Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3706

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
200.242.376/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoeftigheid. Het ontvangen van een uitkering ingevolge de Participatiewet en de vrijstelling van de sollicitatieplicht door de gemeente leidt niet zonder meer tot de conclusie dat de vrouw behoeftig is. Zij verschaft onvoldoende inzicht in haar financiële positie en in haar mogelijkheden om in haar eigen behoefte te voorzien. Geen toestemming om alsnog nadere informatie te verschaffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0125
JPF 2019/82 met annotatie van Vlaardingerbroek, P.
RFR 2019/123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.242.376/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/156040 / FA RK 17-1002)

beschikking van 23 april 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A. Atema te Groningen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.M. Bakker te Heerenveen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 11 april 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 10 juli 2018;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Atema van 27 september 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Atema van 18 maart 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 19 maart 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bakker van 19 maart 2019 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 29 maart 2019 plaatsgevonden. De vrouw en de man zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

De vrouw en de man zijn [in] 1999 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geboren [C] geboren [in] 1998, [D] , geboren [in] 2001 en [E] geboren [in] 2013 . Het huwelijk is ontbonden [in] 2015.

3.2

Voor zover hier van belang heeft de vrouw de rechtbank op 11 juli 2017 verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw bij vooruitbetaling zal voldoen een bijdrage in de kosten en verzorging van de minderjarige kinderen van € 215,- per kind per maand, als ook een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud van € 600,- per maand. De man heeft zich hiertegen verweerd.

3.3

Ingevolge de bestreden beschikking is de man met ingang van 12 juli 2017 een bedrag van € 196,- per minderjarig kind per maand verschuldigd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover van belang, de door de vrouw verzochte uitkering in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) afgewezen.

4.2

De vrouw is met één (ongenummerde) grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 11 april 2018. Deze grief ziet op de behoeftigheid van de vrouw. De vrouw verzoekt de beschikking te vernietigen en te bepalen dat de man aan de vrouw per 12 juli 2017 € 600,- (naar het hof begrijpt:) bruto per maand aan partneralimentatie dient te voldoen, dan wel een bedrag dat het hof vaststelt aan de hand van de geldende normen.

4.3

De man voert verweer en verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen onder veroordeling van de vrouw in de proceskosten althans subsidiair - indien er een bijdrage ten laste van de man in het levensonderhoud van de vrouw wordt vastgesteld - te bepalen dat deze verplichting eindigt één jaar na de ingangsdatum althans dat deze bijdrage na ommekomst van voormelde termijn op nihil wordt gesteld.

5 De motivering van de beslissing

behoeftigheid

5.1

De vrouw grieft tegen het oordeel van de rechtbank dat zij haar behoeftigheid onvoldoende heeft onderbouwd. Zij stelt dat zij niet zelf in haar behoefte van € 1.133,57 per maand kan voorzien omdat zij om medische redenen niet in staat is om te werken. Zij wijst erop dat zij een uitkering ingevolge de Participatiewet ontvangt als ook toeslagen. Zij stelt meerdere medische klachten te hebben waardoor zij niet in staat is om te werken en ook dat zij in het kader van de Participatiewet vrijgesteld is van haar sollicitatieplicht. Ter ondersteuning van haar stelling verwijst zij naar een tweetal beschikkingen van de gemeente van respectievelijk 16 november 2017 en 28 februari 2019.

5.2

De man betwist dat de vrouw behoeftig is. Volgens de man kan de vrouw geheel in haar eigen levensonderhoud voorzien. Hij betwist - kort gezegd - dat zij om medische reden niet in staat is om te werken.

5.3

Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man is het hof van oordeel dat de vrouw, ook in hoger beroep, onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet voldoende inkomsten heeft dan wel deze in redelijkheid niet kan verwerven. Het hof is het dan ook eens met het oordeel van de rechtbank en overweegt daartoe als volgt.

5.4

De vrouw heeft in eerste aanleg bij verzoekschrift verzuimd voldoende inzage te geven in haar inkomsten en uitgaven als ook in haar (on)mogelijkheden om arbeid te verrichten. Zij heeft slechts gesteld een uitkering ingevolge de Participatiewet te ontvangen. Aangiften en/of aanslagen inkomstenbelasting en/of draagkrachtberekeningen en/of medische gegevens ontbreken. De man heeft daar terecht bezwaar tegen gemaakt. Eerst in oktober 2017, vlak voor de mondelinge behandeling, heeft de vrouw een jaaropgave 2016 en een drietal uitkeringsspecificaties (april, mei en juni 2017) overgelegd, als ook een huurovereenkomst, een polis zorgverzekering en een voorschot beschikking toeslagen 2017. Bij haar beroepschrift heeft de vrouw een brief van de gemeente van 16 november 2017 overgelegd en vlak voor de zitting in hoger beroep een tweetal uitkeringsspecificaties (november 2018 en januari 2019), een jaaropgave 2018, een brief van de gemeente van 28 februari 2019, een uitnodiging voor een afspraak bij een revalidatiearts en een polis zorgverzekering.

5.5

Uit die stukken blijkt dat de vrouw in de jaren 2016 en 2018 een uitkering van de gemeente heeft ontvangen ter hoogte van respectievelijk € 14.896 en € 15.229,-. Ook blijkt dat zij in de maanden april, mei, juni en (in elk geval) november 2017 een uitkering van de gemeente heeft ontvangen. Over de overige maanden in 2017 ontbreken gegevens. Voorts blijkt dat de vrouw in januari 2019 een uitkering heeft ontvangen. Echter, zoals de man terecht heeft gesteld, brengt het feit dat de vrouw een uitkering (ingevolge de Participatiewet) van de gemeente ontvangt, niet zonder meer met zich dat de vrouw daarmee genoegzaam heeft aangetoond dat zij zich in redelijkheid niet voldoende inkomsten tot haar levensonderhoud kan verwerven. Dit is ook niet zo indien vast zou komen te staan dat de vrouw zoals zij stelt door de gemeente is vrijgesteld van een sollicitatieplicht. Immers, ingevolge vaste jurisprudentie heeft het hof als alimentatierechter ten opzichte van de uitkeringsinstantie een zelfstandig toetsingskader wat betreft de inspanningsverplichting van de onderhoudsgerechtigde. Ter (verdere) onderbouwing van haar stelling dat zij om medische reden niet kan werken verwijst de vrouw enkel naar een tweetal brieven van de gemeente. Het hof is met de man van oordeel dat de vrouw met de inhoud van deze brieven onvoldoende heeft aangetoond dat zij om medische reden niet kan werken. De man heeft in dit kader terecht gesteld dat uit de brief van de gemeente van 16 november 2017 blijkt dat de vrouw tijdelijk niet belastbaar is met arbeid op basis van zorgtaken en sociale aard terwijl vast staat dat de vrouw de eerste jaren na het uiteengaan van partijen niet de zorg had voor de twee oudste kinderen (geboren in 1998 en 2001) en slechts beperkt voor het jongste kind (geboren in 2003). Het belastbaarheidsonderzoek waar in deze brief naar wordt verwezen, is door de vrouw niet overgelegd terwijl ook anderszins medische verklaringen ontbreken. Hetzelfde geldt voor de inhoud van de brief van 28 februari 2019. De vrouw draagt inmiddels wel de zorg voor de kinderen maar het betreft de zorg voor tieners en de leeftijd van de kinderen staat onbetwist dan ook niet in de weg aan het verrichten van arbeid. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man volgt ook uit een uitnodiging voor een afspraak bij een revalidatiearts niet de conclusie dat de vrouw om medische reden geen arbeid kan verrichten. Nu tot slot vast staat dat door de vrouw geen inspanningen zijn verricht om in haar eigen levensonderhoud te voorzien is het hof met de man van oordeel dat niet is gebleken dat de vrouw in redelijkheid niet voldoende inkomsten heeft dan wel deze in redelijkheid niet kan verwerven.

5.6

Gelet op het voorafgaande is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft verschaft in haar financiële positie en in haar mogelijkheden om in haar eigen behoefte te voorzien en aldus heeft de vrouw niet voldaan aan haar stelplicht. De eisen van een goede procesorde verzetten zich dan ook tegen toewijzing van het namens de vrouw gedane verzoek tot het na de mondelinge behandeling alsnog indienen van nadere gegevens zoals een belastbaarheidsonderzoek. De man heeft de behoeftigheid van de vrouw van meet af aan ter discussie gesteld, zodat het voor rekening en risico van de vrouw komt dat zij haar standpunt dienaangaande in hoger beroep niet eerder met stukken nader heeft onderbouwd. Het hof wijst in dit verband ook op de artikelen 1.2.5, 1.4.4 en 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven.

5.7

Nu de grief van de vrouw niet slaagt, kunnen de overige verweren van de man onweersproken blijven.

Proceskosten

5.8

De man verzoekt de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure omdat ze haar verzoek niet deugdelijk heeft onderbouwd. Het lag op haar weg haar behoefte en behoeftigheid te onderbouwen maar heeft dat nagelaten. Hoewel het hof met de man van oordeel is dat de vrouw haar behoeftigheid onvoldoende heeft aangetoond, ziet het hof daarin geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten, van nodeloos procederen is naar het oordeel van het hof geen sprake. Het verzoek van de man wordt dan ook afgewezen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, faalt de grief. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 11 april 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en F. Kleefmann, bijgestaan door mr. E.L.K. Bijma als griffier, en is op 23 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.