Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3124

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
12-04-2019
Zaaknummer
200.219.614
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afrekening nutsvoorzieningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.219.614/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 4990444 UC EXPL 16-6099)

arrest van 9 april 2019

in de zaak van

1 [appellante] ,

2. [appellant] ,

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie, verweerders in reconventie

hierna gezamenlijk: [appellanten] ,

advocaat: mr. M.A.M. Euverman,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat voorheen: mr. G.J. Bilderbeek, thans M.P.C. Bilderbeek,

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 juni 2016 en 19 april 2017 die de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, sector kanton, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 7 juli 2017,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord (met producties),

- een akte van de zijde van [appellanten] en een antwoordakte van de zijde van [geïntimeerde] .

2.2.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

De door de rechtbank vastgestelde feiten onder 2.1 tot en met 2.8 van het (bestreden) vonnis van 19 april 2017 worden in hoger niet bestreden, zodat ook het hof hiervan uit zal gaan. Voor zover in hoger beroep nog van belang gaat het om het volgende.

3.2.

[geïntimeerde] exploiteert een jachthaven in [plaatsnaam] op het adres [adres] .

3.3.

[appellanten] zijn sinds 2006 eigenaar van twee met elkaar verbonden woonarken, die gelegen zijn in de jachthaven van [geïntimeerde] .

[appellanten] huren met ingang van februari 2006 van [geïntimeerde] twee ligplaatsen ( [ligplaats 1] en [ligplaats 2] ) met terras en aansluitingen aan de wal voor elektra, gas, water en riolering. Ook huren [appellanten] van [geïntimeerde] twee parkeerplaatsen. De huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd. De huur over 2015 bedroeg € 10.204,81.

3.4.

In artikel 6 van de huurovereenkomst is omtrent de nutsvoorzieningen opgenomen:

“Verhuurder zal op basis van de aan hem, door de betreffende Nutsbedrijven vastgestelde voorschotten, het maandelijks door huurder te betalen voorschot voor levering van de nutsvoorzieningen vaststellen. Daarnaast stelt verhuurder een door huurder verschuldigde aanvullende Bijdrage vast, op basis van hoofdelijke omslag, van de gezamenlijke kosten voor rekening voor rekening komend voor alle gebruikers van deze voorzieningen, betrekking hebbende op de kosten van administratie en de te plegen reserveringen respectievelijk bijdragen voor reparatie, onderhoud en vernieuwing van de toevoerleidingen en installaties, benodigd voor de levering van genoemde voorzieningen.

Tenminste éénmaal per jaar zal verhuurder een eindafrekening opstellen ten behoeve van huurder van de in dit artikel bedoelde voorschotten op basis feitelijk verschuldigde over de betreffende periode.

Verhuurder, respectievelijk huurder verplichten zich wederzijds tot bijbetaling, respectievelijk terugbetaling van het als dan te weinig of te veel betaalde.

Het gasverbruik wordt vastgesteld door de in iedere ark aanwezige gas tussenmeter.

Deze zijn meestal verouderd en niet meer betrouwbaar. Indien wordt het verbruik per ark bepaald door het verbruik welke wordt aangegeven door de gezamenlijke hoofdmeter gedeeld door het aantal gebruikers.

Het elektriciteitsverbruik wordt vastgesteld door de aan het begin van de hoofdsteiger bevindende elektrokast waarin zich voor elk ark apart een elektriciteitsmeter bevindt en uitsluitend toegankelijk is voor verhuurder ligplaatsen.

De aansluitingen van de door verhuurder geleverde nuts diensten zoals water, gas elektra etc. vallen vanaf de hoofdleiding (dus ook de aansluiting van de hoofd leiding) tot aan de ark en in de ark onder verantwoordelijkheid van de betreffende arkeigenaar.

Daar een ark regelmatig in beweging is, dient de ark eigenaar deze aansluitingen regelmatig te controleren en indien nodig te laten vernieuwen. Arkeigenaar dient er rekening mee te houden dat het meerverbruik ontstaan door lekkages enz. van deze aansluitingen en eveneens het onderzoek daarnaar, voor rekening komt van betreffende arkeigenaar.

Bij het niet tijdig betalen van de voorschotten en afrekeningen van de geleverde nuts diensten is verhuurder gerechtigd de levering hiervan onmiddellijk te staken.

(...)”.

3.5.

Tussen partijen is onenigheid ontstaan over de jaarlijkse afrekeningen nutsdiensten.

3.6.

[appellanten] hebben [geïntimeerde] in kort geding gedagvaard. Op 10 augustus 2015 hebben partijen tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding bij de kantonrechter te Utrecht een minnelijke regeling getroffen, die in een proces-verbaal is vastgelegd. Die regeling houdt - samengevat en voor zover hier van belang - in dat partijen op 12 augustus 2015 gezamenlijk de meterstanden van gas en elektra zullen opnemen; zij voortaan jaarlijks steeds zo spoedig mogelijk na het moment dat de energieleverancier de meterstanden bij [geïntimeerde] opvraagt, gezamenlijk de meterstanden van gas en elektra zullen opnemen; [geïntimeerde] jaarlijks zo spoedig mogelijk de eindafrekening aan [appellanten] zal toesturen met de onderliggende stukken van de energieleverancier; de gemachtigde van [geïntimeerde] de onderliggende stukken van de energieleverancier over de periode 2006 tot 10 augustus 2015 bij de energieleverancier zal opvragen en deze vervolgens aan [appellanten] zal verstrekken; [appellanten] voortaan stipt aan hun betalingsverplichtingen ter zake van nutsvoorzieningen (zowel voorschotten als eindafrekeningen) en huur zal voldoen.

3.7.

De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst bij brief aan [appellanten] van 20 november 2015 opgezegd tegen 1 februari 2016.

3.8.

[geïntimeerde] heeft in kort geding de ontruiming gevorderd van de ligplaatsen. Bij kort geding vonnis van 26 augustus 2016 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland die vordering afgewezen, omdat deze zich niet leent voor behandeling in kort geding. Ook de eis in reconventie van [appellanten] betreffende de afrekening nutsdiensten is om die reden door de voorzieningenrechter afgewezen.

3.9.

Bij beschikking van 7 september 2016 heeft de kantonrechter te Utrecht beslist op het (onvoorwaardelijk en voorwaardelijk) verzoek van [appellanten] tot verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230a BW. Zij heeft, indien en voor zover aan de huurovereenkomst rechtsgeldig een einde is gekomen en artikel 7:230a BW van toepassing is, de ontruimingstermijn verlengd tot 28 februari 2017.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellanten] hebben in eerste aanleg in conventie na wijziging en vermeerdering van eis gevorderd dat de kantonrechter de door [geïntimeerde] gedane opzegging van de huurovereenkomst nietig zal verklaren dan wel zal vernietigen, althans te bepalen dat die opzegging zonder (rechts)gevolgen dient te blijven om reden dat bij de opzegging genoemde redenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Daarnaast hebben [appellanten] betaling van [geïntimeerde] gevorderd van € 11.776,39 te vermeerderen met de wettelijke rente wegens teveel betaalde nutsvoorzieningen en veroordeling van [geïntimeerde] tot medewerking aan het door [appellanten] zelfstandig afsluiten van een eigen gas/energiecontract en het in dat kader door [appellanten] faciliteren van eigen gas- en elektrameters, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd [appellanten] te veroordelen tot betaling van € 2.862,34 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 augustus 2015 wegens afrekening nutsvoorzieningen over de periode 1 oktober 2013 tot 1 juni 2015. Daarnaast vordert [geïntimeerde] ontruiming van de ligplaatsen onder verbeurte van een dwangsom en veroordeling van [appellanten] om aan [geïntimeerde] te voldoen, zolang de ligplaatsen niet zijn ontruimd, een vergoeding gelijk aan de afgesproken huur per maand en het voorschot voor gebruik van de nutsvoorzieningen een en ander te verminderen met de bedragen die na 1 februari 2016 zijn betaald.

4.3

De kantonrechter heeft bij vonnis van 19 april 2017 voor recht verklaard dat de opzegging van de huurovereenkomst door [geïntimeerde] bij brief van 20 november 2015 niet tot het einde van de huur heeft geleid. De reconventionele vordering van [geïntimeerde] tot ontruiming heeft de kantonrechter afgewezen. Ten aanzien van de afrekening nutsvoorzieningen heeft de kantonrechter het volgende overwogen. De berekeningswijze van de kostprijs per kWh en per m³ door [geïntimeerde] is redelijk voor zover deze is gebaseerd op de (gemiddelde) totaalprijs inclusief btw gedeeld door het totaalverbruik, volgens de diverse jaarafrekeningen van de energieleverancier. Daarnaast mag [geïntimeerde] op grond van de overeenkomst een aanvullende bijdrage vaststellen, op basis van hoofdelijke omslag, van de gezamenlijke kosten komend voor alle gebruikers van de voorzieningen. [geïntimeerde] kan daarnaast niet ook een “kleine opslag” hanteren boven de kostprijs per m³en per kWh die hij zelf aan de energieleverancier betaalt. Na verrekening van het teveel betaalde tot 1 oktober 2013 (€ 137,-) en het nog niet door [appellanten] betaalde bedrag van € 2.366,72 over de periode 1 oktober 2013 tot 1 juni 2015 (na correctie van huur parkeerplaats € 70,- per maand in plaats van het door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedrag van € 75,- per maand en zonder de “kleine opslag”), heeft de kantonrechter in reconventie een bedrag van € 2.229,72 toegewezen. De vordering van [appellanten] in conventie wegens onjuiste meterstanden, heeft de kantonrechter afgewezen aangezien het meetverschil tussen de tussenmeter van [geïntimeerde] en de tussenmeters van ark nummer 8 in augustus 2015 is geconstateerd en de afrekeningen die in geschil zijn vóór augustus 2015 liggen. Ook het deel van de vordering van [appellanten] om [geïntimeerde] te verplichten om [appellanten] van een eigen aansluiting te voorzien heeft de kantonrechter afgewezen, aangezien op grond van de huurovereenkomst geen verplichting bestaat voor [geïntimeerde] om hierin te voorzien.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1.

In hoger beroep gaat het enkel om vorderingen in verband met de afrekening van de nutsvoorzieningen.

5.2.

[appellanten] hebben tegen het vonnis van 19 april 2017 tien grieven aangevoerd. Met grief I komen [appellanten] op tegen de berekeningswijze van de kostprijs per kWh en m³ door [geïntimeerde] waarbij de gemiddelde totaalprijs inclusief btw volgens de rekeningen van de energieleverancier wordt gedeeld door het totaal verbruik. Volgens [appellanten] is deze berekeningswijze niet representatief voor het individueel feitelijk verschuldigde door [appellanten] Daar komt bij dat [geïntimeerde] voor elektra een hoog- en een laagtarief betaalt terwijl aan de bewoners één tarief wordt doorberekend. Ook maakt [geïntimeerde] bij zowel gas als elektra geen onderscheid tussen de variabele en vaste kosten. [appellanten] stellen zich op het standpunt dat [appellanten] , op basis van de huurovereenkomst, enkel het feitelijk verschuldigde dienen te voldoen. Dat kan enkel worden vastgesteld op basis van een individuele afrekening.

Berekeningswijze verbruik

5.3.

Het hof overweegt als volgt. [geïntimeerde] heeft voor de levering van de nutsvoorzieningen een contract afgesloten met Nuon. Nuon rekent het verbruik van de gehele jachthaven van [geïntimeerde] af op één hoofdmeter. Dit is voor elektra een dubbeltariefmeter waarbij stroom wordt verbruikt tegen een hoog- en een laagtarief. In artikel 6 van de huurovereenkomst (zie hiervoor onder 3.4) zijn partijen overeengekomen dat [geïntimeerde] tenminste eenmaal per jaar een eindafrekening zal opstellen voor de levering van de nutsvoorzieningen op basis van het feitelijk verschuldigde door [appellanten] over de betreffende periode. Tijdens de mondelinge behandeling van 10 augustus 2015 zijn partijen overeengekomen dat partijen zo spoedig mogelijk na het moment dat Nuon de meterstanden bij [geïntimeerde] opvraagt, gezamenlijk de meterstanden opnemen en [geïntimeerde] na ontvangst van de eindafrekening zo spoedig mogelijk een eindafrekening aan [appellanten] stuurt en de onderliggende stukken aan hen verstrekt. De maandelijks door [appellanten] betaalde voorschotten worden op het verschuldigde bedrag in mindering gebracht. Daarbij gaat [geïntimeerde] voor wat betreft het individueel gebruik van de elektra uit van de tussenmeter die voor iedere woonark is aangebracht. Wat betreft het gasverbruik gaat [geïntimeerde] uit van de opgave die de betreffende huurder zelf aan [geïntimeerde] heeft gedaan op basis van de eigen gasmeter van iedere woonark. Dit volgt ook uit de huurovereenkomst. Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenmeter voor elektra geen dubbeltariefmeter is. Het hof is dan ook van oordeel dat [appellanten] op grond van de huurovereenkomst in redelijkheid niet van [geïntimeerde] kan eisen dat hij een “individuele” afrekening opstelt waarbij voor elektra een uitsplitsing wordt gemaakt naar hoog- en laagtarief, aangezien het verbruik van [appellanten] op de tussenmeter voor elektra ook niet wordt uitgesplitst naar hoog- en laagtarief. Voor zover [appellanten] nog hebben gesteld dat [geïntimeerde] er voordeel van heeft door een hoog- en een laagtarief te betalen voor elektra en de bewoners één tarief door te berekenen, verwerpt het hof die stelling aangezien [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat een gemiddeld tarief wordt doorberekend van zowel het door Nuon in rekening gebrachte hoge tarief als het in rekening gebrachte lage tarief. Die stelling van [geïntimeerde] is door [appellanten] niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden.

[appellanten] hebben daarnaast nog gesteld dat [geïntimeerde] ten onrechte geen verschil maakt tussen variabele en vaste kosten en verwijst voor een juiste berekening naar de e-mails van [persoon 1] (producties 22 tot en met 25 overgelegd bij conclusie van antwoord in reconventie tevens akte vermeerdering/wijziging eis). Met het hanteren van vaste kosten over de meterstanden wordt door de huurders per definitie teveel betaald, aldus [appellanten] Mede in het licht van het verweer van [geïntimeerde] dat er maar eenmaal vastrecht door Nuon wordt berekend welke door [geïntimeerde] over alle gebruikers wordt verdeeld, is het hof van oordeel dat [appellanten] hun stelling onvoldoende hebben uitgewerkt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het hof zonder nadere toelichting in de memorie van grieven, die ontbreekt, uit de producties van [appellanten] onmogelijk kan opmaken tot welk bedrag [appellanten] zijn benadeeld uit hoofde van de door [geïntimeerde] gehanteerde systematiek. Voor de berekening van de kostprijs per kWh en m³ acht het hof, met de kantonrechter, de berekeningswijze van [geïntimeerde] dan ook redelijk voor zover deze betreft de (gemiddelde) totaalprijs inclusief btw gedeeld door het totaalverbruik, volgens de diverse jaarafrekeningen van de energieleverancier. Volgens artikel 6 van de huurovereenkomst mag [geïntimeerde] daarnaast een door de huurders verschuldigde aanvullende bijdrage vaststellen, op basis van hoofdelijke omslag, in de gezamenlijke kosten voor rekening komend van alle gebruikers van de voorzieningen, betrekking hebbende op de kosten van administratie en de te plegen reserveringen voor reparatie, onderhoud en vernieuwing van de toevoerleidingen en installaties, benodigd voor de levering van de nutsvoorzieningen. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] daarvoor € 39,- in rekening brengt, waarin tevens het waterverbruik is begrepen. Voor zover [appellanten] met grief I nog hebben betoogd dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] boven de berekening van de kostprijs per kWh en m³ en de bijdrage tevens een “kleine opslag” mogen hanteren, gaan [appellanten] uit van een onjuiste lezing van het vonnis. De kantonrechter heeft immers geoordeeld dat [geïntimeerde] naast het bedrag van € 39,-- per maand geen “kleine opslag” boven de kostprijs mag hanteren. Grief I faalt dan ook.

5.4.

Grief II is niet gericht tegen een dragende overweging van de kantonrechter, zodat zij geen bespreking behoeft.

afrekening tot 1 oktober 2013

5.5.

Met de grieven III en V komen [appellanten] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] tot 1 oktober 2013 aan [geïntimeerde] een bedrag van € 137,- teveel hebben betaald. Grief III is gericht tegen de hoogte van het teveel betaalde bedrag. Volgens [appellanten] hebben zij uitgaande van de berekening van [geïntimeerde] recht op een hoger bedrag. Grief V richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellanten] over de periode 1 januari 2008 tot 1 oktober 2013 teveel hebben betaald. Volgens [appellanten] ziet de berekening van [geïntimeerde] op de periode vanaf 1 januari 2006.

5.6.

De eindafrekeningen tot 1 oktober 2013 zijn door [appellanten] voldaan. [appellanten] stellen dat [geïntimeerde] teveel in rekening heeft gebracht en vorderen terugbetaling van het teveel betaalde. Op [appellanten] als de partij die terugbetaling vordert, rust de plicht om voldoende feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit blijkt dat zij ten onrechte teveel betaald hebben.

5.7.

Bij conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie heeft [geïntimeerde] als productie 14 een berekening overgelegd. Uit deze berekening blijkt volgens [geïntimeerde] dat [appellanten] over de periode 1 januari 2006 tot 1 oktober 2013 € 173,- teveel hebben betaald doordat [geïntimeerde] een “kleine opslag” hanteerde boven door Nuon in rekening gebrachte tarieven. Deze berekening gaat volgens [geïntimeerde] uit van een één op één doorbelasting van de door Nuon aan [geïntimeerde] in rekening gebrachte kosten. [appellanten] hebben deze berekening betwist. [appellanten] hebben gesteld dat ze tot 1 oktober 2013, uitgaande van de berekening van [geïntimeerde] , niet een bedrag van € 137,- maar een bedrag van € 2.589,02 (2.810,07-221,05 (zijnde het bedrag dat [appellanten] stellen teveel te hebben betaald over de periode 1 oktober 2013-1 juni 2015) teveel hebben betaald. Volgens [appellanten] heeft [geïntimeerde] op verschillende plekken bij de berekening het verkeerde verbruik overgenomen en heeft [geïntimeerde] het verbruik niet met de juiste door Nuon in rekening gebrachte tarieven vermenigvuldigd. [appellanten] hebben voor de juiste cijfers verwezen naar hun aantekeningen op de berekening van [geïntimeerde] (productie 38 bij memorie van grieven).

5.8.

Het hof is van oordeel dat het door [appellanten] op de berekening van [geïntimeerde] aangegeven verbruik overeenstemt met het verbruik op de eindafrekeningen van [geïntimeerde] (overgelegd als productie 14 bij conclusie van antwoord in reconventie tevens vermeerdering/wijziging van eis tevens akte overlegging producties). Door [geïntimeerde] is niet gesteld dat het verbruik op de eindafrekeningen niet juist is. Het hof zal dan ook van dit –door [appellanten] gecorrigeerde – verbruik uitgaan. Voor zover [appellanten] hebben gesteld dat in de berekening van [geïntimeerde] de door Nuon in rekening gebrachte tarieven onjuist zijn, hebben [appellanten] niet inzichtelijk gemaakt op basis van welke cijfers zij tot de door hen gehanteerde tarieven zijn gekomen. Nu de periodes van de jaarrekeningen van Nuon niet gelijk lopen met de afrekeningen van [geïntimeerde] is voor het hof zonder de onderliggende cijfers waarvan [appellanten] is uitgegaan, niet te achterhalen waarop de tarieven die [appellanten] in hun berekening hebben gehanteerd, zijn gebaseerd. [appellanten] hebben dan dus onvoldoende gesteld waarom de tarieven van [geïntimeerde] onjuist zijn. Het hof gaat dan ook uit van de door [geïntimeerde] in zijn berekening opgenomen tarieven. Uitgaande van de door [appellanten] gecorrigeerde verbruikscijfers en de door [geïntimeerde] gehanteerde tarieven levert dit de volgde berekening op:

Periode 01-01-2006 – 01-01-2008

bij [appellanten] in rekening gebracht door Nuon gehanteerd Verschil

Gas: € 3.783,68 (0,52 X 6584) € 4.016,24 (0,61 X 6584)

Elektra: € 1.832,40 (0,15 X 10744) € 1.611,60 (0,15 X 10744)

Totaal betaald: € 5.035,28 € 5.627,84 € -592,56

Periode 01-01-2008 – 01-05-2009

bij [appellanten] in rekening gebracht door Nuon gehanteerd Verschil

Gas: € 3.576,75 (0,57 X 6275) € 4.329,75 (0,69 X 6275)

Elktra: € 1.334,69 (0,165 X 8089) € 1.172,91 (0.145 X 8089)

Totaal betaald: € 4.911,44 € 5.502,66 € -591,22

Periode 01-05-2009 – 01-12-2011

bij [appellanten] in rekening gebracht door Nuon gehanteerd Verschil

Gas: € 4.663,17 (0,57 X 8181) € 4.499,55 (0,55 X 8181)

Nuon: € 3.521,34 (0,18 X 19563) € 3.130,08 (0,16 X 19563)

Totaal betaald: € 8.184,51 € 7.629,63 € 554,88

Periode 01-12-2011 – 01-10-2013

bij [appellanten] in rekening gebracht door Nuon gehanteerd Verschil

Gas: € 5.152,55 (0,65 X 7927) € 5.311,09 (0,67 X 7927)

Elektra: € 4.043,50 (0,19 X16174) € 3.073,06 (0,19 X 16174)

Totaal betaald: € 9.196,05 € 8.384,15 € 811,90

Totaal verschil: € -592,56 + € -591,22 + € 554,88 + € 811,90 = € 183,-.

5.9.

Aldus hebben [appellanten] over de periode 1 januari 2006 tot 1 oktober 2013 een bedrag van € 183,- teveel aan [geïntimeerde] betaald. Dit betekent dat grief V slaagt en grief III deels slaagt.

afrekening 1 oktober 2013 – 1 juni 2015

5.10.

Grief IV is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de afrekening over de periode 1 oktober 2013 tot 1 juni 2015 € 2.366,72 bedraagt en dat de kantonrechter ten onrechte de berekeningswijze van [geïntimeerde] heeft gevolgd.

Zoals onder 5.3 overwogen acht ook het hof de berekeningswijze van [geïntimeerde] redelijk voor zover dit betreft de (gemiddelde) totaalprijs inclusief btw gedeeld door het totaalverbruik, volgens de diverse jaarafrekeningen van de energieleverancier. De grief faalt dan ook.

afrekening juni 2015 – februari 2017

5.11.

[appellanten] hebben hun eis vermeerderd met een bedrag van € 1.160,53 zijnde het teveel door [appellanten] betaalde over de periode juni 2015 tot februari 2017.

5.12.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in art. 130 Rv, in samenhang met artikel 353 Rv, zijn [appellanten] bevoegd in hoger beroep hun eis te vermeerderen. Voor zover [appellanten] een berekening hebben gemaakt en de berekeningswijze van [appellanten] is gevolgd, wijst het hof deze gezien het onder 5.3 overwogene af. Het hof zal dus ook voor de afrekening van deze periode de berekeningswijze van [geïntimeerde] volgen.

5.13.

De door [geïntimeerde] ingediende factuur is door [appellanten] gemotiveerd weersproken. [appellanten] stellen dat het verbruik onjuist is weergegeven, dat [geïntimeerde] uitgaat van een onjuist tarief uitgaande van de (gemiddelde) totaalprijs inclusief btw gedeeld door het totaalverbruik, volgens de jaarafrekeningen van de energieleverancier en voor de huur van de twee parkeerplaatsen ten onrechte € 75,- in rekening brengt in plaats van de overeengekomen € 70,-. [appellanten] verwijzen voor een berekening van het tarief en de juiste berekening van de factuur volgens de berekeningswijze van [geïntimeerde] naar productie 41 overgelegd bij memorie van grieven. [geïntimeerde] heeft deze berekening van [appellanten] niet betwist, zodat ook het hof hiervan uit zal gaan. Dit resulteert erin dat [appellanten] aan [geïntimeerde] over deze periode € 139,66 verschuldigd zijn. Dit betekent dat de vordering van [appellanten] uit onverschuldigde betaling over deze periode wordt afgewezen.

5.14.

Het bovenstaande leidt tot de tussenconclusie dat [appellanten] over de periode tot 1 januari 2006 tot 1 oktober 2013 € 183,- teveel hebben betaald. [appellanten] zijn over de periode 1 oktober 2013 tot 1 juni 2015 nog € 2.366,72 verschuldigd. [appellanten] hebben zich in eerste aanleg beroepen op verrekening met hetgeen zij aan [geïntimeerde] in de voorgaande jaren teveel hebben betaald. Na verrekening resteert een door [appellanten] aan [geïntimeerde] te betalen bedrag van € 2.183,72.

tussenmeter

5.15.

Grief VI betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de enkele constatering van [appellanten] dat de meterstanden van [geïntimeerde] ten aanzien van elektra van ark nummer 8 hoger zijn dan de meterstanden volgens de tussenmeter van [appellanten] nog niet betekent dat de tussenmeter van [geïntimeerde] al sinds de aanvang van de huurovereenkomst onjuist registreert met als gevolg dat [appellanten] € 5.666,56 teveel aan elektra hebben betaald.

5.16.

[appellanten] hebben gesteld dat bij de aankoop van de woonarken de elektrameters zijn opgenomen en de meter van woonark 7 gelijk loopt en die van woonark 8 niet. Hieruit volgt volgens [appellanten] dat de meter van woonark 8 vanaf de aanvang van de huur niet goed heeft geregistreerd. Volgens [appellanten] is er over de afgelopen 10 jaren een meetverschil van 29.824 kWh. Voor zover er al een afspraak is tussen partijen om de tussenmeter te laten ijken, stellen [appellanten] dat vervolgens is gebleken dat het niet de meest efficiënte manier is om vast te stellen of de meters functioneren. [appellanten] hebben naast hun tussenmeter een andere meter laten hangen. Daaruit is gebleken dat de tussenmeter van [appellanten] goed loopt. Het probleem ligt dan ook bij de meter van [geïntimeerde] , aldus nog steeds [appellanten]

5.17.

Het hof overweegt als volgt. [appellanten] vorderen van [geïntimeerde] betaling van € 5.666.56 wegens het teveel in rekening gebrachte elektraverbruik. Het ligt dan op de weg van [appellanten] om gemotiveerd te stellen dat de meter van [geïntimeerde] niet juist registreert en [appellanten] het in rekening gebrachte elektraverbruik niet hebben verbruikt. Uit het proces-verbaal van 30 maart 2016 blijkt dat partijen overeengekomen waren om de meter van [geïntimeerde] te laten ijken. [appellanten] zijn hier vervolgens op teruggekomen en hebben naast hun tussenmeter een andere meter laten hangen. Het enkel verwijzen naar de standen van de nieuw geplaatste tussenmeter van [appellanten] acht het hof, gezien de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] , onvoldoende om daaruit de gevolgtrekking te maken dat de meter van [geïntimeerde] teveel heeft geregistreerd, laat staan dat sprake zou zijn van een verschil van 29.824 kWh. Zoals [geïntimeerde] immers al opmerkt zijn er meerdere oorzaken aan te wijzen voor het verschil in meterstanden dan de enkele conclusie dat de meter van [geïntimeerde] teveel heeft geregistreerd. Daar komt bij dat [appellanten] onvoldoende inzichtelijk maken hoe zij komen tot een verschil van 29.824 kWh. [appellanten] hebben hun vordering dan ook onvoldoende onderbouwd. Het hof komt dan ook niet toe aan bewijslevering. De grief faalt.

5.18.

Grief VII faalt nu uit het voorgaande volgt dat de kantonrechter de vordering van € 5.666,56 terecht heeft afgewezen.

Eigen aansluiting

5.19.

Grief VIII klaagt dat de kantonrechter de vordering van [appellanten] voor het verlenen van medewerking aan een eigen aansluiting ten onrechte heeft afgewezen. Volgens [appellanten] hebben zij recht op een vrije keuze van energieleverancier en moeten zij nu voor diensten betalen die zij niet geleverd krijgen. De redelijkheid en billijkheid brengen mee dat van [appellanten] niet gevergd kan worden dat zij jaarlijks maar weer moet afwachten wanneer en in welke omvang zij een factuur krijgen toegestuurd, waarbij het hen veel tijd kost de eindafrekening met Nuon te vergelijken met de factuur die zij van [geïntimeerde] ontvangen en te corrigeren en dat zij jaarlijks teveel betalen, aldus nog steeds [appellanten]

5.20.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat op grond van de huurovereenkomst (die ziet op de huur van een ligplaats) er voor [geïntimeerde] geen verplichting bestaat om [appellanten] van een eigen aansluiting te voorzien. [appellanten] is met het aangaan van de huurovereenkomst akkoord gegaan niet zelf een energieleverancier te kunnen kiezen. Ook het beroep van [appellanten] op de redelijkheid en billijkheid gaat niet op aangezien [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat [appellanten] betalen voor diensten die zij niet geleverd krijgen en zij feitelijk meer betalen dan zij verschuldigd zijn. Uit de door [appellanten] overgelegde correspondentie volgt ook niet dat aan [appellanten] een eigen aansluiting is toegezegd. Nog daargelaten dat de e-mail van Liander (productie 33) niet is gericht aan [appellanten] maar aan [persoon 2] , blijkt daaruit niet dat er een eigen gasaansluiting is toegezegd door [geïntimeerde] . Daaruit blijkt enkel dat onderzocht zou worden wat de mogelijkheden en de kosten zijn voor een eigen gasaansluiting. De grief faalt. Een en ander neemt niet weg dat partijen in de toekomst andersluidende afspraken kunnen maken, al is het maar om geschillen over de omvang van het gebruik en het toepasselijke tarief te voorkomen.

5.21.

Grief IX bouwt voort op de voorgaande grieven. In zoverre faalt ook deze grief.

5.22.

Grief X die ziet op de compensatie van proceskosten in eerste aanleg faalt nu uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht de vorderingen van [geïntimeerde] en [appellanten] heeft afgewezen en derhalve de proceskosten zowel in conventie als in reconventie heeft gecompenseerd.

5.23.

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord geconcludeerd om alsnog toe te wijzen hetgeen [geïntimeerde] in eerste instantie heeft gevorderd, althans het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen. Voor zover [geïntimeerde] incidenteel appel heeft willen instellen is dit onvoldoende onderbouwd. Onder punt 61 van de memorie van antwoord klaagt [geïntimeerde] nog dat de kantonrechter onder 5.24 en 5.25 van het vonnis ten onrechte bedragen aftrekt van de nota over de periode 1 oktober 2013 tot 1 juni 2015. In het licht van de stellingen van [appellanten] heeft [geïntimeerde] dit onvoldoende onderbouwd. Voor zover [geïntimeerde] alsnog ontruiming vordert van de onroerende zaken (ligplaatsen) heeft [geïntimeerde] geen grieven aangevoerd tegen afwijzing van deze vordering door de kantonrechter.

6 De slotsom

6.1

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gericht tegen het vonnis van 19 april 2017 slaagt voor zover [appellanten] zijn veroordeeld tot betaling van € 2.229,72 Het hof zal opnieuw rechtdoen en [appellanten] zullen worden veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen € 2.183,72 (€ 2.366,72 - € 183,-) vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 augustus 2015. Het bewijsaanbod van ieder van partijen wordt gepasseerd nu dit telkens niet is toegesneden op een of meer stellingen die in het licht van het voorgaande tot een ander oordeel kunnen leiden.

6.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 313,-

- salaris advocaat € 1.611,- (1 1/2 punten x tarief II € 1.074,-)

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

- vernietigt het bestreden vonnis voor zover [appellanten] zijn veroordeeld tot betaling van € 2,229,72 en de wettelijke rente over dat bedrag en doet in zoverre opnieuw recht:

- veroordeelt [appellanten] om aan [geïntimeerde] te betalen € 2.183,72 (€ 2.366,72 - € 183,-) vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 augustus 2015;

- bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

- veroordeelt [appellanten] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor griffierecht en op € 1.611,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.J. van Sandick en A.C. Metzelaar, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 april 2019.