Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3778

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-04-2019
Datum publicatie
02-05-2019
Zaaknummer
200.221.447/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Minderjarige kinderen niet zelfstandig partij bij overeenkomsten. Vernietiging overeenkomsten tijdig ingeroepen door echtgenote? Bekendheid echtgenote; bewijsvermoeden en/of rekening. Tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.221.447/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5386320 \ CV EXPL 16-13468)

arrest van 30 april 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudend te Bleiswijk,

tegen

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 2 mei 2017 dat de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 juli 2017,

- de memorie van grieven met producties,

- de memorie van antwoord met producties,

- een akte uitlating producties van [appellant] ,

- een akte met producties van [appellant] ,

- een antwoordakte van Dexia.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep (in de memorie van grieven) om het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 2 mei 2017 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  1. ter zake de onderhavige overeenkomsten te verklaren voor recht dat deze rechtsgeldig zijn vernietigd ex artikel 1:88 en 1:89 BW en/of ex. artikel 1:345 BW jo. 1:347 BW;

  2. Dexia te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen al hetgeen aan Dexia is betaald onder deze overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover telkens vanaf de dag van elk van de betalingen aan geïntimeerde tot aan die der uiteindelijke algehele voldoening;

  3. Dexia te veroordelen tot betaling van de volledige buitengerechtelijke kosten van [appellant] , althans een bedrag conform rapport Voorwerk II, althans een door uw hof in goede justitie te bepalen bedrag;

  4. Dexia te veroordelen in de kosten van beide instanties alsmede in de nakosten;

  5. Dexia alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, dan wel die haar te ontzeggen, kosten rechtens.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

Tussen (de rechtsvoorganger van) Dexia en [appellant] zijn de volgende effectenleaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) gesloten:

  • -

    Spaarleasen® d.d. 16 september 1998 met contractnummer [00000] ;

  • -

    Spaarleasen® d.d. 16 september 1998 met contractnummer [00001] .

De eerste overeenkomst is ook ondertekend door [B] , geboren [in] 1983, en de tweede ook door [C] , geboren [in] 1986.

3.3

De overeenkomsten zijn tussentijds beëindigd. Dexia heeft eindafrekeningen opgesteld, waaruit blijkt dat de overeenkomsten met een restschuld zijn geëindigd.

Nr.

Contractnr.

Datum eindafrekening

Resultaat

1.

[00000]

21-08-2003

€ 2.257,48 (negatief)

2.

[00001]

21-08-2003

€ 2.257,48 (negatief)

3.4

[appellant] heeft op grond van de overeenkomsten in totaal € 10.726,20 aan maandtermijnen voldaan. [appellant] heeft in totaal een bedrag van € 2.111,60 aan dividenden uitgekeerd gekregen.

3.5

Leaseproces heeft op 15 februari 2006 namens [appellant] een brief aan Dexia doen toekomen, waarin de vernietiging c.q. ontbinding van de overeenkomsten is ingeroepen op grond van - onder meer - misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW), wanprestatie (artikel 6:74 BW), onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), misleidende reclame (artikel 6:194 BW) en dwaling (artikel 6:228 BW). Daarnaast is aangegeven dat [appellant] zich het recht voorbehoudt nog andere gronden aan te voeren. Dexia is daarbij gesommeerd om binnen twee weken alle door [appellant] aan haar betaalde bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente, terug te betalen.

3.6

De echtgenote van [appellant] , mw. [D] , heeft bij brief van

15 februari 2006 de overeenkomsten vernietigd op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW, omdat zij voor het afsluiten daarvan geen toestemming heeft gegeven.

3.7

Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogenoemde "Duisenberg-regeling" welke tot stand is gekomen tussen Dexia en een aantal belangenorganisaties van afnemers van haar effectenleaseovereenkomsten op grond van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM) algemeen verbindend verklaard. [appellant] heeft door middel van een "opt-out"-verklaring (d.d. 19 maart 2007) aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

3.8

Bij brief van 24 januari 2012 heeft Leaseproces namens [appellant] aan Dexia laten weten dat [appellant] zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

3.9

In de rechtspraak, uiteindelijk leidend tot HR 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), is het zogenoemde "hofmodel" ontwikkeld voor de beoordeling van effectenleasezaken als de onderhavige.

3.10

Dexia heeft op 18 januari 2012 ten aanzien van de overeenkomsten een bedrag van in totaal € 4.339,18 aan [appellant] uitgekeerd op grond van het hiervoor genoemde hofmodel.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie - samengevat - gevorderd om voor recht te verklaren dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen door [appellant] krachtens de overeenkomsten is betaald, aan hem terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast heeft [appellant] gevorderd om Dexia te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten en de kosten van het geding.

4.2

Dexia heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd om voor recht te verklaren dat de overeenkomsten rechtsgeldig tot stand gekomen zijn, niet zijn vernietigd en niet bloot staan aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in conventie en reconventie.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 2 mei 2017 de vordering van [appellant] in conventie afgewezen, omdat de echtgenote van [appellant] de vernietiging van de overeenkomsten niet tijdig - niet binnen drie jaar nadat zij van het bestaan daarvan wetenschap had - heeft ingeroepen en ook de zonen van [appellant] geen beroep op vernietiging van de overeenkomsten hebben gedaan, dan wel het bestaan van de overeenkomsten anderszins hebben aangetast. [appellant] heeft, zo overweegt de kantonrechter, daardoor geen belang bij zijn beroep op de door hem gestelde vernietiging van de overeenkomsten door zijn echtgenote. De kantonrechter heeft [appellant] in de proceskosten in conventie veroordeeld. De kantonrechter heeft de vordering van Dexia in reconventie afgewezen, omdat de jurisprudentie over de effectenleaseovereenkomsten nog niet is uitgekristalliseerd en heeft Dexia in de proceskosten in reconventie veroordeeld.

5 De ontvankelijkheid

5.1

Dexia betoogt dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het petitum van de appeldagvaarding betrekking heeft op de vordering in reconventie, terwijl de memorie van grieven ziet op de vordering in conventie en het [appellant] niet was toegestaan om buiten de beroepstermijn de omvang van het hoger beroep nog uit te breiden.

5.2

Het hof gaat aan dit betoog van Dexia voorbij. Uitgangspunt is - zie onder meer HR 27 april 1990, NJ 1991,121, ECLI:NL:HR:1990:AB8149 - dat de omlijning van het hoger beroep eerst bij memorie van grieven haar definitieve vorm zal krijgen en dat de appellant in beginsel vrij is daarbij tegen elk onderdeel van het beroepen vonnis grieven te richten. Het was [appellant] daarom toegestaan bij memorie van grieven zijn eis in hoger beroep te veranderen of vermeerderen ten opzichte van de in de appeldagvaarding opgenomen eis.

6 De beoordeling van de grieven en de vordering

6.1

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven opgeworpen. De grieven leggen het geschil in conventie in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor.

Kinderen 'mede-eigenaren' van de overeenkomsten?

6.2

Het hof ziet aanleiding eerst tot beantwoording van de (in grief 3 opgeworpen) vraag over te gaan, namelijk of de zonen van [appellant] als 'mede-eigenaren' van de overeenkomsten kunnen worden aangemerkt. Met deze juridisch weinig correcte aanduiding doelen partijen klaarblijkelijk op de vraag of de kinderen al dan niet zelfstandig als partij bij de overeenkomst moeten worden aangemerkt die zij mede hebben ondertekend.

6.3

[appellant] stelt dat de kantonrechter ten onrechte zijn kinderen als 'mede-eigenaren' van de overeenkomsten heeft aangemerkt. Hij voert daartoe - samengevat - het volgende aan. [B] en [C] waren ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten respectievelijk 14 en 12 jaar oud en [appellant] beschikte niet over de vereiste toestemming van de kantonrechter om een overeenkomst namens zijn kinderen aan te gaan. [appellant] stelt de overeenkomsten ten behoeve van [B] en [C] te zijn aangegaan om te sparen voor hun studie.

6.4

Dexia voert aan dat de kinderen wel als 'mede-eigenaren' van de overeenkomsten moeten worden aangemerkt, nu zij de overeenkomsten mede hebben ondertekend en [appellant] daarmee heeft ingestemd.

6.5

Het hof oordeelt dat de destijds minderjarige kinderen niet als zelfstandige partij bij de overeenkomsten kunnen worden aangemerkt. Dat de overeenkomsten tevens op naam van de minderjarige kinderen zijn gesteld en zij (toen zij slechts 14 en 12 jaar oud waren) ook hun naam en/of handtekening onder de overeenkomsten hebben gezet maakt nog niet dat Dexia ervan uit mocht gaan dat zij de kinderen naast [appellant] als wederpartij mocht beschouwen in die zin dat ook op de kinderen de verplichting tot het betalen van de maandtermijnen rustte. Uit het dossier is het hof gebleken dat de termijnen van de in het geding zijnde overeenkomsten niet zijn betaald met financiële middelen behorende tot het vermogen van de kinderen, maar met het gemeenschappelijk vermogen van [appellant] en zijn echtgenote, afkomstig van de bankrekening die op naam was gesteld van [appellant] en zijn echtgenote (een zogenoemde en/of-rekening). Het hof is dan ook - anders dan de kantonrechter - van oordeel dat de kinderen niet als zelfstandige partij bij de overeenkomsten kunnen worden aangemerkt. Grief 3 is in zoverre terecht voorgedragen. Of dat [appellant] baat, zal uit het navolgende blijken.

6.6

Het hof komt, gelet op het voorgaande, aan een bespreking van de stellingen van [appellant] en Dexia ten aanzien van de vernietiging van de overeenkomsten op grond van artikel 1:345 en 1:347 BW niet toe.

Tijdige vernietiging van de overeenkomsten door de echtgenote?

6.7

De tweede vraag die ter beantwoording aan het hof voorligt, is of de bevoegdheid van de echtgenote om de overeenkomsten te vernietigen, op het moment dat zij de vernietiging inriep (te weten: 15 februari 2006) reeds was verjaard, zoals de kantonrechter heeft overwogen.

6.8

[appellant] voert aan dat de bevoegdheid van zijn echtgenote om de overeenkomsten te vernietigen op het moment van de vernietiging (te weten: 15 februari 2006) nog niet was verjaard, zodat zij deze overeenkomsten toen rechtsgeldig heeft vernietigd en [appellant] uit dien hoofde een vordering wegens onverschuldigde betaling heeft op Dexia.

6.9

Dexia stelt dat de rechtsvordering van de echtgenote van [appellant] tot vernietiging van de overeenkomsten reeds op 16 september 2001 was verjaard, omdat zij al op het moment van totstandkoming van de overeenkomsten (16 september 1998) daadwerkelijk bekend moet zijn geraakt met het bestaan van de overeenkomsten. Dexia betwist dan ook dat [appellant] nog een daarop gestoelde vordering op haar te gelde kan maken.

6.10

Het hof hanteert bij de beoordeling van de vraag of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet, de volgende maatstaven. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten, welke worden aangemerkt als huurkoop en derhalve koop op afbetaling, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten is verleend. Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote wiens toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.

6.11

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk - subjectief - bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was deze te vernietigen (Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866). Daarnaast geldt dat degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast draagt van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval [appellant] en zijn echtgenote, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet al te zware eisen mogen worden gesteld (Hoge Raad 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6106). Volgens vaste rechtspraak wordt bovendien aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn. Vermoed wordt dat de echtgenote van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is vervolgens aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (Hoge Raad 17 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en BU6508 alsmede Hoge Raad 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866).

6.12

Het hof neemt verder in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van

9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op

13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting Eegalease de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid tot vernietiging van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in de situaties waarin de overeenkomst weliswaar eerder is gesloten, maar de echtgenoot pas ná 13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan nadat het de echtgenoot ter kennis is gekomen dat de overeenkomst werd gesloten en wordt binnen drie jaren gestuit als gevolg van de collectieve procedures.

6.13

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot zes maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindend verklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht. Aangezien de echtgenote van [appellant] bij brief van 15 februari 2006 de vernietiging van de overeenkomsten heeft ingeroepen, is - voor zover komt vast te staan dat de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote van [appellant] op dat moment nog niet was verjaard - tijdig gestuit.

6.14

In de onderhavige zaak zijn de overeenkomsten waarvan [appellant] heeft gesteld dat zijn echtgenote bij brief van 15 februari 2006 de vernietiging heeft ingeroepen, gesloten vóór 13 maart 2000. Dat brengt mee dat de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid niet zonder meer als gevolg van de collectieve actie is gestuit. Het beroep op verjaring kan daarom slagen. Dexia dient daartoe te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de echtgenote van [appellant] vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de overeenkomsten bekend raakte.

6.15

Dexia heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat [appellant] de overeenkomsten niet met zijn echtgenote heeft besproken, en heeft ter onderbouwing - samengevat - de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd: de overeenkomsten hadden een totale leasesom van fl. 96.155,04; [appellant] betaalde de uit hoofde van de overeenkomsten verschuldigde termijnen vanaf een en/of rekening; het is niet aannemelijk dat de echtgenote de bankafschriften van de en/of-rekening niet opende en de belastingaangifte niet heeft bekeken, er zijn op meerdere momenten poststukken van (de rechtsvoorganger van) Dexia door [appellant] ontvangen en niet is gesteld welke derde de belastingaangifte voor [appellant] en zijn echtgenote verzorgde. Dexia acht het betoog van [appellant] dat zijn echtgenote van de overeenkomsten niet op de hoogte was eveneens niet aannemelijk vanwege het feit dat [appellant] de overeenkomsten mede op naam van zijn kinderen had gezet en zijn kinderen de overeenkomsten ook heeft laten ondertekenen.

6.16

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingen aan Dexia in het kader van de overeenkomsten van het begin af aan hebben plaatsgevonden vanaf de bankrekening die op naam was gesteld van [appellant] en zijn echtgenote (een zogenoemde en/of rekening). Aan het feit dat de betalingen van aanvang van een en/of rekening zijn verricht, wordt dan ook ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden ontleend, in die zin dat wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat de echtgenote van [appellant] meer dan drie jaren voordat als gevolg van de collectieve actie de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging werd gestuit, derhalve vóór 13 maart 2000, met het bestaan van de overeenkomsten bekend was.

6.17

[appellant] heeft betwist dat zijn echtgenote van meet af aan bekend was met het bestaan van deze overeenkomsten. Hij heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat hij zijn echtgenote destijds niet had verteld dat hij overeenkomsten met (de rechtsvoorganger van) Dexia had afgesloten, dat zijn echtgenote nooit op de bankafschriften van de en/of rekening keek en dus ook nooit een betaling aan Dexia heeft gezien, dat zijn echtgenote zich niet met de financiële huishouding bemoeide en vrijwel nooit post opende (zodat post van Dexia haar niet is opgevallen), dat de belastingaangifte door een derde werd verzorgd en zijn echtgenote deze belastingaangifte niet doorkeek. [appellant] stelt zijn echtgenote op de hoogte te hebben gesteld van de overeenkomsten naar aanleiding van de negatieve mediaberichten, hetgeen volgens hem niet voor maart 2002 kan zijn geweest. [appellant] heeft in dit verband bewijs aangeboden door middel van het horen van zichzelf en zijn echtgenote als getuigen. Het hof zal [appellant] , conform zijn bewijsaanbod, in de gelegenheid stellen dit tegenbewijs te leveren. Grief 2, waarin [appellant] opkomt tegen het feit dat hij door de kantonrechter niet in de gelegenheid is gesteld bewijs te leveren, slaagt dus in zoverre. Indien gewenst kan Dexia, op wie de bewijslast rust, in contra-enquête aanvullend bewijs aandragen.

6.18

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat zijn echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de overeenkomsten bekend raakte;

bepaalt dat, indien [appellant] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op de roldatum 28 mei 2019 in het geding dient brengen,

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [appellant] in persoon en Dexia vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen over de periode van mei tot en met september 2019 van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 14 mei 2019 waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 Rv de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. J.H. Kuiper en mr. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2019.