Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3552

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-04-2019
Datum publicatie
26-04-2019
Zaaknummer
200.182.284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Advocaatkosten die de executeur heeft gemaakt moeten voor zijn eigen rekening blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0103
RN 2019/64
RBP 2019/60
JERF 2019/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.182.284

(zaaknummer rechtbank Utrecht, thans Midden-Nederland, locatie Utrecht, 257268)

arrest van 23 april 2019

in de zaak van

[Appellant] ,

[Woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: verweerder in conventie,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. R.V.C.F. Dingemans,

tegen:

1 [Geïntimeerde 1] ,

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen,

in eerste aanleg: eiser in conventie,

advocaat aanvankelijk mr. E.A.T.M. Steverink, thans niet langer vertegenwoordigd,

2. [Geïntimeerde 2],

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie,

advocaat: mr. M.H. Vaandrager,

3. [Geïntimeerde 3],

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerde,

niet verschenen,

in eerste aanleg: eiser in conventie,

advocaat aanvankelijk mr. E.A.T.M. Steverink, thans niet langer vertegenwoordigd,

4. [Geïntimeerde 4],

wonende te [Woonplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres in conventie,

advocaat: mr. M.H. Vaandrager.

Geïntimeerde sub 1 zal hierna [Geïntimeerde 1] worden genoemd, geïntimeerde sub 2 [Geïntimeerde 2] , geïntimeerde sub 3 [Geïntimeerde 3] en geïntimeerde sub 4 [Geïntimeerde 4] . Geïntimeerden gezamenlijk zullen [Geïntimeerden c.s.] (vrouwelijk enkelvoud) worden genoemd.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 januari 2019 hier over.

1.2

[Geïntimeerde 1] en [Geïntimeerde 3] zijn door respectievelijk [Appellant] en [Geïntimeerde 2] en [Geïntimeerde 4] bij exploot opgeroepen tegen de roldatum van 5 maart 2019. [Geïntimeerde 1] en [Geïntimeerde 3] zijn op 5 maart 2019 niet verschenen. Tegen hen is op diezelfde datum verstek verleend.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

in het principaal en incidenteel hoger beroep

2.1

Partijen zijn al enkele jaren verwikkeld in juridische procedures betreffende de nalatenschap van hun moeder. In haar (tussen)vonnis van 27 februari 2013 heeft de rechtbank [Appellant] veroordeeld tot het verstrekken van de afschriften van de bankrekeningen van moeder, de vordering van [Geïntimeerden c.s.] betreffende rekening en verantwoording en betreffende buitengerechtelijke kosten afgewezen, [Appellant] veroordeeld tot betaling aan ieder van [Geïntimeerden c.s.] van een bedrag van € 7.446,31, te vermeerderen met de wettelijke rente en de beslissingen die betrekking hebben op de verdeling van de nalatenschap van moeder aangehouden. De rechtbank heeft voorts op vordering van [Geïntimeerden c.s.] bij (eind)vonnis van 4 maart 2015 gelast dat partijen de nalatenschap verdelen op de wijze zoals door de rechtbank in dat vonnis bepaald, [Appellant] veroordeeld tot afgifte van diverse zaken onder last van een dwangsom en hem veroordeeld tot - kort gezegd - medewerking aan de overdracht van de woning, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten gecompenseerd en het meer of anders verzochte afgewezen. In principaal en incidenteel hoger beroep beperkt het geschil zich tot de door de rechtbank gelastte wijze van verdeling, voor wat betreft de beslissing ter zake van de originele familiefoto’s, de ringen van de ouders, de proceskostencompensatie, de termijn voor verkoop van de woning en de berekening van het totaalsaldo van de bankrekeningen waarvan verschuldigde huurpenningen onderdeel uit maken.

in het principaal hoger beroep

2.2

Met grief 3 komt [Appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 4 maart 2015 dat hij acht jaartermijnen (en drie maandtermijnen) aan huur is verschuldigd aan de nalatenschap, zodat hij een bedrag van € 9.357,56 aan de nalatenschap is verschuldigd. [Appellant] voert daartoe aan dat hij slechts zes jaartermijnen aan huur is verschuldigd, zodat hij € 2.268,50 minder aan de nalatenschap is verschuldigd.

Bij zijn memorie van grieven in incidenteel appel heeft [Appellant] echter aangegeven dat hij in grief 3 abusievelijk van zes volle jaren in plaats van acht volle jaren huur is uitgegaan. Volgens zijn daarbij gevoegde berekening leidt dat tot een totaal door hem aan de nalatenschap verschuldigd huurbedrag van € 9.359,22. Hoewel hij volgens eigen berekening aldus meer is verschuldigd dan hetgeen waartoe de rechtbank hem heeft veroordeeld, heeft [Appellant] deze grief niet ingetrokken. Het hof stelt vast dat gelet op bij memorie van antwoord in incidenteel appel nader ingenomen stelling van [Appellant] over de door hem verschuldigde huur, [Appellant] geen belang meer heeft bij (de beoordeling van) grief 3, zodat deze grief faalt.

2.3

De eerste grief van [Appellant] ziet op de originele familiefoto’s. [Appellant] heeft onderbouwd dat met hem de afspraak is gemaakt dat [Geïntimeerde 2] de originele familiefoto’s tijdelijk mee zou nemen om daarvan kopieën voor haarzelf en eventueel andere familieleden te maken en dat de originele familiefoto’s weer bij de executeur moesten worden teruggebracht. De bij de brief van 12 april 2010 (productie 12) als bijlage A gevoegde “Lijst meegenomen goederen (niet in bewaring gegeven aan advocaat mr. Dingemans) uit ouderlijke woning d.d. 12 maart 2010” vermeldt “alle op dat moment gevonden foto’s (afspraak t.z.t. retour executeur)”. Naar het oordeel van het hof valt daaruit op te maken dat de afspraak is gemaakt dat de originele familiefoto’s terug naar de executeur, te weten [Appellant] , gaan. Daaruit valt echter, zonder nadere toelichting welke ontbreekt, niet af te leiden dat partijen met de afspraak tot retournering van de foto’s aan de executeur tevens een afspraak over de verdeling van die foto’s hebben gemaakt. De verdeling daarvan diende dan ook alsnog plaats te vinden. De rechtbank heeft daartoe bij vonnis van 4 maart 2015 dan ook bepaald dat de originele familiefoto’s, voor zover niet al ontvangen, aan [Geïntimeerde 2] moeten worden toebedeeld. De eerste grief van [Appellant] faalt.

2.4

In zijn tweede grief formuleert [Appellant] een grief tegen de beslissing van de rechtbank in haar vonnis van 4 maart 2015 over de ring van vader (‘trouwring Pa in ketting’) en de ring van moeder (‘ring Ma (in ziekhuis om)’). De rechtbank heeft de trouwring van vader aan [Geïntimeerde 4] toegedeeld en die van moeder aan [Appellant] . Het hof is van oordeel dat [Appellant] , tegenover de betwisting van [Geïntimeerden c.s.] , zijn belang bij de ring van vader voldoende heeft gemotiveerd. Weliswaar betwisten [Geïntimeerden c.s.] de stelling van [Appellant] dat volgens de familietraditie sieraden van vader(s) aan de erven in de mannelijke lijn vererven, maar met [Appellant] is het hof van oordeel dat het voor de hand ligt dat een ring van vader in de mannelijke lijn en een ring van moeder in de vrouwelijke lijn “vererft”. De rechtbank heeft deze aannemelijke wijze van vererving zonder nadere toelichting bij de door haar bevolen wijze van verdeling omgekeerd, waardoor niet valt uit te sluiten dat die omkering berust op een misslag. De beslissing van de rechtbank op dit onderdeel kan dan ook niet in stand blijven. Het hof zal het vonnis van 4 maart 2015 op dit punt vernietigen en overeenkomstig artikel 3:185 BW naar billijkheid rekening houdend met de hiervoor besproken belangen bij toedeling de ring van vader alsnog aan [Appellant] toedelen en die van moeder aan [Geïntimeerde 4] . De tweede grief slaagt.

2.5

De vierde grief ziet op de beslissing van de rechtbank in haar vonnis van 4 maart 2015 dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Zulks ten onrechte, volgens [Appellant] , omdat de proceshandelingen in onderhavige procedure zien op zowel zijn hoedanigheid van executeur als in zijn rol van deelgenoot. Hij is niet met een eigen belang in een gerechtelijke procedure betrokken. Hij vertegenwoordigt als executeur het belang van de nalatenschap en daarom is het niet redelijk om wanneer hij door de erfgenamen in een procedure wordt betrokken de daarmee gemoeide kosten, waaronder die van rechtsbijstand, voor zijn eigen rekening te laten komen, aldus [Appellant] .

De kosten van de executele zijn schulden van de nalatenschap en komen voor rekening van de erfgenamen (artikel 4:7 lid 1 onder d BW). Indien de executeur gelet op zijn taak en de vervulling daarvan in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen kan er aanleiding zijn te oordelen dat de executeur deze kosten geheel of gedeeltelijk zelf moet dragen. Daarbij zijn in elk geval van belang de aard van deze kosten, de reden voor het ontstaan daarvan, de verwijtbaarheid en de vermijdbaarheid daarvan en de omvang van de nalatenschap. In hoeverre de kosten van executele voor rekening van de executeur komen zal in het algemeen aan de orde komen bij de rekening en verantwoording door de executeur (zie ook hof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1587 rov. 4.33/34).

Het hof is van oordeel dat de advocaatkosten die [Appellant] als executeur in deze procedure heeft gemaakt in dit geval voor zijn rekening moeten blijven. Gelet op zijn functie als executeur en de daarbij horende taken had [Appellant] het ontstaan van deze kosten kunnen voorkomen door zijn functie van executeur naar behoren te vervullen of indien dat voor hem niet mogelijk was ontslag te nemen. Doordat [Appellant] zijn taken niet naar behoren vervulde was [Geïntimeerden c.s.] genoodzaakt in rechte nakoming daarvan te vorderen.

De vierde grief faalt.

2.6

Nu alle grieven, behalve grief 2 met betrekking tot de ringen, in het principale beroep, falen, behoeft de vijfde grief, die ziet op de berekening door de rechtbank van het saldo van de nalatenschap, geen afzonderlijke bespreking meer.

in het incidenteel hoger beroep

2.7

Met de eerste grief beoogt [Geïntimeerden c.s.] een aanvulling/verbetering van het vonnis van 4 maart 2015, in die zin dat zij wenst dat het hof beslist dat de gestelde termijn van drie jaar voor verkoop van de woning eerst ingaat vanaf de datum dat de verkoopopdracht daadwerkelijk aan de makelaar is verstrekt, dus vanaf het moment van ondertekening van de verkoopopdracht. Het hof is van oordeel dat [Geïntimeerden c.s.] , nu er voorlopige voorzieningen zijn gewezen, er inmiddels een makelaar is ingeschakeld en er een potentiele koper is gevonden, geen belang meer bij de grief heeft. De eerste grief faalt.

2.8

In haar tweede grief voert [Geïntimeerden c.s.] aan dat in de berekening van het te verdelen saldo van de bankrekeningen nog moeten worden betrokken de huurpenningen over de jaren 2002, 2003 en 2004 (dus nog voor het overlijden van moeder) die [Appellant] nog verschuldigd was voor de huur van de woning. [Geïntimeerden c.s.] stelt dat zij per abuis die penningen niet in eerste aanleg heeft gevorderd. In totaal zou [Appellant] over die jaren nog een bedrag van € 3.403,35 zijn verschuldigd.

[Appellant] betwist dat hij over die jaren nog huur is verschuldigd, primair omdat hij de huur over die jaren altijd contant aan zijn moeder heeft betaald, subsidiair omdat de huurvordering over die jaren inmiddels is verjaard.

Gesteld noch gebleken is dat [Geïntimeerden c.s.] eerder dan bij memorie van antwoord tevens incidenteel hoger beroep betaling van de huurpenningen over de jaren 2002, 2003 en 2004 van [Appellant] heeft gevorderd. Aangezien ingevolge artikel 3:308 BW rechtsvorderingen tot betaling van huur verjaren door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, slaagt het beroep van [Appellant] op verjaring. Dat zou anders zijn indien [Geïntimeerden c.s.] een beroep zou hebben gedaan op gedwongen schuldverrekening van deze schuld in de zin van artikel 3:184 BW/4:228 BW (toerekening van de schuld op het aandeel van [Appellant] in de nalatenschap van moeder). In dat geval is de vraag of verjaring een rol speelt immers niet relevant. [Geïntimeerden c.s.] heeft dat beroep evenwel niet gedaan. Ook de tweede grief faalt.

3 De slotsom

in het principaal hoger beroep

3.1

Grief 2 slaagt en de overige grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens voor zover het de beslissing over de ringen betreft.

in het incidenteel hoger beroep

3.2

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

in het principaal en incidenteel hoger beroep

3.3

Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke rechtsbetrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 4 maart 2015, behoudens voor zover het de toedeling van de ringen betreft, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

deelt de ring van moeder (deze ring is aan partijen genoegzaam bekend als “ring Ma (in ziekenhuis om)”) toe aan [Geïntimeerde 4] ;

deelt de ring van vader (deze ring is aan partijen genoegzaam bekend als “trouwring Pa in ketting”) toe aan [Appellant] ;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.H.F. Vugt en M.S. van Gaalen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 april 2019.