Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3791

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
200.214.896
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid verpachter voor gebrek aan het verpachte. Klachtplicht. Exoneratieclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.214.896

(zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 5363942)

arrest van de pachtkamer van 30 april 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellant] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen:

1 de vennootschap onder firma Fa. [geïntimeerde] en Zonen,
gevestigd te [woonplaats] ,

en haar vennoten:

2 [vennoot 1],
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

3 [vennoot 2],
wonende te [woonplaats] ,

4 [vennoot 3],
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: [geïntimeerde] (vrouwelijk enkelvoud),

advocaat: mr. K. Kasem.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 juni 2017 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 6 oktober 2017,
- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord,

- een akte uitlating producties van [appellant] ,
- de antwoordakte tevens houdende overlegging van een productie.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - kort samengevat - het vonnis van 22 maart 2017 te vernietigen, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog af te wijzen en haar te veroordelen om alles wat [appellant] aan haar heeft voldaan ter uitvoering van het bestreden vonnis aan haar terug te betalen, vermeerderd met rente, en [geïntimeerde] in de proceskosten te veroordelen.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

2.1

Bij teeltpachtovereenkomst van 2 april 2015 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] verpacht de percelen kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie X, nummer 863 en sectie X, nummer 430 gedeeltelijk, tezamen groot circa 5,3 ha voor de duur van 1 maart 2015 tot 10 juni 2015. De teeltpachtovereenkomst is op 6 mei 2015 door de grondkamer Noordwest geregistreerd.

2.2

[geïntimeerde] heeft in april 2015 ijsbergsla geplant op het perceel. Het voorjaar was koud. [geïntimeerde] heeft vliesdoek over de jonge slaplanten gelegd. Met instemming van [appellant] is de oogsttijd verlengd.

2.3

Het in het verlengde van het gepachte perceel gelegen perceel heeft [appellant] aan [A] B.V. (hierna: [A] ) verpacht voor de teelt van hyacinten. Er loopt een sloot langs beide percelen. De inlaat met pompinstallatie is aan de kant van het door [A] gepachte perceel en aan het uiteinde van de sloot - aan het einde van het door [geïntimeerde] gepachte perceel - is een stuw met schuifborden. Het waterpeil in de sloot kan aan die kant met planken van 15 cm hoog worden beïnvloed.

2.4

Het perceel van [geïntimeerde] is gedraineerd; om de 4 m ligt een drainagebuis. Het perceel is lager gelegen dan het perceel van [A] en de grondsoort is zand. Bij aanvang van de pachtovereenkomst lagen de drainagebuizen vrij zodat zij water konden afvoeren.

2.5

In de eerste of tweede week van mei 2015 heeft [B] , werkzaam voor [appellant] , op verzoek van [A] planken aangebracht waardoor het waterpeil in de sloot hoger werd. De maand mei was warm en droog. [geïntimeerde] heeft in de avond van 25 mei 2015 ontdekt dat er water stond in de rijsporen van het perceel en heeft de planken verwijderd.

2.6

[B] heeft daags erna planken teruggeplaatst bij de stuw. [geïntimeerde] heeft de planken op 26 mei 2015 weer verwijderd. Op 27 mei 2015 heeft [B] telefonisch contact opgenomen met [geïntimeerde] .

2.7

Op 19 juni 2015 heeft de verzekeraar van [geïntimeerde] Dekra Expertise B.V. (hierna Dekra) opdracht gegeven schade aan ijsbergsla te onderzoeken. Op 22 juli 2015, 30 juni 2015 en 14 augustus 2015 heeft Dekra [geïntimeerde] bezocht. Op 22 juni 2015 is de niet-geoogste ijsbergsla geïnspecteerd. Op 30 juni 2015 is [B] aanwezig geweest en is nogmaals het slagewas bekeken.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg voor de kantonrechter de betaling gevorderd van € 30.751,15, te vermeerderen met rente en kosten. De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar de pachtkamer. De pachtkamer heeft bij vonnis van 22 maart 2017 de vordering toegewezen.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

[appellant] keert zich tegen de toewijzing van de vordering en legt het hele geschil aan het hof voor.

4.2

[geïntimeerde] heeft voor de teelt van ijsbergsla een laaggelegen zandperceel gepacht met drainagevoorziening, bestaande uit drainagebuizen op elke 4 m. De buizen komen uit in een lager gelegen sloot en konden bij het aangaan van de pachtovereenkomst daarop ook uitwateren omdat de buizen hoger lagen dan het peil van de sloot. In de pachtovereenkomst is daarnaast opgenomen (artikel 10): “De pachter moet het gepachte vakkundig en naar behoren bewerken, bemesten en zuiver houden van onkruid en verder voor een behoorlijke afwatering zorg dragen en voor het overige alles doen en nalaten zoals een ‘goed pachter betaamt’.” In de procedure begrijpen beide partijen hieronder dat de pachter de verantwoordelijkheid draagt voor de afwatering van het perceel.

4.3

[geïntimeerde] heeft op grond van de pachtovereenkomst en het haar ter beschikking gestelde mogen verwachten dat zij haar ijsbergsla teelde in een goed afwaterend perceel. Gelet op deze feiten en omstandigheden moet de verhoging door [appellant] van het waterpeil in de sloot, waardoor de drainagebuizen vol liepen en niet meer in de sloot konden afwateren, aangemerkt worden als een gebrek dat na het aangaan van de pachtovereenkomst is ontstaan door handelen van de verpachter en dat haar dus is toe te rekenen. Op grond van artikel 7:341 BW is de verpachter dan ook tot vergoeding van de door het gebrek veroorzaakte schade verplicht. Daarbij overweegt het hof dat [B] het waterpeil in een droge periode heeft verhoogd. In een droge periode was er voor [geïntimeerde] geen reden om het waterpeil en de afwatering via de drainage nauwlettender te volgen dan zij heeft gedaan.

4.4

[appellant] voert aan dat [geïntimeerde] niet tijdig heeft gereclameerd en daarom geen beroep meer kan doen op de omstandigheid dat sprake is van een gebrek en dat haar recht op het vorderen van schadevergoeding is komen te vervallen.

4.5

Het pachtrecht kent een klachtregeling in artikel 7:356 BW. Deze wijkt af van de algemene regel uit 6:89 BW in twee opzichten. Het gaat alleen om bekendheid van het gebrek bij de pachter (en niet behoren te kennen) en bij het niet voldoen aan de klachtplicht door de pachter, leidt dit tot een verplichting tot vergoeding van de schade die de verpachter lijdt door het te laat klagen. [geïntimeerde] heeft ‘s avonds toen zij op het land was ontdekt dat het water hoog stond en heeft onmiddellijk de planken verwijderd. Daarmee was het gebrek en de potentiële schadeoorzaak weggenomen. Herstel door de verpachter was in zoverre niet aan de orde. Kort daarna bleken de planken weer teruggeplaatst en heeft [geïntimeerde] ze opnieuw verwijderd. Vlak daarna is er contact geweest tussen partijen. Niet valt in te zien dat er aanleiding was voor [geïntimeerde] om eerder dan partijen contact hadden met de verpachter contact op te nemen, nog daargelaten dat [geïntimeerde] niet eerder wist dat de planken namens de verpachter waren geplaatst. Anders dan [appellant] aanvoert, leidt het hof uit de gang van zaken niet af dat er geen schade is ontstaan aan het gewas door de eerste keer dat [B] de planken plaatste maar alleen door de tweede keer. Uit de verklaringen namens [geïntimeerde] volgt dit niet en de verklaringen van [B] zijn op dit punt onvoldoende concreet. Het beroep op schending van de klachtplicht wordt verworpen.

4.6

[appellant] heeft ter afwering van haar aansprakelijkheid verder gewezen op artikel 19, tweede alinea, van de pachtovereenkomst waarin staat: “Verpachter is niet aansprakelijk – behoudens opzet of grove schuld – voor schade die pachter leidt of voor schade aan gewassen/teelten of andere zaken van pachter als gevolg van zichtbare en/of onzichtbare gebreken aan het gepachte. Verpachter is voorts niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt aan gewassen/teelten of andere zaken en de persoon van pachter door storm, vorst, blikseminslag, (ernstige) sneeuwval, overstromingen, stijging of daling van het grondwaterpeil, natuurrampen, atoomreacties, gewapende conflicten, onrust en overige calamiteiten.”

4.7

Dit exoneratiebeding bestaat uit twee onderdelen. In de eerste volzin staat dat de verpachter niet aansprakelijk is voor gebreken behoudens opzet of grove schuld. In de tweede volzin is verpachter nimmer aansprakelijk voor, kort gezegd, van buiten komende oorzaken/calamiteiten. De in de tweede volzin genoemde ‘stijging of daling van het grondwaterpeil’ moet in dat verband worden begrepen. Het gaat daar dus niet om een door de verpachter eigenhandig bewerkstelligde stijging of daling van het waterpeil. In elk geval heeft [geïntimeerde] dat niet zo hoeven begrijpen. De vraag is dan ook of [appellant] grove schuld treft als bedoeld in de eerste volzin.

4.8

Naar het oordeel van het hof kan het handelen van [B] als beheerder van [appellant] niet worden aangemerkt als grove schuld, begrepen als een in laakbaarheid aan opzet grenzende schuld. Weliswaar zijn de gestelde gevolgen van dat handelen ernstig - 2 ha ijsbergsla die niet goed tot ontwikkeling is gekomen - en kon [B] naar het oordeel van het hof op de hoogte zijn van het feit dat het verhogen van het waterpeil in de sloot gevolgen kon hebben voor de teelt van andere gewassen dan hyacinten, maar dat is niet voldoende. [geïntimeerde] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te kunnen nemen dat [B] zich bewust was van de risico’s van waterpeilverhoging voor de teelt van ijsbergsla en dat hij, ondanks de bewustheid van die risico’s, toch het waterpeil heeft verhoogd. Grief 2 slaagt.

4.9

Er kan dus geen grove schuld worden aangenomen. Wel is sprake van een lichtere vorm van schuld, die het hof zou willen omschrijven als laakbare veronachtzaming, in de zin dat [B] zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de gevolgen voor de teelt van [geïntimeerde] toen hij op verzoek van [A] de waterstand verhoogde. Deze omstandigheid (enige vorm van schuld) in samenhang met de verdere omstandigheden van het geval kan aan het beroep op het exoneratiebeding in de weg kan staan. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] zich op haar exoneratiebeding beroept. [geïntimeerde] voert daartoe de volgende feiten en omstandigheden aan:
- doordat de waterstand in de sloot is verhoogd, is het risico van teeltschade bij de ijsbergsla toegenomen;
- verhoging van de waterstand leidt snel tot gewasschade; het door [appellant] gehanteerde piepsysteem (als een teler iets (niet) wil moet hij bellen met [B] ) is niet adequaat;
- bij [B] was bekend dat er twee verschillende teelten op het perceel aan de sloot stonden, hyacintknollen en ijsbergsla. Het is een feit van algemene bekendheid dat verschillende teelten verschillende waterstanden nodig hebben;
- het perceel van [geïntimeerde] was lager gelegen dan dat van [A] waardoor een hoger waterpeil meer invloed kon hebben;
- de schade was eenvoudig te voorkomen door voorafgaand aan het plaatsen van de planken contact op te nemen met [geïntimeerde] dan wel de sloot te splitsen zoals nadien is gebeurd;
- nadat [geïntimeerde] de planken had weggehaald, heeft [B] planken teruggeplaatst zonder zich af te vragen wat de reden was dat de planken waren weggehaald en zonder in overleg te treden met [geïntimeerde] ;
- bij de tweede plaatsing heeft [B] het waterpeil nog verder verhoogd door een extra plank waardoor nog meer risico is ontstaan voor teeltschade;
- door het eigenmachtig verhogen van het waterpeil, grijpt de verpachter in in de teeltpachtovereenkomst waarbij de verantwoordelijkheid voor het waterpeil bij de pachter is gelegd (artikel 10);
- de verpachter heeft het perceel aan twee pachters in gebruik gegeven en geeft gehoor aan een verzoek van slechts één pachter zonder de andere pachter daarvan op de hoogte te stellen. Er is geen rechtvaardiging voor het honoreren van het verzoek van de een ten koste van de ander;
- [geïntimeerde] had geen rekening hoeven houden met een eigenmachtig optreden van de verpachter waardoor het waterpeil dermate verhoogd werd dat de drainagebuizen vol liepen.

4.10

[geïntimeerde] heeft voor het eerst bij memorie van antwoord dit beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gedaan. Bij akte uitlating productie heeft [appellant] zich daarover nog niet kunnen uitlaten. Het hof zal [appellant] in de gelegenheid stellen hierop alsnog te reageren.

4.11

Indien het hof na aktewisseling zal oordelen dat het beroep van [appellant] op haar exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, komt aan de orde of [geïntimeerde] door de verhoogde waterstand schade heeft geleden. [appellant] bestrijdt dat met een rapport van ing. [C] van Delphy Gewastaxaties (hierna: [C] ). Naar het oordeel van het hof is de kritiek van [C] niet steekhoudend (genoeg) en overigens voldoende weerlegd door Dekra in haar reactie van 5 oktober 2017 (productie 1 bij memorie van antwoord, ook al overgelegd als productie 4 bij memorie van grieven) waarop [appellant] heeft gereageerd. Het causaal verband staat daarom als onvoldoende weersproken vast.

4.12

Ten aanzien van de hoogte van de schade keert [appellant] zich vooral tegen het uitvalpercentage dat Dekra heeft gehanteerd. Volgens KWIN normen ligt een uitvalspercentage tussen 30% (vroege teelt) en 20% (late teelt). Dekra heeft gerekend met een uitvalspercentage van 10%. Volgens [geïntimeerde] klopt dat omdat zij gespecialiseerd is in de teelt van ijsbergsla, zij doorgaans een laag uitvalspercentage heeft van 5-10% en de teeltomstandigheden overigens goed waren. Zij heeft een verklaring overgelegd van
[D] van The Greenery B.V., een afnemer, die regelmatig de percelen controleert. Het hof vindt die verklaring niet voldoende om de schadeomvang aannemelijk te maken en zal [geïntimeerde] in de gelegenheid stellen stukken in het geding te brengen om het lage uitvalspercentage nader te specificeren.

Slotsom

4.13

Beide partijen mogen zich uitlaten bij akte, [appellant] over 4.9 en 4.10, [geïntimeerde] over 4.12. Over en weer mogen partijen op die aktes reageren. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 28 mei 2019 voor akte uitlating aan de zijde van [appellant] voor het onder 4.9 en 4.10 vermelde;

verwijst de zaak naar de roldatum 28 mei 2019 voor akte uitlating aan de zijde van [geïntimeerde] voor het onder 4.12 vermelde;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en L.R. Harinxma thoe Slooten en de deskundige leden ing. P. Kerkstra en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.