Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3877

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2019
Datum publicatie
18-06-2019
Zaaknummer
WAHV 200.222.542
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren of laden/lossen? Pakket afgeven bij postkantoor. Gedurende 10 minuten geen laad- en losactiviteiten waargenomen. In beginsel brengt dat mee dat van de voor laden/lossen vereiste onmiddellijkheid geen sprake meer is. Dat kan anders zijn indien de gemachtigde aannemelijk maakt dat meer tijd nodig is geweest voor het afleveren van de goederen. Daartoe is mede van belang of er een alternatief voorhanden was. Dat was hier het geval. De mobiliteitsbeperking van de gemachtigde stond niet aan het alternatief in de weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.222.542

3 mei 2019

CJIB 199945770

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam

van 11 augustus 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 90,- opgelegd ter zake van “parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”, welke gedraging zou zijn verricht op 18 juli 2016 om 15.22 uur op de Benthuizerstraat te Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

2. De gemachtigde van de betrokkene, die feitelijk bestuurder van het voertuig was ten tijde van de gedraging, voert aan dat de gedraging niet is verricht, omdat geen sprake is van parkeren. Zij was voor de winkel aan het laden en lossen op de daarvoor bestemde plaats. Zij bracht tezamen met haar passagier een doos van ongeveer 25 kilo naar de pakketdienst. Wegens haar medische problematiek kon zij op dat moment niet ver lopen. Het pakket kon bezwaarlijk anders dan per voertuig worden vervoerd. Uit de rechtspraak blijkt dat laden en lossen niet slechts het uit de auto brengen omvat, maar ook het ter plaatste halen of brengen van de goederen. Zij bevond zich tijdens de gedraging in het pand van de pakketdienst om het pakket af te geven. De administratieve afhandeling hiervan beslaat minimaal tien minuten. De verbalisant is niet in de winkel geweest om na te gaan of de bestuurder van het voertuig in de winkel was. De verbalisant heeft aldus niet met zekerheid vast kunnen stellen dat geen sprake was van laden en lossen, nu daar immers ook het halen en brengen van de goederen onder valt. Daarnaast waren er voor haar geen alternatieven: zij kon niet meer dan 50 meter lopen, in de buurt waren binnen die straal geen vrije parkeerplaatsen beschikbaar en haar passagier had geen rijbewijs. Zij had haar passagier dus niet, zoals de advocaat-generaal stelt, tezamen met het pakket bij het postkantoor kunnen achterlaten om elders te parkeren, nu zij die afstand niet kon lopen. Een gehandicaptenparkeerkaart was ook geen alternatief, omdat de enige daarvoor bedoelde parkeerplaats bezet was. Al met al heeft het voertuig uitsluitend stilgestaan zolang nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om zaken uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven. In haar geval valt ook de afgifte van een ontvangstbewijs hieronder. De gemachtigde heeft het betoog onderbouwd met getuigenverklaringen en een medische verklaring.

3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

"Bord E7. Ik zag dat het voornoemde voertuig op een gelegenheid bestemd voor onmiddellijk laden en lossen van goederen stond. Gedurende 10 minuten zijn er geen laat en of los activiteiten waargenomen."

4. De onderhavige gedraging betreft een vermeende overtreding van artikel 24, lid 1, sub f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990):

“De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

(f.) op een gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van

goederen”.

5. Artikel 1, aanhef en onder ac, van het RVV 1990 verstaat onder parkeren: “Het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.”

6. Onder onmiddellijk laden of lossen van goederen moet worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (HR 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2760). Het dient dan te gaan om goederen die niet of bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden opgehaald of gebracht (HR 10 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AJ4297). Vastgesteld moet worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om de zaken uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven (Hof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2015:7639). Het ligt op de weg van een betrokkene om aannemelijk te maken dat van laden of lossen -als uitzondering op parkeren- sprake is. Van de ambtenaar kan niet worden gevergd dat hij, indien hij bij het voertuig geen laad- en losactiviteiten waarneemt, actief onderzoek doet naar de bezigheden van de bestuurder van het betreffende voertuig.

7. De omstandigheid dat in het onderhavige geval gedurende tien minuten geen laad- en losactiviteiten zijn waargenomen, brengt in beginsel reeds mee dat van de vereiste onmiddellijkheid geen sprake meer is. Dat kan anders zijn indien de gemachtigde aannemelijk maakt dat er meer tijd nodig is geweest voor het afleveren van de goederen. Daartoe is mede van belang of er een alternatief voorhanden was.

8. Naar het oordeel van het hof is sprake van parkeren. Hoewel de gemachtigde aannemelijk heeft gemaakt dat het goederen betrof die bezwaarlijk anders dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gebracht, zijn de door de gemachtigde beschreven handelingen niet aan te merken als het onmiddellijk bij voortduring lossen van goederen. Het verkrijgen van een ontvangstbewijs valt niet onder het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om het pakket uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven. De gemachtigde had ervoor kunnen kiezen om tezamen met haar passagier, die het pakket wilde verzenden, het pakket het pakketpunt in te brengen, waarna haar passagier zorg kon dragen voor de administratieve afhandeling daarvan. De gemachtigde had in de tussentijd het voertuig op een daartoe bestemde plaats kunnen parkeren. Haar passagier had haar vervolgens, na de verzending van het pakket, kunnen opzoeken, dan wel had zij haar passagier weer met het voertuig op kunnen halen.

9. Met dat oordeel is komen vast te staan dat de gedraging is verricht. In het licht van het gevoerde verweer dient het hof vervolgens te beoordelen of er niettemin redenen zijn om in dit geval een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen daartoe aanleiding geven.

10. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden. Dat de gemachtigde slecht ter been was, rechtvaardigt niet het begaan van deze gedraging. De mobiliteitsbeperking van de gemachtigde staat niet aan het hierboven genoemde alternatief in de weg. Dat het druk was en andere parkeerplaatsen bezet waren, maakt niet dat de gemachtigde het voertuig fout mocht parkeren.

11. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter de uitspraak niet goed heeft gemotiveerd. De kantonrechter heeft slechts vertrouwd op de ambtsedige verklaring van de verbalisant en is niet gemotiveerd ingegaan op de door haar aangevoerde en onderbouwde omstandigheden.

12. De kantonrechter heeft het volgende overwogen: ''In beginsel dient van de juistheid van een ambtsedige verklaring van een bevoegde verbalisant te worden uitgegaan. Hetgeen betrokkene heeft aangevoerd geeft in dit geval onvoldoende aanleiding om aan de juistheid van de verklaring van de verbalisant te twijfelen. Het beroep is dan ook ongegrond."

13. Met de gemachtigde kan worden vastgesteld dat de kantonrechter met deze motivering onvoldoende is ingegaan op de door de gemachtigde aangedragen bezwaren. Hoewel de kantonrechter niet gehouden is om op ieder argument expliciet in te gaan, mag wel worden verwacht dat uit de beslissing blijkt dat de aangevoerde gronden in de afweging zijn betrokken. De gemachtigde bestrijdt de verklaring van de ambtenaar niet, maar beargumenteert dat zij aan het laden en lossen was. De overweging van de kantonrechter raakt aldus niet de kern van het verweer van de gemachtigde, zodat diens beslissing niet deugdelijk is gemotiveerd. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. De Jong als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.