Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:316

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
23-01-2019
Zaaknummer
200.220.233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Verjaring, bevoegdheid echtgenoot tot vernietiging overeenkomst ex artikel 1:89 BW. Stelplicht en bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.220.233

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn: 5626226)

arrest van 15 januari 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 24 mei 2017, dat de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 28 juni 2017,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, met producties,

- een akte uitlating van [appellant] ,
- een antwoordakte van Dexia.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tussen Dexia (rechtsopvolgster van onder meer Bank Labouchere N.V.) en [appellant] is op 5 november 1999 een effectenleaseovereenkomst tot stand gekomen genaamd ‘WinstVerDriedubbelaar’ met contractnummer [contractnummer] (hierna: overeenkomst). De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 36 maanden (3 jaar) met een totaal overeengekomen leasesom van € 23.437,92.

3.2

Op 5 november 2002 is de overeenkomst met 36 maanden verlengd.

3.3

Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst per 4 november 2005 een eindafrekening opgesteld. De overeenkomst heeft in een restschuld van € 6.434,43 geresulteerd.

3.4

Bij brief van 24 januari 2006 heeft Leaseproces B.V. (hierna: Leaseproces) aan [appellant] een offerte verstrekt ter zake van het verlenen van rechtsbijstand. Tussen [appellant] en Leaseproces is vervolgens een overeenkomst tot stand gekomen. Uit de offerte blijkt dat [appellant] een vast bedrag en een percentage over het eventuele behaalde resultaat aan Leaseproces dient te voldoen ook in geval met Dexia een schikking wordt getroffen.

3.5

Bij brief van eveneens 24 januari 2006 heeft Leaseproces namens [appellant] aan Dexia bericht dat zij de nietigheid van de overeenkomst inroept, althans deze overeenkomst vernietigt, althans ontbindt, en is Dexia gesommeerd binnen twee weken alle door [appellant] betaalde bedragen vermeerderd met wettelijke rente, terug te betalen, alsmede BKR te Tiel op de hoogte te stellen van de nietigheid van de overeenkomst.

3.6

Bij brief van 30 januari 2006 heeft de echtgenote van [appellant] , mevrouw [echtgenote] , aan Dexia bericht dat zij de door haar echtgenoot gesloten contracten vernietigt op grond van artikel 1:88 BW wegens het ontbreken van haar toestemming.

3.7

Op 25 januari 2007 heeft het Gerechtshof Amsterdam de zogeheten “Duisenberg-regeling” voor aandelenleaseproducten algemeen verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033). [appellant] heeft door middel van een “opt-out” verklaring in de zin van artikel 7:908 lid 2 BW aangegeven niet aan de voornoemde regeling gebonden te willen zijn.

3.8

Bij brieven van november 2009 en 23 januari 2012 heeft [appellant] zijn vorderingen op Dexia gestuit.

3.9

Bij brief van 21 november 2016 heeft Leaseproces namens [appellant] Dexia nogmaals gesommeerd alle door [appellant] betaalde bedragen terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie – samengevat – gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en Dexia te veroordelen om al hetgeen [appellant] krachtens die overeenkomst aan Dexia heeft betaald aan hem terug te betalen, alsmede binnen twee weken na betekening van het vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van [appellant] bij het BKR in Tiel wordt doorgehaald en dat de aan die registratie gekoppelde achterstandscodering ongedaan wordt gemaakt, op straffe van dwangsom, één en ander vermeerderd met wettelijke rente en kosten, waaronder de buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.2

Dexia heeft in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . In reconventie heeft Dexia – samengevat – gevorderd voor recht te verklaren dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd en niet bloot staat aan vernietiging op enige grond waarop van de zijde van [appellant] een beroep kan worden gedaan, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in conventie en reconventie. [appellant] heeft de vordering in reconventie gemotiveerd betwist.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 24 mei 2017 in conventie de vordering afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en in reconventie voor recht verklaart dat de overeenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen, niet is vernietigd op grond van artikel 1:88 BW en niet bloot staat aan vernietiging op een grond waarop van de zijde [appellant] een beroep is gedaan, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

inhoud grieven
5.1 [appellant] heeft in zijn memorie van grieven aangevoerd dat de bevoegdheid van zijn echtgenote om de overeenkomst te vernietigen op het moment van de vernietiging in januari 2006 nog niet was verjaard, zodat zij deze overeenkomst toen rechtsgeldig heeft vernietigd en [appellant] uit dien hoofde een vordering wegens onverschuldigde betaling heeft op Dexia en zijn vordering moet worden toegewezen. [appellant] stelt dat de oorspronkelijke overeenkomst is afgesloten voor 13 maart 2000 maar dat zijn echtgenote pas na 13 maart 2000 bekend was met de overeenkomst, waardoor de vernietigingsbevoegdheid van zijn echtgenote nog niet was verjaard. Ten aanzien van de verlengingsovereenkomst heeft [appellant] aangevoerd dat deze is aangegaan na 13 maart 2000 waardoor de vernietigingsbevoegdheid op 13 maart 2003 nog niet was verjaard. Dexia heeft vernietiging van de oorspronkelijke overeenkomst bestreden en zich ten aanzien van de vernietiging van de verlenging van de overeenkomst gerefereerd aan het oordeel van het hof.

onverschuldigde betaling na vernietiging van de overeenkomst door de echtgenoot
5.2 Aan de orde is de vraag of het beroep van Dexia op verjaring slaagt of niet. Het hof hanteert bij de beoordeling van die vraag de volgende maatstaven. Op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van effectenleaseovereenkomsten, nu deze worden aangemerkt als huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomsten te vernietigen als geen toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomsten is verleend. Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan. Ingevolge artikel 3:52 lid 2 BW kan na verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging niet meer op dezelfde vernietigingsgrond buitengerechtelijk worden vernietigd.

5.3

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk – subjectief – bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen (ECLI:NL:HR:2015:1866). Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid. Wanneer de feiten en omstandigheden omtrent die daadwerkelijke, subjectieve, bekendheid zich geheel in de sfeer van de wederpartij, zoals in dit geval [appellant] en zijn echtgenote, hebben afgespeeld, brengen de eisen van de goede procesorde mee dat aan de feitelijke onderbouwing van die stellingen van Dexia niet te zware eisen mogen worden gesteld (ECLI:NL:HR:2011:BO6106). Uit de rechtspraak volgt bovendien dat aan het verrichten van betalingen in het kader van de effectenleaseovereenkomst vanaf een en/of rekening een bewijsvermoeden wordt ontleend met betrekking tot de aanvang van de verjaringstermijn, in die zin dat wordt vermoed dat de echtgenote van de wederpartij van Dexia, behoudens tegenbewijs, bekend is geraakt met de overeenkomst op de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop de desbetreffende betalingen staan vermeld. Het is aan de wederpartij van Dexia om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen (ECLI:NL:HR:2012:BU6506 en BU6508 alsmede ECLI:NL:HR:2015:1866).

5.4

Het hof neemt voorts in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de [naam stichting] de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid tot vernietiging van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000. Hetzelfde geldt in de situaties waarin de overeenkomst weliswaar eerder is gesloten, maar de echtgenoot pas ná

13 maart 2000 bekend raakte met de overeenkomst. De verjaringstermijn vangt immers pas aan nadat het de echtgenoot ter kennis is gekomen dat de overeenkomst werd gesloten en wordt binnen drie jaren gestuit als gevolg van de collectieve procedure.

5.5

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindend verklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.

5.6

Het hof zal eerst ingaan op de vernietiging van de verlenging van de overeenkomst. De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 9 januari 2015 uitgelaten over de vraag of die toestemming van de echtgenote ook vereist is bij de verlenging van een effectenleaseovereenkomst (ECLI:NL:HR:2015:41). De Hoge Raad overweegt onder 3.3.2 in dat arrest dat de ratio van artikel 1:88 lid 1 BW is om echtgenoten, in hun belang en dat van het gezin, tegen elkaar te beschermen, onder meer wat betreft het verrichten van rechtshandelingen die kunnen ingrijpen in hun financiële positie. Deze ratio brengt mee dat ook voor verlengingsovereenkomsten de toestemming van de andere echtgenoot is vereist. Aan die overeenkomsten is immers hetzelfde bezwaar verbonden als aan de oorspronkelijk aangegane overeenkomsten, namelijk dat deze leiden tot de verplichting om maandelijks (nieuwe) termijnbetalingen te verrichten voor de duur van de nieuwe looptijd.

5.7

Uit voornoemd arrest van de Hoge Raad volgt dat de echtgenote van [appellant] ook voor de verlenging van de overeenkomst toestemming had moeten verlenen. Het staat vast dat deze toestemming niet is gegeven. Aangezien de verlenging van de overeenkomst heeft plaatsgevonden op 5 november 2002 en de collectieve actie is aangevangen op 13 maart 2003, is de verjaring ten aanzien daarvan tijdig gestuit, ook wanneer tot uitgangspunt wordt genomen dat de echtgenote van [appellant] van het begin af aan op de hoogte is geweest van de verlenging van de overeenkomst. Zoals uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) volgt, liep de eenmaal aangevangen stuiting door tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Dit brengt mee dat de vernietigingsverklaring van de echtgenote van [appellant] van 30 januari 2006 tijdig is uitgebracht en de verlenging van de overeenkomst buitengerechtelijk is vernietigd. In zoverre slaagt de grief van [appellant] .

5.8

Ten aanzien van de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van de oorspronkelijke overeenkomst overweegt het hof als volgt. Dexia heeft in eerste aanleg gesteld dat de vernietigingsbrief van 30 januari 2006 enkel ziet op de vernietiging van de verlenging en niet op de vernietiging van de oorspronkelijke overeenkomst. Het hof volgt Dexia hierin niet en leidt uit de brief van de echtgenote af dat zij heeft bedoeld om ook de oorspronkelijke overeenkomst te vernietigen nu zij in de brief spreekt van contracten. Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingen aan Dexia in het kader van de overeenkomst van het begin af aan hebben plaatsgevonden van een bankrekening die op naam was gesteld van [appellant] en zijn echtgenote (een zogenoemde en/of rekening). Zoals hierboven (r.o. 5.3) overwogen, wordt aan het feit dat de betalingen van aanvang af van een en/of rekening zijn verricht, ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden ontleend, in die zin dat wordt vermoed, behoudens tegenbewijs, dat de echtgenote van [appellant] van het begin af aan met het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst bekend was. [appellant] heeft betwist dat zijn echtgenote van meet af aan bekend was met het bestaan van deze overeenkomst. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn echtgenote nimmer op de bankafschriften van de en/of rekening keek, zij aan hem gerichte post niet opende en post van Dexia haar niet is opgevallen. Daarnaast heeft [appellant] aangevoerd dat hij de belastingaangifte verzorgde, waarbij de echtgenote de belastingaangifte niet doornam. Volgens [appellant] heeft hij zijn echtgenote van het bestaan van de overeenkomst op de hoogte gebracht na het aangaan van de verlenging in november 2002. [appellant] heeft gesteld dat er in januari 2003 op een verjaardag werd gesproken over de aandelenleaseproblematiek. In deze periode heeft [appellant] zijn echtgenote op de hoogte gesteld van het bestaan van de overeenkomst. [appellant] heeft in dit verband bewijs aangeboden door middel van het horen van zichzelf en zijn echtgenote als getuigen. Het hof zal [appellant] , conform zijn bewijsaanbod, in de gelegenheid stellen dit tegenbewijs te leveren. Indien gewenst kan Dexia, op wie de bewijslast rust, in contra-enquête aanvullend bewijs aandragen.

5.9

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het vermoeden dat zijn echtgenote vóór 13 maart 2000 met het bestaan van de oorspronkelijke overeenkomst bekend raakte;

bepaalt dat, indien [appellant] uitsluitend bewijs door bewijsstukken wenst te leveren, hij die stukken op de roldatum 12 februari 2019 in het geding dient brengen,

bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. I. Brand, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [appellant] in persoon en Dexia vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen over de periode van januari 2019 tot en met juni 2019 van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 29 januari 2019, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.M. Croes, I. Brand en W.C. Haasnoot, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.