Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:351

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
25-01-2019
Zaaknummer
16/00879 en 16/00880
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3147, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:256
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Berekening van de vermindering. Nevenvorderingen. Rente, immateriële schadevergoeding, proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 25-01-2019
V-N Vandaag 2019/217
FutD 2019-0283 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2019/0367 met annotatie van Ton Tekstra
Viditax (FutD), 14-02-2020
NTFR 2019/250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummers 16/00879 en 16/00880

uitspraakdatum: 15 januari 2019

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 14 juni 2016, nummers AWB 12/3978 en 12/3979, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Utrecht (hierna: de Inspecteur)

en

de Staat der Nederlanden (de Minister voor Rechtsbescherming; hierna: de Staat)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Belanghebbende heeft een bedrag van € 4.750 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte voldaan. In verband hiermee heeft de Inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 429.

1.2

Na daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de bezwaren gegrond verklaard. Daarbij is de verschuldigde BPM alsook de naheffingsaanslag verminderd, is rente aan belanghebbende vergoed en is hem een proceskostenvergoeding toegekend.

1.3

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 20 december 2018 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: [A] en [B] als de gemachtigden van belanghebbende, alsmede – namens de Inspecteur – mr. [C] en drs. [D] .

1.6

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft een gebruikte auto, een VW Golf met een datum van eerste toelating van 9 januari 2008, vanuit Duitsland naar Nederland overgebracht en deze doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden kentekenregister. In verband hiermee heeft hij op 25 januari 2011 een bedrag van € 4.750 aan verschuldigde BPM op aangifte voldaan en een bedrag van € 429 op de aan hem in verband daarmee op 21 januari 2011 opgelegde naheffingsaanslag.

2.2

Belanghebbende heeft op 4 februari 2011 bezwaar aangetekend tegen zowel de voldoening op aangifte als tegen de naheffingsaanslag. Belanghebbende werd en wordt bijgestaan door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent in duizenden BPM-zaken.

2.3

Bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 29 juni 2012 heeft de Inspecteur de bezwaren inzake de voldoening en de naheffingsaanslag gegrond verklaard. De op aangifte verschuldigde BPM en het bedrag van de naheffingsaanslag zijn daarbij verminderd, aan belanghebbende is rente vergoed (€ 5) en er is aan hem een proceskostenvergoeding toegekend (2 x € 54,50).

2.4

De onderhavige bezwaarprocedures maakten deel uit van een reeks van duizenden van door belanghebbendes gemachtigde geëntameerde bezwaarprocedures in BPM-zaken.

2.5

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Daarnaast heeft de gemachtigde van belanghebbende in meer dan duizend andere soortgelijke BPM-zaken beroep bij de Rechtbank ingesteld.

2.6

De Rechtbank heeft beide beroepen tegen de uitspraken op bezwaar gegrond verklaard. Kort gezegd heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag vernietigd, het bedrag van de verschuldigde BPM vastgesteld op € 4.109, de Inspecteur gelast rente aan belanghebbende te vergoeden, aan belanghebbende een immateriëleschadevergoeding toegekend van € 1.500, te vergoeden door de Staat, en een proceskostenvergoeding van € 1.104 voor bezwaar en beroep alsmede een vergoeding van het betaalde griffierecht van € 312.

2.7

Belanghebbende heeft op 18 juli 2016 hoger beroep ingesteld.

3 Het geschil en de standpunten van partijen

In hoger beroep is kort gezegd, naast de hoogte van de verschuldigde BPM, in geschil of de door de Rechtbank toegekende vergoedingen voor rente, immateriële schade en proceskosten te laag zijn.

4 Beoordeling van het geschil

BPM

4.1

Het standpunt van belanghebbende dat bij de berekening van de vermindering van de BPM dient te worden uitgegaan van een zogenoemde marge-auto als referentievoertuig en dat dit standpunt ook nog in beroep kan worden aangevoerd, is juist (vgl. HR 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, BNB 2017/67). Ter zitting van het Hof zijn partijen bij wijze van compromis overeengekomen dat alsdan dient te worden uitgegaan van een korting van vijf percent op de gehanteerde handelsinkoopwaarde. Tussen partijen is niet in geschil dat de door belanghebbende verschuldigde BPM 0,95 x € 4.109 = € 3.903 beloopt. Hieruit volgt dat aan belanghebbende een aanvullende teruggaaf van € 206 moet worden verleend. Het hoger beroep van belanghebbende treft in zoverre doel.

Passende rentevergoeding

4.2

De Inspecteur dient overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bij beschikking een bedrag van aan belanghebbende te vergoeden rente vast te stellen ter zake van de door deze onverschuldigd betaalde BPM. Voor zover belanghebbende, wegens schending van het Unierecht, een hogere vergoeding claimt dan hieruit voortvloeit, dient belanghebbende zich daarvoor te wenden tot de Belastingdienst. De ontvanger zal op het verzoek beslissen bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 30 Invorderingswet 1990). Daartegen kunnen – eventueel – rechtsmiddelen worden aangewend (vgl. arrest HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341, BNB 2017/99). De stelling van belanghebbende dat de renteregeling zoals opgenomen in artikel 28c van de Invorderingswet 1990 in strijd is met het Unierecht, dient te worden verworpen. Het Hof verwijst voor de gronden daartoe naar het arrest van de Hoge Raad van 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790. Opmerking verdient nog dat belanghebbende in deze procedure reeds tijdig een verzoek bij de Rechtbank heeft gedaan (vgl. HR 28 september 2018, nr. 17/01724, ECLI:NL:HR:2018:1790, r.o. 5.4.3.). Uit het vorenoverwogene volgt dat de door de Rechtbank toegekende vergoeding eerder te hoog dan te laag is. Nu de Inspecteur echter geen hoger beroep heeft ingesteld, laat het Hof deze beslissing in stand.

Immateriëleschadevergoeding

4.3

Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, wordt indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.

4.4

Vast staat dat de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften op 4 februari 2011 door de Inspecteur zijn ontvangen. De uitspraken op bezwaar zijn gedagtekend 29 juni 2012. De Rechtbank heeft op 14 juni 2016 uitspraak gedaan in deze zaken. Daarmee is de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil in beginsel met afgerond 41 maanden overschreden (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o 3.3.1. tot en met 3.4.2).

4.5

De Rechtbank heeft aanleiding gezien de redelijke termijn in de bezwaarfase te verlengen vanwege de omstandigheid dat tussen partijen in de fase van bezwaar overleg heeft plaatsgehad over de afwikkeling van de vele zaken van de gemachtigde die aanhangig waren, welke onderhandelingen uiteindelijk voor veel zaken in een vaststellingsovereenkomst hebben geresulteerd. Gelijk het Hof in zijn uitspraak van 6 januari 2015, nr. 13/01180, ECLI:NL:GHARL:2015:1079 heeft overwogen, waarnaar het Hof kortheidshalve verwijst, is er – anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld – in deze zaken geen aanleiding voor het op die grond verlengen van de redelijke termijn voor de fase van bezwaar.

4.6

De Rechtbank heeft voorts aanleiding gezien de redelijke termijn te verlengen met vijftien maanden vanwege de omstandigheid dat in de periode 27 september 2012 tot en met 19 december 2013 prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld waarvan de beantwoording relevant was voor de onderhavige zaak. De bij het Hof van Justitie aanhangige zaak C-437/12 betrof de BPM-heffing volgens de tabellen in artikel 9, eerste lid, van de Wet BPM (tekst 2010) – welke heffing mede afhankelijk was gesteld van de CO2-uitstoot – van een gebruikt voertuig met een eerste toelatingsdatum die was gelegen vóór 1 februari 2008 en welk voertuig na 31 december 2009 was ingevoerd, alsmede de vraag of de omstandigheid dat de verschuldigde BPM niet meer mag bedragen dan het bedrag aan BPM dat nog rust op een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte personenauto, in die gevallen meebrengt dat een belastingplichtige voor de door hem verschuldigde BPM (mede) mag uitgaan van de belasting die nog drukt op de vanaf 1 februari 2008 tot en met 31 december 2009 geregistreerde vergelijkbare personenauto’s, waarin niet is begrepen de heffing die afhankelijk is van de CO2-uitstoot.

4.7

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat voor zover sprake is van een voertuig met een datum van eerste toelating gelegen vóór 1 februari 2008 de door de Rechtbank gehanteerde termijnverlening wegens de prejudiciële procedure terecht is. Voor zover de datum van eerste toelating ná 31 januari 2008 is gelegen, is belanghebbende van mening dat geen redelijke grond bestond voor het aanhouden van de zaak in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen aangezien dat antwoord niet relevant was voor de beslechting van het onderhavige geschil. Het Hof onderschrijft die visie van belanghebbende en is van oordeel dat, nu de datum van eerste toelating van de onderhavige auto 9 januari 2008 is, er inderdaad aanleiding bestond voor de Rechtbank om de onderwerpelijke zaak aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen welke aan de orde waren bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in zaak C-437/12.

4.8

Het Hof is overigens van oordeel dat te dezen sprake is van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o 3.5.1, die een verdere verlenging van de redelijke termijn in bezwaar en beroep rechtvaardigen. Het Hof overweegt hiertoe als volgt. De gemachtigde van belanghebbende heeft in de jaren 2010 tot en met 2012 naast de in geschil zijnde zaak, een zeer groot aantal (duizenden) bezwaarschriften ingediend bij de Belastingdienst. De bezwaren zien alle op de heffing van BPM ter zake van de registratie van (gebruikte) personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister. Voormelde procedures bevatten een aantal geschilpunten, die in wisselende samenstelling voorkomen. Het voorgaande geldt evenzeer voor de vele beroepsprocedures die hierop zijn gevolgd. Het Hof vindt in de verknochtheid van het grote aantal in geschil zijnde zaken, aanleiding de duur van de redelijke termijn in bezwaar en beroep op die gronden nog met zes maanden te verlengen.

4.9

De conclusie is derhalve dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase in de onderhavige procedure met afgerond twintig maanden is overschreden. In verband hiermee heeft belanghebbende recht op een vergoeding van 4 maal € 500 = € 2.000 aan immateriële schade voor wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep. Van het tijdsverloop in eerste aanleg kan alleen de periode vanaf de uitspraak op bezwaar (29 juni 2012) tot de uitspraak van de Rechtbank op 14 juni 2016, derhalve een tijdsverloop van afgerond 48 maanden, worden toegerekend aan de beroepsfase. Een tijdsverloop van afgerond (65 - 48 =) 17 maanden moet worden toegerekend aan de bezwaarfase. Van de overschrijding van de redelijke termijn moet bij verlenging van de redelijke termijn in beide fasen van drie maanden een periode van (17 - 9 =) 8 maanden aan de Inspecteur worden toegerekend en een periode van (48 - 36 =) 12 maanden aan de Staat. De Inspecteur dient daarom in beginsel van de schadevergoeding voor deze fase van de procedure 8/20 deel van € 2.000 te betalen (€ 800) en de Staat (de Minister voor Rechtsbescherming) 12/20 deel (€ 1.200). Nu echter de Staat (Minister voor Rechtsbescherming) geen hoger beroep heeft ingesteld, laat het Hof de beslissing van de Rechtbank dat de Staat aan belanghebbende € 1.500 dient te vergoeden in stand, en veroordeelt het de Inspecteur om aan belanghebbende een bedrag van € 500 te vergoeden. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister voor Rechtsbescherming dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

4.10

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij voor elke zaak afzonderlijk recht heeft op een immateriëleschadevergoeding. Dat standpunt wordt door het Hof verworpen. De onderhavige zaken, die door de Inspecteur en de Rechtbank gezamenlijk zijn behandeld, zagen in bezwaar en beroep in hoofdzaak op hetzelfde onderwerp en waren gebaseerd op hetzelfde feitencomplex, zodat voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar wordt gehanteerd (zie HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, r.o. 3.10.2).

Immateriëleschadevergoeding hoger beroep

4.11

Het hogerberoepschrift is ter griffie van het Hof ontvangen op 18 juli 2016. Het Hof heeft heden (15 januari 2019) uitspraak gedaan. Dit betekent dat de redelijke termijn in de hogerberoepsfase met afgerond zes maanden is overschreden. Het Hof is nochtans van oordeel dat te dezen sprake is van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o 3.5.1, die een verlenging van de redelijke termijn in hoger beroep rechtvaardigen. Het Hof verwijst daartoe naar de in overweging 4.8 genoemde omstandigheden. Het Hof vindt in de verknochtheid van het grote aantal in geschil zijnde zaken, aanleiding de duur van de redelijke termijn in de hogerberoepsfase met zes maanden verlengen. De conclusie is derhalve dat de redelijke termijn in de hogerberoepsfase in de onderhavige procedure niet is overschreden.

Rentevergoeding immateriëleschadevergoeding

4.12

De Rechtbank heeft belanghebbende een vergoeding van € 1.500 toegekend ter zake van geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsfase, te vergoeden door de Staat. Belanghebbende maakt, nu het bedrag nog niet aan hem is uitbetaald, in hoger beroep aanspraak op een vergoeding van rente over het bedrag van de schadevergoeding. Die aanspraak dient, gelet op HR 26 februari 2016, nr. 14/05747, ECLI:NL:HR:2016:315 te worden gehonoreerd. Gelet op rechtsoverweging 3.3 van dat arrest, dient de Staat vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 14 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening wettelijke rente te vergoeden over het bedrag van € 1.500. Verder dient, zoals belanghebbende terecht heeft gevorderd, de Inspecteur over de aan belanghebbende te betalen schadevergoeding van € 500, wettelijke rente te vergoeden voor zover dit bedrag niet binnen vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak (15 januari 2019) is voldaan en wel vanaf vier weken na de dag van openbaarmaking tot aan de dag van algehele voldoening (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358).

Proceskostenvergoeding

4.13

De aanspraak die belanghebbende wegens schending van het Unierecht maakt op een integrale vergoeding van de kosten ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand is door de Rechtbank terecht en op goede gronden verworpen. In dit verband kan onder meer worden gewezen op de arresten HR 17 december 2004, nr. C03/114HR, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, HR 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, HR 19 december 2014, nr. 13/05786, ECLI:NL:HR:2014:3603, en HR 13 mei 2016, nr. 15/02138, ECLI:NL:HR:2016:833. Het Hof maakt deze beslissing van de Rechtbank en de daartoe door haar gebezigde gronden tot de zijne. Belanghebbende komt op dezelfde gronden voor de hogerberoepsfase evenmin in aanmerking voor een integrale proceskostenvergoeding.

4.14

De Rechtbank heeft voor de bezwaarfase geoordeeld dat de Inspecteur aan belanghebbende, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), een forfaitaire vergoeding van € 109 (zijnde 2 x € 54,50) dient te vergoeden. Voor de beroepsfase heeft de Rechtbank belanghebbende een forfaitaire vergoeding toegekend van € 995 (2 punten beroepschrift en zitting maal € 496 en € 3 voor de aanwezigheid bij de comparitiezitting).

4.15

Belanghebbende maakt aanspraak op hogere vergoedingen. Dienaangaande is het volgende van belang. Op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb, kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Bpb, zelfs in het geval er wel sprake zou zijn van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Bpb (HR 8 april 2011, nr. 10/00652, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415, r.o. 3.4.1).

4.16

Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.

4.17

Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend te worden toegepast (HR 8 april 2011, nr. 10/00652, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415). Voor een afwijking van de forfaitaire regeling is aanleiding als het voor elke individuele zaak vasthouden aan die regeling leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (HR 9 oktober 2015, nr. 14/04108, ECLI:NL:HR:2015:2990). Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (HR 25 september 2015, nr. 14/04107, ECLI:NL:HR:2015:2794).

4.18

Wanneer bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan de forfaitaire bedragen zonder rekening te houden met de omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende in duizenden soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent, en in alle zaken, zij het steeds in wisselende combinaties, voornamelijk juridische geschilpunten aan de orde zijn gesteld, waarbij de gebezigde argumenten per geschil in belangrijke mate overeenkomen, zal dit naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. De punten per proceshandeling spelen in dat geval geen rol meer (vgl. HR 9 oktober 2015, nr. 14/04108, ECLI:NL:HR:2015:2990). Ook de samenhangregeling van artikel 3 van het Bpb speelt dan geen rol meer. Gelet hierop, concludeert het Hof onder toepassing van artikel 2, lid 3, van het Bpb dat de door de Rechtbank toegekende bedragen – waartegen door de Inspecteur niet is geappelleerd – aan proceskostenvergoedingen voor de bezwaar- en de beroepsfase niet te laag zijn. Het Hof zal die beslissingen dus bevestigen.

4.19

Aangezien het hiervoor overwogene evenzeer heeft te gelden voor de hogerberoepsfase, zal het Hof onder toepassing van artikel 2, lid 3, Bpb, ter zake van de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de hogerberoepsfase € 300 in aanmerking nemen.

Rentevergoeding over proceskostenvergoeding

4.20

Belanghebbende heeft niet verzocht om vergoeding van wettelijke rente over het door de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden bedrag van de proceskosten van belanghebbende voor de procedure bij de Rechtbank en bij het Hof.

Griffierecht en rentevergoeding over griffierecht

4.21

Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van rente over het bedrag van het door hem betaalde griffierecht. De Rechtbank heeft de Inspecteur in dat verband gelast een bedrag van € 312 aan belanghebbende terug te betalen. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, nr. 17/04504, ECLI:NL:HR:2018:2358, dient deze aanspraak te worden gehonoreerd, en dient de Inspecteur over het bedrag van € 312 wettelijke rente te vergoeden vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank op 14 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening. Voorts dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 251 te vergoeden en, zoals belanghebbende heeft gevorderd, over dit bedrag tevens wettelijke rente te vergoeden in geval die vergoeding van griffierecht niet binnen vier weken na deze uitspraak door de Inspecteur aan belanghebbende wordt betaald. De wettelijke rente gaat dan lopen vanaf vier weken na de uitspraak in hoger beroep.

5 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de schadevergoeding wegens rentederving,

– vernietigt de uitspraken op bezwaar,

– vernietigt de naheffingsaanslag,

– vermindert het bedrag van de door belanghebbende verschuldigde BPM tot € 3.903,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende over het bedrag van de vermindering van de BPM in hoger beroep (€ 206) rente vergoedt overeenkomstig het bepaalde van hoofdstuk VA van de AWR,

– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van de door deze geleden immateriële schade ten bedrage van € 500,

– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over deze vergoeding vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak (15 januari 2019) tot aan de dag van algehele voldoening,

– veroordeelt de Staat tot vergoeding aan belanghebbende van de door deze geleden immateriële schade ten bedrage van € 1.500,

– veroordeelt de Staat tot vergoeding van de wettelijke rente over deze vergoeding vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank van 14 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende ter zake van het bezwaar, beroep en hoger beroep, vastgesteld op in totaal € 1.404,

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze in beroep bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 312 en het in hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van € 251 vergoedt,

– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van het door belanghebbende bij de Rechtbank betaalde griffierecht van € 312 vanaf vier weken na de openbaarmaking van de uitspraak van de Rechtbank van 14 juni 2016 tot aan de dag van algehele voldoening, en

– veroordeelt de Inspecteur tot vergoeding van de wettelijke rente over de vergoeding van het door belanghebbende bij het Hof betaalde griffierecht van € 251 vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak (15 januari 2019) tot aan de dag van algehele voldoening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen, De voorzitter,

(M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 januari 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.