Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3533

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2019
Datum publicatie
03-05-2019
Zaaknummer
18/00330
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1348, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Giften. Afzien van vrijwilligersvergoeding. Kon belanghebbende aanspraak maken op een vergoeding en heeft hij daarvan afgezien?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-05-2019
FutD 2019-1242
V-N Vandaag 2019/1035
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00330

uitspraakdatum: 24 april 2019

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 maart 2018, nummer AWB 17/6033, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2015 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend en is het verzamelinkomen vastgesteld.

1.2.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2019. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in 2015 als vrijwilliger de functie van penningmeester vervuld bij de parochie [A] te [B] (hierna: de parochie). De parochie is een algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI).

2.2.

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 vermeld:

Parochie [A] € 270

Zonnebloem - 50

Rode Kruis - 50

Wereld Kanker Onderzoek - 25

Kankerbestrijding - 25

Parochie [A] (penningmeesterschap) - 600

Muziekvereniging [C] (penningmeesterswerk) - 175

[D] (penningmeesterswerk) - 125

Totaal giften € 1.320

Af: drempel - 809

Aftrekbaar € 511

2.3.

Na vragen van de Inspecteur heeft belanghebbende afgezien van de giftenaftrek van de Muziekvereniging [C] en de [D] , omdat deze organisaties geen ANBI zijn. Vervolgens heeft belanghebbende in aanvulling op zijn aangifte het bedrag aan giften aan de parochie verhoogd van € 600 naar € 1.350 (= 300 gewerkte uren voor de parochie x € 4,50).

2.4.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur de aftrek van giften niet toegestaan.

3 Geschil

In geschil is of de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag terecht geen rekening heeft gehouden met de aftrek van giften aan de parochie die bestaan uit het afzien van vergoedingen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In artikel 6.36 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is onder meer bepaald:

1. Giften die bestaan uit het afzien door een vrijwilliger (…) van een vergoeding, worden in aanmerking genomen indien:

a. de instelling een verklaring heeft afgegeven dat de belastingplichtige zich heeft ingezet als vrijwilliger (…);

b. de belastingplichtige aanspraak kan maken op de in de verklaring genoemde vergoeding;

c. de instelling bereid en in staat is die vergoeding uit te keren, en

d. de belastingplichtige de vrijheid heeft over de vergoeding te beschikken.

2 Giften die bestaan uit het afzien door de vrijwilliger van vergoedingen voor daadwerkelijk gemaakte kosten worden in aanmerking genomen voor zover sprake is van kosten die naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen behoren te worden vergoed, met dien verstande dat kosten voor vervoer per auto (…) in aanmerking worden genomen voor € 0,19 per kilometer. De eerste volzin is ook van toepassing in de situatie waarin de instelling voor deze kosten geen vergoedingsregeling heeft getroffen.

4.2.

Belanghebbende is van mening dat hij voor zijn werkzaamheden als penningmeester jaarlijks aanspraak kan maken op een vrijwilligersvergoeding van € 1.500 en dat hij van de uitbetaling daarvan heeft afgezien. Ter ondersteuning van zijn stelling draagt hij onder meer aan een verklaring van de pastoor en twee bestuursleden van de parochie. Hierin verklaren zij dat belanghebbende als penningmeester van de parochie aanspraak had kunnen maken op € 1.500 per jaar. Dit bedrag zou op verzoek van belanghebbende aan hem zijn uitgekeerd. Belanghebbende heeft echter niet gevraagd om uitbetaling. In hoger beroep heeft belanghebbende verder verzocht om aftrek van daadwerkelijk door hem gemaakte, maar niet door de parochie vergoede kosten.

4.3.

De Inspecteur betwist dat belanghebbende een reëel recht op de uitbetaling van een vrijwilligersvergoeding had op het moment dat hij de werkzaamheden verrichtte. Verder is de Inspecteur van mening dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de niet vergoede kosten. Voor zover belanghebbende al niet vergoede kosten heeft gemaakt, betwist de Inspecteur dat het bedrag aan niet vergoede kosten tezamen met de overige giften het drempelbedrag voor de giftenaftrek overschrijdt.

4.4.

Giftenaftrek is pas mogelijk als de vrijwilliger daadwerkelijk afziet van de vergoeding. Daarbij is van belang dat de vrijwilliger aanspraak kan maken op een vergoeding en spelen de financiële situatie en de kennelijke bedoeling van de ANBI een rol (Memorie van Toelichting, nr. 33 006, nr. 3, blz. 15). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij aanspraak heeft kunnen maken op een vergoeding en dat hij daarvan daadwerkelijk heeft afgezien. Niet is komen vast te staan dat belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding dan wel dat de parochie hem op andere wijze een vergoeding heeft toegekend. De omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding had kunnen krijgen als hij daarom gevraagd had, maakt niet dat hij heeft kunnen beschikken over een vergoeding. Nu over de aanspraak niets is vastgesteld, staat de omvang van het recht op uitbetaling niet vast. Dit wordt ook bevestigd door de wisselende bedragen die belanghebbende voor het jaar 2015 als aanspraak heeft gehanteerd (aangifte € 600, aanvulling aangifte € 1.350, verklaring bestuur parochie € 1.500).

4.5.

Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het bedrag aan niet vergoede kosten tezamen met de overige, wel door de Inspecteur geaccepteerde giften, het drempelbedrag voor de giftenaftrek overschrijdt. Weliswaar heeft belanghebbende kosten, waaronder reis- en printkosten, gemaakt maar het bewijs tot welk bedrag deze kosten gemaakt zijn, ontbreekt.

4.6.

De Inspecteur heeft daarom terecht geen aftrek van giften in de vorm van het afzien van vergoedingen toegestaan.

4.7.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het vastgestelde verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A. van Dongen en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 24 april 2019 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.