Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3672

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
21-000553-17
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2017:235, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit drugstransporten naar het Verenigd Koninkrijk van ruim 2 miljoen euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000553-17

Uitspraak d.d.: 24 april 2019

TEGENSPRAAK

ONTNEMINGSZAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 19 januari 2017 met parketnummer 16-706812-15 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,

thans uit anderen hoofde verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De veroordeelde en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 12 maart 2019 en 10 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep zodat dit behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.

Vordering

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 2.182. 866 ,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier gevorderd het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten op € 4.365.732,29 en dat veroordeelde wordt verplicht tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 4.365.732,- en dat aan veroordeelde wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.

De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Veroordeelde is bij arrest van dit hof van 24 april 2019 (parketnummer 21-000098-17) veroordeeld tot straf ter zake van (onder meer) medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en deelname aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vijfde lid, van de Opiumwet.

Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat veroordeelde uit het bewezenverklaarde handelen en uit andere strafbare feiten financieel voordeel heeft genoten.

Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 2.182.865,93. Het hof neemt hierbij over de bewijsoverwegingen van de rechtbank in het ontnemingsvonnis van 19 januari 2017, zoals weergegeven op pagina 4 tot en met 10, inclusief de daarbij genoemde voetnoten, voor zover inhoudende:

‘Drugstransporten met de rol staal

In de strafzaak is op basis van de daar gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen geacht dat in de periode van 15 september tot en met 10 november 2015 drugstransporten naar het Verenigd Koninkrijk hebben plaatsgevonden met behulp van de vrachtwagen en oplegger met kentekens [kenteken] en [kenteken] en de daarin aangetroffen rol staal, waarbij veroordeelde als medepleger en als deelnemer van de hierop gerichte criminele organisatie betrokken is geweest.

Transporten tijdens de bewezenverklaarde periode

Uit de bewijsmiddelen in de strafzaak volgt in onderling verband en samenhang bezien

- kort gezegd - het volgende. In de bewezenverklaarde periode heeft wekelijks transport plaatsgevonden van een lading verdovende middelen. De drugs werden geladen in de loods van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) in Barneveld. In totaal waren dit acht voltooide drugstransporten. Het laatste drugstransport van dinsdag 10 november 2015 is onderschept, waarbij 60 kilogram harddrugs is aangetroffen in de rol staal in de oplegger. Telkens was sprake van dezelfde specifieke modus operandi als bij het transport op 10 november 2015. De vrachtwagencombinatie vertrok elke maandag vanuit Engeland naar Nederland en reed via Frankrijk en België. Op dinsdag werden de verdovende middelen geladen en op woensdag werd vanuit Hoek van Holland de boot genomen naar Harwich (Verenigd Koninkrijk). De vrachtwagen stond vervolgens op de plaats van bestemming in Engeland een aantal dagen stil, waarna bovengenoemd patroon zich herhaalde.

Alle (mede)veroordeelden vervulden hierbij een vaste eigen rol. [veroordeelde] was als organisator en leidinggevende betrokken. [medeveroordeelde 1] was de chauffeur van de vrachtwagencombinatie. Naast [medeveroordeelde 1] verrichtten ook [medeveroordeelde 2] , [medeveroordeelde 3] , [medeveroordeelde 4] en [medeveroordeelde 5] (al dan niet middels [bedrijf 1] ) uitvoerende handelingen betrekking hebbende op het laden van de verdovende middelen en het faciliteren/organiseren van het feitelijke transport inclusief het benodigde papierwerk. [medeveroordeelde 6] liet zijn naam en die van zijn vennootschap [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) tegen betaling gebruiken ten behoeve van de drugstransporten.

Transporten voorafgaand aan de bewezenverklaarde periode

Wat betreft de periode die voorafgaat aan 5 september 2015 gaat de rechtbank op grond van wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1 Ten behoeve van de leesbaarheid van het vonnis wordt bij het bespreken van de bewijsmiddelen een aantal keer tussendoor reeds een bewijsoverweging opgenomen, weergegeven in cursief.

De tachograaf in de vrachtwagen

In de tachograaf, aanwezig in de cabine van de trekker, werd op 10 november 2015 de bestuurderskaart van [medeveroordeelde 1] aangetroffen. Uit de digitale data over de periode van 3 november 2014 tot en met 10 november 2015 werden 40 transporten zichtbaar van de vrachtwagen met kenteken [kenteken] van Engeland naar Nederland en terug, telkens met [medeveroordeelde 1] als bestuurder. Deze transporten hadden allemaal hetzelfde patroon: op maandag (incidenteel zondag) vertrek uit Engeland en op woensdag per boot terug naar Harwich. Het patroon van de ritten bleek nagenoeg exact overeen te komen met de bakengegevens van de truck en oplegger van 22 september tot en met 10 november 2015. Bij elk van de

40 geregistreerde transporten heeft de vrachtwagen op dinsdag tussen ongeveer 17.00 uur en

19.00

uur stil gestaan.2

Ook werd in de cabine de agenda van [medeveroordeelde 1] aangetroffen.3 Hierin werd een uitdraai van de

tachograaf aangetroffen, waarbij de laatste tien foutmeldingen die met de bestuurderskaart

van [medeveroordeelde 1] waren veroorzaakt, waren geregistreerd. Bij vijf van deze meldingen is het

kenteken [kenteken] geregistreerd.

Uit het voorgaande blijkt dat [medeveroordeelde 1] voordat hij met de [kenteken] ging rijden in 2013 en

2014 op de [kenteken] heeft gereden.4

Overtochtgegevens van Stena Line

Uit gegevens van Stena Line blijkt dat de vrachtwagen met kenteken [kenteken] , met

oplegger, in de periode van maart 2014 tot en met 30 september 2015 bijna wekelijks

- buiten de periodes rond de zomervakantie - is verscheept naar Harwich (Verenigd

Koningrijk) vanaf Hoek van Holland. De chauffeur betrof telkens [medeveroordeelde 1] . De lading is - met

uitzondering van twee keer- telkens omschreven als: ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] of ‘ [naam] ’.

Vanaf 12 maart 2014 tot en met 9 september 2015 hebben 56 overtochten plaatsgevonden,

telkens op woensdag.5

Uit de gegevens van Stena Line B.V. blijkt dat de vrachtwagen met kenteken [kenteken] ,

met oplegger, in de periode van maart tot en met december 2013 ook bijna wekelijks

- buiten de periodes rond de zomervakantie - is verscheept naar Harwich (Verenigd

Koningrijk) vanaf Hoek van Holland. Ook in deze periode was de chauffeur telkens [medeveroordeelde 1]

en is de lading telkens omschreven als: ‘ [naam] ’ of ‘ [naam] of ‘ [naam] ’. Vanaf 6 maart 2013

tot en met 18 december 2013 hebben 28 overtochten plaatsgevonden, waarvan het

merendeel op woensdag.6

Door de verdediging is zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak verweer gevoerd

met betrekking tot de betrouwbaarheid van de van Stena Line verkregen informatie.

De rechtbank heeft de hiertoe naar voren gebrachte argumenten reeds besproken in het

vonnis van de hieraan ten grondslag liggende strafzaak van 22 december 2016.

Geconcludeerd is dat de rechtbank geen aanleiding heeft om te twijfelen aan de juistheid

van de door Stena Line verstrekte gegevens. Deze zijn daarom bruikbaar voor het bewijs.

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit ontnemingsvonnis worden deze overwegingen

hier niet herhaald. De overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden

beschouwd.

Contact [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 1] over overtochten

In de Peugeot 206 waarin [medeveroordeelde 2] op 10 november 2015 naar de loods van [bedrijf 1] is

gekomen zijn drie telefoonnummers aangetroffen, eindigend op [nummer] , [nummer] en [nummer] .7

Aan de hand van de inhoud van twee van deze telefoons is vastgesteld dat reeds vanaf 2013

contact heeft plaatsgevonden tussen [medeveroordeelde 2] en [medeveroordeelde 1] .8

[medeveroordeelde 2] heeft de volgende SMS-berichten verzonden naar het telefoonnummer van [medeveroordeelde 1]

(eindigend op 167):

op 10 maart 2013: ‘Oke thnx mate’

op 17 maart 2013: ‘Youre booked mate’9

[medeveroordeelde 2] heeft een SMS-bericht ontvangen:

op 27 juli 2013: ‘for got tex home mate nise to see you yesterday and we

need to get newer truck mate so it all looks good mate’10

Ook heeft [medeveroordeelde 2] in oktober 2013 drie SMS-berichten ontvangen inhoudende een

boekingsbevestiging van Burger Ferry Agencies voor de overtocht van Engeland naar

Frankrijk van de vrachtwagen met kenteken [kenteken] .11

In het strafvonnis van [veroordeelde] heeft de rechtbank reeds overwogen dat zij wettig en

overtuigend bewezen acht dat de volgende verdachten gebruikers waren van onder meer

de volgende telefoonnummers:

[telefoonnummer] [medeveroordeelde 1]

[telefoonnummer] [medeveroordeelde 2]

[telefoonnummer]

[medeveroordeelde 2]

Ten behoeve van de leesbaarheid van dit ontnemingsvonnis worden de hieraan ten

grondslag liggende wettige bewijsmiddelen, zoals gebezigd in het strafvonnis van

22 december 2016, hier niet herhaald Deze bewijsmiddelen dienen als hier herhaald en

ingelast te worden beschouwd.

De rechtbank gaat ervan uit dat het hierboven vermelde SMS-bericht dat [medeveroordeelde 2] op

27 juli 2013 heeft ontvangen afkomstig is van [medeveroordeelde 1] , gelet op de inhoud, redactie en

spellingswijze die overeenkomen met andere SMS-berichten waarvan vaststaat dat deze

door [medeveroordeelde 1] zijn verstuurd.

Betaling Burger Ferry Agencies

De verschepingen zijn geboekt door Burger Ferry Agencies BV.12 Dit gebeurde in de

periode van 1 januari 2015 tot en met augustus 2015 in opdracht van [bedrijf 3]

op naam van [medeveroordeelde 6] .13 De eerste girale betaling van [bedrijf 2] aan Burger

Ferry Agencies heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013.14 Aan de hand van de

bankafschriften van [bedrijf 2] is gebleken dat in de periode van 3 december 2014

tot en met 7 juli 2015 in totaal € 26.700,83 aan Burger Ferry Agencies is betaald, kennelijk

voor de overtochten van de [kenteken] .15

Tenaamstelling oplegger OL-12-JL

De bij de drugstransporten gebruikte oplegger met kenteken [kenteken] heeft vanaf 11 april

2013 tot en met 2 mei 2014 op naam gestaan van [bedrijf 2] . Per 10 december 2014

is [medeveroordeelde 6] de tenaamgestelde van deze oplegger.16

Aankoop vrachtwagen [kenteken]

De bij de drugstransporten gebruikte trekker met kenteken [kenteken] heeft vanaf 6 maart

2014 tot en met 6 maart 2015 op naam gestaan van [bedrijf 2] . [bedrijf 1] is met ingang

van 6 maart 2015 de tenaamgestelde van de vrachtwagen.17

Bij de doorzoeking van de woning van [medeveroordeelde 2] op 10 november 2015 werd administratie

aangetroffen van de aankoop van een DAF truck bij [bedrijf 4] BV op naam van

[bedrijf 2] van januari 2014.18 Door verkoper [getuige 1] is verklaard dat hij de

truck met kenteken [kenteken] aan [bedrijf 2] heeft verkocht.19 De kopers vertelden

hem dat zij op Engeland zouden gaan rijden met de truck. In de administratie van de

verkoop van [getuige 1] is een kopie van het rijbewijs van [medeveroordeelde 6] aanwezig.

[getuige 1] verklaart echter dat [medeveroordeelde 6] niet aanwezig was bij de verkoop20 en herkent bij

een fotoconfrontatie [veroordeelde]21 als de koper van de truck en [medeveroordeelde 1]22 als de chauffeur.

[veroordeelde] heeft ter zitting bevestigd betrokken te zijn geweest bij de aankoop van deze

vrachtwagen.23

Verklaring [medeveroordeelde 6] over [bedrijf 2]

[medeveroordeelde 6] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 2] , dat per augustus

2012 ook wel handelt onder de naam [bedrijf 3] , gevestigd te Amersfoort.24

[medeveroordeelde 6] heeft verklaard op papier eigenaar te zijn geweest van [bedrijf 2] . [veroordeelde] (de

rechtbank begrijpt: [veroordeelde] ) heeft hem benaderd omdat hij gebruik wilde maken van deze

vennootschap om transporten mee te gaan doen.25 Hiervoor krijgt [medeveroordeelde 6] een vergoeding

van [veroordeelde] in de vorm van € 1.500,- salaris per maand.26 Dit bedrag zou [veroordeelde] elke maand

storten op de privérekening van [medeveroordeelde 6] , gebruikmakend van de rekening van [bedrijf 2]

. [medeveroordeelde 6] heeft zelf geen activiteiten ondernomen vanuit het bedrijf.

[medeveroordeelde 6] heeft een vrachtwagen op zijn naam gehad die door [veroordeelde] is gekocht.27 Ook is hij

door [veroordeelde] gevraagd om een oplegger op naam van [bedrijf 2] te zetten.28 Het

bedrijfspand is uitgezocht door [veroordeelde]29 en de huur werd ook door hem betaald, aldus

[medeveroordeelde 6] .

[medeveroordeelde 6] hoorde van [medeveroordeelde 3] dat de oplegger op Engeland reed. De trailer werd gebruikt door

een Engelsman. [medeveroordeelde 6] wist dat [medeveroordeelde 3] handelingen verrichtte op dinsdagen. [medeveroordeelde 6] zegt

hierover dat hij natuurlijk wel aanvoelde dat er iets niet aan klopte.30

Controle van de vrachtwagen en oplegger op 4 november 2014

Op 4 november 2014 is de vrachtwagen met kenteken [kenteken] , bestuurd door [medeveroordeelde 1] ,

gecontroleerd door de Inspectie Leefomgeving en Transport (hierna: ILT).31 [medeveroordeelde 1]

verklaarde aan de ILT werkzaam te zijn voor [bedrijf 3] . Volgens de vrachtbrief

betrof de lading staal met een gewicht van 18.824 kilogram, afkomstig van [bedrijf 5]

(Verenigd Koninkrijk) en bestemd voor [bedrijf 5] Rotterdam.32 [medeveroordeelde 6] is

op 19 maart 2015 door de ILT gehoord. Hij verklaarde directeur te zijn van [bedrijf 2]

, handelend onder de naam [bedrijf 3] , en eigenaar van de

vrachtwagen.33

De oplegger met kenteken [kenteken] is na de controle door de ILT losgekoppeld en verder

vervoerd door [bedrijf 6] BV.34 De eigenaar van dat bedrijf,

[getuige 2] , verklaarde dat dit is gebeurd op verzoek van [veroordeelde] .35

[veroordeelde] heeft bevestigd aan [bedrijf 6] Transport te hebben gevraagd om de oplegger na

de controle op te halen.36

Verklaring transporteur [medeveroordeelde 5]

is sinds de oprichting in 2014 enig aandeelhouder en bestuurder van

[bedrijf 1] Holding B.V.37, welke vennootschap enig aandeelhoudster en bestuurder is van [bedrijf 1] .38

[medeveroordeelde 5] heeft het afgelopen jaar, vanaf maart 2015,39 één keer per week voor de

opdrachtgever [bedrijf 2] gereden (de rechtbank begrijpt: [bedrijf 2] ). Het transport

betrof altijd een rol staal van Nederland naar Engeland, uitgevoerd door [medeveroordeelde 1] .40 Hij ontving

hiervoor € 1.240,- per rit.41 Het contact met de klant ging via e-mail. De berichten werden

ondertekend met de naam [medeveroordeelde 6] .42 [medeveroordeelde 1] kwam altijd met de vrachtwagen op dinsdag

naar de loods om het CMR-formulier en de overtochtpapieren op te halen.43

[medeveroordeelde 4] heeft hem de klant aangereikt. Hij vertelde aan [medeveroordeelde 5] dat hij iemand

had voor ritten naar Engeland.44

Als aan [medeveroordeelde 5] een foto wordt getoond van [veroordeelde] zegt [medeveroordeelde 5]

hem voor 90% te herkennen als de man die bij hem is geweest voor de aankoop van de

vrachtwagen en de opdracht voor het transport.45 [medeveroordeelde 5] verklaart dat deze

jongen (de rechtbank begrijpt: [veroordeelde] ) hem vertelde dat zij al op Engeland reden.46

De memobriefjes

In de loods is in het kantoorgedeelte van de portocabin een rugzak met inhoud aangetroffen.

In het voorvak van de rugzak zat een factuur van een apotheek en een doosje met

medicijnen, beide gericht aan [medeveroordeelde 2] . In de rugtas werd een 19-tal notities aangetroffen

met daarop bedragen en kennelijke aantallen.47

De rechtbank deelt de interpretatie die hieraan in het Rapport berekening wederrechtelijk

verkregen voordeel wordt gegeven, namelijk de volgende.

Van deze memobriefjes zijn 16 aangemerkt als opbrengstenverantwoording van het

transport van verdovende middelen gelet op de vermelding van vervoerde hoeveelheden,

de ontvangen vergoeding per kilo, kostenposten en (bij)naamsverwijzingen. Voor het

vervoer van de harddrugs naar Engeland ontving de organisatie een vergoeding die

bestond uit een vast bedrag per kilogram van € 1.600,-. Deze vergoeding is vermeld op

alle 16 memobriefjes. Op de memobriefjes worden hoeveelheden vermenigvuldigd met de

te ontvangen vergoeding voor transport ad € 1.600,-, welke som de opbrengst oplevert.

Gespecificeerde kostenposten naar personen, uitvoeringshandelingen of ondernemingen

worden bij elkaar opgeteld en in mindering gebracht op deze opbrengsten. Het resultaat

hiervan wordt uiteindelijk gedeeld door twee personen, aangeduid met ‘p.p.’.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gebezigde wettige bewijsmiddelen

voldoende aanwijzingen bestaan dat het strafbare handelen van de organisatie, te weten het

exporteren van harddrugs naar het Verenigd Koninkrijk, ook voorafgaand aan 15 september

2015 heeft plaatsgevonden.

Reeds vanaf maart 2013 heeft [medeveroordeelde 1] als chauffeur transport van staal naar het Verenigd

Koninkrijk uitgevoerd, eerst met de vrachtwagen met kenteken [kenteken] en later met de

vrachtwagen met kenteken [kenteken] . Dat de lading telkens uit een rol staal bestond blijkt

uit de registratie door Stena Line en wordt ondersteund door de waarneming op 4 november

2014 tijdens de ILT-controle. Dat de lading ook telkens verdovende middelen bevatte volgt

uit de (grotendeels) ongewijzigde modus operandi. Uit de tachograafgegevens blijkt dat al

geruime tijd voor de bewezen verklaarde periode volgens hetzelfde vaste patroon werd

gereden, waarbij elke dinsdag tussen ongeveer 17.00 uur en 19.00 uur tijd was om de

verdovende middelen te laden. De gebruikte oplegger met kenteken [kenteken] stond ook al

per april 2013 op naam van [bedrijf 2] . Reeds in maart 2013 werden overtochten

geboekt door Burger Ferry Agencies in opdracht van [bedrijf 2] en verstuurde

[medeveroordeelde 2] – kennelijk na het boeken van die overtocht – een SMS aan [medeveroordeelde 1] met de tekst ‘youre booked mate’.

De rechtbank stelt vast dat de organisatie ten minste in maart 2013 is aangevangen met het uitvoeren van drugstransporten op overwegend dezelfde wijze als de bewezen verklaarde transporten in september tot en met november 2015. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat hiermee door betrokkenen wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen.’

In aanvulling op de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechtbank overweegt het hof nog het volgende.

Betrouwbaarheidsverweer betreffende de gegevens van Stena Line

Door de verdediging is aangevoerd dat de gegevens van Stena Line onbetrouwbaar zouden zijn en daarom niet vaststaat dat bij iedere overtocht sprake was van een oplegger en -als daar al sprake van was- een rol staal gevuld met drugs. In aanvulling op de overwegingen die de rechtbank hieromtrent reeds heeft gemaakt, wordt door het hof nog het volgende overwogen.


Uit de in hoger beroep tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de heer [getuige 3] van Stena Line is gebleken dat Stena Line uitgaat van de gegevens die zij aangeleverd krijgen van de chauffeur of de opdrachtgever; dat de lengte en de lading niet daadwerkelijk gecontroleerd worden en dat slechts sprake was van een visuele controle, die niet waterdicht is. Dit maakt naar het oordeel van het hof echter niet dat getwijfeld dient te worden aan de juistheid van de gegevens van Stena Line. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat bij een aantal transporten geen of een afwijkend trailernummer is genoteerd kennelijke verschrijvingen betreffen. Daar komt bij dat door de verdediging op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt waarom alleen met een truck - zonder oplegger - op en neer zou zijn gereden en waar dan op dat moment de oplegger met de rol staal zou zijn gebleven. Bovendien duidt de verklaring van [getuige 3] erop dat bij de transporten waarbij geen trailernummer is genoteerd wel degelijk met oplegger gereden kan zijn.

Telkens verdovende middelen in de rol staal

Door de verdediging is voorts aangevoerd dat niet geconcludeerd kan worden dat bij iedere gestelde overtocht sprake is geweest van het vervoeren van verdovende middelen.

In aanvulling op de overwegingen van de rechtbank op dit punt merkt het hof op dat zo zonder meer niet valt in te zien waarom [medeveroordeelde 1] met de truck, de oplegger en steeds dezelfde rol staal zonder inhoud op een neer zou rijden van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk. Dat dit - in eerste instantie - zou zijn geschied in het kader van een BTW-caroussel, zoals door de verdediging is geopperd, is op geen enkele wijze onderbouwd en niet aannemelijk geworden.

Verwijzingen in het vonnis van de rechtbank

Door de rechtbank is in de voetnoten verwezen naar de gebezigde bewijsmiddelen. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende:

  • -

    in voetnoot 2 dient ook pagina 60 te worden aangehaald;

  • -

    in voetnoten 16 en 17 dient ook pagina 3244 te worden aangehaald;

  • -

    in voetnoot 18 dient ook pagina 3030 te worden aangehaald.

Betrokkenheid van veroordeelde en berekening van zijn wederrechtelijk voordeel

Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen bestaan voor betrokkenheid van veroordeelde bij de drugstransportorganisatie vanaf tenminste maart 2013. Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen - in samenhang met de bewijsmiddelen in de strafzaak - leidt het hof namelijk af dat veroordeelde [medeveroordeelde 6] vóór maart 2013 heeft benaderd om gebruik te maken van diens vennootschap.

Daar komt bij dat het bestand ‘ [bestandsnaam] ’, dat is gebruikt om stickers te maken die bij elk transport op de rol staal werden geplakt, op 4 maart 2013 is aangemaakt, op welk moment ‘ [veroordeelde] ’ als gebruiker (user) was ingelogd. Door de verdediging is gesteld dat ook anderen dan veroordeelde op zijn account konden werken, maar niet is aangegeven wie dit dan zouden moeten zijn geweest en op welke manier dat dan gebeurd zou zijn.

In de strafzaak is bewezenverklaard dat veroordeelde in de periode 15 september 2015 tot en met 10 november 2015 als feitelijk leidinggevende betrokken is geweest bij de drugstransportorganisatie. Mede gelet op de omstandigheid dat de modus operandi (chauffeur [medeveroordeelde 1] die elke woensdag met een vrachtwagen met oplegger met een rol staal van Nederland naar het Verenigd Koninkrijk gaat) vanaf maart 2013 ongewijzigd is -daargelaten kleine verschillen op detailniveau- is het hof van oordeel dat niet valt in te zien dat veroordeelde niet ook al in maart 2013 (als feitelijk leidinggevende) betrokken was bij de organisatie.

De verklaring die verdachte in hoger beroep heeft afgelegd, inhoudende dat hij pas vanaf de zomer van 2015 op de hoogte raakte van en betrokken raakte bij de drugshandel acht het hof op grond van de hiervoor genoemde betrokkenheid van verdachte in maart 2013 niet aannemelijk.

Aantal transporten

Op grond van de bewijsmiddelen in de strafzaak en de in de ontnemingszaak voor het bewijs gebezigde gegevens van Stena Line is het hof van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan voor de uitvoering van 92 transporten, bestaande uit:

maart 2013 t/m december 2013 56 overtochten

maart 2014 t/m 30 september 2015 28 overtochten

september 2015 t/m november 2015 8 overtochten

totaal 92 transporten

Het openbaar ministerie is uitgegaan van 88 transporten met aftrek van twee proeftransporten. De hof constateert met de rechtbank op basis van het in eerste aanleg overgelegde aanvullende proces-verbaal met Stena Line gegevens ( [nummer] van 28 november 2016) dat in september 2014 ook nog vier transporten hebben plaatsgevonden waar het openbaar ministerie geen rekening mee heeft gehouden bij haar berekening. Net als de rechtbank zal het hof deze vier transporten niet meenemen in de berekening.

Zoals genoemd is het openbaar ministerie er bij zijn berekening van uitgegaan dat twee transporten geen voordeel hebben opgeleverd omdat de ervaring leert dat proeftransporten worden gereden zonder lading. In navolging van het openbaar ministerie zal het hof de hoeveelheid transporten waaruit wederrechtelijk voordeel is verkregen daarom met twee verminderen.

Dit maakt dat het hof uitgaat van 86 drugstransporten in de periode vanaf januari 2013 tot en met november 2015.

Wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde

Als grondslag voor de schatting van de hoogte van het hiermee door veroordeelde verkregen wederrechtelijk voordeel wordt het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel gebruikt, zoals genoemd onder voetnoot 1. Het hof kent dezelfde betekenis toe aan de 16 memobriefjes, inhoudende opbrengstenverantwoording van 16 transporten van de organisatie als de financiële recherche en heeft geen aanleiding om van deze wijze van berekening af te wijken.

Vanuit de 16 transporten, weergegeven op de memobriefjes, en de hoeveelheid harddrugs aangetroffen in de rol staal op de actiedag (60 kilogram) is zicht gekregen op de totale hoeveelheid harddrugs die daadwerkelijk zijn vervoerd. In totaal ging het bij deze 17 transporten om 796 kilogram.48 De gewogen gemiddelde hoeveelheid harddrugs per verricht transport bedraagt 46,82 kilogram (= 796 kilogram / 17 transporten).49

Uit de memobriefjes volgt een vergoeding voor de organisatie (bruto opbrengst) van

€ 1.600,- per kilogram vervoerde harddrugs.50

Het totaal aan kosten dat vermeld is op de 16 memobriefjes bedraagt € 376.814,-. Dit betekent een gewogen gemiddelde aan kosten per transport van € 23.550,88 (= totale kosten van € 376.814, / 16 transporten).

Daarnaast is zicht verkregen op extra kostenposten die door of namens de organisatie betaald zijn:

  • -

    Aanschaf oplegger met kenteken [kenteken] € 19.360,-

  • -

    Aanschaf vrachtwagen met kenteken [kenteken] € 10.890,-51

- Aankoop encryptie telefoons en GPS-systeem € 6.250,- en

€ 3.500,-

- Betalingen voor onderhoud aan de vrachtwagen €11.324,46

Totale extra kosten € 51.324,46

Na aftrek van de kosten per transport resteert een nettoresultaat (winst) voor de organisatie. Dit bedrag wordt volgens de memobriefjes gedeeld door twee personen, aangeduid als ‘p.p.’.52

Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat voldoende aanwijzingen bestaan dat veroordeelde één van de twee personen is die deelt in de winst van de organisatie. In het arrest van de strafzaak is vastgesteld – op basis van daar gebezigde wettige bewijsmiddelen – dat veroordeelde een leidinggevende rol heeft vervuld binnen de organisatie. Het is passend bij die rol dat hij een substantieel deel van de ontvangsten verkrijgt. Zijn (bij)naam wordt niet vermeld op de memobriefjes, terwijl niet aannemelijk is dat hij hiervoor geen vergoeding ontvangt. Daarbij komt dat op een aantal briefjes de letter ‘ [letter] ’ wordt vermeld na berekening van de netto winst per transport, kennelijk met betrekking tot één van de twee personen tussen wie de winst wordt gedeeld. Het hof heeft geen reden om af te wijken van voornoemde interpretatie van de opbrengstverantwoording van de memobriefjes.

Het hof berekent het door veroordeelde ontvangen wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt:

Opbrengst: 46,82 kilogram x € 1.600,- x 86 transporten = € 6.442.432,-

Kosten: € 23.550,88 x 86 transporten + € 51.324,46 = € 2.076.700,14

Voordeel drugstransportorganisatie = € 4.365.731,86

Voordeel veroordeelde: € 4.365.731,86 / 2 = € 2.182.865,93

Het uitgangspunt van de ontnemingsmaatregel is het ontnemen van daadwerkelijk genoten wederrechtelijk verkregen voordeel. Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen is de winst van de organisatie gedeeld door twee personen. Het hof heeft dan ook geen aanleiding om, zoals door de advocaat-generaal is gevraagd, de gehele winst van de organisatie - al dan niet hoofdelijk - aan [veroordeelde] toe te rekenen.

De verplichting tot betaling aan de Staat

Op grond van het voorgaande zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat stellen op voornoemd bedrag.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 2.182.865,93 (tweemiljoen honderdtweeëntachtigduizend achthonderdvijfenzestig euro en drieënnegentig cent).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.182.865,93 (tweemiljoen honderdtweeëntachtigduizend achthonderdvijfenzestig euro en drieënnegentig cent).

Aldus gewezen door

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. I.P.H.M. Severeijns, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof, griffier,

en op 24 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 april 2019.

Tegenwoordig:

mr. J.P. Bordes, voorzitter,

mr. A.C.L. van Holland, advocaat-generaal,

mr. S.H. Diepeveen, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De veroordeelde is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich bevinden in het aan de strafzaak ten grondslag liggende eindproces-verbaal, nr. PL0981/2015203392.EIND (onderzoek 14Start), pagina 1 tot en met 4350, of het ontnemingsproces-verbaal, pagina 1 tot en met 1733 (hierna: ontnemingsdossier). Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, sub vijf, van het Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

2 Het proces-verbaal van relaas, p. 61 (ordner 1).

3 Het proces-verbaal bevindingen agenda [medeveroordeelde 1] , p. 638 (ordner 2).

4 Het proces-verbaal bevindingen agenda [medeveroordeelde 1] , p. 642 (ordner 2).

5 De bijlage van aanvullend proces-verbaal [nummer] van 28 nov 2016, p. 8-11 (los opgenomen).

6 De bijlage van het proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 724-725 (ordner 3).

7 Het proces-verbaal getapte telefoonnummers ibn genomen telefoons, p. 319-320 (ordner 1).

8 Het proces-verbaal langdurig contact [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] , p. 803 en 804 (ordner 3).

9 Het proces-verbaal langdurig contact [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] , p. 809 (ordner 3).

10 Het proces-verbaal langdurig contact [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] , p. 804 en 811 (ordner 3).

11 Het proces-verbaal langdurig contact [medeveroordeelde 1] en [medeveroordeelde 2] , p. 810 (ordner 3).

12 Het proces-verbaal gevorderde gegevens Stena Line 1, p. 140 (ordner 1).

13 Het proces-verbaal gevorderde gegevens Burger Ferry Agencies 1, p. 143 (ordner 1).

14 Een geschrift, zijnde een bankafschrift van [bedrijf 2] , p. 1332 ontnemingsdossier (ordner 4).

15 Het proces-verbaal van relaas, p. 20 (ordner 1).

16 Een geschrift, zijnde een bijlage bij het proces-verbaal van doorzoeking, p. 3250 (ordner 11).

17 Een geschrift, zijnde een bijlage bij het proces-verbaal van doorzoeking, p. 3250 (ordner 11).

18 Het proces-verbaal van doorzoeking [adres] , p. 3031 (ordner 10).

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 694 (ordner 2).

20 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 694-695 (ordner 2).

21 Het proces-verbaal tonen selectie meervoudige fotoconfrontatie, p. 705-706 (ordner 3).

22 Het proces-verbaal tonen selectie meervoudige fotoconfrontatie, p. 714-715 (ordner 3).

23 De verklaring van verdachte [veroordeelde] ter zitting op 29 november 2016.

24 Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel, p. 1796 (ordner 6).

25 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 6] op 8 dec 2015, p. 1787 (ordner 6).

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 6] op 11 nov 2015, p. 1775 (ordner 6).

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 6] op 8 dec 2015, p. 1787 (ordner 6).

28 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 6] op 8 dec 2015, p. 1788 (ordner 6).

29 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 6] op 8 dec 2015, p. 1787 (ordner 6).

30 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 6] op 11 nov 2015, p. 1775 (ordner 6).

31 Het proces-verbaal gevorderde gegevens ILT, p. 194 (ordner 1).

32 Het proces-verbaal gevorderde gegevens ILT, p. 195 (ordner 1).

33 Het proces-verbaal gevorderde gegevens ILT, bijlage, p. 210 (ordner 1).

34 Het proces-verbaal bevindingen controle [medeveroordeelde 1] door ILT, p. 487 (ordner 2).

35 Het proces-verbaal onderzoek naar afslepen oplegger 4-11-2014, p. 500 (ordner 2).

36 De verklaring van verdachte [veroordeelde] ter zitting op 29 november 2016.

37 Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel, p. 1673 (ordner 6).

38 Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel, p. 1657 (ordner 6).

39 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 1 dec 2015, p. 1619 (ordner 6).

40 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 11 nov 2015, p. 1615 (ordner 6).

41 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 11 nov 2015, p. 1616 (ordner 6).

42 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 1 dec 2015, p. 1618 (ordner 6).

43 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 1 dec 2015, p. 1619 (ordner 6).

44 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 1 dec 2015, p. 1620 (ordner 6).

45 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 1 dec 2015, p. 1619 (ordner 6).

46 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeveroordeelde 5] op 1 dec 2015, p. 1620 (ordner 6).

47 Het proces-verbaal bevindingen administratie / bonnen uit rugzak, p. 664 (ordner 2).

48 Het rapport berekening WVV betreffende [veroordeelde] , p. 12 ontnemingsdossier (ordner 1).

49 Het rapport berekening WVV betreffende [veroordeelde] , p. 13 ontnemingsdossier (ordner 1).

50 Het rapport berekening WVV betreffende [veroordeelde] , p. 11 ontnemingsdossier (ordner 1).

51 Het rapport berekening WVV betreffende [veroordeelde] , p. 19 ontnemingsdossier (ordner 1).

52 Het rapport berekening WVV betreffende [veroordeelde] , p. 20 ontnemingsdossier (ordner 1).