Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3530

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
200.244.713/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrouw niet-ontvankelijk in incidenteel hoger beroep nu zij geen rechthebbende is ten aanzien van de bijdrage van de man voor de meerderjarige kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.244.713/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/121636 FA RK 18-93)

beschikking van 18 april 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M. de Winter te Geesbrug,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 juli 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 24 augustus 2018;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht van mr. De Winter van 29 augustus 2018 met als bijlage een proces-
verbaal van 5 juli 2018.

2.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 11 maart 2019. Partijen en hun advocaten zijn daarbij verschenen. Door mr. de Winter zijn pleitaantekeningen overgelegd.

3. De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en hebben samen twee kinderen, te weten:

- [C] , geboren [in] 1996 (hierna: [C] ) en;

- [D] , geboren [in] 1996 (hierna: [D] ).

3.2

Het huwelijk van partijen is op 29 juli 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Gelderland in de registers van de burgerlijke stand. [C] en [D] waren ten tijde van de (formele) scheiding al meerderjarig (19).

3.3

Partijen hebben als uitkomst van mediation op 8 juni 2015 een vaststellings- overeenkomst ondertekend waarin onder meer het volgende is opgenomen:

"Artikel 2: Partneralimentatie
2.1 Partijen zijn overeengekomen dat de man maandelijks € 1.280,00 bruto bij vooruitbetaling aan de vrouw betaalt, gedurende 12 jaar ingaande 1 augustus 2015. Hiertoe is een behoefte-draagkrachtberekening gemaakt. Bij een inkomens- en/of lastenwijziging zal door partijen een nieuwe berekening worden gemaakt.
(..)
2.4 De bepaalde alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering (..) voor het eerst per 1 januari 2016.
(…)"

3.4

De voormelde partneralimentatie bedraagt geïndexeerd naar 2018 afgerond € 1.344,- bruto per maand.

3.5

Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 22 januari 2018, heeft de man verzocht om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te wijzigen de uit de vaststellingsovereenkomst van juni 2015 blijkende door hem verschuldigde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, alsmede de uit de aanvullende afspraak volgende extra bijdrage in haar kosten van levensonderhoud van € 2.000,- per jaar tot aan september 2017, en de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw vast te stellen op:

€ 981,- bruto per maand over de periode januari tot en met juli 2016;

€ 941,- bruto per maand over de periode augustus tot en met december 2016;

€ 677,- bruto per maand vanaf 1 januari 2017; nihil vanaf 1 januari 2020.

Althans de door de man aan de vrouw verschuldigde alimentatie met ingang van 1 januari 2016, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum vast te stellen op een

bedrag lager dan € 1.280,- bruto per maand en/of (daarbij) vast te stellen dat de man aan de vrouw geen betaling verschuldigd is van enig bedrag ter zake wettelijke indexering van het bedrag van oorspronkelijk € 1.280,- bruto per maand over de jaren 2016 tot en met 2018, en per 1 januari 2020, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen datum, vast te stellen op nihil.

3.6

De vrouw heeft op 16 maart 2018 een verweerschrift ingediend. Zij heeft de rechtbank daarin verzocht het verzoek van de man af te wijzen. Daarnaast heeft de vrouw een zelfstandig verzoek gedaan ertoe strekkend dat de man aan haar € 100,- per kind per maand alimentatie dient te voldoen totdat de kinderen eenentwintig jaar oud zijn (10 september 2017).

3.7

Daarop heeft de man op 21 juni 2018 een verweerschrift ingediend met betrekking tot het zelfstandig verzoek van de vrouw waarin hij heeft geconcludeerd tot afwijzing ervan. Tevens heeft de man daarbij zijn verzoek aldus aangepast dat de partneralimentatie niet hoger zal zijn dan € 677,- per maand.

3.8

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van partijen afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man verzoekt het hof in principaal hoger beroep om de bestreden beschikking te vernietigen en de door hem aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van 22 januari 2018 te bepalen op ten hoogste € 597,- bruto per maand.

4.2

De vrouw verzoekt het hof om het verzoek van de man in het principaal hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, al dan niet onder aanvulling of verbetering van gronden.
In incidenteel hoger beroep verzoekt de vrouw het hof om de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het zelfstandig verzoek van de vrouw is afgewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man gehouden is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van € 100,- per kind per maand te voldoen totdat de kinderen eenentwintig jaar oud zijn, conform de gemaakte afspraken tussen partijen als neergelegd in de mail van 27 mei 2015 van de mediator mw. [E] .

4.3

De man verzoekt het hof om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het incidenteel hoger beroep, althans haar verzoek in het incidenteel hoger beroep af te wijzen.

De geschilpunten
4.4 De vier grieven van de man in het principaal hoger beroep hebben (mede) gelet op de daarop gegeven toelichting betrekking op de behoeftigheid van de vrouw per
22 januari 2018. De grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep heeft betrekking op de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie voor de kinderen.

5
5. De motivering van de beslissing


Ten aanzien van het incidenteel hoger beroep / de "kinderbijdrage"
5.1 Het verzoek van de vrouw in incidenteel hoger beroep strekt ertoe dat haar zelfstandig verzoek in eerste aanleg alsnog dient te worden toegewezen.

5.2

De vrouw heeft in dit verband in eerste aanleg verzocht te bepalen dat de man € 100,- per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen, totdat de kinderen eenentwintig jaar oud zijn. Zij heeft daartoe gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat de man, naast het bedrag aan kinderalimentatie, netto € 100,- per kind per maand extra bijdraagt, te betalen door de man aan de kinderen. Die afspraak is volgens de vrouw destijds door de mediator mw. [E] bevestigd aan partijen in de mail van 27 mei 2015 (productie 1 bij het betreffende verweerschrift tevens zelfstandig verzoek in eerste aanleg). In die mail staat onder meer het volgende:

"(..) Hierbij zend ik jullie het concept vaststellingsovereenkomst, alsmede de berekening. Willen jullie dit goed doornemen en eventuele wijzigingen en/of aanvullingen aan mij doorgeven? Het bankrekening nummer van [verzoeker] dient nog te worden ingevuld. Overeengekomen is tevens dat [verzoeker] tot de kinderen 21 jaar zijn ieder kind
€ 100,00 per maand overmaakt voor hun levensbehoeften. Zij verrekenen dit met [verweerster] .(..)"
5.3 De man heeft verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de oorspronkelijke partneralimentatie de maximale draagkracht van de man betrof. Het was daarbij volgens de man de bedoeling van partijen dat de vrouw, vanuit haar eigen inkomen en de partneralimentatie, zou bijdragen in de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen. Zulks blijkt volgens de man uit het bericht van
4 mei 2015 (productie 5 bij het inleidend verzoekschrift) waarbij de vrouw aan de man vraagt of hij nog een aanvullend bedrag van € 200,- netto aan haar kan betalen ten behoeve van haar levensonderhoud en de kinderen. Hoewel de draagkracht van de man al volledig werd benut door de overeengekomen partneralimentatie van € 1.280,- bruto per maand, heeft de man daarmee ingestemd.

5.4

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het zelfstandig verzoek van de vrouw afgewezen onder de overweging dat er gelet op de betwisting door de man teveel onduidelijkheid is over de bedoeling en precieze invulling van de afspraak.

5.5

De vrouw is van mening dat haar zelfstandig verzoek ten onrechte is afgewezen door de rechtbank. Onder meer heeft zij daartoe in hoger beroep opgemerkt dat het bestaan van de afspraak vaststaat en die is volgens de vrouw niet te kwalificeren als partneralimentatie omdat de man deze bijdrage aan de kinderen betaalde. In feite betreft het volgens de vrouw een afspraak tussen de ouders ten behoeve van de voorziening in de kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen. De kinderen zijn [in] 2017 eenentwintig jaar oud geworden en tot die datum dient de man volgens de vrouw gewoon de afspraak na te komen. De achterstand bedraagt volgens de vrouw (vanaf januari 2017) tot
10 september 2017 zo'n € 760,-. Met het oog op inning van de achterstand verzoekt de vrouw haar zelfstandig verzoek alsnog toe te wijzen.

5.6

Het hof is van oordeel dat de vrouw niet in haar verzoek in incidenteel hoger beroep kan worden ontvangen. Nu de vrouw stelt dat sprake is van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van de meerderjarige kinderen en ook vast staat dat deze aan de kinderen diende te worden voldaan, is de vrouw geen rechthebbende ter zake van de hier bedoelde bijdrage. Aan een oordeel over de achtergronden en bedoeling van deze bijdrage komt het hof daarom niet toe.

Ten aanzien van het principaal hoger beroep / de partneralimentatie
De wijziging van omstandigheden

5.7

Het hof zal er met partijen vanuit gaan dat een nieuwe beoordeling van de partneralimentatie is gerechtvaardigd wegens gewijzigde omstandigheden, bedoeld in artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).

De ingangsdatum
5.8 De rechtbank is in de bestreden beschikking bij haar beoordeling uitgegaan van de dag van indiening van het inleidend verzoekschrift, 22 januari 2018, als ingangsdatum en heeft in dit verband gemotiveerd uiteengezet waarom zij geen reden ziet voor een wijziging per een eerdere datum, zoals door de man verzocht (1 januari 2016). Nu hiertegen geen specifieke grief is gericht zal ook het hof van die ingangsdatum, 22 januari 2018, uitgaan.

De behoefte en behoeftigheid van de vrouw

5.9

In de bestreden beschikking is de rechtbank met partijen uitgegaan van de huwelijksgerelateerde behoefte zoals die in 2015 was berekend, zijnde geïndexeerd naar 2018 een bedrag van € 2.167,- netto per maand. Deze huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw staat tussen partijen vast, zoals zij ter zitting van het hof desgevraagd hebben bevestigd.

5.10

Een onderhoudsverplichting als de onderhavige bestaat alleen bij behoeftigheid. Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft tot haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. De man heeft in dit verband in hoger beroep aangevoerd dat de feitelijke eigen inkomsten van de vrouw ten onrechte door de rechtbank in de bestreden beschikking niet in mindering zijn gebracht op de voormelde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Deze grief treft doel. Het is het hof gebleken dat de hoogte van de feitelijke eigen inkomsten van de vrouw (€ 1.815,- netto per maand) tussen partijen vaststaat. De na aftrek van die eigen inkomsten van de vrouw resterende behoefte bedraagt aldus € 352,- netto per maand en dat correspondeert naar door de man onbetwist is gesteld met een bruto bedrag van € 597,- per maand. Het hof ziet in hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd geen aanleiding een andere verdiencapaciteit aan de vrouw toe te kennen.

5.11

Aan de orde is vervolgens of de draagkracht van de man toereikend is om te voorzien in de voormelde behoeftigheid van de vrouw van € 597,- bruto per maand.

De draagkracht van de man

5.12

Uit de grieven en daarop gegeven toelichting blijkt dat de man zijn draagkracht toereikend acht om te voorzien in de voormelde behoeftigheid van de vrouw.

Jusvergelijking

5.13

Met de man is het hof van oordeel dat er geen reden is voor het maken van een jusvergelijking. De uitkomst daarvan kan er niet toe leiden dat een bedrag aan partneralimentatie wordt opgelegd dat de behoeftigheid van de vrouw overstijgt, zoals de vrouw lijkt te menen.

Terugbetaling
5.14 Als gevolg van deze beslissing heeft de man achteraf bezien teveel partneralimentatie betaald aan de vrouw. Op grond van de bestreden beschikking is immers de oorspronkelijke partneralimentatie blijven gelden terwijl de partneralimentatie nu alsnog per 22 januari 2018 op een lager bedrag wordt vastgesteld. Het hof is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat terugbetaling in redelijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd met het oog op de gevolgen. De man heeft er in dit verband op gewezen dat sprake is van vermogen bij de vrouw in de vorm van overwaarde en spaargelden. Deze stelling wordt ondersteund door de tot de stukken behorende aangifte inkomstenbelasting 2017 van de vrouw. De stelling van de vrouw ter zitting dat ze geld moest uitgeven aan een nieuwe keuken en dat ze slechts over een bedrag van € 5.000,- als reserve beschikt vormt geen aanleiding voor een ander oordeel.

6
6. De slotsom


Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal- en het incidenteel hoger beroep:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek in het incidenteel hoger beroep;

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 18 juli 2018 voor zover het de beslissing over de partneralimentatie betreft vanaf 22 januari 2018;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijzigt de door partijen op 8 juni 2015 ondertekende vaststellingsovereenkomst die is opgenomen in de echtscheidingsbeschikking van 16 juli 2015, op zodanige manier dat de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud met ingang van
22 januari 2018 wordt bepaald op € 597,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen voor zover de termijnen nog niet zijn verstreken;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.D.S.L. Bosch, voorzitter, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en J.L. Roubos, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op
18 april 2019 in het openbaar uitgesproken.