Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3168

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
11-04-2019
Zaaknummer
200.213.271/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verkoop tweede hands auto, particulieren, wederzijdse dwaling, onderzoeksplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.271/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4810129 LC EXPL 16-525 OvT/0)

arrest van 9 april 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] , Duitsland,

appellant in het principaal appel,

geintimeerde in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.W. van Dijk, kantoorhoudend te Apeldoorn,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. A.H.H. Nauta, kantoorhoudend te Lelystad.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ter uitvoering van het tussenarrest van 18 september 2018 heeft op 22 januari 2019 een comparitie van partijen plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.

1.2

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

2 Bevoegdheid en het toepasselijk recht

2.1

Het hof dient eerst vast te stellen of het hof bevoegd is kennis te nemen van het geschil. [appellant] woont in Duitsland. Gelet hierop heeft het geschil een internationaal karakter zodat het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter eerst ambtshalve moet vaststellen, dus ongeacht of tegen die aangenomen bevoegdheid is gegriefd. Het betreft hier een burgerlijke zaak waarvan de rechtsvordering op 29 januari 2016 is ingesteld, dus na de op 10 januari 2015 in werking getreden herschikte EEX-verordening (1215/2012). De Nederlandse rechter is op grond van artikel 2 lid 1 van de herschikte EEX-verordening bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen, nu [geïntimeerde] woonplaats heeft in Nederland, te weten Dronten. Uit de door partijen ondertekende koopovereenkomst (productie 4 bij dagvaarding in eerste aanleg) blijkt bovendien dat partijen zijn overeengekomen dat bij geschillen die ontstaan in verband met de tussen hen gesloten koopovereenkomst de Nederlandse rechter bevoegd is, zodat de Nederlandse rechter ook op grond van artikel 25 lid 1 van de herschikte EEX-verordening (forumkeuze) bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen. Het hof is derhalve bevoegd om in hoger beroep kennis te nemen van het geschil.

2.2

In het verlengde van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil, ligt de vraag naar welk recht het geschil beslecht moet worden. Partijen hebben zich niet expliciet uitgelaten over het toepasselijke recht, maar uit de in het geding gebrachte koopovereenkomst blijkt dat zij zijn overeengekomen dat hun rechtsverhouding is onderworpen aan Nederlands recht. Het hof begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen door de Nederlandse advocaten, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen, althans dat de toepasselijkheid van dat recht voor hen geen geschilpunt vormt. Het hof zal het geschil naar Nederlands recht beoordelen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.12) van zijn vonnis van
4 januari 2017 de feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling zijn geen grieven gericht en ook overigens is niet van bezwaren gebleken. Het hof zal dan ook van de door de rechtbank vastgestelde feiten uitgaan. Die feiten komen op het volgende neer.

3.2

[geïntimeerde] heeft in juni 2014 een personenauto van het merk BMW, type Z3, bouwjaar 2001 (verder: de auto) te koop aangeboden via de websites www.marktplaats.nl en www.autoscout24.de. De tekst van de advertentie op marktplaats luidde onder meer: "liefhebbersauto, rijdt geweldig".

3.3

[appellant] is de auto op 12 juli 2014 gaan bezichtigen in [C] , de woonplaats van [geïntimeerde] , nadat hij eerst telefonisch contact heeft gehad met [geïntimeerde] .

3.4

[geïntimeerde] heeft tijdens dit telefonisch contact en/of het bezichtigingsbezoek aan [appellant] medegedeeld:

- dat hij de auto zelf in 2012 had gekocht, waarbij de auto toen is onderzocht en door een garage is onderhouden;

- dat er een probleem was met de achterruit;

- dat sprake was van lichte parkeerschade aan de voorbumper;

- dat de auto in goede technische toestand verkeerde;

- dat hij over de vorige eigenaar niets kon vertellen, omdat de auto voordien in Duitsland op kenteken had gestaan;

- dat het verschil in vraagprijs in de verschillende advertenties kwam omdat aanvankelijk de parkeerschade en de schade aan de achterruit nog niet aan de orde waren;

- dat de auto al lang te koop stond;

- dat tot nu toe uitsluitend handelaren interesse hadden getoond en dat hij niet wist waarom dat was.

3.5

Tijdens de bezichtiging heeft [geïntimeerde] het als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde stuk laten zien, waarboven staat vermeld 'Nachweis betriebsabhangiger Wartung’'. Dit stuk betreft een kopie uit een onderhoudsboekje en vermeldt dat het garagebedrijf Van Leek Auto's te Stiens op 18 januari 2012 een kruisje heeft gezet voor het onderdeel 'Karosseriekontrolle'.

3.6

[appellant] heeft in het kader van de bezichtiging op 12 juli 2014 ook een proefrit gemaakt met de auto, waarbij hij - behoudens aan de airco - geen problemen constateerde.

3.7

[appellant] is vervolgens met [geïntimeerde] overeengekomen dat hij de auto zou kopen van [geïntimeerde] voor een bedrag ad € 7.200,-.

3.8

Op 19 juli 2014 is [appellant] opnieuw naar [C] gekomen en heeft hij de auto betaald en afgenomen. [appellant] heeft de auto vervolgens in Duitsland ter keuring aangeboden, om de auto toe te laten tot gebruik op de Duitse weg. Deze goedkeuring is verleend, nadat [appellant] daartoe eerst enkele geringe reparaties heeft laten verrichten. De ter zake door [appellant] als productie 5 bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegde factuur d.d. 23 juli 2014 vermeldt een kilometerstand van 129.050.

3.9

In het kader van de toelatingskeuring heeft de keurmeester aan [appellant] medegedeeld dat sprake was van gerepareerde schade aan de achterzijde van de auto.

3.10

Per e-mail d.d. 29 juli 2014 (productie 7 bij de dagvaarding in eerste aanleg) heeft [appellant] - zakelijk weergegeven - aan [geïntimeerde] medegedeeld dat tijdens toelatingskeuring is gebleken van een slechts gedeeltelijk herstelde schade aan de achterzijde van de auto en dat bovendien de accu van de auto onbevestigd in de kofferbak stond. [appellant] schrijft onder meer:
"Eine Reperatur dieses Schadens kostet min. 2000 €. Hätte ich von diesem Schaden gewüsst, hättte ich das Auto nicht gekauft bzw. nicht zu diesem Preis!"

3.11

Per e-mail van 4 augustus 2014 heeft [geïntimeerde] hierop gereageerd met de mededeling dat de auto bij zijn weten geen schade had, maar dat hij navraag zou doen bij de vorige eigenaar.

3.12

Per e-mail van 5 augustus 2014 (productie 9 bij de dagvaarding in eerste aanleg) heeft [appellant] aan [geïntimeerde] (kort samengevat) de volgende keuze voorgelegd: of (1) [geïntimeerde] neemt de auto terug, betaalt de koopprijs terug en vergoedt aan [appellant] de kosten van [appellant] , of (2) [geïntimeerde] betaalt aan [appellant] een vast bedrag van € 3.500,- om de auto alsnog in de toestand te brengen die [appellant] mocht verwachten toen hij de auto kocht.

3.13

Bij brief van 13 oktober 2015 (productie 10 bij de dagvaarding in eerste aanleg) is [geïntimeerde] door de gemachtigde van [appellant] gesommeerd om een bedrag ad € 5.000,— (exclusief verschuldigde rente en kosten) te voldoen, zodat [appellant] "in staat is om de auto naar behoren te laten herstellen."

3.14

Op 18 januari 2016 heeft ingenieursbureau Bohling te Bremerhaven (Duitsland) rapport uitgebracht van een op 26 november 2015 in opdracht van [appellant] verricht onderzoek naar al dan niet gerepareerde ongevalsschade en de mogelijke kosten indien dergelijke schade in een BMW-garage zou worden hersteld. Het als productie 13 door [appellant] overgelegde keuringsrapport maakt melding van een kilometerstand van 135.223 en een begroting van de reparatiekosten van € 13.755,60.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg (in conventie) kort samengevat gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 11.735,50 vermeerderd met rente, proceskosten en nakosten. [appellant] stelt primair dat hij als gevolg van hem door [geïntimeerde] verstrekte inlichtingen heeft gedwaald en wenst dat de kantonrechter (in plaats van de vernietiging van de overeenkomst uit te spreken) de gevolgen van de overeenkomst aldus wijzigt dat [geïntimeerde] genoemd bedrag aan [appellant] dient te voldoen. Subsidiair baseert [appellant] zijn vordering op een toerekenbare tekortkoming van [geïntimeerde] en meer subsidiair op wederzijdse dwaling.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) kort samengevat een schadevergoeding van € 479,- van [appellant] gevorderd omdat [appellant] heeft nagelaten zijn medewerking te verlenen aan het terugvragen van BPM bij de belastingdienst waardoor [geïntimeerde] schade heeft geleden.

4.3

De kantonrechter heeft zowel de vordering in conventie als die in reconventie afgewezen. [appellant] is veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en [geïntimeerde] in die van de reconventie.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] vordert in het principaal hoger beroep het vonnis van 4 januari 2017 te bekrachtigen voor zover dat in reconventie is gewezen en te vernietigen voor zover dat in conventie is gewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- primair: [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 7.199,- bij wijze van schadevergoeding, althans een door het hof te schatten bedrag;

- subsidiair: de gevolgen van de overeenkomst te wijzigen ter opheffing van het door [appellant] geleden nadeel en [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van
€ 7.199,-, althans een door het hof te bepalen bedrag;
- primair en subsidiair: [geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen: € 2.137,95 aan expertisekosten, € 339,15 aan kosten van demontage en montage in verband met de uitgevoerde expertise, € 1.082,50 aan buitengerechtelijke advocaatkosten, € 600,- wegens de door [appellant] betaalde proceskosten van de eerste instantie, alle bedragen vermeerderd met wettelijke rente, proceskosten en nakosten.

5.2

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel hoger beroep de verwerping van het principaal hoger beroep.

5.3

[appellant] heeft in het principaal appel zes grieven opgeworpen. [geïntimeerde] heeft in het incidenteel appel twee grieven geformuleerd. Nu [geïntimeerde] daarmee geen ander dictum nastreeft, is het incidenteel appel onnodig ingesteld. Het hof dient in het kader van de devolutieve werking van het appel de door [geïntimeerde] gevoerde verweren immers bij zijn beoordeling te betrekken.

5.4

De grieven leggen het geschil (in oorspronkelijk conventie) in volle omvang aan het hof voor en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het hof zal hetgeen partijen ter inleiding op de grieven hebben opgemerkt in zijn beoordeling betrekken.

5.5

[appellant] heeft zijn vordering primair op wanprestatie gebaseerd en subsidiair op dwaling. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd. [geïntimeerde] heeft de auto op marktplaats aangeboden als “Liefhebbersauto, rijdt geweldig.” [appellant] heeft [geïntimeerde] medegedeeld dat hij op zoek was naar een liefhebbersauto en geen schadeauto wilde kopen. Hij heeft geïnformeerd naar de afwezigheid van ongevallen met de auto, de technische toestand, de voorgeschiedenis en het onderhoud en de reparaties tot dan toe.
heeft daarop geantwoord dat hij de auto in 2012 heeft gekocht, dat de auto toen door een garage is onderzocht – waarbij hij het stuk dat als productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd, heeft overhandigd – , dat hij geen ongeval met de auto had gehad en dat er sprake was van een kleine parkeerschade en een probleem met de achterruit. [geïntimeerde] heeft daaraan toegevoegd dat hij over de vorige eigenaren niets kon zeggen omdat de auto voorheen in Duitsland op kenteken stond en hij daarvan geen papieren had.
[appellant] heeft om de auto op een Duits kenteken te krijgen op 21 juli 2014 ter keuring aangeboden bij de Duitse keuringsinstantie TÜV Nord. De keurmeester heeft [appellant] er toen op gewezen dat er sprake was van een slecht gerepareerde ongevalsschade aan de achterzijde van de auto.

Non conformiteit

5.6

Een verkoper is verplicht een zaak te leveren die aan de overeenkomst beantwoordt. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien (de zogenoemde conformiteitseis). De vraag of een zaak voldoet aan de conformiteitseis moet worden beantwoord aan de hand van alle relevante omstandigheden.
[appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat [geïntimeerde] heeft gegarandeerd dat de auto in goede staat verkeerde en geen schadeauto was. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat hij een dergelijke garantie heeft gegeven.

5.7

Het hof is van oordeel dat [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] een dergelijke garantie heeft gegeven onvoldoende heeft onderbouwd. [appellant] heeft zelf immers bevestigd dat [geïntimeerde] hem erop heeft gewezen dat hij alleen informatie kon verstrekken over de periode dat hij de auto in eigendom had en dat hem over de geschiedenis van de auto voor 2012 niets bekend was. In de door partijen ondertekende koopovereenkomst is geen garantie opgenomen. Ook het als productie 3 overgelegde formulier houdt geen garantie omtrent het schadevrij zijn van de auto in, nu daarop slechts ‘Karosseriecontrole’ staat aangekruist, maar iedere inhoudelijke informatie over de staat van de carrosserie ontbreekt.

5.8

[geïntimeerde] heeft de auto aangeprezen als ‘liefhebbersauto, rijdt geweldig.’ De auto in kwestie is een cabriolet met een sterke motor. [appellant] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep verklaard dat hij al lang op zoek was naar een dergelijke auto in deze specifieke kleur en hij heeft niet weersproken dat de auto geweldig rijdt. [appellant] maakt nog steeds gebruik van de auto. Zijn klacht ziet alleen op achteraf gebleken schade aan de carrosserie.

5.9

Het hof overweegt als volgt. [appellant] mocht alleen die eigenschappen verwachten waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Naar het oordeel van het hof mocht [appellant] , gelet op de leeftijd van de auto (13 jaar) en de uitdrukkelijke mededeling van [geïntimeerde] dat hem niets bekend was over de geschiedenis van de auto voor 2012, niet verwachten dat de auto in het verleden altijd vrij van schade was geweest. [geïntimeerde] heeft [appellant] de informatie verstrekt waarover hij beschikte en verteld dat hij geen informatie had over de geschiedenis van de auto voor 2012. [geïntimeerde] heeft [appellant] geen garantie verstrekt. In de gegeven omstandigheden had van [appellant] mogen worden verwacht dat hij zelf onderzoek naar de auto had (laten) doen, ingeval hij over meer informatie wenste te beschikken dan [geïntimeerde] hem kon geven.
[appellant] mocht op grond van de overeenkomst en de mededeling van [geïntimeerde] “liefhebbersauto, rijdt geweldig” wel verwachten dat de auto geschikt was voor het normale gebruik, namelijk rijden op de weg in Duitsland. De inmiddels aan het licht gekomen schade aan de carrosserie is niet van dien aard dat deze van invloed is op de verkeersveiligheid van de auto; de auto is kort na aflevering immers goedgekeurd door TÜV Nord en wordt nog steeds door [appellant] gebruikt. Het hof is van oordeel dat de auto aldus ten tijde van de aflevering de eigenschappen bezat die voor het normale gebruik daarvan – het rijden op de weg in Duitsland – nodig zijn en waarvan [appellant] de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen. Van non-conformiteit is naar het oordeel van het hof dan ook geen sprake.
De grieven in incidenteel appel slagen in zoverre. De primaire vordering van [appellant] tot schadevergoeding wegens wanprestatie komt niet voor toewijzing in aanmerking.

Dwaling

5.10

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij de overeenkomst is aangegaan onder invloed van dwaling die te wijten is aan een inlichting van [geïntimeerde] (art. 6:228 lid 1
aanhef en onder a BW), faalt dat betoog op dezelfde gronden als hiervoor in r.o. 5.8 omschreven. [appellant] heeft immers niet op grond van de uitlatingen van [geïntimeerde] mogen aannemen dat de auto steeds schadevrij is geweest. Hij heeft ook niet onderbouwd gesteld dat [geïntimeerde] van de oude schade moet hebben geweten.
Grief 1 in het principaal appel faalt.

5.11

Niet in geschil is dat de keurmeester van TÜV Nord op 29 juli 2014 heeft vastgesteld dat er sprake was van een slecht gerepareerde ongevalsschade aan de carrosserie. [geïntimeerde] heeft benadrukt dat ook hij met het bestaan van die schade niet bekend was. Aldus is sprake van wederzijdse dwaling (art. 6:228 lid 1 aanhef en onder c BW). Dat kan in dit geval echter niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] leiden.

5.12

De vernietiging van de overeenkomst (of wijziging van de gevolgen daarvan) kan namelijk niet worden gegrond op een dwaling die in verband met de aard van de overeenkomst, de in het verkeer geldende opvattingen of de omstandigheden van het geval voor rekening van de dwalende behoort te blijven (art. 6:228 lid 2 BW). [geïntimeerde] heeft [appellant] voldoende duidelijk gemaakt dat hij niets kon verklaren over de geschiedenis van de auto voor 2012. Hij mocht met die mededeling volstaan en het aan [appellant] overlaten of deze daaromtrent nader onderzoek wenste te (laten) doen. (Vgl. Hoge Raad

11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2410) Zoals hiervoor in r.o. 5.8 is overwogen had het, gelet op de mededeling van [geïntimeerde] dat hij over de geschiedenis van de auto voor 2012 niets kon verklaren, op de weg van [appellant] gelegen nader onderzoek naar de staat van de auto te doen, nu hij het immers van belang achtte dat de auto geen ongevalsgeschiedenis had. [geïntimeerde] heeft [appellant] immers voldoende duidelijk gemaakt dat hij geen wetenschap had. Hierop stuiten ook de overige vorderingen van [appellant] af.
De grieven 2, 3, 4 en 6 in het principaal hoger beroep falen. Bij de bespreking van grief 5 in het principaal hoger beroep heeft [appellant] geen belang, nu geen van partijen de vernietiging van het vonnis voor zover dat in reconventie is gewezen bepleit.

6 Slotsom

6.1

De grieven in het principaal appel falen. Het vonnis van de kantonrechter te Lelystad van 4 januari 2017 gewezen in conventie zal, onder verbetering van gronden, worden bekrachtigd.

6.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van de procedure in het principaal hoger beroep veroordelen. In het incidenteel hoger beroep wordt geen kostenveroordeling uitgesproken, nu dat onnodig is ingesteld.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 313,-

- salaris advocaat € 2.148,- (2 punten x tarief II)

Totaal € 2.461,-

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt, onder verbetering van gronden, het vonnis van de kantonrechter te Lelystad van 4 januari 2017 voor zover dat in conventie is gewezen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 2.148,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. I. Tubben en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

9 april 2019.