachte emotioneel werd. Anders dan de raadsvrouw heeft het hof geen reden om eraan te twijfelen dat deze bij aangeefster waargenomen emoties door de ten laste gelegde verkrachting zijn veroorzaakt, zeker nu aangeefster tegenover [getuige 1] en [verbalisant] op het moment van deze emoties ook concreet vertelt over de verkrachting. Het hof verwerpt dit verweer van de raadsvrouw.

Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben een verklaring afgelegd over wat aangeefster hen heeft verteld over het ten laste gelegde en het hof constateert dat de verklaringen van aangeefster tegenover [getuige 1] en [getuige 2] overeenkomen met de verklaringen van aangeefster bij de politie en de rechter‑commissaris.

De verklaringen van aangeefster zoals zij die aflegde bij de politie en later bij de rechter‑commissaris zijn concreet en consistent en komen op hoofdlijnen en essentiële punten met elkaar overeen. De punten waarop de verklaringen van elkaar afwijken zijn veelal (ondergeschikte) detailpunten, dan wel afwijkingen waarvoor aangeefster een afdoende verklaring heeft gegeven. De verklaringen geven het hof op zich geen reden om te twijfelen aan de juistheid daarvan.

De verklaringen van aangeefster komen naar het oordeel van het hof voorts authentiek over. Zij geeft aan wanneer ze een bepaald detail niet meer weet en komt soms terug op bepaalde details. Ook heeft ze verklaard dat het doen van aangifte nog niet goed voelt, dat ze zich heel veel zorgen om verdachte maakt, medelijden met hem heeft en dat ze hem daarom nog een kus heeft gegeven na het ten laste gelegde. Aangeefster twijfelde al eerder om aangifte te doen van de eerdere mishandelingen en verkrachtingen, maar deed dat toch steeds niet omdat verdachte zijn excuses aanbood. Het hof is van oordeel dat aangeefster in haar verhaal vanwege de specifieke omstandigheden navolgbaar is.

Het hof stelt echter tevens vast dat verdachte op onderdelen wisselend verklaart over de periode in de aanloop naar de ochtend van 10 mei 2016. Verdachte heeft daarover bij de politie, de rechtbank en het hof verklaard.

Het beeld dat aangeefster in haar verklaringen schetst van de relatie met verdachte komt – ook op detailniveau – overeen met het beeld dat ook verdachte schetst bij de politie, de rechtbank en het hof. Aangeefster leerde als medewerker in een TBS kliniek verdachte kennen, terwijl verdachte daar werd verpleegd. Aangeefster en verdachte verklaren allebei dat aangeefster moeite had met het contact tussen verdachte en zijn ex en dat dit spanningen en ruzies in de relatie tussen aangeefster en verdachte opleverde. Aangeefster en verdachte geven allebei aan dat zij niet met en niet zonder elkaar konden. Ze hadden beiden een dubbel gevoel over de relatie, in die zin dat ze elkaar alles gunden maar niet goed met elkaar konden omgaan. Wat tevens overeenkomt is dat verdachte en aangeefster allebei verklaren over het feit dat het beter was dat verdachte op een gegeven moment op zichzelf ging wonen en dat verdachte voor een termijn van 30 dagen geen contact wilde met aangeefster om daarna te bekijken of de relatie door zou moeten gaan of niet. Over het cocaïne- en alcoholgebruik van verdachte in de ochtend van 10 mei 2016, verklaart aangeefster dat zij merkte dat verdachte had gebruikt en ook verdachte bevestigt dit in eerste instantie tegenover aangeefster en op concrete wijze ook bij de politie. Verdachte heeft bij de politie verteld dat hij voorafgaand aan de ochtend van 10 mei 2016 twee nachten niet had geslapen, in de nacht aan het zwerven was geweest en had gesnoven. Bovendien had verdachte alcohol gebruikt, aldus zijn eigen verklaring.

Aangeefster heeft verklaard dat, nu verdachte gewelddadig kon zijn naar aangeefster, zij in de relatie met verdachte steeds angstiger werd. De omschrijving van aangeefster hoe zij gaandeweg de relatie steeds meer angst ontwikkelde voor verdachte vindt ondersteuning in de waarnemingen van getuige [getuige 2] wat betreft de het gedrag van haar dochter en de omgang met verdachte en ook in de beschrijving van wat collega’s van aangeefster zien en horen van aangeefster tijdens haar relatie met verdachte.

Overwegingen met betrekking tot het bestanddeel ‘dwang’

Uit de verklaringen van aangeefster volgt dat ze in de periode voorafgaand aan en op de ochtend van 10 mei 2016 bang was voor verdachte. Verdachte heeft aangeefster voorafgaand aan het seksueel binnendringen bedreigd met een mes en haar meerdere malen bij haar keel gepakt. Aangeefster heeft vervolgens gedaan wat verdachte wilde omdat ze naar eigen zeggen ‘doodsbang’ was. Het hof neemt tevens in aanmerking de hiervoor besproken opbouw van spanning en geweld in de relatie tussen verdachte en aangeefster. Alles overwegende, is het hof van oordeel dat verdachte aangeefster door bovengenoemde feitelijkheden heeft gedwongen tot het ondergaan van de in de tenlastelegging omschreven handelingen.

Conclusie

Het hof ziet op grond van het voorgaande geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en het waarheidsgehalte van aangeefsters verklaring. Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 10 mei 2016 heeft verkracht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 10 mei 2016 te [plaats] in een woning gelegen aldaar aan de [straat] door geweld en bedreiging met geweld, [benadeelde] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , hebbende verdachte zijn penis in de vagina en de mond van die [benadeelde] geduwd/gebracht en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte,

- naar de woning van die [benadeelde] is gegaan en

- aldaar een mes op het aanrecht heeft gelegd en

- die [benadeelde] meermalen bij de keel heeft gepakt en

- tegen die [benadeelde] heeft gezegd woorden van gelijke dreigende aard en strekking als “dat het haar laatste dag zou zijn”en

- de badjas van die [benadeelde] heeft opengetrokken en de onderbroek van die [benadeelde] heeft uitgetrokken en

- die [benadeelde] naar/over/op de bank heeft geduwd en

- die [benadeelde] heen en weer heeft gesleurd en

- het hoofd van die [benadeelde] heeft vastgepakt en tegen/op haar hoofd geduwd terwijl ze hem moest pijpen en tegen die [benadeelde] heeft gezegd: “In je keel”.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verkrachting van aangeefster, met wie hij op dat moment een complexe relatie onderhield. Hij heeft onder invloed van alcohol en cocaïne de woning van aangeefster betreden. Vervolgens heeft hij aangeefster met woorden en een mes bedreigd, heeft hij aangeefster meermalen bij haar keel gepakt en haar verkracht. Het spreekt voor zich dat verdachte daarmee een grove inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke, psychische en, meer in het bijzonder, de seksuele integriteit van aangeefster. Uit de door haar opgestelde en namens haar ter terechtzitting van het hof voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring blijken de gevolgen van het bewezen verklaarde voor aangeefster. Het onvoorspelbare gedrag van verdachte maakte aangeefster erg angstig. Ook manipuleerde en kleineerde verdachte aangeefster. Bij aangeefster is een posttraumatische stresstoornis geconstateerd en aangeefster staat tot op heden nog onder behandeling van een psycholoog.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 maart 2019, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten en in 1991 ter zake van verkrachting. In 2002 is verdachte ter zake van diefstal met geweld de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging opgelegd. De verpleging van overheidswege is op 20 november 2014 beëindigd en de maatregel van terbeschikkingstelling is op 18 oktober 2015 geëindigd. Het hof acht het uitermate verontrustend en zorgwekkend dat verdachte relatief kort hierna zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit als verkrachting.

Het hof heeft ook gelet op het vonnis van de rechtbank van 13 april 2017, voor zover daartegen geen hoger beroep is ingesteld door het openbaar ministerie en verdachte, waarbij verdachte is veroordeeld ter zake van de onder 2 ten laste gelegde mishandeling van aangeefster en waarvoor één week gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is opgelegd.

Voorts heeft het hof gelet op de omtrent verdachte opgemaakte maatregelenrapportages van de reclassering van 9 april 2019 en 24 maart 2017 en de Pro Justitia rapportages van psycholoog B. van Giessen en psychiater G.J.A.M. Bakkeren. De psycholoog en de psychiater hebben bij verdachte een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken geconstateerd. Daarnaast spreken zij van een stoornis in het gebruik van middelen (alcohol, cocaïne en cannabis). Zij beoordelen het recidiverisico voor de korte termijn laag, maar geven aan dat dit toeneemt binnen een intieme relatie en bij middelengebruik en beoordelen dit als hoog op de middellange en lange termijn. De psychiater geeft aan dat de persoonlijkheidsstoornis, waardoor veel krenkingen en frustraties ontstaan, in combinatie met de verslavingsproblematiek resulteert in middelengebruik, waardoor verdachte ontremd raakt en wat vervolgens weer resulteert in seksueel en fysiek geweld. In de reclasseringsrapportage van Tactus van 24 maart 2017 wordt een kortdurende klinische behandeling met een intensief en langdurig resocialisatietraject geïndiceerd geacht en wordt oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden geadviseerd. Uit de rapportage van Reclassering Nederland van 9 april 2019 volgt evenwel dat verdachte inmiddels op vrijwillige basis hulpverlening ontvangt van Terwille Verslavingszorg en De Waag. Hieruit volgt tevens dat Reclassering Nederland, nu er in de afgelopen twee jaar geen aanwijzingen zijn voor een terugval in middelengebruik en verdachte op eigen initiatief hulpverlening heeft ingeschakeld, de mening is toegedaan dat oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden mogelijk een contraproductieve invloed kan hebben.

Het hof acht, alles afwegende, met de advocaat-generaal een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De oplegging en hoogte van deze gevangenisstraf benadrukt met name de ernst van dit feit, waarbij het voorwaardelijke deel mede dient om verdachte ervan te weerhouden om gedurende de proeftijd opnieuw strafbare feiten te begaan.

Het hof vindt het – gelet op het hiervoor omschreven gevaar voor recidive – van belang dat verdachte zijn verslavingsproblematiek onder controle krijgt en houdt. Uit de rapportage van Reclassering Nederland van 9 april 2019 en de verklaring van verdachte op de zitting van het hof op dit punt volgt dat verdachte momenteel nog steeds cannabis en alcohol gebruikt. Gelet op de ernst van het feit en het gesignaleerde recidiverisico, dat verhoogd wordt indien verdachte een relatie heeft, acht het hof een hulpverleningstraject in een vrijwillig kader niet afdoende om het recidiverisico van verdachte te beperken. Dit te meer nu verdachte inmiddels wederom een langer durende relatie onderhoudt. Naar het oordeel van het hof is verplichte begeleiding en hulpverlening in een strafrechtelijk kader in de vorm van bijzondere voorwaarden aangewezen. Het hof merkt hierbij op dat als uitgangspunt de op initiatief van verdachte reeds ingezette hulpverleningstrajecten ook binnen dit strafrechtelijke kader kunnen worden voortgezet. Het hof zal bij de formulering van de bijzondere voorwaarden aansluiten bij de voorwaarden zoals deze door Tactus in de maatregelenrapportage van 24 maart 2017 zijn geformuleerd en geadviseerd.

Dadelijke uitvoerbaarheid vrijheidsbeperkende maatregel

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van aangeefster zoals deze is voorgelezen op de zitting in hoger beroep volgt dat het voorkomt dat aangeefster verdachte treft en dat verdachte zich dan provocerend gedraagt naar aangeefster. Het hof zal daarom voorts een contactverbod met aangeefster als maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) opleggen. Het hof beoogt daarmee te voorkomen dat verdachte opnieuw contact zal opnemen met aangeefster. Het hof zal deze maatregel voor de duur van vijf jaren opleggen. Voor elke keer dat verdachte dit verbod overtreedt, zal een vervangende hechtenis van vier weken worden opgelegd. Daarbij zal het hof bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu er op grond van het voorgaande ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen tegenover aangeefster.

Dadelijke uitvoerbaarheid reclasseringstoezicht en voorwaarden

Gelet op de omstandigheid dat het bewezen verklaarde misdrijf is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen overweegt het hof dat, gezien het recidiverisico zoals dat omschreven wordt in de deskundigenrapportages Pro Justitia, de omstandigheid dat verdachte in het verleden reeds onherroepelijk is veroordeeld voor verkrachting en geweldsdelicten en dat verdachte relatief kort na de beëindiging van de maatregel terbeschikkingstelling het bewezen verklaarde heeft gepleegd, er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de veiligheid van één of meer personen. Het hof zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gelasten en een proeftijd van vijf jaren opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 16.099,54. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van in totaal € 8.099,54. Dit bedrag is als volgt opgebouwd. De benadeelde partij heeft voor € 99,54 schade geleden, betreffende de kosten voor de door de huisarts voorgeschreven slaap- en kalmeringsmiddelen. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding overweegt het hof dat sprake is geweest van verkrachting van de benadeelde partij. Bij de benadeelde partij is een posttraumatisch stressstoornis geconstateerd en hiervoor heeft zij EMDR-therapie ondergaan. De door de benadeelde partij omschreven angstige gevoelens acht het hof voorstelbaar. De hoogte van immateriële schadevergoeding dient, ex artikel 6:106, eerste lid, van BW, naar billijkheid te worden vastgesteld, waarbij rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon en de gevolgen daarvan voor de benadeelde. Mede nu de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade ook is gebaseerd op in hoger beroep niet ter beoordeling staande feiten, ziet het hof in de verstrekte informatie van de benadeelde partij onvoldoende onderbouwing voor toewijzing van het volledige bedrag van € 16.000,00 ter vergoeding van immateriële schade.

Het hof acht daarentegen een bedrag van € 8.000,00 voor de vergoeding van immateriële schade billijk. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij kan voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de vervangende hechtenis beperkt dient te blijven tot de duur van één dag. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte onvoldoende financiële middelen heeft om de schadevergoeding te voldoen. Het hof gaat hieraan voorbij, nu de vervangende hechtenis niet ziet op de omstandigheid dat de schadevergoeding niet of slechts ten dele kan worden betaald, maar is bedoeld als een drukmiddel voor betalingsonwilligen en nu het hof het – gelet op de verdachte opgelegde straf – niet illusoir meent dat verdachte in staat zal zijn binnen redelijke termijn aan zijn verplichtingen te voldoen. Het verzoek van de raadsvrouw wordt afgewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 36f, 38v, 38w, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 5 (vijf) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 5 (vijf) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

- Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zo frequent en zo lang Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht.

- Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte, de thans bestaande ambulante hulpverleningstrajecten voortzet dat hij, indien en voor zover Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht, zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van een of meer ambulante behandelaars, op de tijden en plaatsen als door of namens deze behandelaars vast te stellen, teneinde zich te laten behandelen voor zijn problemen met middelengebruik alsmede zijn kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en de problemen die hieruit voortvloeien.

- Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de verdachte verboden is gedurende de volledige proeftijd alcohol en drugs te gebruiken en dat hij verplicht is ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek, een en ander indien, zo lang en zo vaak Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht en voorts dat de verdachte, indien noodzakelijk naar het oordeel van Reclassering Nederland dan wel een andere door Reclassering Nederland aangewezen instelling, meewerkt aan een klinische opname in een door Reclassering Nederland aan te wijzen instelling voor een time-out in geval van een crisis. Deze time-outplaatsing duurt zo lang als Reclassering Nederland dan wel de door Reclassering Nederland aangewezen instelling dat noodzakelijk acht om de verdachte op een verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de omstandigheden voorafgaand aan de time-out, maar in ieder geval maximaal zeven weken.

- Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte openheid geeft wat betreft zijn sociale contacten en zich voor Reclassering Nederland open en controleerbaar opstelt en dat de veroordeelde bij de totstandkoming van een nieuwe partnerrelatie en gedurende deze partnerrelatie openheid van zaken geeft en meewerkt aan relatie- dan wel systeemgesprekken, indien en voor zover Reclassering Nederland dit noodzakelijk acht.

- Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal conformeren aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft ten behoeve van wonen, dagbesteding/werk, financiën, invulling van de vrije tijd en een ambulant behandeltraject.

Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren zich dient te onthouden van – direct of indirect – contact met [benadeelde] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt 4 (vier) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 8.099,54 (achtduizend negenennegentig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 99,54 (negenennegentig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2016 tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 8.099,54 (achtduizend negenennegentig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 99,54 (negenennegentig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 8.000,00 (achtduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2016 tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. J. Dolfing en mr. I.M. Dölle, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,

en op 3 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. T.H. Bosma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0100‑2016133779-40, d.d. 23 mei 2016 (p. 127 en 128 van het strafdossier).

2 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer PL0100-2016133779-1, d.d. 11 mei 2016 (p. 47 en verder van het strafdossier).

3 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, nummer PL0100‑2016133779-21, d.d. 12 mei 2016 (p. 140 en verder van het strafdossier).

4 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige, nummer PL0100‑201633779-46, d.d. 24 mei 2016 (p. 188 en 189 van het strafdossier).

5 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek, nummer PL0100 201633779-4, d.d. 18 mei 2016 (ongenummerd opgenomen in het strafdossier).

6 Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport d.d. 9 augustus 2016, van dr. S. van Soest (ongenummerd opgenomen in het strafdossier).

7 Een schriftelijk stuk, te weten een NFI-rapport d.d. 3 november 2016, van ing. M.J.W. Pouwels (ongenummerd opgenomen in het strafdossier).