Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3227

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
200.156.233
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht. Sponsorovereenkomst? Vervolg op tussenarrest van 6 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:9662.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht,

zaaknummer gerechtshof 200.156.233/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/129009/ HA ZA 13-240)

arrest van 9 april 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende op een geheim adres,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. S.O. Roosjen, kantoorhoudend te Drachten,

tegen:

[geïntimeerde] h.o.d.n. Showbizz Agency,

wonende te [A] , Oostenrijk,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat voorheen: mr. Y. Baake vervolgens mr. B.R. Buul, thans mr. H.C. Bijleveld, kantoorhoudende te Amsterdam,

het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 6 november 2018 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het verdere verloop blijkt uit:

- akte, tevens houdende overlegging productie van de zijde van [appellante] ;

- antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] .

1.2.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het hof blijft bij hetgeen in het tussenarrest van 6 november 2018 is overwogen en beslist. Bij tussenarrest van 6 november 2018 heeft het hof [appellante] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de nieuwe stellingen van [geïntimeerde] in de memorie van antwoord ten

aanzien van de nadere afspraken met betrekking tot de sponsorovereenkomst en de werkzaamheden die zijn uitgevoerd waardoor volgens [geïntimeerde] haar factuur van

17 november 2011 ten onrechte onbetaald is gebleven alsmede met betrekking tot de factuur van 1 maart 2012.

factuur van 17 november 2011

2.2.

Hoewel [appellante] in haar akte erkent dat [B] , [C] en [D] werkzaamheden hebben verricht voor de Ikenhof Bodyclinic, heeft zij betwist dat dit op basis van een sponsorovereenkomst is gebeurd. [appellante] heeft gesteld dat de werkzaamheden van deze personen afzonderlijke activiteiten waren en niet zijn uitgevoerd in het kader van een sponsorovereenkomst. Volgens [appellante] zijn [B] , [C] en [D] daarvoor ook door haar betaald. [B] heeft betaling in natura ontvangen door middel van een behandeling en diverse sessies in de Ikenhof Bodyclinic met een vetverwijderingsmachine omstreeks 2011 ter waarde van € 5.000,-. [D] heeft ook in natura betaling ontvangen in de vorm van cosmetica. [geïntimeerde] heeft betwist dat [B] in natura zou zijn voldaan. Bij antwoordakte vordert zij voor het eerst betaling van € 6.750,- voor de werkzaamheden op basis van een redelijk loon voor werkzaamheden in opdracht alsmede vergoeding van de door [geïntimeerde] gemaakte onkosten zoals het voorschieten van het bedrag van € 1.500,- voor [D] .

2.3.

Het hof overweegt als volgt. [appellante] heeft betwist dat partijen een sponsorovereenkomst hebben gesloten. Door [geïntimeerde] is niet onderbouwd welke afspraken in het kader van een sponsorovereenkomst zijn gemaakt en op welke grond Ikenhof Bodyclinic uit dien hoofde € 11.000,- diende te voldoen. De stelling dat sprake is van een tussen partijen gesloten sponsorovereenkomst wordt dus als onvoldoende onderbouwd verworpen. Voor zover het bedrag van € 6.750,- zoals uitgesplitst in de antwoordakte onder 1.5 al onder de factuur van 17 november 2011 valt, ziet het hof geen reden dit bedrag toe te wijzen. Nog daargelaten dat [geïntimeerde] pas voor het eerst bij antwoordakte de stelling inneemt dat [appellante] voor de werkzaamheden aan [geïntimeerde] een redelijk loon verschuldigd is en de door [geïntimeerde] gemaakte onkosten dient te vergoeden en [appellante] daarop niet heeft kunnen reageren, is het hof van oordeel dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, het door [geïntimeerde] gevorderde bedrag niet kan worden toegewezen. [geïntimeerde] heeft daartoe immers enkel aangevoerd dat derden (de artiesten [D] en [B] ) werkzaamheden voor Ikenhof Bodyclinic hebben verricht, waarvoor [geïntimeerde] kosten zou hebben gemaakt en aanspraak kan maken op loon. Waar van het bestaan van een sponsorovereenkomst niet kan worden uitgegaan en [geïntimeerde] niet heeft gesteld als vertegenwoordiger van de artiesten te zijn opgetreden, zou het hier hooguit kunnen gaan om in opdracht verrichte bemiddelingswerkzaamheden, wil [geïntimeerde] in eigen naam van [appellante] hiervoor een vergoeding kunnen vorderen. Nog afgezien van het feit dat in het tussenarrest (rov. 4.6) reeds is geoordeeld dat van het bestaan van een overeenkomst van opdracht niet kan worden uitgegaan, heeft te gelden dat waar [appellante] heeft gesteld dat zij [B] en [D] zelf in natura heeft betaald, het op de weg van [geïntimeerde] had gelegen om te onderbouwen dat zij de artiesten heeft voorgeschoten en ook te laten zien dat zij hen daadwerkelijk heeft betaald. Wat betreft [B] laat [geïntimeerde] zich daar helemaal niet over uit, terwijl haar betoog ten aanzien van [D] is beperkt tot de enkele stelling dat zij haar € 1.500,00 heeft betaald, zonder dit verder te onderbouwen of met bewijsstukken aan te tonen. Tot slot heeft [geïntimeerde] in haar laatste akte op geen enkele wijze onderbouwd welk deel van haar vordering ziet op de betaling van loon in de zin van artikel 7:405 BW. Ook de andere posten zijn niet nader onderbouwd, zodat het hof de vordering van [geïntimeerde] ten aanzien van de factuur van 17 november 2011 afwijst.

factuur van 1 maart 2012

2.4.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord gesteld dat de bedragen op de factuur van

1 maart 2012 door haar zijn voorgeschoten en dat [appellante] conform afspraak tot terugbetaling verplicht is. [appellante] stelt onbekend te zijn met de door [geïntimeerde] gestelde afspraken en betwist dat [geïntimeerde] facturen heeft voorgeschoten. Het hof is van oordeel dat in het licht van de betwisting van [appellante] [geïntimeerde] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. Zo heeft [geïntimeerde] geen concretere informatie gegeven over de gemaakte afspraken, zoals waar de afspraken precies op zagen, wanneer ze zijn gemaakt en met wie. De enkele stelling dat het gaat om voorgeschoten kosten en dat partijen hebben afgesproken dat [geïntimeerde] een factuur kon zenden aan Ikenhof Bodyclinic is in dit kader te mager. Het hof wijst de vordering ten aanzien van de factuur van 1 maart 2012 als onvoldoende onderbouwd af. Het hof komt om die reden niet toe aan bewijslevering.

3 De slotsom

3.1.

De grieven slagen. Het bestreden vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerde] gericht tegen [appellante] zullen alsnog worden afgewezen. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellante] aan [geïntimeerde] heeft voldaan ten uitvoering van het bestreden vonnis vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellante] zullen – nu [appellante] niet is verschenen – worden vastgesteld op nihil.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellante] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 93,80

- griffierecht € 308,00

totaal verschotten € 401,80

- salaris advocaat € 3.477,50 (2½ punten x tarief € 1.391,-)

3.3.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van

16 juli 2014 waarvan beroep en doet opnieuw recht;

- wijst de vordering van [geïntimeerde] af;

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] terug te betalen al hetgeen [appellante] ten uitvoering van het vonnis van 16 juli 2014 aan [geïntimeerde] heeft voldaan, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op nihil en in hoger beroep op € 401,80 voor verschotten en op € 2.782,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. P.P.M. Rousseau, mr. M.A.M. Vaessen en mr. R.F. Groos, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 april 2019.