Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3827

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2019
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
21-004075-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:828
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2021:577
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte en medeverdachte zijn veroordeeld voor het witwassen van een contant geldbedrag van € 24.500,-. Medeverdachte heeft dit contante geldbedrag op de bankrekening van verdachte gestort en verdachte heeft vervolgens € 25.000,- overgemaakt naar de Staat ter voldoening van een zekerheidstelling voor de schorsing van de voorlopige hechtenis van de vader van medeverdachte. De feiten en omstandigheden rechtvaardigen een witwasvermoeden. Verdachte en medeverdachte hebben nagelaten een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de aanwezigheid en herkomst van het geld. Strafoplegging: taakstraf van 50 uren en verbeurdverklaring van een geldbedrag van € 24.500,-. Een geldbedrag van € 500,- moet worden teruggegeven aan verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004075-17

Uitspraak d.d.: 2 mei 2019

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 19 juli 2017 met parketnummer 18-930126-15 in de strafzaak tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [datum] 1960,

wonende [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 18 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal veroordelen tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal verzocht om een geldbedrag van € 24.500,-- verbeurd te verklaren en een geldbedrag van € 500,-- terug te geven aan verdachte.

De schriftelijke vordering is aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. K. Canatan, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van

100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter een geldbedrag van

€ 24.500,-- verbeurd verklaard en de teruggave aan verdachte gelast van een geldbedrag van € 500,--.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 15 juli 2014 tot en met 16 juli 2014, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van € 24.500,-- of € 25.000,--), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat geldbedrag was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie dat geldbedrag voorhanden heeft gehad, en/of dat geldbedrag heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen omtrent het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt hierover in het bijzonder het volgende.

Verklaringen verdachte

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen die door verdachte zijn afgelegd ten overstaan van de politie dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Enerzijds omdat hij ten onrechte geen consultatiebijstand heeft gehad - terwijl hij daar geen ondubbelzinnig afstand van heeft gedaan - en anderzijds omdat geen gebruik is gemaakt van een tolk.

Het hof stelt op basis van het procesdossier het volgende vast. Verdachte is aangehouden op 19 november 2014. Daarbij, zo blijkt uit het op ambtseed/-belofte opgemaakte proces-verbaal van aanhouding, is hem voorgehouden dat hij kosteloos recht heeft op consultatiebijstand. Verdachte heeft aangegeven geen advocaat te willen consulteren. Bij de voorgeleiding voor de hulpofficier van justitie heeft verdachte op vragen van de hulpofficier van justitie nogmaals aangegeven geen gebruik te willen maken van zijn recht een advocaat te consulteren. Uit het op ambtseed/-belofte opgemaakt proces-verbaal van verhoor van verdachte op 19 november 2014 blijkt dat verbalisanten verdachte nogmaals wijzen op zijn recht een advocaat te kunnen consulteren met de woorden: “U gaf aan geen advocaat te willen” waarop verdachte antwoord: “Nee, ik ben onschuldig dus hoef geen advocaat”. Daarmee kan, naar het oordeel van het hof, niet gesteld worden dat verdachte niet ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van het recht op consultatiebijstand. Ook op

26 januari 2015 wordt verdachte verhoord. Dit is gebeurd na uitnodiging om op het politiebureau te verschijnen. De verbalisanten wijzen verdachte er wederom op dat hij had kunnen overleggen met een raadsman. Verdachte antwoordt daarop: “Nee, ik heb geen advocaat nodig. Als ik geheime dingen zou doen wel, maar dat heb ik niet gedaan”. Ook bij dit verhoor heeft verdachte, naar het oordeel van het hof, klip en klaar aangegeven dat hij geen gebruik wilde maken van zijn recht op consultatiebijstand. Het hof verwerpt het verweer.

Het verweer dat verdachte met een tolk had moeten worden gehoord en dat, nu dit niet gedaan is, zijn verklaringen moeten worden uitgesloten van het bewijs wordt door het hof verworpen. Uit het proces-verbaal van aanhouding noch uit de processen-verbaal van verhoor blijkt van enige taalproblemen. Integendeel, verbalisanten brengen het onderwerp ‘taal’ expliciet aan de orde en vragen verdachte “Verstaat en begrijpt u de Nederlandse taal goed?”. Verdachte antwoordt: “Redelijk wel, ik versta wel goed Nederlands”. In het tweede verhoor op 26 januari 2015 verklaart verdachte redelijk Nederlands te spreken waarop de verbalisant zegt: “U spreekt redelijk Nederlands. Mocht een vraag niet duidelijk zijn dan moet u dat zeggen” en “Heeft u op voorhand zelf nog vragen aan ons?” Verdachte zegt daarop niets over taalproblemen maar hij begint inhoudelijk te verklaren. Uit de antwoorden die verdachte geeft op de vragen van de politie blijkt dat hij deze vragen begrijpt. Pagina’s lang worden door de politie korte vragen gesteld en door verdachte korte antwoorden gegeven. Nergens blijkt van taal gerelateerde strubbelingen in het verhoor. Er blijkt in het geheel niet van strubbelingen. Het verhoor verloopt moeiteloos. Verdachte verklaart over allerhande zaken. Over zijn werk, zijn ontslagvergoeding, hoe lang hij in Nederland woont, zijn financiën, dat hij bijna nooit spaart, over zijn vriend [medeverdachte] en dat hij hem geld heeft geleend. Wat verdachte inhoudelijk verklaart over de zaak komt bovendien grotendeels overeen met wat medeverdachte [medeverdachte] en haar partner [naam] verklaren. Aldus biedt het procesdossier niet in het minst aanknopingspunten voor twijfel aan het vermogen van verdachte te begrijpen wat de politie vroeg. En verdachte wist zich voldoende duidelijk uit te drukken. Uit de processen-verbaal van politie blijkt immers evenmin dat de verbalisanten moeite hadden verdachte te verstaan en te begrijpen.

Ter zitting van het hof heeft het hof kunnen constateren dat verdachte weliswaar gebrekkig Nederlands spreekt maar niet onbegrijpelijk.

Gezien het bovenstaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van verdachte, afgelegd bij de politie, voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

De rechtmatigheid van het politieoptreden

De raadsman heeft betoogd dat het witwasvermoeden ontbreekt en daarmee ook de verklaringsverplichting van zijn cliënt.

Het hof is echter van oordeel dat ten tijde van de start van het onderzoek op grond van de feiten en omstandigheden zoals deze uit het dossier blijken, een redelijk vermoeden van schuld bestond dat verdachte zich met medeverdachte [medeverdachte] schuldig zou hebben gemaakt aan het witwassen van een contant geldbedrag van € 24.500,--. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben dit geldbedrag contant gestort op de bankrekening van verdachte. Een dag later is vanaf de bankrekening van verdachte een geldbedrag van € 25.000,-- overgemaakt op de bankrekening van de Staat ter voldoening van een zekerheidstelling voor de schorsing van de voorlopige hechtenis van de vader van medeverdachte [medeverdachte] . Het wekt bevreemding dat medeverdachte [medeverdachte] over vrijwel het gehele geldbedrag (€ 24.500,--) beschikt dat nodig is voor de borgsom en dat zij dit niet rechtstreeks stort op het bankrekeningnummer van de Staat maar op het bankrekeningnummer van verdachte. Verdachte voegt zelf € 500,- toe en maakt eerst dan het totaalbedrag van € 25.000,- over aan de Staat. Een dergelijke nodeloos ingewikkelde constructie vraagt om een uitleg. Naast de hoogte van het contante geldbedrag neemt het hof hierbij in ogenschouw de strafbare feiten waarvan de vader van medeverdachte [medeverdachte] op dat moment werd verdacht en waarvoor hij – zo begrijpt het hof – in voorlopige hechtenis verbleef.

Witwassen

Van de hiervoor besproken stortingshandeling werd op camerabeelden van de bank waargenomen dat medeverdachte in aanwezigheid van verdachte een contant geldbedrag van € 24.500,-- in de geldmachine van de bank heeft ingevoerd. Blijkens printscreens van de beelden beschikte medeverdachte [medeverdachte] over een hoeveelheid bankbiljetten waarvan de precieze coupures overigens niet steeds te zien zijn.

De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 juli 2010 (NJ 2010/456) bepaald dat - ook indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf - bewezen kan worden geacht dat een onder een verdachte aangetroffen geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Te denken valt daarbij aan situaties, waarin het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is.

Gezegd kan worden dat daarvan in casu sprake is, nu de hierboven geschetste feiten en omstandigheden waaronder het aanzienlijke contante geldbedrag werd gestort het vermoeden voor witwassen rechtvaardigen.

Op grond van het bepaalde in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de daaromtrent vigerende jurisprudentie was verdachte gehouden om met betrekking tot (de omvang van) het gestorte contante geldbedrag een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven.

Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat het gestorte geld zijn geld is en dat hij dit heeft verkregen toen hij een ‘oprotpremie’ van zijn voormalige werkgever had ontvangen. De politie heeft onderzoek gedaan naar deze verklaring van verdachte. Uit dit onderzoek blijkt niet van grote spaartegoeden bij verdachte. Inderdaad heeft verdachte een eenmalige uitkering ontvangen van zijn voormalige werkgever maar dit bedrag heeft hij in een vrij korte tijdspanne vrijwel helemaal opgemaakt. Ter zitting van het hof komt verdachte met een andere verklaring. Hij verklaart het geldbedrag in een tijdspanne van ongeveer 30 jaren werken bijeen te hebben gespaard. Over het feit dat hij dergelijke bedragen contant onder zich had in plaats van deze bij een bankinstelling onder te brengen, heeft verdachte verklaard dat het in de Turkse gemeenschap niet ongebruikelijk is dat contant geld thuis wordt bewaard. Deze, eerst ter zitting van het hof in hoger beroep afgelegde verklaring van verdachte acht het hof onaannemelijk. De verklaring is niet te verifiëren en wordt door verdachte op geen enkele wijze onderbouwd. Daar komt bij dat verdachte tegenover de politie heeft verklaard bijna nooit te sparen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat verdachte heeft nagelaten een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven voor de aanwezigheid en de herkomst van het geld. Alles afwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen, dat het door verdachte en zijn medeverdachte gestorte geldbedrag een legale herkomst ontbeert en van enig misdrijf afkomstig is.

Medeplegen

De verdediging heeft voorts bepleit dat voldoende bewijs ontbreekt voor het ten laste gelegde medeplegen, nu medeverdachte geen ‘wezenlijke bijdrage’ heeft geleverd aan het gronddelict en daar geen opzet op heeft gehad.

Het hof overweegt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] samen naar de bank zijn gegaan om het contante geldbedrag van € 24.500,-- op de bankrekening van verdachte te storten. Medeverdachte zou het geld van verdachte hebben ontvangen. Medeverdachte voerde de stortingshandelingen bij de bank uit, verdachte was daarbij aanwezig. De volgende dag heeft medeverdachte, naar eigen zeggen samen met de dochter van verdachte, het geld vanaf de bankrekening van verdachte overgemaakt naar Justitie ten behoeve van de schorsing van de voorlopige hechtenis van medeverdachtes vader.

Het hof is van oordeel dat uit voornoemde handelingen een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] blijkt, waarbij beide verdachten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan het ten laste gelegde witwassen en daarop ook opzet hebben gehad.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij in de periode van 15 juli 2014 tot en met 16 juli 2014, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag (van € 24.500,--) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en zijn mededader wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Zoals reeds hiervoor besproken, heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van de aanzienlijke geldsom van € 24.500,--. Door witwassen wordt bewerkstelligd dat opbrengsten van misdrijven van welke aard dan ook aan het zicht van politie en justitie worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Aldus zijn criminele activiteiten in meerdere opzichten lucratief. Witwassen tast voorts de integriteit aan van het financiële en economische verkeer. Door de bewezenverklaarde handelingen ten aanzien van voornoemd bedrag in contanten, afkomstig van enig misdrijf, heeft verdachte daaraan een bijdrage geleverd.

Bij de strafbepaling heeft het hof rekening gehouden met de feiten en omstandigheden waaronder verdachte het bewezenverklaarde heeft gepleegd.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 maart 2019, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf voor de duur van 70 uren aan verdachte in beginsel passend is.

Overschrijding van de redelijke termijn

Het hof overweegt met betrekking tot het totale procesverloop in eerste en tweede aanleg in deze zaak het volgende.

Verdachte is op 19 november 2014 aangehouden door de politie, op welke datum eveneens het eerste verhoor met verdachte heeft plaatsgevonden. Pas op 12 december 2016 is de eerste dagvaarding aan verdachte betekend. De politierechter heeft op 19 juli 2017 vonnis gewezen. Verdachte heeft op 24 juli 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de zaak van verdachte op de terechtzitting van 18 april 2019 behandeld en onderhavig arrest wordt op 2 mei 2017 uitgesproken.

Het hof is van oordeel, gelet op genoemd procesverloop, dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg alsmede de totale behandeling in eerste en tweede aanleg niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden en dat dit matiging van de voornoemde op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Aan verdachte zal daarom een taakstraf van 50 uren worden opgelegd.

Beslag

Verbeurdverklaring

Het bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven geldbedrag van € 24.500,--. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Teruggave

Het hof zal de teruggave aan de rechthebbende, zijnde verdachte, gelasten van het geldbedrag van € 500,--.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 24, 33, 33a, 47, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 24.500,-.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een geldbedrag van € 500,-.

Aldus gewezen door

mr. L.J. Hofstra, voorzitter,

mr. A. van Holten en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,

en op 2 mei 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. E.M.J. Brink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.