Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3523

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-04-2019
Datum publicatie
24-04-2019
Zaaknummer
21-003862-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2015:2930, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op berekenende en geraffineerde wijze in het zicht van faillissement goederen en geldbedragen buiten de boedel van een vijftal bedrijven gehouden. Tevens heeft verdachte, terwijl hij als bestuurder dan wel feitelijk leidinggevende daartoe wettelijk verplicht was, niet de administratie van de gefailleerde ondernemingen aan de curator overhandigd. Daarnaast heeft verdachte in het kader van de faillissementsfraudes meerdere malen valse opgaves in notariële aktes laten opnemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-003862-15

Uitspraak d.d.: 24 april 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 19 juni 2015 met parketnummer 08-996015-12 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 22 maart 2017, 20 juni 2018, 22 juni 2018, 3 april 2019, 5 april 2019, 10 april 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (voor de inhoud van de vordering zie bijlage 1). Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr. M.C. van Linde, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep van het hem onder 7 primair en subsidiair en het onder 9 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken. Hoger beroep tegen deze vrijspraken staat niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.

Het openbaar ministerie heeft op 1 juli 2015 hoger beroep ingesteld. Uit het appelschriftuur en de daarop tijdens de behandeling van de zaak op 3 april 2019 door de advocaat-generaal gegeven toelichting blijkt dat het hoger beroep niet tegen de onder 9 primair en subsidiair gegeven vrijspraak is gericht.

Het hof is van oordeel dat, gelet op artikel 416, derde lid van het Wetboek van Strafvordering, het openbaar ministerie ten aanzien van het onder 9 primair en subsidiair ten laste gelegde niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep, nu het openbaar ministerie, gelet op de mededeling van de advocaat-generaal, geen belang meer heeft bij de behandeling van dat feit.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing en strafoplegging komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover thans nog aan de orde - tenlastegelegd dat:

1 primair:
[bedrijf 1] Financieringen BV tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] BV (voorheen tot 18 april 2011 genaamd [bedrijf 3] BV), in ieder geval de besloten vennootschap ingeschreven in het Handelsregister Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] , op een of meer verschillende tijdstippen in de periode december 2010 tot en met 01 mei 2012 of tot en met 28 februari 2013, in gemeente(n) Tubbergen, Hengelo (Ov) en/of Berkelland en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met

een of meer andere rechtspersonen, althans alleen,

terwijl [bedrijf 2] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011 in staat van faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van [bedrijf 2] BV (tot 18 april 2011 genaamd [bedrijf 3] BV),

een goed, althans een vermogensbestanddeel, tot een bedrag van (ongeveer)
Euro 422.750,- aan de boedel van zijn mededader, de rechtspersoon

[bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV) had en/of heeft onttrokken,

hierin bestaande dat:

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, de appartementsrechten, het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële

ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik

van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen, op 29 december 2010 kocht en/of geleverd kreeg van [naam 1] voor een bedrag van Euro 200.000,-, welke [naam 1] op zijn beurt die appartementsrechten op 21 december 2010 had gekocht en/of geleverd had gekregen voor een bedrag van Euro 200.000,- van [bedrijf 3] BV;

en/of

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, op 31 januari 2011 op die appartementsrechten bij notariële akte dd. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris [betrokkene 1] het recht van eerste hypotheek voor een bedrag van

Euro 422.750,- verleende ten gunste van [bedrijf 4] BV,

zonder dat daar reële geldleningen of financieringen tegenover stonden of

tegenover zouden komen te staan;

en/of

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, die appartementsrechten op 31 januari 2011 verkocht en/of leverde voor Euro 200.000,- aan [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV)

waarna op 1 februari 2011 die appartementsrechten door [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV) werden verkocht en/of geleverd voor een bedrag van Euro 625.000,- en op diezelfde dag nogmaals werden verkocht en/of geleverd voor Euro 750.000,- (vindplaats documenten: D-509, D-510, D-511, D-512, D-320)

en/of

een last van (ongeveer) Euro 422.750,- had en/of heeft verdicht, hierin

bestaande dat genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV in deze in het bijzonder tezamen en in vereniging met [betrokkene 2] en/of [bedrijf 4] BV en/of met een of meer andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen,

althans alleen,

in een hypotheekakte dd.31 januari 2011 opgemaakt door notaris [betrokkene 1] had en/of heeft doen opnemen (zakelijk weergegeven) dat door [bedrijf 1] Financiering BV het recht van hypotheek tot een bedrag van Euro 422.750,- was verleend aan [bedrijf 4] BV, op het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen,

terwijl daar geen reële geldleningen en/of financieringen tegenover stonden en/of zouden komen te staand tot genoemd bedrag;

(vindplaats document: D-511)

zulks terwijl hij, verdachte, toen al dan niet via een of meer rechtspersonen

en/of al dan niet in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht

heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

1 subsidiair:
[bedrijf 1] Financieringen BV tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] BV (voorheen tot 18 april 2011 genaamd [bedrijf 3] BV), op een of meer verschillende tijdstippen in de periode december 2010 tot en met februari 2011, in gemeente(n) Tubbergen, Hengelo (Ov) en/of Berkelland en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met

een of meer andere rechtspersonen, althans alleen,

in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV), welke faillissement van die

rechtspersoon (toen genaamd [bedrijf 2] BV) bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011 is gevolgd,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van [bedrijf 2] BV (tot 18 april 2011 genaamd [bedrijf 3] BV),

een goed, althans een vermogensbestanddeel, tot een bedrag van (ongeveer)

Euro 422.750,- aan de boedel van zijn mededader, de rechtspersoon

[bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV) had en/of heeft onttrokken,

hierin bestaande dat:

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, de appartementsrechten, het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële

ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik

van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen, op 29 december 2010 kocht en/of geleverd kreeg van [naam 1] voor een bedrag van Euro 200.000,-, welke [naam 1] op zijn beurt die appartementsrechten op 21 december 2010 had gekocht en/of geleverd had gekregen voor een bedrag van Euro 200.000,- van [bedrijf 3] BV;

en/of

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, op 31 januari 2011 op die appartementsrechten bij notariële akte dd. 31 januari 2011 opgemaakt door

notaris [betrokkene 1] het recht van eerste hypotheek voor een bedrag van

Euro 422.750,- verleende ten gunste van [bedrijf 4] BV,

zonder dat daar reële geldleningen of financieringen tegenover stonden of tegenover zouden komen te staan;

en/of

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, die appartementsrechten op 31 januari 2011 verkocht en/of leverde voor Euro 200.000,- aan [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV)

waarna op 1 februari 2011 die appartementsrechten door [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV) werden verkocht en/of geleverd voor een bedrag van Euro 625.000,- en op diezelfde dag nogmaals werden verkocht en/of geleverd voor Euro 750.000,- (vindplaats documenten: D-509, D-510, D-511, D-512, D-320)

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen en/of al dan niet

via een of meer andere rechtspersonen tot bovenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

2 primair:
hij tezamen en in vereniging met Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en/of met

[bedrijf 6] Beheer BV (vanaf 16 april 2010 genaamd [bedrijf 7] BV (ingeschreven KvK-nummer [nummer] ) en/of met [betrokkene 3] , op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 26 februari 2010 tot 9 februari 2012 of 14 februari 2013, te Geesteren en/of in de gemeente Hengelo (Ov) en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging en in vereniging met een of meer andere

rechtspersonen en/of met een of meer andere natuurlijke personen, althans alleen, terwijl Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV bij vonnis van de rechtbank Almelo dd. 24 maart 2010 in staat van faillissement is/was verklaard en/of

terwijl [bedrijf 7] BV (vóór 16 april 2010 genaamd [bedrijf 6] Beheer BV)

bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden dd. 08 juni 2010 in staat van

faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en/of van [bedrijf 7] BV (voorheen genaamd [bedrijf 6] Beheer BV),

een of meer van de navolgende goederen aan de boedel(s) van genoemde besloten vennootschap(en) had en/of heeft onttrokken, te weten:

een vrachtwagen, merk DAF, kenteken [kenteken] , een Toyota Landcruiser,

3, althans een of meer aanhangwagens, een minikraan, compressoren en/of luchthamers, althans een of meer vervoersmiddelen en/of machines en/of gereedschappen;

2 subsidiair:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 26 februari 2010

tot 24 maart 2010 en/of 08 juni 2010, te Geesteren en/of in de gemeente Hengelo (Ov) en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en/of

met een of meer natuurlijke personen, althans alleen,

in het vooruitzicht van de/het faillissement(en) van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV, welk faillissement bij vonnis van de rechtbank Almelo dd. 24 maart 2010 is gevolgd en/of van [bedrijf 7] BV (vóór 16 april 2010 genaamd [bedrijf 6] Beheer BV), welk faillissement bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden

dd. 08 juni 2010 is gevolgd,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en/of van [bedrijf 7] BV (voorheen genaamd [bedrijf 6] Beheer BV),

een of meer van de navolgende goederen aan de boedel(s) van genoemde besloten vennootschap(en) heeft onttrokken, te weten:

een vrachtwagen, merk DAF, kenteken [kenteken] , een Toyota Landcruiser,

3, althans een of meer aanhangwagens, een minikraan, compressoren en/of luchthamers, althans een of meer vervoersmiddelen en/of machines en/of gereedschappen;

en/of

hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 24 maart 2010

en/of 08 juni 2010 tot 9 februari 2012 of 14 februari 2013, te Geesteren en/of

in de gemeente Hengelo (Ov) en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans alleen,

in het geval van het/de faillissement(en) van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV uitgesproken bij vonnis van de rechtbank Almelo dd. 24 maart 2010 en/of van [bedrijf 7] BV (vóór 16 april 2010 genaamd [bedrijf 6] Beheer BV) uitgesproken bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden dd. 08 juni 2010,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en/of van [bedrijf 7] BV (voorheen genaamd [bedrijf 6] Beheer BV),

een of meer van de navolgende goederen aan de boedel(s) van genoemde besloten vennootschap(en) heeft onttrokken, te weten:

een vrachtwagen, merk DAF, kenteken [kenteken] , een Toyota Landcruiser,

3, althans een of meer aanhangwagens, een minikraan, compressoren en/of luchthamers, althans een of meer vervoersmiddelen en/of machines en/of gereedschappen;

3 primair:
[bedrijf 8] BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode

28 december 2009 tot en met 1 november 2011 of 25 februari 2013, te Geesteren, gemeente Tubbergen, en/of te Vriezenveen en/of te Emmen en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 17 maart 2010, in staat van faillissement is/was verklaard,

A)

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s) een of meer

van de navolgende goederen aan de boedel had en/of heeft onttrokken, te weten:

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 10.115,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 12.750,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 2.296,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 935,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 4.300,-;

en/of

-een geldbedrag van (ongeveer) Euro 5.502,-,

althans een of meer van genoemde goederen/geldbedragen;

(vindplaats documenten: D-798, D-799, D-795, D-805, D-806 en D-807)

en/of

B)

op (ongeveer) 28 december 2009 zijnde een tijdstip waarop genoemde rechtspersoon wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van

haar schuldeisers, te weten [bedrijf 9] BV, had bevoordeeld door (ongeveer) op dat tijdstip een bedrag van (ongeveer) Euro 10.115,- over te maken naar een bankrekening van [bedrijf 9] BV;

(vindplaats document: D-798)

en/of

C)

niet had en/of niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten

opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3

van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of het tevoorschijn brengen

van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

hierin bestaande dat op 1 november 2011 en/of op 25 februari 2013 nog steeds

geen of nagenoeg geen administratie was overgelegd aan curator mr. P. Lettinga

dan wel te voorschijn was gebracht;

zulks terwijl, hij verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

rechtspersonen en/of met een of meer andere natuurlijke personen en/of al

dan niet via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft

gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

3 subsidiair:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in de periode 28 december 2009

tot en met 17 maart 2010, te Geesteren, gemeente Tubbergen, en/of te Vriezenveen en/of te Emmen en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en/of met een of meer anderen, althans alleen,

in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 8] BV, welk faillissement is gevolgd bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo

van 17 maart 2010,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeiser(s) [bedrijf 8]

BV,

een of meer van de navolgende goederen aan de boedel heeft onttrokken,

te weten:

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 10.115,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 12.750,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 2.296,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 935,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 4.300,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 5.502,-,

althans een of meer van genoemde goederen/geldbedragen;
(vindplaats documenten: D-798, D-799, D-795, D-805, D-806 en D-807)
4 primair:
[bedrijf 10] BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode

16 augustus 2009 tot en met 03 mei 2011 te De Krim, gemeente Hardenberg, en/of te Geesteren en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 maart 2010 in staat van faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s):

A)

een of meer van de navolgende goederen, althans vermogensbestanddelen aan de boedel heeft en/of had onttrokken, te weten;

vier, althans een of meer (girale) geldbedragen van telkens (ongeveer) Euro 5.000,-; en/of

geldbedragen (geldopnames) tot een totaalbedrag van (ongeveer) 22.160,-;

althans, een of meer goederen of vermogensbestanddelen;
(vindplaats documenten: D-347, D-429a, D-438, D-439 en D-441)

B)

niet had en/of niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten

opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3

van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of het te voorschijn

brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

hierin bestaande dat op 22 februari 2011 en/of op 3 mei 2011 nog steeds geen administratie was overgelegd aan curator mr. D.J.M. Lange;

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen en/of al dan niet

via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar

feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

4 subsidiair:
[bedrijf 11] BV (handelsnaam [bedrijf 9] BV) en/of [bedrijf 12] Holding BV op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode 10 september 2009 tot en met 2 november 2009 of tot 30 maart 2010, te Geesteren en/of te Rijssen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met elkaar en/of met een of meer andere rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans ieder voor zich,

in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 10] BV, welk faillissement bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2010 is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [bedrijf 10] BV,

een of meer geldbedragen, te weten viermaal een bedrag van (ongeveer) Euro 5.000,- dan wel [bedrijf 11] BV een bedrag, althans een vermogensbestanddeel tot een bedrag van (ongeveer) Euro 5.501,95 en/of [bedrijf 12] Holding BV een bedrag van (ongeveer) Euro 14.498,05, althans een of meer vermogensbestanddelen, aan de boedel van [bedrijf 10] hebben/heeft onttrokken,

zulks terwijl hij, verdachte, (telkens) al dan niet in vereniging met een of

meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen en/of al dan niet via een

of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit

opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);
(vindplaats documenten: D-347, D-429a, D-438, D-439 en D-441)

4 meer subsidiair:
hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode

10 september 2009 tot en met 2 november 2009 of tot 30 maart 2010, te Geesteren en/of te Rijssen en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans alleen,

in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 10] BV, welk faillissement bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2010 is gevolgd, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van [bedrijf 10] BV,

een of meer goederen, te weten viermaal, althans een of meermaal een bedrag van (ongeveer) Euro 5.000,- , althans een of meer vermogensbestanddelen, aan

de boedel van [bedrijf 10] BV heeft onttrokken;
(vindplaats documenten: D-347, D-429a, D-438, D-439 en D-441)

5 primair:
hij te Neede, in de gemeente Berkelland, en/of te Geesteren en/of elders in Nederland, op of omstreeks 10 september 2009,

tezamen en in vereniging met [betrokkene 1] , (toen) notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede,

een authentieke akte, te weten een akte van levering aandelen van de aandelen van de vennootschap [bedrijf 12] BV, waarbij verkoper was [bedrijf 12] Holding BV en waarbij koper was [koper] , zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde,

althans van enig feit,

valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in die authentieke akte

werd vermeld dat de koopsom van die aandelen Euro 20.000,- bedroeg, terwijl in werkelijkheid de koopsom (ongeveer) Euro 3.000,- bedroeg, althans een bedrag lager dan Euro 20.000,-
(vindplaats document: D-429a)

5 subsidiair:
hij op of omstreeks 10 september 2009 te Neede, gemeente Berkelland, en/of

te Geesteren en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen,

in een authentieke akte, te weten een akte van levering van aandelen van de vennootschap [bedrijf 12] BV, waarbij verkoper was [bedrijf 12] Holding BV en waarbij koper was [koper] ,

opgemaakt door [betrokkene 1] , (toen) notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede,

een valse opgave, aangaande een feit van welks waarheid die akte moest doen blijken, heeft doen opnemen, te weten dat de koopsom van die aandelen

Euro 20.000,- bedroeg, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave van hem, verdachte, en/of van

zijn mededader(s) in overeenstemming van de waarheid,

hebbende dat valse hierin bestaan, dat de koopsom in werkelijkheid (ongeveer)

Euro 3.000,- bedroeg, althans dat de koopsom lager was dan Euro 20.000,- (vindplaats document: D-429a)

6:
[bedrijf 13] BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode 15 december 2009 tot en met 17 april 2012 of 11 februari 2013 te Geesteren, in de gemeente Tubbergen en/of te Epe en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 15 december 2009 in staat van faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s):

niet had en/of niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten

opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of het te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in dat artikel bedoeld,

hierin bestaande dat op 17 april 2012 of op 11 februari 2013 nog steeds geen administratie was overgelegd aan curator mevrouw mr. A.M. Jongerman,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen en/of al dan niet

via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

7 primair:
hij op of omstreeks 1 november 2011, althans in of omstreeks de maand november 2011 te Almelo en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen,

een factuur, gedateerd 1 november 2011, afkomstig van [bedrijf 14] NV, geadresseerd aan [bedrijf 15] BV, met een factuurbedrag van Euro 112.500,- en een omschrijving (zakelijke weergegeven) een partij aandelen volgens afspraak,

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dat geschrift als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in werkelijkheid door [bedrijf 14] NV (i.o) en/of hem, verdachte, geen partij aandelen was verkocht en/of geleverd aan [bedrijf 15] BV;
(vindplaats document: D-571)

7 subsidiair:
[bedrijf 14] NV op of omstreeks 11 juli 2012, althans in de periode

22 december 2011 tot en met 11 juli 2012 te Almelo,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

opzettelijk heeft voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e)

(kopie-)factuur, gedateerd 1 november 2011, afkomstig van [bedrijf 14] NV, geadresseerd aan [bedrijf 15] BV, met een factuur bedrag van Euro 112.500,- en met een omschrijving (zakelijk weergegeven) een partij aandelen volgens afspraak, -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -,

terwijl genoemde verdachte rechtspersoon wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

en hebbende dat valselijk of vervalste hierin bestaan, dat [bedrijf 14] NV (i.o.) in werkelijkheid geen partij aandelen heeft geleverd en/of verkocht aan

[bedrijf 15] BV,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

anderen en/of al dan niet via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging;
(vindplaats document: D-571)

8 primair:
hij te Neede, in de gemeente Berkelland, op 31 januari 2011,

tezamen en in vereniging met notaris [betrokkene 1] , (toen) notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede, en/of met een of meer andere

natuurlijke personen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen,

een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, inhoudende (zakelijk weergegeven) dat de hypotheekgever ( [bedrijf 1] Financiering BV) had verklaard dat het recht van eerste hypotheek en eerste pand was verleend tot een bedrag van

Euro 422.750,- op de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen,

tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser ( [bedrijf 4] BV) blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben,

uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende

en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderen hoofde ook,

en dat bij het verlijden van genoemde hypotheekakte aanwezig waren hij,

verdachte, (zakelijk weergegeven) handelend als bestuur van Stichting Administratiekantoor [bedrijf 1] Groep, welke stichting handelde als bestuur van [bedrijf 1] Groep Holding BV, welke vennootschap handelde als bestuur van [bedrijf 1] Televisie Groep BV en welke vennootschap op haar beurt handelde als bestuur

van de schuldenaar/hypotheekgever, [bedrijf 1] Financieringen BV, en

[betrokkene 2] handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf 19] BV, welke vennootschap handelde als zelfstandig bevoegd bestuurder van de schuldeiser, [bedrijf 4] BV,

zijnde een geschrift bestemd om te dienen tot bewijs van het daaringestelde, althans van enig feit,

valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die authentieke akte als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die authentieke akte

inhoudelijk als bovenomschreven werd verleden, terwijl genoemde notaris

[betrokkene 1] en/of hij, verdachte, en/of genoemde [betrokkene 2] wist(en) (zakelijk weergegeven) dat tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht er

geen reële geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan, immers was genoemde notaris en/of hem, verdachte, en/of genoemde [betrokkene 2] op 28 januari 2011 bekend, op een tijdstip gelegen vóór het passeren van die hypotheekakte, dat genoemde appartementsrechten voor een bedrag van

Euro 750.000,- (exclusief BTW) waren verkocht aan [naam 1] , althans al waren verkocht, van welke koop, verkoop en/of levering de (beoogde) passeerdatum van de akte 01 februari 2011 was/zou zijn;
(vindplaats documenten: D-511 en D-397)

8 subsidiair:
hij op 31 januari 2011 te Neede, gemeente Berkelland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, opgemaakt door notaris

[betrokkene 1] , (toen) notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede,

een valse opgave aangaande na te noemen feit/feiten van welks waarheid die

akte moest doen blijken,

te weten (zakelijk weergegeven) dat de hypotheekgever ( [bedrijf 1] Financiering

het recht van eerste hypotheek en eerste pand verleende tot een bedrag van

Euro 422.750,- aan [bedrijf 4] BV op de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen,

tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser ( [bedrijf 4] BV) blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben,

uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende

en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderen hoofde ook,

heeft doen opnemen met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)wist(en) (zakelijk weergegeven) dat tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht er geen reële geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan,

zulks met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid;

10 primair:
hij in de maand juli 2010, althans in de periode maart 2010 tot en met

augustus 2010 te Almelo en/of te Geesteren, in de gemeente Tubbergen en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met [betrokkene 4] en/of met [betrokkene 5] en/of met

een of meer anderen, althans alleen,

een taxatierapport van [bedrijf 16] Makelaardij, gedateerd juli 2010, met als opdrachtgever mevrouw [betrokkene 5] , betreffende (zakelijk weergegeven)

de onroerende zaak/zaken:

a) woonhuis met erf, [betrokkene 15] en ondergrond, staande een gelegen te Geesteren (Ov), plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , groot 11 aren en 70 ca;

b) woonhuis met bedrijfsopstal, erf, [betrokkene 15] , ondergrond en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te Geesteren (Ov), plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , ongeveer groot 50 are;

c) cultuurgrond gelegen aan, rond en achter [adres] en [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , ongeveer groot 7 ha, 15 are en 49 ca;

d) cultuurgrond gelegen aan een zandweg, welke uitkomt op de [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , ongeveer groot 95 are en 85 ca;

e) woonhuis met 2e woongedeelte, bedrijfsopstallen, erf, [betrokkene 15] , ondergrond, cultuurgrond en verdere aangehorigheden, staande en gelegen te Heemserveen, plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente Ambt-Hardenberg [sectie en nummer] , groot 05 hectare, 21 are en 05 centiare,

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of genoemde [betrokkene 4] heeft doen opmaken met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen

te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in dat taxatierapport werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat op basis van de aanwezige (grond)

vervuiling, zijnde sloopafval met aanzienlijke hoeveelheid asbesthoudend

materiaal, bleek dat er rekening moest worden gehouden met een aanzienlijke waardevermindering inzake de vervuilde percelen, dat die vervuiling de onder sub a, b en c genoemde percelen betrof en/of dat bij die taxatie rekening was

gehouden met vorengenoemde vervuiling, zulks terwijl in werkelijkheid die (grond) vervuiling niet aanwezig was en/of niet was aangetroffen of vastgesteld; (vindplaatsdocument: D-006)

10 subsidiair:
[betrokkene 4] in de maand juli 2010, althans in de periode maart 2010 tot en met augustus 2010 te Almelo en/of te Geesteren, in de gemeente Tubbergen en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een taxatierapport van [bedrijf 16] Makelaardij, gedateerd juli 2010, met als opdrachtgever mevrouw [betrokkene 5] , betreffende (zakelijk weergegeven)

de onroerende zaak/zaken:

a) woonhuis met erf, [betrokkene 15] en ondergrond, staande een gelegen te Geesteren (Ov), plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , groot 11 aren en 70 ca;

b) woonhuis met bedrijfsopstal, erf, [betrokkene 15] , ondergrond en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te Geesteren (Ov), plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , ongeveer groot 50 are;

c) cultuurgrond gelegen aan, rond en achter [adres] en [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , ongeveer groot 7 ha, 15 are en 49 ca;

d) cultuurgrond gelegen aan een zandweg, welke uitkomt op de [adres] , kadastraal bekend gemeente Tubbergen, [sectie en nummer] , ongeveer groot 95 are en 85 ca;

e) woonhuis met 2e woongedeelte, bedrijfsopstallen, erf, [betrokkene 15] , ondergrond, cultuurgrond en verdere aangehorigheden, staande en gelegen te Heemserveen, plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente Ambt-Hardenberg [sectie en nummer] , groot 05 hectare, 21 are en 05 centiare,

- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen –

valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dat geschrift als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat in dat taxatierapport werd vermeld (zakelijk weergegeven) dat op basis van de aanwezige (grond)

vervuiling, zijnde sloopafval met aanzienlijke hoeveelheid asbesthoudend

materiaal, bleek dat er rekening moest worden gehouden met een aanzienlijke waardevermindering inzake de vervuilde percelen, dat die vervuiling de onder

sub a, b en c genoemde percelen betrof en/of dat bij die taxatie rekening was gehouden met vorengenoemde vervuiling, zulks terwijl in werkelijkheid die

(grond) vervuiling niet aanwezig was en/of niet was aangetroffen of vastgesteld, welke strafbaar feit hij, verdachte, in of omstreeks de maand juli 2010,

althans in de periode van 30 maart 2010 tot en met 30 augustus 2010, te Almelo en/of te Geesteren, in de gemeente Tubbergen en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met [betrokkene 5] ,

althans alleen,

opzettelijk heeft uitgelokt door misleiding en/of het verschaffen van

gelegenheid, middelen en/of inlichtingen door die genoemde [betrokkene 6] opdracht te geven die onroerende zaken/zaak zo laag mogelijk te taxeren met in ogenschouw

de gegevens over de vervuiling en/of door (daarbij) genoemde [betrokkene 6] gegevens betreffende de aard en/of omvang van die vervuiling mee te delen of deze daarvan in kennis te stellen en/of door een "offerte indicatie van kosten

grondsanering [adres] te Geesteren" van [bedrijf 17]

dd. 18 juni 2007 te doen toekomen en/of te laten gebruiken;

althans, bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf van valsheid in geschrifte hij, verdachte, tezamen en in vereniging met genoemde

[betrokkene 5] , althans alleen,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf van valsheid in geschrifte hij, verdachte, in of omstreeks de maand juli 2010, althans in de periode van 30 maart 2010 tot en met 30 augustus 2010, te Almelo en/of te Geesteren, in de gemeente Tubbergen en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met [betrokkene 5] ,

althans alleen,
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door die genoemde [betrokkene 6] opdracht te geven die onroerende zaken/zaak zo laag mogelijk te taxeren met in ogenschouw de gegevens over de vervuiling en/of door (daarbij) genoemde [betrokkene 6] gegevens betreffende de aard en/of omvang van die vervuiling mee te delen of deze daarvan in kennis te stellen en/of door een "offerte

indicatie van kosten grondsanering [adres] te Geesteren" van [bedrijf 17] dd. 18 juni 2007 te doen toekomen en/of te laten gebruiken;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 5 primair, 7 primair, 8 primair, 10 primair en 10 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 10 primair en subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof in het bijzonder dat in het taxatierapport wel is opgenomen dat er sprake is van een vervuiling die op de waarde drukt, maar in dat rapport staat niet dat die vervuiling ook werkelijk is aangetroffen, aanwezig was of is vastgesteld, zoals ten laste is gelegd. Bovendien kan het hof niet vaststellen of de mededeling dat de percelen vervuild zijn feitelijk onjuist is, omdat uit het dossier niet blijkt dat daar verder onderzoek naar is gedaan.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs van de overige feiten

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal is van mening dat het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4 primair, feit 5 subsidiair, feit 6, feit 7 subsidiair en feit 8 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Standpunt van de verdediging

Feit 1 primair is niet bewezen omdat geen sprake is van het verdichten van een last. Daarnaast heeft verdachte geen opzet op benadeling van de schuldeisers gehad en kan hij niet als medepleger van bedrieglijke bankbreuk worden aangemerkt.
Ook het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde is niet bewezen, aangezien het faillissement van [bedrijf 3] BV niet in het vooruitzicht lag en [verdachte] bovendien niet heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.

Feit 2 kan evenmin bewezen worden omdat een faillissement niet in het vooruitzicht lag. Daarnaast heeft [verdachte] niet gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. Bovendien kan het bestanddeel “in geval van faillissement” niet bewezen worden. Dit duidt immers op de periode na het faillissement en voor zover er goederen zijn onttrokken aan de boedel heeft dit plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan de faillietverklaringen.

Met betrekking tot feit 3 primair heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet als feitelijke leidinggevende kan worden gezien.

Voor het onder feit 3 subsidiair ten laste gelegde geldt dat verdachte niet heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers en dat hij niet als pleger en niet als medepleger van de gedraging kan worden gezien.

Ook voor feit 4 primair geldt dat verdachte niet als feitelijk leidinggever of opdrachtgever kan worden gezien.

Voor feit 4 subsidiair en meer subsidiair geldt dat een faillissement van [bedrijf 10] BV niet in het vooruitzicht lag.

Feit 5 primair en subsidiair kan niet bewezen worden omdat er geen sprake is van medeplegen van het valselijk opmaken van een authentieke akte of het doen van een valse opgave in een dergelijke akte.

Voor feit 6 geldt dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] als feitelijk leidinggever of opdrachtgever de administratie van [bedrijf 13] BV niet aan de curator heeft overgelegd en aldus niet aan de inlichtingenplicht heeft voldaan , zodat ook voor dit feit vrijspraak moet volgen.

Feit 7 primair en subsidiair kan niet bewezen worden dat het een valse of een vervalste factuur betreft.

Onder verwijzing naar hetgeen met betrekking tot feit 1 is gesteld heeft de raadsman ook voor feit 8 vrijspraak bepleit.

Het oordeel van het hof

Omwille van de leesbaarheid wordt verdachte hierna zowel ‘ [verdachte] ’ als ‘verdachte’ genoemd.

Feiten 1 en 8

Het hof overweegt met betrekking tot de feiten 1 en 8, die beiden samenhangen met zaaksdossier 1 van het proces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD, het volgende. Daarbij sluit het hof grotendeels aan bij de overwegingen van de rechtbank.


Betrokken rechtspersonen

[bedrijf 1] Financieringen BV

[bedrijf 1] Financieringen BV is opgericht op 6 juli 2010 met als bestuurder/aandeelhouder [bedrijf 18] BV.
BV is eveneens opgericht op 6 juli 2010, met als bestuurder/aandeelhouder [bedrijf 1] Groep Holding BV.
Groep Holding BV is opgericht op 5 februari 2010 met als bestuurder/aandeelhouder de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 1] Groep.
De Stichting Administratiekantoor [bedrijf 1] Groep is opgericht op 30 september 2008 met [verdachte] als bestuurder.

[bedrijf 3] BV / [bedrijf 2] BV
[bedrijf 3] BV is op 13 juni 2002 opgericht door [betrokkene 2] . [bedrijf 3] BV ontwikkelde projecten op het gebied van woning- en utiliteitsbouw.
Vanaf de oprichting op 13 juni 2002 tot 24 januari 2011 is [betrokkene 2] (on)middellijk bestuurder van [bedrijf 3] BV geweest (in de periode van 13 juni 2002 tot 31 december 2010 onmiddellijk bestuurder en in de periode van 31 december 2010 tot 24 januari 2011 middellijk bestuurder, middels [bedrijf 19] BV).
De Stichting Administratiekantoor [bedrijf 3] is gedurende de periode van
18 september 2003 tot 31 december 2010 aandeelhouder van [bedrijf 3] BV geweest. Bestuurders van deze stichting waren [betrokkene 2] , zijn vader [betrokkene 7] en zijn zuster [betrokkene 8] .
Op 31 december 2010 zijn de aandelen van [bedrijf 3] BV ondergebracht in [bedrijf 19] BV. Vervolgens is op 24 januari 2011 [betrokkene 9] , door middel van de Stichting [stichting 1] , bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 3] BV geworden.

De naam van [bedrijf 3] BV is daarna op 18 april 2011 in [bedrijf 2] BV gewijzigd. [bedrijf 2] BV is op 20 december 2011 in staat van faillissement verklaard.

[bedrijf 19] BV

[bedrijf 19] BV is opgericht op 7 december 2010. [betrokkene 2] is vanaf de datum van oprichting bestuurder van [bedrijf 19] BV.
De Stichting Administratiekantoor [bedrijf 3] , later genoemd Stichting Administratiekantoor [bedrijf 19] , was vanaf 31 december 2010 de aandeelhouder van [bedrijf 19] BV.

In januari 2011 zijn de navolgende nieuwe [bedrijf 20] vennootschappen opgericht:
- [bedrijf 20] Woningbouw BV;
- [bedrijf 20] Herontwikkeling BV;
- [bedrijf 20] Ontwikkelingsgroep BV;
- [bedrijf 4] BV;
- [bedrijf 20] Projecten BV;
- [bedrijf 20] Bouwontwikkeling BV;
- [bedrijf 20] Beleggingen BV;
- [bedrijf 20] Exploitatie BV;
- [bedrijf 20] Participaties BV.
De aandelen van deze rechtspersonen zijn ondergebracht in [bedrijf 19] BV.

Feit 1

Aan verdachte is onder feit 1 primair ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] Financieringen BV ter zake het samen met [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 [bedrijf 2] BV) onttrekken van een bedrag van € 422.750,-- aan de boedel van [bedrijf 3] BV en/of het verdichten van een last van € 422.750,--, terwijl die BV op 20 december 2011 in staat van faillissement is verklaard.

Onder feit 1 is samengevat, subsidiair aan verdachte ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding dan wel opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 1] Financieringen BV ter zake het samen met [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 [bedrijf 2] BV) onttrekken van een bedrag van € 422.750,-- aan de boedel van [bedrijf 3] BV, in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 3] BV, welk faillissement op 20 december 2011 is gevolgd.

Het komt er op neer, dat [bedrijf 3] BV appartementsrechten verkoopt voor € 200.000,- en deze korte tijd later weer voor dezelfde prijs terugkoopt, nu echter bezwaard met een extra hypotheek ten gunste van [bedrijf 4] BV van € 422.750,-. Als direct daarna de appartementsrechten voor € 625.000,- vermeerderd met omzetbelasting worden verkocht, wordt van de opbrengst ruim € 422.750,- niet aan verkoper [bedrijf 3] BV, maar aan hypotheekhouder [bedrijf 4] BV betaald. [bedrijf 3] BV wordt later in staat van faillissement verklaard.

Feitelijke gang van zaken

Het hof leidt uit het dossier de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Op 21 december 2010 heeft [betrokkene 2] de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimten aan de [adres] en [adres] te Haaksbergen, namens [bedrijf 3] BV voor € 200.000,-- ex BTW geleverd aan
[naam 1] (een medewerker van [betrokkene 2] ). De appartementen waren belast met vijf hypothecaire inschrijvingen.
Deze appartementsrechten zijn vervolgens door voornoemde [naam 1] op 29 december 2010 doorgeleverd aan [bedrijf 1] Financieringen BV, vertegenwoordigd door [verdachte] , eveneens voor de prijs van € 200.000,-- ex BTW, belast met de genoemde vijf hypothecaire inschrijvingen.
Op 31 januari 2011 is een akte ondertekend door [verdachte] , namens [bedrijf 1] Financieringen BV als hypotheekgever, en [betrokkene 2] , namens [bedrijf 4] BV, ten behoeve van het recht van eerste hypotheek en eerste pand op het onderpand [adres] en [adres] te Haaksbergen. Het hypotheekbedrag bedroeg € 422.750,--.
Vervolgens, eveneens op 31 januari 2011 (15 minuten later) zijn de appartementsrechten door [verdachte] namens [bedrijf 1] Financieringen BV doorgeleverd aan [bedrijf 3] BV, vertegenwoordigd door [betrokkene 9] (die op 24 januari 2011 de middellijk bestuurder van [bedrijf 3] BV was geworden), eveneens voor € 200.000,-- ex BTW, echter nu belast met zes hypothecaire inschrijvingen.

Een dag later, op 1 februari 2011, heeft [betrokkene 2] als schriftelijk gevolmachtigde van [bedrijf 19] BV, te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [bedrijf 3] BV, de appartementsrechten van [adres] en [adres] te Haaksbergen vrij van hypothecaire inschrijvingen verkocht en geleverd aan [betrokkene 10] , namens [betrokkene 10] [bedrijf 3] BV, voor de prijs van € 625.000,-- ex BTW. Eveneens op 1 februari 2011 heeft [betrokkene 10] de appartementsrechten voor de prijs van € 750.000,-- ex. BTW doorverkocht aan [naam 1] .
Uit bankafschriften van [bedrijf 4] BV is gebleken dat [notariskantoor] op
3 februari 2011 een bedrag van € 427.932,65 naar [bedrijf 4] BV heeft overgemaakt, met de mededeling ‘Spoedopdracht afl. comm. ruimte [naam ruimte] ’.
Op de dag waarop [notariskantoor] het bedrag van € 427.933,-- heeft overgemaakt aan [bedrijf 4] BV zijn bedragen van € 150.000,--, € 150.000,-- en € 128.000,-- door geboekt naar een bankrekening van [bedrijf 19] BV. Daarnaast is op 21 februari 2011 een bedrag van € 65.000,-- gestort op een bankrekening op naam van [verdachte] en een bedrag van € 10.000,-- op een bankrekening op naam van [bedrijf 12] Werkholding BV (waarvan [verdachte] middellijk aandeelhouder was), telkens onder de vermelding ‘afbetaling lening’.

Het oordeel van het hof


Door de FIOD zijn tijdens het opsporingsonderzoek stukken aangetroffen die in het onderzoek worden aangeduid als “draaiboek”. Het zijn verschillende stukken, klaarblijkelijk door verschillende personen opgesteld. Alle stukken hebben echter betrekking op de afhandeling van projecten die tot begin 2011 behoorden tot de portefeuille van [bedrijf 3] BV. Het hof zal deze stukken (D-452) hierna aanduiden als het draaiboek.

In het draaiboek bevindt zich een berekening van de financiële afwikkeling van het project [projectnaam] . Daarin staat vermeld dat de opbrengst van de percelen inclusief nog openstaande bouwtermijnen € 981.750,- bedraagt. Tevens staan daar aan [hypotheekhouder 1] , [hypotheekhouder 2] en [hypotheekhouder 3] te betalen bedragen tot een totaal van € 296.000,-. [hypotheekhouder 1] , [hypotheekhouder 2] en [hypotheekhouder 3] zijn (vertegenwoordigers van) schuldeisers die een recht van hypotheek hebben op de percelen [projectnaam] . Voorts staat vermeld dat de nog openstaande bouwtermijnen (€ 238.0000,- inclusief BTW) worden gecedeerd en dat er € 25.000,- achter blijft in [bedrijf 3] BV ten behoeve van [betrokkene 9] . Het verschil van de genoemde bedragen is € 422.750,-. Op het betreffende document staat vermeld: “ [bedrijf 1] vestigt € 422.750 hypotheek.”

In de hypotheekakte d.d. 31 januari 2011, waarin [bedrijf 1] Financieringen BV ten behoeve
van [bedrijf 4] BV voor een bedrag van € 422.750,-- een recht van hypotheek heeft gevestigd op het onderpand [adres] en [adres] te Haaksbergen, is niet expliciet omschreven ter zake van welke schulden (aard en omvang) de hypotheek gevestigd is.

Volgens de hypotheekakte verklaart de schuldenaar [bedrijf 1] Financieringen BV (vertegenwoordigd door [verdachte] ) dat zij het hypotheekrecht aan de schuldeiser [bedrijf 4] BV (vertegenwoordigd door [betrokkene 2] ) verleent, “tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook”.
Uit het dossier blijkt echter niet van bestaande schulden van [bedrijf 1] Financieringen BV aan [bedrijf 4] BV. Verder zijn de appartementsrechten met betrekking tot de [adres] en [adres] te Haaksbergen op 1 februari 2011 voor € 625.000,-- verkocht en geleverd aan [betrokkene 10] [bedrijf 3] BV. Hieruit volgt dat tegenover het recht van hypotheek evenmin in de toekomst reële geldleningen en financieringen zouden komen te staan. Blijkens het draaiboek is het plan voor het vestigen van een hypotheekrecht gemaakt op het moment dat de verkoop aan [betrokkene 10] [bedrijf 3] BV al rond was.

Uit de voor [bedrijf 3] bestemde afrekening van de notaris (de van [betrokkene 2] afkomstige in dit dossier ingebrachte bijlage C-H) van de verkoop aan [betrokkene 10] [bedrijf 3] BV blijkt dat ook conform dit onderdeel van het draaiboek is afgerekend, behoudens enkele kleine aanpassingen. Van de verkoopopbrengst wordt € 290.000,- (in plaats van de in het draaiboek vermelde € 296.000,-) overgeboekt naar de hypotheekhouders [hypotheekhouder 1] [hypotheekhouder 2] en “ [x] ”. Verder wordt er door de notaris volgens de afrekening
€ 427.932,65 afgelost op de hypotheek van [bedrijf 4] BV. Dat is dus ruim € 5.000,- meer dan staat vermeld in het draaiboek en ook meer dan waarvoor het hypotheekrecht ten gunste van [bedrijf 4] BV is verleend. Het verschil ten opzichte van het draaiboek is te verklaren doordat er € 6.000,- minder is uitgekeerd aan hypotheeknemer [hypotheekhouder 2] en er daarnaast kosten voor de overdracht in rekening zijn gebracht.

Geen van de betrokkenen heeft een aannemelijke verklaring kunnen geven voor het vestigen van een hypotheek voor al hetgeen [bedrijf 4] BV van [bedrijf 1] BV heeft te vorderen. Ook indien bedoeld was hypotheek te vestigen voor vorderingen van [bedrijf 4] BV op [bedrijf 3] BV valt niet in te zien welk zakelijk belang [bedrijf 1] Financieringen BV daar bij had.

Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de hypothecaire inschrijving verricht is om de overboeking van een deel van de opbrengst naar [bedrijf 4] BV in plaats van naar de verkoper [bedrijf 3] BV te rechtvaardigen.

Heeft [bedrijf 4] schulden overgenomen van [bedrijf 3] ?

Namens verdachte is aangevoerd dat [bedrijf 4] BV schulden heeft overgenomen van [bedrijf 3] BV en dat in verband daarmee een hypotheekrecht ten behoeve van [bedrijf 4] BV is gevestigd en gelden naar [bedrijf 4] BV zijn overgeboekt. Het hof beoordeelt hieronder of dat aannemelijk is geworden.

Aktes waarin schulden van [bedrijf 3] BV zijn overgenomen door [bedrijf 4] BV zijn niet bekend. Aan het dossier is toegevoegd een door [betrokkene 2] opgestelde verklaring met bijlagen waarin wordt betoogd dat er wel degelijk sprake is van schuldovername. Hij stelt daarin dat na overboeking van het in het draaiboek genoemde bedrag van € 296.000,- aan de hypotheekhouders nog € 527.235,- aan restschuld zou overblijven. Daarnaast zou [bedrijf 3] een schuld van bijna € 100.000,- aan [verdachte] hebben. Ter onderbouwing legt hij vier verklaringen van geldverstrekkers/hypotheeknemers over. Het hof zal die verklaringen hieronder bespreken.


Uit de verklaring van [hypotheekhouder 1] (C-G1) zou kunnen blijken dat hij na aflossing van € 160.000,- nog een restschuld had van € 240.000,- op [bedrijf 3] BV. Hij stelt destijds met [betrokkene 2] voorafgaand aan het faillissement daar afspraken over te hebben gemaakt en dat, zonder specifiek in te gaan op nadere voorwaarden rondom de schuldovername/vernieuwing, gecommuniceerd te hebben met de notaris. Ook geeft hij aan zich niet gemeld te hebben als schuldeiser in het faillissement van [bedrijf 3] omdat de schuld is overgenomen door [bedrijf 4] . Hoewel de verklaring niet vermeldt wanneer die schuld dan door [bedrijf 4] is overgenomen, is met de verklaring voldoende aannemelijk dat zulks destijds gebeurd is.

Uit de overgelegde verklaring van [hypotheekhouder 2] (bijlage C-G2) wordt niet duidelijk welk bedrag aan wie of aan welke vennootschap is verstrekt. Op grond van deze verklaring wordt niet aannemelijk dat [bedrijf 4] schulden van [bedrijf 3] heeft overgenomen.

Uit de twee overgelegde verklaringen van [hypotheekhouder 3] (C-G3 en C-G4) wordt slechts duidelijk dat de openstaande schulden zijn overgenomen door “de nieuwe vennootschap van [betrokkene 2] ”. Hij verwijst daarbij naar notariële akten d.d. 1 februari 2011 die ook zijn overgelegd (bijlage C-J). Uit die akten blijkt evenwel dat de schulden niet zijn overgenomen door [bedrijf 4] BV, maar door [bedrijf 20] Ontwikkelingsgroep BV. [bedrijf 4] BV heeft deze schulden dus niet overgenomen.

Hoewel op enig moment in de procedure een kopie van een onderhandse akte van geldlening tussen [bedrijf 3] BV en [verdachte] d.d. 2009 is overgelegd, acht het hof deze geldlening niet aannemelijk nu deze in de auditfiles van [bedrijf 4] niet terug te vinden zijn.

Al met al is niet aannemelijk geworden dat schulden door [bedrijf 4] voor een bedrag van meer dan € 240.000,- zijn overgenomen.

Ten aanzien van de betalingen van € 65.000,- en € 10.000,- wordt het volgende overwogen.
De betalingen zouden betrekking hebben op een lening van [verdachte] aan [bedrijf 3] BV. In de boekhouding van [bedrijf 4] BV is niet te herleiden waarop deze leningen betrekking zouden moeten hebben. Ten bewijze van deze lening is een kopie van een onderhandse akte overgelegd (bijlage C-K). Uit die akte blijkt dat als schuldenaren worden aangemerkt [bedrijf 3] BV en [betrokkene 2] Projectontwikkeling BV. In de boekhouding van [bedrijf 4] zijn de betalingen verwerkt als “aflossing lening” en op de geconsolideerde balans van [bedrijf 19] zijn de betalingen opgenomen onder de overlopende activa. De lening ontbreekt vervolgens op overzichten met schuldeisers van [bedrijf 3] en komt ook niet voor in het draaiboek. Het hof hecht om die redenen geen waarde aan die onderhandse akte.

Met betrekking tot het verwijt dat door het vestigen van een hypotheek tot een bedrag van
€ 422.750,-, zonder dat daar reële geldleningen en/of financieringen tegenover stonden of zouden komen te staan, een last is verdicht, overweegt het hof het volgende.

In de hypotheekakte d.d. 31 januari 2011, waarin [bedrijf 1] Financieringen BV ten behoeve van [bedrijf 4] BV voor een bedrag van € 422.750,-- een recht van hypotheek heeft gevestigd op het onderpand [adres] en 8 te Haaksbergen, is niet expliciet omschreven terzake van welke schulden (aard en omvang) de hypotheek gevestigd is.
Volgens de hypotheekakte verklaart de schuldenaar [bedrijf 1] Financieringen BV (vertegenwoordigd door [verdachte] ) dat zij het hypotheekrecht aan de schuldeiser [bedrijf 4] BV (vertegenwoordigd door [betrokkene 2] ) verleent, “tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook”.
Strikt genomen staat in de akte niet meer dan dat zekerheid wordt verstrekt voor eventuele schulden. Die zekerheid kan ook worden verstrekt voor schulden van anderen dan degene die zekerheid verstrekt, doch dat is in dit geval niet gebeurd.
De akte vermeldt niet dat de schuld waarvoor zekerheid wordt verstrekt al bestaat. Niettemin wordt door het verstrekken van zekerheid onmiskenbaar bij derden de suggestie gewekt dat dergelijke schulden er zijn dan wel op grond van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar te verwachten zijn.
Uit het dossier blijkt echter niet van bestaande schulden van [bedrijf 1] Financieringen BV aan [bedrijf 4] BV. Verder zijn de appartementsrechten met betrekking tot de [adres] en 8 te Haaksbergen op 1 februari 2011 voor € 625.000,-- verkocht en geleverd aan [betrokkene 10] Vastgoed BV. Hieruit volgt dat tegenover het recht van hypotheek evenmin in de toekomst reële geldleningen en financieringen zouden komen te staan.

Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat door de vestiging van een hypotheek van € 422.750,-- voor dat bedrag een last is verdicht.

Mate van betrokkenheid van verdachte [verdachte]

Met betrekking tot de mate van betrokkenheid van verdachte overweegt het hof het volgende.

Alleen al op grond van het feit dat [verdachte] opzettelijk meewerkt aan een akte waarin zekerheid wordt verstrekt voor een niet bestaande schuld kan worden afgeleid dat hij de geenszins te verwaarlozen kans heeft aanvaard dat derden zouden worden benadeeld voor het in de akte vermelde bedrag. Maar bij [verdachte] is er nog meer aan de hand.
Tijdens de doorzoeking van het bedrijfspand van [bedrijf 20] in Reutum is een aantal stukken in beslag genomen die door de Belastingdienst/FIOD aangeduid zijn als ‘draaiboek terzake uittocht’. Deze stukken zaten volgens [projecteider] , projectleider van het Komodo-onderzoek, bij elkaar in één map of ordner. Bovenaan de eerste bladzijde van dit ‘draaiboek’ staat de naam [bedrijf 3] BV. In de overige bladzijden zijn onder meer de volgende zinsneden opgenomen:
- Overdracht notaris → [betrokkene 1] . Regelt [verdachte] en regelt dit.
- BV zolang mogelijk in de lucht laten. Tenminste 1 jr proberen.
- Verplichte naamswijziging. Veranderen zetel - Rotterdam, [adres] .
- Vaststellen overnamesom voor [bedrijf 3] BV → opbrengst Cl + C2 H'bergen incl.
BTW → [bedrijf 1] → Hypotheek op dit [bedrijf 3] vestigen voor de overnamesom
- [bedrijf 4] → [bedrijf 1] vestigd 422750 hypotheek.


Uit het dossier blijkt voorts dat de aandelen van [bedrijf 3] BV op 24 januari 2011 zijn overgedragen aan de Stichting [stichting 1] , vertegenwoordigd door getuige [betrokkene 9] . Deze [betrokkene 9] heeft verklaard dat de Stichting [stichting 1] op initiatief van [verdachte] op zijn naam is gezet. Volgens [betrokkene 9] heeft [verdachte] hem verteld dat er een stichting opgericht moest worden omdat [bedrijf 3] BV een jaar geparkeerd moest worden. [verdachte] zou dat regelen. Op papier was [betrokkene 9] bestuurder, hij had een papieren functie maar hij heeft niets voor de Stichting [stichting 1] gedaan. Het enige wat hij gedaan heeft is het op naam zetten van [bedrijf 3] BV, aldus [betrokkene 9] . Het hof leidt - net als de rechtbank - uit de verklaring van [betrokkene 9] af dat hij in dit verband als katvanger is opgetreden.
Verder heeft de eigenaar van de ruimte aan de [adres] te Ridderkerk, getuige
[getuige] , verklaard dat hij deze ruimte vanaf 24 januari 2011 heeft verhuurd aan [verdachte] . Op dit adres stonden vanaf die datum de Stichting [stichting 1] en [bedrijf 3] BV geregistreerd. [getuige] heeft echter geen activiteiten gezien, alleen hooguit tien keer post zien binnenkomen.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [betrokkene 2] en [verdachte] een sterfhuisconstructie voor [bedrijf 3] BV hebben opgezet en uitgevoerd. De vestiging van de hypotheek door [bedrijf 1] Financieringen BV heeft deel uitgemaakt van deze constructie. Een verklaring voor het vestigen van een hypotheekrecht voor alles wat [bedrijf 4] van [bedrijf 1] te vorderen heeft, heeft [verdachte] niet kunnen geven. Hij wist wel dat [bedrijf 4] niets van [bedrijf 1] te vorderen had. [verdachte] heeft als vergoeding voor zijn aandeel geldbedragen van € 65.000,-- (in privé) en € 10.000,-- (via [bedrijf 12] Holding BV) ontvangen van [bedrijf 4] BV.

Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met [betrokkene 2] feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] Financieringen BV terzake van het tezamen met [bedrijf 3] BV verdichten van een last van
€ 422.750,--.

Feit 8

Onder feit 8 primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij tezamen en in vereniging met notaris [betrokkene 1] een hypotheekakte valselijk heeft opgemaakt en feit 8 subsidiair behelst het verwijt dat verdachte een valse opgave heeft gedaan in een hypotheekakte.

Oordeel van het hof

Het hof verwijst naar hetgeen het bij de bespreking van feit 1 heeft overwogen.

Voor het tezamen met notaris [betrokkene 1] valselijk opmaken van een notariële akte bevat het dossier onvoldoende bewijs.

Het hof acht echter wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen met [betrokkene 2] een valse opgave heeft gedaan in een door notaris [betrokkene 1] opgemaakte hypotheekakte. [verdachte] heeft in die akte doen opnemen dat hypotheekgever [bedrijf 1] Financieringen BV tot zekerheid voor de betaling van - zakelijk weergegeven - alle bestaande en toekomstige geldleningen en financieringen van [bedrijf 4] BV het recht van eerste hypotheek op de appartementsrechten met betrekking tot de [adres] en 8 te Haaksbergen heeft verleend aan [bedrijf 4] BV. Deze opgave is vals omdat verdachte wist dat tegenover het verlenen van het hypotheekrecht geen reële geldleningen en financieringen stonden of zouden komen te staan.

Het hof herhaalt in dit verband wat zij bij de bespreking van feit 1 ook heeft overwogen:

Strikt genomen staat in de akte niet meer dan dat zekerheid wordt verstrekt voor eventuele schulden. Die zekerheid kan ook worden verstrekt voor schulden van anderen dan degene die zekerheid verstrekt, doch dat is in dit geval niet gebeurd.

De akte vermeldt niet dat de schuld waarvoor zekerheid wordt verstrekt al bestaat. Niettemin wordt door het verstrekken van zekerheid onmiskenbaar bij derden de onjuiste suggestie gewekt dat dergelijke schulden er zijn dan wel op grond van de rechtsverhouding tussen schuldeiser en schuldenaar te verwachten zijn.

Het vestigen van die onjuiste indruk was ook het doel van die akte. Daarmee is sprake van het doen van een valse opgave.

Feit 2.

Aan verdachte is onder feit 2 ten laste gelegd dat hij samen met Aannemingsbedrijf
[bedrijf 6] BV, [bedrijf 6] Beheer BV en met [betrokkene 3] faillissementsfraude heeft gepleegd door een DAF vrachtwagen, een Toyota Landcruiser, drie aanhangwagens, een minikraan, compressoren en luchthamers aan de boedels van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en [bedrijf 6] Beheer BV te onttrekken

dan wel

dat hij in het vooruitzicht van en/of na het faillissement van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en [bedrijf 6] Beheer BV die goederen aan die BV’s heeft ontrokken.

Feitelijke gang van zaken

Het hof leidt uit het dossier de navolgende feitelijke gang van zaken af.

[bedrijf 6] heeft op woensdag 24 februari 2010, als (middellijk) bestuurder/100% aandeelhouder van [bedrijf 6] Holding BV, [bedrijf 6] Beheer BV en Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV, de aandelen van [bedrijf 6] Holding BV en daarmee de aandelen van de daarmee verbonden vennootschappen overgedragen aan de Stichting [sichting] . Deze stichting is opgericht door verdachte en had als bestuurder [bestuurder] .
[bedrijf 6] wilde van zijn bedrijf en zijn vennootschappen af en heeft de aandelen van [bedrijf 6] Holding BV voor één euro verkocht aan de Stichting [sichting] .

[verdachte] heeft de verkoop tussen [bedrijf 6] en [bestuurder] geregeld. [bedrijf 6] heeft [verdachte] toegezegd dat hij hem als vergoeding voor zijn hulp als “bedrijvendokter” een deel van de activa in de vorm van een aantal bedrijfsmiddelen zou geven.

De aandelenoverdracht heeft plaatsgevonden op woensdag 24 februari 2010 bij de notaris. Daarbij waren aanwezig [verdachte] , [bedrijf 6] en [bestuurder] . Ook daar heeft [verdachte] alles geregeld. De euro is niet betaald, een sleutel is niet overhandigd en de administratie is niet overgedragen. Als reden voor de uitgestelde overdracht is daarbij opgegeven dat [bedrijf 6] nog spullen uit het pand moest halen en dat de administratie de maandag daarop op het bedrijf kon worden ingezien.

Op het moment van de overdacht exploiteerde het vennootschapsconcern een aannemingsbedrijf. Er waren meerdere werknemers in dienst en de bedrijfsmiddelen, die in eigendom toebehoorden aan de beheersmaatschappij [bedrijf 6] Beheer BV, waren ten behoeve van de exploitatie ter beschikking gesteld aan werkmaatschappij Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV. De boekwaarde van die bedrijfsmiddelen was ongeveer

€ 1.100.000,-- (boekwaarde ultimo 2008). Ten tijde van de overdracht was er sprake van een “going concern” met een schuldenlast van bijna € 1.200.000,--. Tot en met vrijdag 26 februari 2010 is er nog gewerkt door de werknemers, die niet eerder dan de daaropvolgende zondag door [bedrijf 6] op de hoogte zijn gesteld van de overdracht. Op de vrijdag 26 februari 2010 waren de bedrijfsmiddelen en administratie nog op het bedrijf aanwezig. In het weekend van 27 en 28 februari 2010 zijn alle aanwezige bedrijfsmiddelen en de administratie weggehaald van het bedrijfsterrein van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV.

Op zondag 28 februari 2010 hebben verontruste werknemers contact opgenomen met [bestuurder] . [bestuurder] deelde hen mee dat hij dacht dat hij een BV zonder personeel op zijn naam had genomen en sprak zijn ongenoegen uit in de richting van verdachte, waarna verdachte ervoor zorgde dat [bestuurder] werd vervangen door een nieuwe bestuurder,

[betrokkene 11] . Deze [betrokkene 11] is via [betrokkene 12] door verdachte gevraagd om de vennootschappen op zijn naam te zetten. [betrokkene 11] kon met dat enkel op naam zetten € 500,-- verdienen en heeft daarmee ingestemd. Verdachte heeft vervolgens geregeld dat [betrokkene 11] de vennootschappen op zijn naam kreeg. Een groot deel van de bedrijfsmiddelen is kort na het weekend van 27 en 28 februari 2010 aangetroffen op het terrein van verdachte.

Op respectievelijk 24 maart 2010 en 8 juni 2010 zijn Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en [bedrijf 7] BV, voorheen genaamd [bedrijf 6] Beheer BV, in staat van faillissement verklaard. De curator heeft lege boedels aangetroffen en is nimmer in het bezit gesteld van de administratie. [bedrijf 6] heeft in het kader van de faillissementsprocedure verklaard dat hij na de aandelenoverdracht een deel van de bedrijfsmiddelen, waaronder de goederen die hij als vergoeding aan verdachte zou geven, bij verdachte op het bedrijf heeft zien staan. Verdachte heeft in het kader van die procedure toegegeven dat hij een deel van de bedrijfsmiddelen, die hem door [bedrijf 6] als vergoeding voor zijn bemiddeling waren toegezegd, heeft overgenomen.

Oordeel van het hof

Het hof overweegt dat, vorenstaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien,

sprake is van een onvoltooide bedrijfsoverdracht door [bedrijf 6] . [bedrijf 6] wist dat hij een

lopend bedrijf verhandelde. Door in die wetenschap enkel de aandelen op papier over te

dragen voor slechts één euro, de betaling niet plaats te laten vinden en de sleutel- en

administratieoverdracht uit te stellen, heeft slechts een papieren bestuursoverdracht

plaatsgevonden en is de feitelijke leiding nimmer overgedragen. De feitelijke overdracht heeft later plaatsgevonden. Temeer nu na de papieren “overdracht” op woensdag 24 februari 2010 gewoon is doorgewerkt onder de feitelijke leiding van [bedrijf 6] , dient [bedrijf 6] ook in de periode daarna nog immer als feitelijke leidinggever te worden aangemerkt.

Bovendien heeft [bedrijf 6] het goed gevonden dat [verdachte] voor zijn bemiddeling werd betaald met bedrijfsmiddelen die in eigendom toebehoorden aan [bedrijf 6] Beheer BV; bovendien zonder exact af te spreken hoeveel en welke bedrijfsmiddelen ter waarde van welke bedrag dat zouden zijn. Die bedrijfsmiddelen werden gebruikt om de normale werkzaamheden van het aannemingsbedrijf te verrichten. Indien het -zoals gesteld- zou zijn gegaan om overdracht van een “going concern” zou dit wellicht de doodsteek van het bedrijf betekenen en het is niet geloofwaardig dat in dat licht bedrijfsmiddelen zonder nadere aanduiding als betaalmiddel worden aangewend.

Het hof kan in het midden laten wie de bedrijfsmiddelen fysiek heeft weggehaald en heeft overgebracht naar het terrein of loods van [verdachte] . Vast staat dat een deel van de bedrijfsmiddelen ter uitvoering van een afspraak tussen [bedrijf 6] en [verdachte] naar laatstgenoemde zijn gegaan en dat deze die bedrijfsmiddelen als zodanig in ontvangst heeft genomen. Het stond [bedrijf 6] en [verdachte] niet vrij deze overdracht plaats te laten vinden. [bedrijf 6] was op de hoogte van de slechte financiële positie van zijn bedrijf en voor hem was het concern niet meer waard dan één euro. Voor [verdachte] was duidelijk dat het bedrijf niet voortgezet zou worden door [bestuurder] , aangezien [verdachte] hem in de veronderstelling heeft laten verkeren dat hij een BV zonder personeel kocht. [verdachte] heeft er vervolgens, nadat [bestuurder] uit de droom was geholpen [betrokkene 11] , op gezet. [bedrijf 6] heeft mede door zijn personeelsleden pas na vier dagen, op zondag 28 februari, in te lichten over de bedrijfsoverdracht, gelegenheid gegeven de bedrijfsmiddelen -ook die waartoe de door [bedrijf 6] gestelde betaling aan [verdachte] niet strekte- in het weekeinde weg te (laten) halen.

Gelet op alle vorenstaande omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat [verdachte] met [bedrijf 6] heeft geregeld dat het bedrijf zou worden overgedragen aan een katvanger en het bedrijf daarna zou worden leeg getrokken. [bedrijf 6] heeft ingestemd met de overdracht van de ondernemingen en de bedrijfsmiddelen onder deze voorwaarden en gaf ook daarna gelegenheid terwijl hij wist wat er te gebeuren stond. [bedrijf 6] heeft op vrijdag 26 februari 2010 nog enkele van zijn werknemers gesproken maar daarbij de overdracht niet aan de orde gesteld en zich daarmee feitelijk voorgedaan als de dan nog leidinggever van zijn ondernemingen. Tot en met die vrijdag is er door het personeel in onwetendheid daarvan doorgewerkt.

Door een maand voor het faillissement van het Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV het bedrijf voor één euro over te dragen in de wetenschap dat de bedrijfsmiddelen, die als middelen van bestaan voor het bedrijf hebben te gelden, uit het bedrijf worden gehaald, heeft een en ander plaatsgevonden in het zicht van het faillissement van de vennootschappen. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat [verdachte] door te handelen zoals hij deed op zijn minst willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechten van de schuldeisers van het bedrijf daardoor verkort zouden worden.

Het hof acht op grond van het hiervoor overwogene bewezen dat [verdachte] , zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd, tezamen en in vereniging met de vennootschap [bedrijf 6] Beheer waarvan [bedrijf 6] feitelijke leidinggever was, bedrijfsmiddelen in het zicht van het faillissement aan die vennootschap heeft onttrokken.

Feit 3.

Aan verdachte is onder feit 3 ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 8] BV bij het plegen van faillissementsfraude, door geldbedragen te onttrekken aan die BV en geen administratie van die BV aan de curator over te leggen,

dan wel

dat hij in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 8] BV geldbedragen aan de boedel van die BV heeft onttrokken;

Feitelijke gang van zaken

Het hof leidt uit het dossier de navolgende feitelijke gang van zaken af.

[bedrijf 8] BV is een onderhoudsbedrijf in schilderwerken. Bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 8] is [naam 2] . De zoon, [naam 3] , heeft de dagelijkse leiding over het bedrijf. De overlevingskansen voor de BV zien er eind 2009 slecht uit en om de verliezen voor [naam 2] sr. niet verder te laten oplopen geeft hij zijn zoon toestemming om de aandelen van het bedrijf te verkopen. [naam 3] jr. heeft daarop [verdachte] benaderd. Door verdachte is [betrokkene 12] benaderd en die heeft, op verzoek van verdachte, katvanger [betrokkene 11] gebeld. [betrokkene 12] heeft hem gevraagd of hij voor [verdachte] , tegen betaling van € 1500,-- , de aandelen van [bedrijf 8] wil overnemen. [betrokkene 11] is daarmee akkoord gegaan.

Op 28 december 2009 is de akte aandelenoverdracht bij notaris [betrokkene 1] gepasseerd. De aandelen zijn voor één euro overgenomen door [bedrijf 22] BV waarvan [betrokkene 11] enig bestuurder en aandeelhouder is. Na het passeren van de akte heeft [betrokkene 11] buiten bij de notaris voor de deur € 500,-- van verdachte gekregen.

In opdracht van [betrokkene 12] moet [betrokkene 11] de bankrekeningen van [bedrijf 8] BV op zijn naam laten zetten en het personeel dat nog in [bedrijf 8] BV zit krijgt in opdracht van [verdachte] ontslag aangezegd. De brieven daarvoor worden, in opdracht van verdachte, door [betrokkene 12] opgemaakt en door [betrokkene 11] ondertekend.

Na de overname van de aandelen door [betrokkene 11] zijn door verschillende bedrijven gelden overgemaakt naar de bankrekening 97.87.72.687 van [bedrijf 8] BV. Op

28 december 2009 is van die bankrekening een bedrag van € 10.115,-- naar de bankrekening van [bedrijf 9] BV overgemaakt. Vervolgens is op 31 december 2009 een bedrag van € 12.750,--, op 3 februari 2010 een bedrag van € 2.296,-- en op 12 februari 2010 een bedrag van
€ 935,-- overgemaakt naar de bankrekening Bouwbedrijf [bedrijf 21] BV. Beide ondernemingen zijn bedrijven van [verdachte] .

Daarnaast is op 12 januari 2010 een bedrag van € 4.300,-- naar de bankrekening van [betrokkene 11] overgeboekt, welk bedrag vervolgens door [betrokkene 11] is overgemaakt naar Bouwbedrijf [bedrijf 21] .

Op 17 maart 2010 is [bedrijf 8] BV door de rechtbank te Almelo failliet verklaard en is mr. P. Lettinga als curator benoemd. De volledige administratie van [bedrijf 8] BV is bij het faillissementsonderzoek niet te voorschijn gebracht en aan de curator overhandigd. Hierdoor is en blijft het voor de curator onduidelijk hoe het faillissement is ontstaan.

Oordeel van het hof

Het hof leidt met betrekking tot de overboekingen van voornoemde bedragen uit het dossier af dat tegenover deze overboekingen geen betalingsverplichting van de BV stonden. Deze overboekingen vanuit [bedrijf 8] BV dienen naar het oordeel van het hof dan ook als onttrekkingen in het zicht van het faillissement te worden aangemerkt. Door zo kort voor de datum van het faillissement onverplicht betalingen te doen, heeft de BV bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers benadeeld worden.

Met betrekking tot het niet tevoorschijn brengen van de administratie door [bedrijf 8] BV is het hof van oordeel dat dit moet worden bezien in het licht van de wettelijke verplichting van iedere ondernemer om de administratie van zijn onderneming te bewaren en zo nodig te voorschijn te brengen. Zonder deugdelijke administratie kan de curator zich immers geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement. Door niet aan deze verplichting te voldoen, heeft [bedrijf 8] BV bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers zouden worden benadeeld.

Feitelijke leidinggeven

Van feitelijke leiding geven aan een verboden gedraging begaan door een rechtspersoon is sprake indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht. Een formele relatie met de rechtspersoon is echter geen vereiste. Daarnaast geldt dat het opzet van verdachte gericht moet zijn geweest op de verboden gedraging. Als ondergrens voor dit opzetvereiste geldt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen.

De katvanger [betrokkene 11] heeft verklaard hoe [verdachte] in het algemeen te werk ging. Hij heeft daarover het volgende verklaard:
Als een ondernemer failliet dreigde te gaan en zich bij [verdachte] meldde met zijn problemen dan zorgde [verdachte] ervoor dat er een nieuwe bestuurder en aandeelhouder kwam voor de onderneming die failliet dreigde te gaan. Een katvanger. Deze nieuwe eigenaar krijgt dus het faillissement aan zijn broek. [verdachte] regelde voor de oude eigenaar een nieuwe BV en deze kon daarmee dan gewoon zijn bedrijfsvoering voortzetten. [verdachte] haalde zijn winst uit de inboedel van de failliet gaande onderneming en uit de nog op de bankrekening binnenkomende gelden van de failliet gaande onderneming. De oude eigenaar betaalde [verdachte] ook veel geld voor de activiteiten die [verdachte] voor hem uitvoerde. Voor het ronselen van katvangers en allerlei administratieve klussen gebruikte hij [betrokkene 12] .

Het hof overweegt dat in casu [verdachte] door [naam 3] is benaderd om de aandelen van het bedrijf te verkopen. [verdachte] heeft daarop via [betrokkene 12] geregeld dat de aandelen verkocht werden aan [betrokkene 11] , zijnde een katvanger. [betrokkene 11] heeft verklaard dat hij na de aandelenoverdracht van [naam 2] een pakketje kreeg waarin een bankpas zat met nog allerlei documenten. [betrokkene 11] was van te voren al door [betrokkene 12] verteld dat hij het pakketje aan [verdachte] moest geven op het moment dat zij bij de notaris buiten waren. Eenmaal buiten heeft [betrokkene 11] het pakketje aan [verdachte] gegeven en kreeg hij van [verdachte] € 500,-. Vrijwel direct nadat katvanger [betrokkene 11] de aandelen van [bedrijf 8] B.V. had overgenomen hebben er geen dagelijkse bedrijfsactiviteiten meer plaats gevonden. Wel zou [betrokkene 11] in opdracht van de verdachte [verdachte] een gesprek gehad hebben met de FNV en het personeel van [bedrijf 8] BV. Op verzoek van [verdachte] heeft [betrokkene 12] ontslagbrieven gemaakt voor het personeel. Deze ontslagbrieven zijn getekend door [betrokkene 11] . Ook zijn er gelden van de bankrekening van [bedrijf 8] BV geboekt naar de rekening van [verdachte] ( [bedrijf 9] BV) en naar Bouwbedrijf [bedrijf 21] , ook een onderneming van [verdachte] . Ook via de rekening van [betrokkene 11] is een bedrag geboekt naar de rekening van Bouwbedrijf [bedrijf 21] . [betrokkene 11] heeft in dit verband verklaard dat hem was verteld dat er geen geld op de rekening mocht blijven staan en dat wat er binnen zou komen zo snel mogelijk van de rekening af moest. Ook moest [betrokkene 11] rechtstreeks geld overmaken van de rekening van [bedrijf 8] BV naar een bedrijf van [verdachte] , te weten Bouwbedrijf [bedrijf 21] , en naar een andere onderneming van [verdachte] , volgens hem genoemd “ [bedrijf 9] ”. Het hof begrijpt dat hiermee [bedrijf 9] BV wordt bedoeld.

Naar het oordeel van het hof had [verdachte] , gelet op bovenstaande omstandigheden feitelijke zeggenschap over de gedraging van de rechtspersoon, [bedrijf 8] BV. In die hoedanigheid was hij bevoegd en gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming dat de geldbedragen uit de boedel zouden worden onttrokken. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers benadeeld zouden worden.

Daarnaast was [verdachte] als feitelijke leidinggever van [bedrijf 8] BV verantwoordelijk voor het voeren van de administratie en het op een deugdelijke wijze overdragen daarvan. Vaststaat dat de curator daarover nimmer de beschikking heeft gekregen, dat de vennootschap gehouden was deze tevoorschijn te brengen en dat [verdachte] aan deze gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. [verdachte] heeft iedere handeling ter voorkoming van het wegraken van de administratie na gelaten, zodat ook op dit punt heeft te gelden dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen.

Het hof komt op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat de vennootschap waarvan verdachte feitelijke leidinggever was, geldbedragen in het zicht van het faillissement van de vennootschap heeft onttrokken.

Voorts acht het hof eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de failliete vennootschap niet heeft voldaan aan haar verplichting de administratie tevoorschijn te brengen en dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Feit 4

Aan verdachte is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding of opdracht geven aan [bedrijf 10] BV bij het plegen van faillissementsfraude, door geldbedragen te onttrekken aan die BV en geen administratie van die BV aan de curator over te leggen,

dan wel

dat hij feitelijk leiding of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 11] BV en [bedrijf 12] BV bij het plegen van faillissementsfraude, door in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 10] BV geldbedragen aan de boedel van die BV te onttrekken,

dan wel

dat hij zelf faillissementsfraude heeft gepleegd, door in het vooruitzicht van het faillissement van [bedrijf 10] BV geldbedragen aan de boedel van die BV te onttrekken;

Feitelijke gang van zaken

Het hof leidt uit het dossier de navolgende feitelijke gang van zaken af.

Op 28 november 2007 is [bedrijf 10] BV opgericht. Vanaf die datum tot 14 augustus 2009 zijn [betrokkene 13] en [betrokkene 14] beiden directeur van de vennootschap. Op 14 augustus 2009 verkopen [betrokkene 13] en [betrokkene 14] de aandelen van de vennootschap aan

[betrokkene 15] , die enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 10] BV wordt. De overdracht van de aandelen vindt plaats via [bedrijf 9] BV, een onderneming van [verdachte] .

[bedrijf 9] BV is gedurende de periode van 15 december 2005 tot 22 januari 2010 de handelsnaam van [bedrijf 11] BV. Op 16 augustus 2009 wordt [koper] bedrijfsleider met beperkte volmacht van [bedrijf 10] BV.

Op het moment van de aandelenoverdracht heeft de BV een kredietruimte van € 125.000,-- op een ING-bankrekening met nummer [nummer] . Kort na de aandelenoverdracht wordt het krediet volledig opgebruikt. Zo wordt van de kredietrekening op 16 september 2009 in vier porties van € 5.000,-- een bedrag van € 20.000,-- overgeboekt naar [accountant] . [accountant] is de accountant van zowel [verdachte] als [koper] . Van het bedrag van € 20.000,-- worden een aantal facturen van [bedrijf 9] BV voldaan en het restant ad
€ 14.498,05 wordt door [accountant] door geboekt naar een bankrekening van [bedrijf 12] Holding BV, een onderneming van [verdachte] .

Verder is op de rekeningafschriften van de ING-bankrekening met nummer [nummer] te zien dat er in de periode van 14 augustus 2009 tot en met datum faillissement, 30 maart 2010, diverse geldopnames zijn geweest. Dit betreft een totaalbedrag van ongeveer € 22.160,--. Op de rekeningafschriften is te zien dat er meerdere geldopnames hebben plaatsgevonden in Hoogeveen. Hier is de winkel van medeverdachte [koper] en/of diens echtgenote

[naam 4] , genaamd ‘ [naam 5] ’ gevestigd geweest.

Op 30 maart 2010 is [bedrijf 10] BV failliet verklaard. Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 14 mei 2010 is mr. D.J.G. Lange benoemd tot curator. De curator heeft op 22 februari 2011 aangifte van faillissementsfraude gedaan tegen de BV. De curator schrijft onder meer dat er geen administratie is aangetroffen en dat hij ondanks verzoeken daartoe geen administratie van medeverdachte [koper] en [betrokkene 15] heeft ontvangen, waardoor hij op geen enkele manier heeft kunnen controleren wat in de periode voor het faillissement heeft plaatsgevonden.

Het hof acht navolgende verklaringen en bevindingen eveneens van belang.

[koper] heeft bij de FIOD (V-007-01) verklaard dat hij destijds veel contact had met [verdachte] en een klein poosje betrokken is geweest bij [bedrijf 10] . Hij was bedrijfsleider met volledige volmacht, maar dat stelde niet veel voor. Hij was eigenlijk een loopjongetje van [verdachte] . Die heeft het allemaal geregeld. Hij moest doen wat [verdachte] zei. Volgens [verdachte] moest [bedrijf 10] op zijn naam staan. Hij weet niet waarom de heer [betrokkene 15] aandeelhouder is geworden. Zolang de vennootschap bestond had hij contact met [verdachte] . Verschillende keren moest hij geld opnemen van een krediet van de vennootschap. Hij moest dan naar de bank toe. Dit was de ING-bank. Hij moest dan de geldbedragen opnemen. Het geldbedrag werd door [verdachte] bepaald en nadat het was opgenomen, moest hij het afdragen aan [verdachte] . [verdachte] reed altijd mee in zijn auto.

Voorts heeft [koper] bij de FIOD (V-007-02) verklaard dat hij niet bij de rekening kon van [bedrijf 10] . Hij kon er alleen bij als [verdachte] hem het pasje gaf. Ook kon hij niet internetbankieren of andere overschrijvingen doen.

Tijdens de doorzoeking in de woning van [verdachte] zijn onder meer de volgende stukken met

betrekking tot [bedrijf 10] B .V. aangetroffen in een brievenbak in de

kelder van de woning:

- Een bankafschrift ING-bank rekeningnummer [nummer] t .n .v. [bedrijf 10] BV,

d .d. 4 januari 2010 met vermelding van een negatief boeksaldo op 31 december 2009 van

€ 124.983,11 (D-690);

- een verzamelfactuur van T-Mobile, gericht aan [bedrijf 10] BV, [adres]

te [postcode] Nijverdal, dd. 21 januari 2010 met een totaalbedrag van € 7.600,89 (D-

691);

- een kopie van een factuur van [bedrijf 26] kantoormeubelen, gericht aan [bedrijf 10]

BV, d.d. 28 december 2009, ten bedrage van € 1.785,- (D692);

- een kopie van akte van levering met betrekking tot kerkgebouw met bovenwoning aan de

[adres] te [postcode] Deventer, dd. 29 juni 2009 (D-693);

- bankafschrift Overzicht Businesscard ING rek.nr. [nummer] ten name van [bedrijf 10]

, 9 februari 2010 (D-694) .

Oordeel hof

Het hof leidt met betrekking tot de overboekingen van voornoemde bedragen uit het dossier af dat tegenover deze overboekingen geen betalingsverplichting van de BV stonden. Deze overboekingen vanuit [bedrijf 10] dienen naar het oordeel van het hof dan ook als onttrekkingen in het zicht van het faillissement te worden aangemerkt. Door zo kort voor de datum van het faillissement onverplicht betalingen te doen, heeft de BV bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat schuldeisers benadeeld worden.

[accountant] heeft de ontvangen betalingen van in totaal € 20.000,-- verrekend met een viertal facturen voor [bedrijf 9] BV, wegens voor [bedrijf 9] BV verrichte werkzaamheden. Het hof leidt uit het dossier echter af dat tegenover de vier overboekingen van € 5.000,-- naar [accountant] geen tegenprestaties van [accountant] jegens [bedrijf 10] BV stonden. Twee van de facturen van [accountant] aan [bedrijf 9] BV dateren zelfs van na de datum van overboeking van de vier bedragen van € 5.000,--.

Ten aanzien van de geldopnames van ongeveer € 22.160,- volgt het hof de verklaring van [koper] dat deze door hem zijn gepind en aan [verdachte] zijn afgedragen. Het hof is van enige samenhangende zakelijke grond niet gebleken.

Met betrekking tot het niet tevoorschijn brengen van de administratie door [bedrijf 10] BV is het hof van oordeel dat dit moet worden bezien in het licht van de wettelijke verplichting van iedere ondernemer om de administratie van zijn onderneming te bewaren en zo nodig te voorschijn te brengen. Zonder deugdelijke administratie kan de curator zich immers geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement. Door niet aan deze verplichting te voldoen, heeft [bedrijf 10] BV bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers zouden worden benadeeld.

Feitelijke leidinggeven

Van feitelijke leiding geven aan een verboden gedraging begaan door een rechtspersoon is sprake indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is. De bevoegdheid tot ingrijpen bestaat indien de verdachte feitelijke zeggenschap heeft over de gedraging die de rechtspersoon wordt geacht te hebben verricht. Een formele relatie met de rechtspersoon is echter geen vereiste. Daarnaast geldt dat het opzet van verdachte gericht moet zijn geweest op de verboden gedraging. Als ondergrens voor dit opzetvereiste geldt dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen.

Het hof verwijst allereerst naar de onder feit 3 opgenomen verklaring van de getuige [betrokkene 11] over de algemene handelswijze van [verdachte] .

De curator mr D.J.G. Lange heeft verklaard dat de vennootschap [bedrijf 10] BV via [bedrijf 9] BV door de heren [betrokkene 13] en [betrokkene 14] is overgedragen aan de heer [betrokkene 15] . De heer [betrokkene 15] staat geregistreerd als statutair bestuurder en aandeelhouder. De heer [koper] is feitelijk bestuurder. Beide heren hebben verklaard dat zij van de heer [verdachte]

€ 5.000,- zouden krijgen indien zij de vennootschap twee maanden op hun naam zouden zetten.

Uit het krediet dat nog in het bedrijf aanwezig was is € 20.000,- betaald aan [accountant] Accountants. [accountant] Accountants heeft daarmee een viertal facturen van [bedrijf 9] BV, zijnde een bedrijf van [verdachte] , verrekend. Het restant van € 14.498,05 wordt door [accountant] doorgeboekt naar [bedrijf 12] Holding BV, een onderneming van [verdachte] . Hierdoor

is € 20.000,-- aan de boedel onttrokken die (in)direct aan [verdachte] toevallen.
[koper] heeft verklaard dat hij geldbedragen heeft gepind met een bankpas die hij van [verdachte] kreeg en ook direct na het pinnen samen met het gepinde geldbedrag weer aan [verdachte] moest afdragen.
Daarnaast zijn bij een doorzoeking in de woning van [verdachte] bankafschriften en facturen aangetroffen ten name van [bedrijf 10] BV.

Naar het oordeel van het hof had [verdachte] , gelet op bovenstaande omstandigheden feitelijke zeggenschap over de gedraging van de rechtspersoon, [bedrijf 10] BV. In die hoedanigheid was hij bevoegd en gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming dat de geldbedragen uit de boedel zouden worden onttrokken. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de schuldeisers benadeeld zouden worden.

Daarnaast was [verdachte] als feitelijke leidinggever verantwoordelijk voor het voeren van de administratie en het op een deugdelijke wijze overdragen daarvan. Vaststaat dat de curator daarover nimmer de beschikking heeft gekregen, dat de vennootschap gehouden was deze tevoorschijn te brengen en dat [verdachte] aan deze gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven. [verdachte] heeft iedere handeling ter voorkoming van het wegraken van de administratie na gelaten, zodat ook op dit punt heeft te gelden dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de verboden gedraging zich zou voordoen.

Het hof komt op grond van het hiervoor overwogene tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat de vennootschap waarvan verdachte feitelijke leidinggever was, geldbedragen in het zicht van het faillissement van de vennootschap heeft onttrokken.

Voorts acht het hof eveneens wettig en overtuigend bewezen dat de failliete vennootschap niet heeft voldaan aan haar verplichting de administratie tevoorschijn te brengen en dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Feit 5

Aan verdachte is onder feit 5 ten laste gelegd dat hij samen met notaris [betrokkene 1] een notariële akte van levering van aandelen valselijk heeft opgemaakt,

dan wel

dat hij in een notariële akte van levering van aandelen een valse opgave heeft doen opnemen.

Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis

met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het

hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

Feitelijke gang van zaken

Verdachte heeft, via zijn gevolmachtigde [gevolmachtigde] , in een akte van levering van aandelen van de vennootschap [bedrijf 12] BV, waarbij [bedrijf 12] Holding BV verkoper was (rechtsgeldig vertegenwoordigd door verdachte) en [koper] koper was, doen opnemen dat de koopsom van de aandelen € 20.000,-- bedroeg.

In die akte van levering is vermeld dat de koper heeft verklaard gemelde koopsom te hebben voldaan door betaling aan [accountant] Accountants. [koper] heeft verklaard dat via de ING-kredietrekening met nummer [nummer] van [bedrijf 10] BV – van welke BV [koper] ten tijde van het ten laste gelegde bedrijfsleider met volledige volmacht was – aan [accountant] Accountants vier keer € 5.000,-- is betaald.

De rechtbank heeft uit de volgende bewijsmiddelen echter de overtuiging bekomen dat in werkelijkheid de koopsom € 3.000,-- bedroeg.

De koper van de aandelen van [bedrijf 12] BV, [koper] , heeft verklaard dat hij

€ 3.000,-- heeft betaald voor de aandelen van die (lege) BV. De rechtbank leidt uit het dossier af dat een dergelijk bedrag gangbaar is voor een lege BV.

Op een afrekening van [notariskantoor] van 7 september 2009, gericht aan [koper] betreffende de aankoop van aandelen [bedrijf 12] BV staat een koopsom vermeld van € 3.000,-- alsmede een aantekening met pen “betaald contant 10-09-09”. Deze afrekening is verwerkt in de administratie van de onderneming van de echtgenote van [koper] , genaamd [naam 5] .

Bovendien is een kopie van het paspoort van [koper] aangetroffen met daarop met de pen geschreven “€ 3.000,--“ en heeft [koper] verklaard dat hij zijn handschrift op de eerder genoemde afrekening met de tekst “betaald contant 10-09-’09” herkent.

Door in plaats van € 3.000,-- een bedrag van € 20.000,-- als koopsom in de akte te doen opnemen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens een valse opgave in een authentieke akte gedaan, met het oogmerk om die akte te (doen) gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid. Een notariële akte dient immers bij uitstek tot bewijs van de daarin vermelde afspraken. Met het doen vermelden in de akte van de hoogte van de koopsom van € 20.000,-- worden verdachte (en [koper] ) dan ook geacht de waarheid van die koopsom door middel van de akte te hebben willen doen blijken, zoals bedoeld in artikel 227, eerste lid, Sr 2.

De rechtbank leidt uit het dossier af dat de koopsom van € 20.000,-- in de authentieke akte is gebruikt om de betaling van vier keer € 5.000,-- van [bedrijf 10] BV aan [accountant] Accountants te verantwoorden. Tevens is de koopsom van deze akte gebruikt om de betaling van het restantbedrag van € 14.498,05 door [accountant] Accountants aan [bedrijf 12] Holding BV te rechtvaardigen.

Op basis van het dossier acht de rechtbank niet bewezen dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en notaris [betrokkene 1] bij het valselijk opmaken van de akte van levering van aandelen. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het onder feit 5 primair ten laste gelegde.

Het hof acht hiermee wettig en overtuigend bewezen dat verdachte willens en wetens een valse opgave in een authentieke akte heeft gedaan, met het oogmerk om die akte te (doen) gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.

Feit 6

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij feitelijk leiding of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 13] BV bij het plegen van faillissementsfraude, door geen administratie van die BV aan de curator over te leggen.

Het hof kan zich vinden in de navolgende overwegingen die de rechtbank in haar vonnis

met betrekking tot het bewijs heeft opgenomen en hieronder cursief zijn weergegeven. Het

hof neemt die overwegingen over en maakt die tot de zijne.

Feitelijke gang van zaken

[bedrijf 13] BV heeft zich in de loop van het jaar 2009 gevestigd op het adres [adres] te Weerselo. Op dit adres zijn meerdere aan verdachte gelieerde bedrijven gevestigd waaronder [bedrijf 11] BV, een onderneming met als handelsnaam [bedrijf 9] BV.

Op 20 januari 2009 zijn de aandelen van [bedrijf 13] BV in handen gekomen van [bedrijf 11] BV.

Verdachte is vanaf die datum tot 11 maart 2009 indirect bestuurder van [bedrijf 13] BV geweest. Op 11 maart 2009 is [koper] bestuurder van [bedrijf 13] BV geworden. Vanaf 22 september 2009 tot aan de datum van het faillissement van [bedrijf 13] BV op 15 december 2009 is verdachte wederom – via de Stichting [stichting 2] – indirect bestuurder van [bedrijf 13] BV geweest.

Vanaf 22 september 2009 tot 8 februari 2010 is [bedrijf 12] Werkholding BV (handelsnaam [bedrijf 9] ) enig aandeelhouder en bestuurder van de Stichting [stichting 2] . Verdachte is vanaf 17 april 2009 voorzitter, secretaris en penningmeester van Stichting Administratiekantoor (STAK) [bedrijf 12] , welke stichting enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 12] Werkholding BV is.

Vanaf de overname van de aandelen van [bedrijf 13] BV door [bedrijf 11] BV in januari 2009 is er sprake van dat de aandelen over zullen gaan in handen van [betrokkene 16] , die volgens zijn eigen verklaring de financiële gang van zaken binnen [bedrijf 13] BV begeleidt.

Deze aandelenovername is volgens de gegevens in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel echter nooit een feit geworden en daarmee is verdachte tot en met het faillissement van [bedrijf 13] BV indirect enig aandeelhouder van deze BV gebleven.

Op 15 december 2009 is [bedrijf 13] BV failliet verklaard en is mr. A.M. Jongerman tot curator van de failliete vennootschap benoemd.

Op 17 april 2012 heeft de curator aangifte gedaan. Uit de aangifte volgt dat zij geen administratie van [bedrijf 13] BV heeft aangetroffen en dat haar mondelinge en schriftelijke verzoeken aan de drie volgens haar bij het besturen en beheren van [bedrijf 13] BV betrokken personen, te weten verdachte, [koper] en [betrokkene 16] , niet tot gevolg hebben gehad dat zij de beschikking kreeg over de administratie. Een verhoor van deze drie personen door de rechter-commissaris in het faillissement van [bedrijf 13] BV heeft dat evenmin tot gevolg gehad.

Oordeel van de rechtbank

Het ten laste gelegde moet worden bezien in het licht van de omstandigheid dat iedere ondernemer wettelijk verplicht is de administratie van zijn onderneming zeven jaren te bewaren en zo nodig te voorschijn te brengen. Het gaat dan in ieder geval om basisgegevens als:

- het grootboek;

- de debiteuren- en crediteurenadministratie;

- de voorraadadministratie;

- de in- en verkoopadministratie en

- de loonadministratie (bij personeel).

Degenen die aan deze administratieve verplichtingen zijn onderworpen worden geacht te weten dat de administratie een leidraad is voor financieel verantwoord handelen en dat als de curator in het faillissement niet kan beschikken over een deugdelijke administratie dit kan strekken tot benadeling van de faillissementsschuldeisers. Immers, zonder deugdelijke administratie kan de curator zich geen beeld vormen van de rechten en verplichtingen van de gefailleerde onderneming en van de gang van zaken binnen die onderneming voorafgaand aan het faillissement.

Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 105 en 106 van de Faillissementswet (Fw) in combinatie met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Uit deze jurisprudentie volgt dat ook indien de curator tijdens zijn eerste contacten met (bestuurders en commissarissen van) de failliet niet expliciet zou hebben gevraagd naar de aanwezige administratie en daarbij behorende bewijsstukken de failliet uit eigen beweging de bestaande verplicht en onverplicht gehouden administratie aan de curator dient af te dragen.

De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf 13] BV niet voldaan heeft aan de wettelijke plicht tot het tevoorschijn brengen en overdragen van de administratie van [bedrijf 13] BV aan curator.

De curator heeft daardoor geen volledige inzage kunnen krijgen in de toestand van de boedel waardoor de schuldeisers zijn benadeeld.

Feitelijk leiding / opdracht geven door verdachte

Ten aanzien van de vraag of verdachte, al dan niet samen met anderen, feitelijk leiding heeft gegeven aan de strafbare gedraging van [bedrijf 13] BV verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar het juridisch kader dat met betrekking tot feit 3 is weergegeven.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op het moment van faillietverklaring van [bedrijf 13] BV op 15 december 2009, via de Stichting [stichting 2] , indirect bestuurder van [bedrijf 13] BV was. Verdachte was uit dien hoofde verantwoordelijk voor het voeren van een deugdelijke administratie en gehouden deze aan curator Jongerman af te geven. Indien en voor zover de administratie niet in het bezit van verdachte was is de rechtbank van oordeel dat verdachte bevoegd en redelijkerwijs gehouden was om maatregelen te nemen teneinde ervoor te zorgen dat de administratie aan de curator zou worden overhandigd. Anders dan de verdediging heeft gesteld is niet gebleken dat binnen [bedrijf 13] BV sprake was van een taakverdeling binnen de directie waardoor een ander dan verdachte aangewezen was om die maatregelen te nemen.

Verdachte heeft het nemen van maatregelen achterwege gelaten en dient daarom in dit verband als feitelijk leidinggever van [bedrijf 13] BV te worden aangemerkt.

Het hof komt daarmee tot de conclusie dat wettig en overtuigend is bewezen dat de failliete vennootschap niet heeft voldaan aan haar verplichting de administratie tevoorschijn te brengen en dat verdachte daaraan feitelijke leiding heeft gegeven.

Feit 7

Aan verdachte is onder feit 7 ten laste gelegd dat hij een factuur van [bedrijf 14] NV valselijk heeft opgemaakt,

dan wel

dat hij feitelijk leiding of opdracht heeft gegeven aan [bedrijf 14] NV bij het gebruik maken van die valse factuur.

Feitelijke gang van zaken

Het hof leidt uit het dossier de navolgende feitelijke gang van zaken af.

[verdachte] was, via de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 14] , indirect bestuurder van het bedrijf [bedrijf 14] NV. [verdachte] gebruikte [bedrijf 14] NV onder meer om daar zijn aandelenhandel in uit te oefenen. Vóór datum oprichting van de NV heeft [bedrijf 14] NV i .o een zogenaamde G(eblokkeerde)-rekening bij de bank en Belastingdienst aangevraagd, hoewel [bedrijf 14] een dergelijke rekening, gezien haar activiteiten, niet nodig had en er ook geen recht op had.

In één geval, betreffende het vermoedelijk opkopen van G-geld, is er een factuur

opgemaakt. Het betreft een factuur van [bedrijf 14] NV gericht aan [bedrijf 15]

BV, aangetroffen in de inbeslaggenomen administratie van [bedrijf 14] NV. De omschrijving op die factuur luidt : "partij aandelen volgens afspraak" en het factuurbedrag bedraagt € 112.500 .- .

In de administratie van [bedrijf 14] NV is in de periode van 1 augustus 2011 tot

31 december 2011 te zien dat enkel aandelen van het bedrijf [bedrijf 23] B.V. voor een bedrag ad € 2.500 .- zijn verkocht. Verder laat de administratie van [bedrijf 14] NV geen andere aandelentransacties te zien. Ook komen in de administratie van [bedrijf 14] NV in genoemde periode geen aankopen van aandelen van vennootschappen voor, noch zijn vennootschappen opgericht waarvan de aandelen verkocht zouden zijn aan [bedrijf 15] BV. De factuur van 1 november 2011 is voor een bedrag ad € 67.500 .- betaald met G-geld.


Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel is [bedrijf 24] BV bij het

handelsregister als onderneming ingeschreven op 14 juni 2011. Vanaf 14 juni 2011 was de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 24] bestuurder/aandeelhouder van [bedrijf 15] B.V. Van 15 juni 2011 tot 31 augustus 2012 is [betrokkene 17] , kennelijk samen met stichting administratiekantoor [bedrijf 24] , (mede) bestuurder geweest.

Stichting administratiekantoor [bedrijf 24] heeft de volgende bestuurders gehad:

10-05-2011 tot 20-07-2011 [naam 6] te [plaats]

20-07-2011 tot 25-11-2011 [betrokkene 17] te [plaats]

25-11-2011 tot 01-04-2012 [naam 7] te [plaats] .

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij bemiddeld heeft bij de verkoop van het bedrijf [bedrijf 24] aan de heer [naam 7] . Verdachte heeft ter ondersteuning daarvan een schriftelijke verklaring overgelegd waarin de heer [naam 7] aangeeft dat hij van [bedrijf 14] een factuur heeft ontvangen van € 112.500,- voor de levering van de aandelen van [bedrijf 24] BV en Stichting administratiekantoor [bedrijf 24] .

Oordeel hof

Het hof overweegt dat uit de administratie van [bedrijf 14] niet blijkt dat door [bedrijf 14] aandelen zijn geleverd aan [bedrijf 24] . Bovendien worden aandelen niet in ‘een partij’ geleverd. Ook is er geen notariële akte voor overdracht van aandelen van [bedrijf 14] naar [bedrijf 24] BV aangetroffen. Ten aanzien van de schriftelijke verklaring van de heer [naam 7] merkt het hof op dat [naam 7] in hoger beroep door de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord. Hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat de op de aandelenoverdracht betrekking hebbende factuur hem niets zegt en de daarop vermelde transactie evenmin. Hij heeft daarbij verder ontkent in 2015 een schriftelijke verklaring te hebben afgelegd die door hem is ondertekend. Reeds om deze redenen kan het hof aan de door verdachte bij de rechtbank overgelegde schriftelijke verklaring geen geloof hechten. Nu uit het dossier, nog uit hetgeen verdachte in dit verband naar voren heeft gebracht, blijkt dat er daadwerkelijk een aandelentransactie heeft plaatsgevonden zoals op de factuur staat vermeld is het hof van oordeel dat de factuur vals is en verdachte deze als echt en onvervalst heeft gebruikt.

Feitelijke leidinggeven

Het bedrijf [bedrijf 14] NV is op 22 december 2011 opgericht door de Stichting

administratiekantoor [bedrijf 14] , vertegenwoordigd door [verdachte] .

De stichting administratiekantoor [bedrijf 14] is op 22 juli 2011 opgericht door

[verdachte] . Bestuurder (Voorzitter, secretaris en penningmeester) is [verdachte] .

Op 18 september 2012 is het bestuur van de Stichting Administratiekantoor [bedrijf 14]

overgegaan van [verdachte] naar [bedrijf 25] NV. [verdachte] was in de ten laste gelegde periode van 22 december 2011 tot en met 11 juli 2012 middels de stichting administratiekantoor [bedrijf 14] bestuurder van [bedrijf 14] NV en in die hoedanigheid heeft hij feitelijke leiding gegeven aan de verboden gedraging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, zoals die later eventueel in een aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6, 7 subsidiair en 8 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1 primair:
[bedrijf 1] Financieringen BV tezamen en in vereniging met [bedrijf 2] BV (voorheen tot 18 april 2011 genaamd [bedrijf 3] BV), in ieder geval de besloten vennootschap ingeschreven in het Handelsregister Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] , op een of meer verschillende tijdstippen in de periode december 2010 tot en met 01 mei 2012 of tot en met 28 februari 2013, in gemeente(n) Tubbergen, Hengelo (Ov) en/of Berkelland en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met

een of meer andere rechtspersonen, althans alleen,

terwijl [bedrijf 2] BV bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 20 december 2011 in staat van faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van [bedrijf 2] BV (tot 18 april 2011 genaamd [bedrijf 3] BV),

een goed, althans een vermogensbestanddeel, tot een bedrag van (ongeveer)
Euro 187.932,- aan de boedel van zijn mededader, de rechtspersoon

[bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV) had en/of heeft onttrokken,

hierin bestaande dat:

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, de appartementsrechten, het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële

ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik

van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen, op 29 december 2010 kocht en/of geleverd kreeg van [naam 1] voor een bedrag van Euro 200.000,-, welke [naam 1] op zijn beurt die appartementsrechten op 21 december 2010 had gekocht en/of geleverd had gekregen voor een bedrag van Euro 200.000,- van [bedrijf 3] BV;

en/of

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, op 31 januari 2011 op die appartementsrechten bij notariële akte dd. 31 januari 2011 opgemaakt door notaris [betrokkene 1] het recht van eerste hypotheek voor een bedrag van

Euro 422.750,- verleende ten gunste van [bedrijf 4] BV,

zonder dat daar reële geldleningen of financieringen tegenover stonden of

tegenover zouden komen te staan;

en/of

-genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV, die appartementsrechten op 31 januari 2011 verkocht en/of leverde voor Euro 200.000,- aan [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV)

waarna op 1 februari 2011 die appartementsrechten door [bedrijf 3] BV (vanaf 18 april 2011 genaamd [bedrijf 2] BV) werden verkocht en/of geleverd voor een bedrag van Euro 625.000,- en op diezelfde dag nogmaals werden verkocht en/of geleverd voor Euro 750.000,- (vindplaats documenten: D-509, D-510, D-511, D-512, D-320)

en/of

een last van (ongeveer) Euro 422.750,- had en/of heeft verdicht, hierin

bestaande dat genoemde rechtspersoon, [bedrijf 1] Financieringen BV in deze in het bijzonder tezamen en in vereniging met [betrokkene 2] en/of [bedrijf 4] BV en/of met een of meer andere rechtspersonen en/of natuurlijke personen,

althans alleen,

in een hypotheekakte dd.31 januari 2011 opgemaakt door notaris [betrokkene 1] had en/of heeft doen opnemen (zakelijk weergegeven) dat door [bedrijf 1] Financiering BV het recht van hypotheek tot een bedrag van Euro 422.750,- was verleend aan [bedrijf 4] BV, op het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen,

terwijl daar geen reële geldleningen en/of financieringen tegenover stonden en/of zouden komen te staand tot genoemd bedrag;

(vindplaats document: D-511)

zulks terwijl hij, verdachte, toen al dan niet via een of meer rechtspersonen

en/of al dan niet in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht

heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging(en);

2 primair:
hij tezamen en in vereniging met Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en/of met

[bedrijf 6] Beheer BV (vanaf 16 april 2010 genaamd [bedrijf 7] BV (ingeschreven KvK-nummer [nummer] ) en/of met [betrokkene 3] , op een of meer verschillende tijdstippen in de periode van 26 februari 2010 tot 9 februari 2012 of 14 februari 2013, te Geesteren en/of in de gemeente Hengelo (Ov) en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging en in vereniging met een of meer andere

rechtspersonen en/of met een of meer andere natuurlijke personen, althans alleen, terwijl Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV bij vonnis van de rechtbank Almelo dd. 24 maart 2010 in staat van faillissement is/was verklaard en/of

terwijl [bedrijf 7] BV (vóór 16 april 2010 genaamd [bedrijf 6] Beheer BV)

bij vonnis van de rechtbank Leeuwarden dd. 08 juni 2010 in staat van

faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van Aannemingsbedrijf [bedrijf 6] BV en/of van [bedrijf 7] BV (voorheen genaamd [bedrijf 6] Beheer BV),

een of meer van de navolgende goederen aan de boedel(s) van genoemde besloten vennootschap(en) had en/of heeft onttrokken, te weten:

een vrachtwagen, merk DAF, kenteken [kenteken] , een Toyota Landcruiser,

3, althans een of meer aanhangwagens, een minikraan, compressoren en/of luchthamers, althans een of meer vervoersmiddelen en/of machines en/of gereedschappen;

3 primair:
[bedrijf 8] BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode

28 december 2009 tot en met 1 november 2011 of 25 februari 2013, te Geesteren, gemeente Tubbergen, en/of te Vriezenveen en/of te Emmen en/of (elders)

in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 17 maart 2010, in staat van faillissement is/was verklaard,

A)

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s) een of meer

van de navolgende goederen aan de boedel had en/of heeft onttrokken, te weten:

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 10.115,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 12.750,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 2.296,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 935,-;

en/of

- een geldbedrag van (ongeveer) Euro 4.300,-;

en/of

-een geldbedrag van (ongeveer) Euro 5.502,-,

althans een of meer van genoemde goederen/geldbedragen;

(vindplaats documenten: D-798, D-799, D-795, D-805, D-806 en D-807)

en/of

B)

op (ongeveer) 28 december 2009 zijnde een tijdstip waarop genoemde rechtspersoon wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een van

haar schuldeisers, te weten [bedrijf 9] BV, had bevoordeeld door (ongeveer) op dat tijdstip een bedrag van (ongeveer) Euro 10.115,- over te maken naar een bankrekening van [bedrijf 9] BV;

(vindplaats document: D-798)

en/of

C)

niet had en/of niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten

opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3

van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of het tevoorschijn brengen

van boeken, bescheiden en gegevensdragers in artikel 15i van Boek 3

van het Burgerlijk Wetboek bedoeld,

hierin bestaande dat op 1 november 2011 en/of op 25 februari 2013 nog steeds

geen of nagenoeg geen administratie was overgelegd aan curator mr. P. Lettinga

dan wel te voorschijn was gebracht;

zulks terwijl, hij verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

rechtspersonen en/of met een of meer andere natuurlijke personen en/of al

dan niet via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft

gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

4 primair:
[bedrijf 10] BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode

16 augustus 2009 tot en met 03 mei 2011 te De Krim, gemeente Hardenberg, en/of te Geesteren en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 maart 2010 in staat van faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s):

A)

een of meer van de navolgende goederen, althans vermogensbestanddelen aan de boedel heeft en/of had onttrokken, te weten;

vier, althans een of meer (girale) geldbedragen van telkens (ongeveer) Euro 5.000,-; en/of

geldbedragen (geldopnames) tot een totaalbedrag van (ongeveer) 22.160,-;

althans, een of meer goederen of vermogensbestanddelen;
(vindplaats documenten: D-347, D-429a, D-438, D-439 en D-441)

B)

niet had en/of niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten

opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3

van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of het te voorschijn

brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, hierin bestaande dat op 22 februari 2011 en/of op 3 mei 2011 nog steeds geen administratie was overgelegd aan curator mr. D.J.M. Lange;

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen en/of al dan niet

via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar

feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

5 subsidiair:
hij op of omstreeks 10 september 2009 te Neede, gemeente Berkelland, en/of

te Geesteren en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen,

in een authentieke akte, te weten een akte van levering van aandelen van de vennootschap [bedrijf 12] BV, waarbij verkoper was [bedrijf 12] Holding BV en waarbij koper was [koper] ,

opgemaakt door [betrokkene 1] , (toen) notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede,

een valse opgave, aangaande een feit van welks waarheid die akte moest doen blijken, heeft doen opnemen, te weten dat de koopsom van die aandelen

Euro 20.000,- bedroeg, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave van hem, verdachte, en/of van

zijn mededader(s) in overeenstemming van de waarheid,

hebbende dat valse hierin bestaan, dat de koopsom in werkelijkheid (ongeveer)

Euro 3.000,- bedroeg, althans dat de koopsom lager was dan Euro 20.000,- (vindplaats document: D-429a)

6:
[bedrijf 13] BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode 15 december 2009 tot en met 17 april 2012 of 11 februari 2013 te Geesteren, in de gemeente Tubbergen en/of te Epe en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

terwijl genoemde rechtspersoon bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 15 december 2009 in staat van faillissement is/was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s):

niet had en/of niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten

opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of het te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en gegevensdragers in artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld, hierin bestaande dat op 17 april 2012 of op 11 februari 2013 nog steeds geen administratie was overgelegd aan curator mevrouw mr. A.M. Jongerman,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen en/of al dan niet

via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbare feiten/strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven gedraging(en);

7 subsidiair:
[bedrijf 14] NV op of omstreeks 11 juli 2012, althans in de periode

22 december 2011 tot en met 11 juli 2012 te Almelo,

tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een

of meer natuurlijke personen, althans alleen,

opzettelijk heeft voorhanden gehad een vals(e) of vervalst(e)

(kopie-)factuur, gedateerd 1 november 2011, afkomstig van [bedrijf 14] NV, geadresseerd aan [bedrijf 15] BV, met een factuur bedrag van Euro 112.500,- en met een omschrijving (zakelijk weergegeven) een partij aandelen volgens afspraak, -zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -,

terwijl genoemde verdachte rechtspersoon wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor gebruik als ware het echt en onvervalst,

en hebbende dat valselijke of vervalste hierin bestaan, dat [bedrijf 14] NV (i.o.) in werkelijkheid geen partij aandelen heeft geleverd en/of verkocht aan

[bedrijf 15] BV,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer

anderen en/of al dan niet via een of meer rechtspersonen tot bovenomschreven strafbaar feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan bovenomschreven verboden gedraging;
(vindplaats document: D-571)

8 subsidiair:
hij op 31 januari 2011 te Neede, gemeente Berkelland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

in een authentieke akte, te weten een hypotheekakte, opgemaakt door notaris

[betrokkene 1] , (toen) notaris in de gemeente Berkelland, standplaats Neede,

een valse opgave aangaande na te noemen feit/feiten van welks waarheid die

akte moest doen blijken,

te weten (zakelijk weergegeven) dat de hypotheekgever ( [bedrijf 1] Financiering

het recht van eerste hypotheek en eerste pand verleende tot een bedrag van

Euro 422.750,- aan [bedrijf 4] BV op de appartementsrechten, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen en het appartementsrecht, omvattende het uitsluitend gebruik van de commerciële ruimte met parkeerplaats op de begane grond aan de [adres] te [postcode] Haaksbergen,

tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser ( [bedrijf 4] BV) blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben,

uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende

en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen dan wel uit welken anderen hoofde ook,

heeft doen opnemen met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s)wist(en) (zakelijk weergegeven) dat tegenover het verlenen van dat hypotheekrecht er geen reële geldleningen of financieringen stonden of zouden komen te staan,

zulks met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware die opgave in overeenstemming met de waarheid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Het onder 3 primair bewezen verklaarde levert op:

Bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

Bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Het onder 5 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Bedrieglijke bankbreuk, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het onder 7 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon en terwijl hij, verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Het onder 8 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van in een authentieke akte een valse opgave doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijn opgave in overeenstemming met de waarheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest en verdachte zal ontzetten van de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 5 (vijf) jaren.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden- dat verdachte zich al dan niet samen met anderen en al dan niet via diverse BV’s meerdere malen schuldig heeft gemaakt aan het plegen van faillissementsfraude. Daarnaast heeft hij valse opgaves gedaan ten behoeve van het opmaken van authentieke akten door een notaris.

Verdachte is werkzaam geweest als BV-handelaar en heeft zich opgeworpen als een bedrijvendokter. Via de website “ [naam website] ” werden bedrijven te koop gevraagd dan wel aangeboden. Verdachte hield zich niet enkel bezig met reguliere BV-handel, maar ook met de aan- en verkoop van BV’s voor frauduleuze activiteiten. Verdachte’s werkwijze hield in dat ondernemingen die in financieel zwaar weer verkeerden werden overgenomen, waarbij de oud-eigenaren veelal moesten betalen voor de overname van hun bedrijf. Vervolgens werd een katvanger op het bedrijf gezet en werden gelden en goederen aan het bedrijf onttrokken, met een faillissement tot onafwendbaar gevolg.

Verdachte heeft op berekenende en geraffineerde wijze in het zicht van faillissement goederen en grote geldbedragen buiten de boedel van een vijftal bedrijven gehouden. Hierdoor is het naderende faillissement van die ondernemingen bespoedigd, zijn schuldeisers in ernstige mate benadeeld en zijn hoge kosten gemaakt door civiele procedures.

Tevens heeft verdachte, terwijl hij als bestuurder dan wel feitelijk leidinggevende daartoe wettelijk verplicht was, niet de administratie van de gefailleerde ondernemingen aan de curator overhandigd. Door het niet ter beschikking stellen van die administratie kon de curator de redenen voor het ontstaan van het faillissement niet onderzoeken en vaststellen.

De curator is telkens niet in staat geweest om inzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van de gefailleerde onderneming en van de rechten en plichten van de schuldeisers en schuldenaren. Verdachte heeft als bestuurder/feitelijk leidinggever hierin een grote rol gehad. Het hof neemt hem dat zeer kwalijk. Niet alleen omdat de schuldeisers door zijn handelen schade hebben geleden, maar ook omdat deze vorm van fraude het vertrouwen in de markt, welk vertrouwen van essentieel belang is voor een goed functionerend handelsverkeer, aantast. Verdachte heeft dit vertrouwen in het handelsverkeer op grove wijze geschaad.

Daarnaast heeft verdachte in het kader van de faillissementsfraudes meerdere malen valse opgaves in notariële aktes laten opnemen.

Het hof acht het handelen van verdachte verwerpelijk. Daar komt bij dat verdachte, ook nog in hoger beroep, geen enkel inzicht heeft getoond in het laakbare van zijn handelen. Hij heeft zichzelf gepresenteerd als een ondernemer die bemiddelt bij de overdracht van bedrijven en die met name door de Belastingdienst daarin gedwarsboomd is. Het hof is van oordeel dat verdachte daarmee volledig zijn eigen rol in het gebeuren miskent.

Het hof is, gelet op de ernst van de feiten en het stelselmatig karakter van het handelen van verdachte, van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op haar plaats is. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof acht geslagen op de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum, op de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

Alles overziend komt het hof tot de conclusie dat, gelet op de ernst, de omvang en de duur van de bewezenverklaarde feiten aan verdachte in beginsel een vrijheidsbenemende straf voor de duur van drie jaren dient te worden opgelegd.

Het hof ziet geen reden om de door de advocaat-generaal geëiste bijkomende straf van ontzetting uit het beroep van statutair bestuurder aan verdachte op te leggen.

Redelijke termijn

De verdediging heeft gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.

Het hof stelt voorop dat in art. 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.

Op 27 oktober 2012 is verdachte in verzekering gesteld. Op 28 oktober 2013 is de zaak voor de eerste keer op zitting aangebracht. Op die datum zijn alle zaken vanwege onderzoekswensen van de verdediging verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de getuigen. Op 6 oktober 2014 heeft een nadere regiezitting plaatsgevonden waarna opnieuw getuigenverhoren zijn gevolgd. De inhoudelijke behandeling heeft op 27 mei 2015 plaatsgevonden en er werd op 19 juni 2015 door de rechtbank uitspraak gedaan. De totale tijdsduur in eerste aanleg bedraagt daarmee twee jaren en acht maanden.

Op 1 juli 2015 heeft verdachte hoger beroep ingesteld. Het dossier is op 3 december 2015 ter griffie van het hof ingekomen waarna op 22 maart 2017 een regiezitting heeft plaatsgevonden. Op die datum zijn alle zes de zaken van de verdachten die in hoger beroep zijn gekomen vanwege onderzoekswensen van de verdediging verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van getuigen. Op 24, 25 en 27 oktober alsmede 28 november 2017 zijn die getuigen door de raadsheer-commissaris gehoord. Voor de geplande inhoudelijke behandeling van de zaken op de zitting van 20 juni 2018 kwam er een wrakingsverzoek binnen van de raadsvrouw van de medeverdachte [betrokkene 2] . De gewraakte raadsheer heeft daarin berust. Het hof zag zich daardoor genoodzaakt de inhoudelijke zitting te verdagen en opnieuw een regiezitting te houden. Tijdens die regiezitting heeft de raadsvrouw van de medeverdachte [betrokkene 2] het gehele hof gewraakt. Op 21 juni 2018 heeft de wrakingskamer van het hof het verzoek afgewezen. Op de zitting van 22 juni 2018 is de behandeling hervat en zijn diverse verzoeken gedaan, hetgeen er toe heeft geleid dat de zaken zijn verwezen naar de raadsheer-commissaris om nog enkele getuigen te horen. Op 26 februari 2019 zijn die getuigen gehoord door de gedelegeerde raadsheer-commissaris. De inhoudelijke behandeling bij het hof heeft vervolgens op 3, 5 en 10 april 2019 plaatsgevonden en er wordt op 24 april 2019 uitspraak gedaan. De totale tijdsduur in hoger beroep bedraagt daarmee drie jaren en tien maanden.

Bij de beoordeling van de vraag of er, gelet op het hiervoor omschreven tijdsverloop, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, neemt het hof in ogenschouw dat het dossier onderdeel uitmaakt van een groot en ingewikkeld onderzoek waarin meerdere verdachten voorkomen, waarin meerdere zaakdossiers voorkomen, waarin zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep meerdere (regie)zittingen zijn geweest, waarin veel onderzoekswensen zijn gedaan en waarin veel aanvullend onderzoek is verricht. Dat betekent naar het oordeel van het hof dat voor de onderhavige zaak de redelijke termijn voor afdoening niet gesteld dient te worden op twee keer twee jaren maar dat uitgegaan dient te worden van een redelijke termijn van twee keer drie jaren.

Daarvan uitgaande constateert het hof dat er in hoger beroep sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, welke overschrijding in de straf dient te worden verdisconteerd. Om die reden zal het hof in plaats van voornoemde gevangenisstraf een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden opleggen. Deze straf is passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 51, 57, 63, 225, 227, 341 en 344 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte en de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 9 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 primair, 7 primair, 10 primair en 10 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6, 7 subsidiair en 8 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 subsidiair, 6, 7 subsidiair en 8 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 (drieëndertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. G. Dam, voorzitter,

mr. A. van Maanen en mr. W.M. Weerkamp, raadsheren,

in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier,

en op 24 april 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 24 april 2019.

Tegenwoordig:

mr. A. van Maanen, voorzitter,

mr. drs. I.E.W. Gonzales, advocaat-generaal,

mr. G.W. Jansink, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.