Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:312

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-01-2019
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
200.204.204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot het volgen van een training om een vergunning te bemachtigen om een bepaald type vliegtuig te besturen. Training afgebroken. Uitleg restitutiebepaling in overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.204.204

(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 173740)

arrest van 15 januari 2019

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Appellant] .,

gevestigd te [woonplaats] ,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. F. Kolkman,

tegen:

1 [Geintimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2 [geintimeerde 2],
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna afzonderlijk: [Geintimeerde 1] respectievelijk [geintimeerde 2] en gezamenlijk: [geintimeerden] ,

advocaat: mr. F.E. Olberts.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 27 december 2016 hier over. In dit arrest is een (enkelvoudige) comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Van deze comparitie is een proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (met producties).

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.1

[geintimeerden] beschikken beiden over een vliegbrevet. [geintimeerde 2] heeft op 31 maart 2014 een overeenkomst gesloten met [Appellant] voor het volgen van een zogenoemd Type Rating Program. [Geintimeerde 1] heeft eenzelfde overeenkomst gesloten op 18 april 2014. Door het volgen van dit programma zouden [geintimeerden] worden opgeleid voor het vliegen op een toestel van het type ATR42/72, met de garantie (onder bepaalde voorwaarden) op een dienstverband bij de Zwitserse luchtvaartmaatschappij Farnair voor een periode van een jaar inclusief 500 vlieguren op dit type toestel.

2.2

De door [geintimeerden] afzonderlijk met [Appellant] gesloten maar gelijkluidende overeenkomsten (waarin [geintimeerden] worden aangeduid als: Pilot) luiden onder meer als volgt:

“(…) With a ATR42/72 Type Rating Program, commencing 16 May, 2014 at FARNAIR Training Centre. The program includes ATR42 Type Rating training with ATR72 differences training or vice versa. Upon successful completion of this Type Rating training and if deemed suitable by the Crew Training Manager, the pilot will continue line training in the right seat of either/both aircraft.

Course Content and Duration:

CRM 1 Course is scheduled for 3 days prior to commencing ground school

Ground school is approximately 3 weeks CBT followed by 8 classroom days.

9 sessions full flight simulator including Skill Test and differences training

Ground School Change of Operator Course: 1 week

Base Training: 1 day

Line Flying Under Supervision: minimum 40 sectors including route check

Line Flying Building Experience LEP: max 12 months and 500 hours, whichever comes first

Pricing for the ATR42/72 Type Rating and LEP 2014:

€34.500,-

Payment to be made in two installments.

€ 18.500,- due 8 May, 2014

€ 16.000,- due 7 days before start Simulator Training, 2014

(…)

You will not receive remuneration during the period of Type Rating and Line Training.

Pilot is responsible for all costs of living and transportation expenses.

Conditions during Line Flying Building Experience LEP:

Included in the LEP of 12 months/500 hours:

-One recurrent Operator Profiency Check

-Remuneration

-Per Diem

-Positioning Costs

-Hotel Accommodations in outstations (out of crew base)

-Crew Base will be assigned by FARNAIR according to their needs.

Refunds

[Appellant] reserves the right to cancel or delay any planned Type Rating Program at its discretion.

If for any reason [Appellant] is unable to provide the Type Rating Program at the agreed commencement date an alternative Program commencement date will be offered to the Pilot. If no alternative Program can be agreed upon a reimbursement of done payment will be conducted minus any costs incurred by [Appellant] .

If the Pilot is incapable of reaching the required standard necessary to pass the final ground school examination, [Appellant] reserves the right to terminate the Type Rating Training prior to commencement of Simulator Training. No further payment will then have to be made, reimbursement of done payment will be conducted minus any costs incurred by [Appellant] .

During the Type Rating Training the Pilot will be expected to pass certain checks and examinations. If found unsuccessful then the Pilot may be able to re-sit at the discretion of the Crew Training Manager. If again unsuccessful the training may be cancelled with reimbursement of payments of any unused training minus any costs incurred by [Appellant] .

(…)

Contract Expiration:

Article 1

In the cases stated below in article 2 the contract will be terminated immediately

Article 2

(…)

If the Pilot fails to succeed in any of the simulator or line checks

(…)”.

2.3

Aan zowel [Geintimeerde 1] als aan [geintimeerde 2] heeft [Appellant] het met het Type Rating Program gemoeide bedrag van € 34.500,- gefactureerd in twee termijnen van € 18.500,- en € 16.000,-. De aan [Geintimeerde 1] gerichte facturen van 19 april 2014 en van 19 mei 2014 bevatten beide de volgende tekst: “Type Rating Program ATR42/72 inclusief Line Flying Building Experience LEP”.

2.4

Tot het Type Rating Program dat [geintimeerden] zouden gaan volgen behoren in ieder geval de volgende onderdelen:

a. Crew resource management training (CRM) gedurende 3 dagen;

b. Ground school, bestaande uit toegang tot een computer based training (CBT) en

c. Ground school, bestaande uit klassikale training gedurende 8 dagen;

d. Simulator Training, bestaande uit 9 sessies op een volledig bewegende simulator;

e. Base Training, gedurende 1 dag;

f. Ground school, bestaande uit een Change of Operator Course.

2.5

[geintimeerden] hebben vanaf mei 2014 in ieder geval de volgende onderdelen van het programma met goed gevolg doorlopen:

a. CRM gedurende 2 dagen ;

b. toegang tot CBT gedurende 9 dagen;

c. klassikale training gedurende 6 dagen.

Na het afronden van deze onderdelen (hierna: de onderdelen a. tot en met c.) hebben [geintimeerden] ieder 4 simulator sessies gevolgd bij Farnair in Oostenrijk. Na de vierde sessie werden de lessen stopgezet omdat de resultaten volgens [Appellant] onvoldoende waren. Vervolgens hebben [geintimeerden] op 28 augustus 2014 in Rotterdam opnieuw een simulator test gedaan. [Appellant] stelt dat deze test voor beide vliegers ruim onvoldoende is verlopen en heeft om die reden de opleiding van [geintimeerden] afgebroken.

3 Het geschil en de beslissing bij de rechtbank

3.1

[geintimeerden] hebben bij de rechtbank primair al hetgeen zij aan [Appellant] hebben betaald terug gevorderd, vermeerderd met schadevergoeding (gemaakte kosten en gederfde inkomsten), stellende dat het Type Rating Program door toerekenbare tekortkoming van [Appellant] niet is afgerond. Subsidiair hebben zij restitutie van de door hen verrichte betalingen gevorderd voor zover zij onderdelen van het trainingsprogramma niet hebben ontvangen. Voor deze gedeeltelijke restitutie beroepen [geintimeerden] zich op de hiervoor onder 2.2. genoemde contractsbepalingen, met name die onder het kopje “Refunds”.

3.2

De rechtbank Overijssel heeft in het vonnis van 17 augustus 2016 (hierna: het bestreden vonnis) geoordeeld dat de primaire vordering tot terugbetaling van alle aan [Appellant] betaalde bedragen, vermeerderd met kosten en schade niet kan worden toegewezen, nu geen sprake is van een toerekenbare tekortkoming. Op grond van de subsidiaire grondslag heeft de rechtbank aan zowel [Geintimeerde 1] als aan [geintimeerde 2] € 12.291,36 (vermeerderd met rente en kosten) toegewezen. Daarbij is de rechtbank nagegaan welke onderdelen van het programma door [geintimeerden] niet (meer) gevolgd zijn en welke waarde daaraan moet worden toegekend. De rechtbank heeft als uitgangspunt genomen dat het programma tot en met de groundschool met goed gevolg is afgelegd, zodat dit niet tot terugbetaling kan leiden. Ditzelfde heeft de rechtbank geoordeeld ten aanzien van de kosten gemaakt voor de selectie tot het programma.

4 De beoordeling

4.1

De zaak betreft een overeenkomst tot het volgen van een zogenoemd Type Rating Program, waarbij vliegers getraind worden met als doel het bemachtigen van een vergunning om een bepaald type vliegtuig te mogen besturen. Beoordeeld dient te worden hoe de bepalingen in de overeenkomst die betrekking hebben op restitutie moeten worden uitgelegd, nu de opleiding van de vliegers [geintimeerden] tussentijds is beëindigd.

4.2

[Appellant] heeft acht grieven tegen het bestreden vonnis gericht en heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen. [geintimeerden] hebben in incidenteel beroep bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het door de rechtbank vastgestelde bedrag aan restitutie; volgens hen moet dat voor ieder van hen € 24.400,- zijn in plaats van het toegewezen bedrag van € 12.291,36. [geintimeerden] hebben geen bezwaar geuit tegen de afwijzing door de rechtbank van de primaire vordering, zodat ook het hof de zaak zal beoordelen op de subsidiaire grondslag (nakoming van de restitutiebepalingen).

[geintimeerden] hebben voorts in incidenteel beroep niet geklaagd over de afwijzing door de rechtbank van de vordering tot terugbetaling van de door [Geintimeerde 1] betaalde kosten van de selectieprocedure (€ 3.500,-). Weliswaar hebben zij in hoger beroep een bankafschrift overgelegd, waaruit blijkt dat [Geintimeerde 1] dit bedrag heeft betaald aan [Appellant] , maar dit bedrag maakt kennelijk geen onderdeel uit van het bedrag van € 24.400,- dat door [geintimeerden] wordt gevorderd in incidenteel beroep. [geintimeerden] hebben in hoger beroep ook niet toegelicht waarom dit bedrag alsnog zou moeten worden toegewezen, zodat het hof er vanuit gaat dat geen beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de kosten van de selectieprocedure.

Met het bovenstaande als uitgangspunt zullen de door [Appellant] aangevoerde grieven in principaal beroep en die van [geintimeerden] in incidenteel beroep worden behandeld.

4.3

Aangezien het hof de feiten opnieuw (en anders) heeft vastgesteld heeft [Appellant] geen belang bij de behandeling van de grieven I en II, nu die gericht zijn tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Hetzelfde geldt voor grief III, gericht tegen rechtsoverweging 3.1, die een weergave bevat van de stellingen van [geintimeerden] en niet een oordeel van de rechtbank. Bovendien betreft dit stellingen die zijn aangevoerd om de primaire grondslag van de vordering te onderbouwen, terwijl die grondslag in hoger beroep niet meer aan de orde is.

4.4

De rechtbank is er vanuit gegaan dat [geintimeerden] zich als grondslag voor hun subsidiaire vordering hebben beroepen op de hiervoor onder 2.2 geciteerde 4e alinea van de contractsbepalingen onder het kopje “Refunds” (hierna te noemen: de restitutiebepaling), voor het gemak nogmaals geciteerd: “(…)During the Type Rating Training the Pilot will be expected to pass certain checks and examinations. If found unsuccessful then the Pilot may be able to re-sit at the discretion of the Crew Training Manager. If again unsuccessful the training may be cancelled with reimbursement of payments of any unused training minus any costs incurred by [Appellant] .(…)”.

[Appellant] heeft geen grieven gericht tegen dit uitgangspunt. Ook in hoger beroep zal dus worden beoordeeld wat valt onder “any unused training” en daarmee wat precies aan trainingen werd aangeboden op basis van de overeenkomst en welke trainingsonderdelen wel of niet zijn gevolgd.

4.5

De kern van het bezwaar van [Appellant] tegen het bestreden vonnis is dat de rechtbank voor deze beoordeling van de restitutie heeft aangenomen dat niet alleen de hiervoor in 2.4 genoemde onderdelen deel uitmaken van het Type Rating Program, maar dat hiervan eveneens deel uitmaken:

g. Line Flying under Supervision en

h. Line Flying Building Experience (hierna: de onderdelen g. en h.)

en dat de rechtbank vervolgens waarde heeft toegekend aan het feit dat [geintimeerden] deze onderdelen niet hebben kunnen volgen.

In de toelichting op haar grieven heeft [Appellant] uitgebreid betoogd, tegen de achtergrond van Nederlandse en Europese wetgeving, hoe een Type Rating Program in het algemeen is opgebouwd en waarom dat zo is ingericht. [Appellant] stelt dat dit programma slechts de in 2.4 genoemde onderdelen a. tot en met f. omvat. Deze onderdelen moeten succesvol worden afgerond alvorens de piloten in dienst kunnen komen van een partnerluchtvaartmaatschappij van [Appellant] , waarna dan de onderdelen g. en h. bij die luchtvaartmaatschappij doorlopen kunnen worden. Pas daarna kan een piloot op een geregistreerd vliegtuig van een luchtvaartmaatschappij commerciële vluchten uitvoeren.

4.6

[Appellant] heeft echter erkend dat [geintimeerden] door het sluiten van de overeenkomst niet alleen recht kregen op het volgen van een training voor het vliegen op een bepaald type toestel, maar dat zij daarmee ook de garantie kregen dat het succesvol doorlopen van dat programma zou leiden tot een dienstverband bij Farnair voor de duur van een jaar, met de mogelijkheid tot het maken van 500 vlieguren op dat type vliegtuig. Daarmee staat vast dat de gegarandeerde toegang tot dat dienstverband deel uitmaakte van de overeenkomst (onder de voorwaarde dat de training goed zou worden doorlopen). Tijdens dat dienstverband zouden zowel de Line Flying under Supervision als de Line Flying Building Experience LEP -de onderdelen g. en h.- plaats vinden.

De vraag die voorligt is dus niet zozeer of de onderdelen g. en h. deel uitmaken van het Type Rating Program, maar of de gegarandeerde toegang tot het dienstverband bij Farnair een rol dient te spelen bij de uitleg van de restitutiebepaling.

Voor deze uitleg komt het niet slechts aan op de bewoordingen van de overeenkomst, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van hun overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij alle omstandigheden van het geval van belang zijn (de Haviltex-maatstaf).

4.7

[geintimeerden] hebben aangevoerd dat de gegarandeerde toegang tot het dienstverband met Farnair voor hen een essentieel onderdeel van de overeenkomst was, dat dit ook uit de tekst van de overeenkomst blijkt en daarom bij de bepaling van de restitutie moet worden betrokken. Zij wijzen daarbij op de vermelding van de onderdelen g. en h. op pagina 1 van de overeenkomst onder het kopje “Course Content and Duration” en op de vermelding in het kopje daaronder naast de term Type Rating van “LEP 2014” (waarbij LEP slaat op Line Flying Building Experience). Daarnaast wijzen [geintimeerden] op eenzelfde vermelding in de hiervoor onder 2.3 genoemde facturen (“inclusief Line Flying Building Experience LEP”).

4.8

[Appellant] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld om te kunnen concluderen dat [geintimeerden] deze tekst en vermeldingen anders hadden moeten begrijpen. [Appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat de Type Rating uiteen valt in twee onderdelen, in de eerste plaats Groundschool en in de tweede plaats Simulator en Base Training, dat dit laatste onderdeel “en bloc” wordt ingekocht bij de partnerluchtvaartmaatschappij en daarom alleen in zijn geheel kan worden geannuleerd voor aanvang van de simulatorsessies. [Appellant] heeft echter niet aangegeven waar deze tweedeling in de tekst van de overeenkomst met [geintimeerden] is te vinden en ook niet waaruit blijkt dat die tweedeling doorwerkt in de restitutiebepalingen en dat dit concreet met [geintimeerden] is besproken of schriftelijk is gecommuniceerd. De verwijzing naar het trainingsoverzicht dat [geintimeerden] hebben ontvangen (overgelegd als productie 12 bij memorie van grieven in principaal beroep) is geen onderbouwing van deze tweedeling, nu daarin allerlei trainingsonderdelen worden genoemd, waaronder naast de simulatorsessies ook CRM en CBT (die onder de onderdelen a. en b. te vatten zijn).

[Appellant] heeft verder nog aangevoerd dat [geintimeerden] “uitdrukkelijk zijn geïnformeerd over het contract” (maar niet wat er precies is besproken over de restitutie) en voorts dat [geintimeerden] het [Appellant] -contract en het contract met Farnair zouden hebben ingediend voor een financieringsaanvraag, waarbij een rol speelde dat zij door Farnair betaald zouden worden gedurende hun dienstverband. Het feit dat [geintimeerden] , eenmaal in dienst bij Farnair, recht zouden hebben op “remuneration” (een maandsalaris en een dagvergoeding) leidt echter zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot de conclusie dat bij restitutie na tussentijdse beëindiging geen rekening gehouden zou moeten worden met de door [Appellant] afgegeven garantie voor een dienstverband bij Farnair. [geintimeerden] hebben nu juist betoogd dat zij [Appellant] hebben betaald om toegang te krijgen tot dit dienstverband en vlieguren te kunnen maken, waarbij de betaling aan [Appellant] los staat van de vergoeding die zij van Farnair zouden ontvangen. [Appellant] heeft dit laatste niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist.

[Appellant] heeft voorts nog gewezen op de passage in de overeenkomst op pagina 1 onder “Pricing” en de daar genoemde twee betaaltermijnen. Dat de tweede termijn zou moeten worden betaald voor start van de simulatortraining zegt echter op zich beschouwd nog niets over de vraag of tussen [Appellant] enerzijds en [geintimeerden] anderzijds is overeengekomen dat na aanvang van de simulatorsessies geen restitutie meer zou plaatsvinden in geval van tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

[Appellant] heeft daarmee onvoldoende gesteld om toe te komen aan het bewijsaanbod, dat zij pas heeft uitgewerkt in de memorie van antwoord in incidenteel beroep. Dat bewijsaanbod is ook niet ter zake dienend. [Appellant] biedt namelijk aan te bewijzen dat de onderdelen g. en h. niet tot haar verplichtingen uit de overeenkomst gerekend kunnen worden, maar zoals hiervoor overwogen is dat niet de vraag die voorligt. [Appellant] heeft niet gesteld (en biedt ook niet te bewijzen aan) dat besproken is met [geintimeerden] , of dat dezen op andere wijze hadden moeten begrijpen, dat zij bij tussentijdse beëindiging van de training op het moment zoals dit nu is gebeurd geheel geen recht meer zouden hebben op restitutie.

De conclusie luidt dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat onder “any unused training” mede begrepen dient te worden de door [Appellant] afgegeven en niet benutte garantie voor een dienstverband bij Farnair. Hieruit volgt dat [geintimeerden] recht hebben op restitutie van de waarde van alle onderdelen van het programma die zijn vermeld in de overeenkomst en die zij niet hebben doorlopen na de tussentijdse beëindiging van de overeenkomst. waaronder de gegarandeerde toegang tot het dienstverband met Farnair.

De grieven IV en V in het principaal beroep falen hiermee.

4.9

Datzelfde geldt voor het incidenteel beroep, voor zover [geintimeerden] daarmee betogen dat ook de waarde van vóór de tussentijdse beëindiging niet gevolgde trainingsdagen (hiervoor genoemd in 2.5 onder a. tot en met c.) zou moeten worden vergoed. Een redelijke uitleg van de restitutiebepaling (met name van het begrip “any unused training”) leidt er toe dat voor trainingsonderdelen die met succes zijn doorlopen (ook al was dat in minder tijd dan beloofd) geen restitutie kan worden gevraagd.

4.10

De rechtbank heeft overwogen dat aan [geintimeerden] in de eerste plaats vergoeding toekomt voor 12 uur aan niet genoten simulatorsessies en heeft de waarde daarvan (op de voet van artikel 6:97 BW) begroot op € 305,53 per uur, op basis van een door [geintimeerden] gemaakte berekening (in alinea 37 van de inleidende dagvaarding), dus in totaal op € 3.666,36.

Met grief VI valt [Appellant] deze beslissing aan door (nogmaals) te betogen dat [Appellant] zelf de “simulator en flight training” als één blok heeft ingekocht bij Farnair, dat trainingsonderdelen voor vliegopleidingen überhaupt alleen “en bloc” kunnen worden ingekocht en dat daarom een berekening per uur van gemiste simulatorsessies niet mogelijk is. Dat [Appellant] zelf de trainingsonderdelen en bloc inkocht bij Farnair kan zo zijn, maar niet gebleken is (zoals hiervoor ook al overwogen) dat dit is verwerkt in de overeenkomst tussen [Appellant] enerzijds en [geintimeerden] anderzijds. Als wel rekening gehouden zou worden met het en bloc inkopen door [Appellant] dan zou het recht op restitutie zeer worden beperkt ten nadele van [geintimeerden] . Als dat de bedoeling was van [Appellant] , dan had zij dit duidelijk dienen vast te leggen in de overeenkomst. Nu dit aspect daarin niet terug te vinden is, brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst mee dat de waarde van de gemiste simulatorsessies wordt begroot. Dat in de praktijk simulatorsessies niet per uur worden afgerekend, zoals [Appellant] stelt, betekent niet dat geen begroting kan plaatsvinden op de manier zoals de rechtbank dat gedaan heeft.

4.11

In incidenteel beroep hebben [geintimeerden] hun standpunt over de waarde van de niet genoten simulatorsessies gewijzigd, onder verwijzing naar een mailbericht van Farnair van 4 juni 2014, waaruit zou blijken dat de kosten van een simulatorsessie (van vier uur) € 2.000,- bedragen. Nu [geintimeerden] drie sessies hebben gemist bedraagt de waarde daarvan € 6.000,-.

[Appellant] heeft deze begroting van de waarde onvoldoende gemotiveerd betwist door slechts aan te voeren “de veronderstelling dat de opgave van de kosten van de extra training een representatieve weergave vormt van de kosten per simulator test wordt door [Appellant] niet gedeeld”, zonder duidelijk te maken waarom de opgave door Farnair geen goede basis voor een waardebepaling zou zijn.

Het hof gaat daarmee uit van een waarde van € 6.000,- voor de niet genoten simulatorsessies.

Grief VI in principaal beroep faalt in zoverre.

4.12

[geintimeerden] hebben voorts in incidenteel beroep aangevoerd dat de niet genoten Base Training (het hiervoor in 2.4 genoemde onderdeel e.) bestaat uit het taxiën en vliegen met het vliegtuig en het maken van 6 starts en landingen. Voor de begroting van de waarde van dit niet genoten onderdeel hebben [geintimeerden] verwezen naar een advertentie van Farnair voor een training op het type ATR42/72 waar het hier omgaat, waarbij het verschil tussen een training met Base Training en zonder dat onderdeel € 3.000,- bedraagt. [Appellant] heeft deze begroting van de waarde van de Base Training betwist door er op te wijzen dat de advertentie waar naar verwezen wordt een speciale promotie van Farnair uit 2015 betreft waarmee niet ingevulde time-slots voor de simulator worden benut, zodat de genoemde totaalprijs niet representatief is voor de waarde van de door [geintimeerden] gemiste training, die in 2014 had dienen plaats te vinden. [Appellant] is echter niet ingegaan op de redenering van [geintimeerden] over het verschil van het geadverteerde bedrag met en zonder Base training en heeft daarmee de stellingen van [geintimeerden] op dit punt onvoldoende betwist.

Het hof gaat dus uit van een waarde van € 3.000,- voor de niet genoten Base Training.

4.13

Zowel [Appellant] als [geintimeerden] hebben bezwaar gemaakt tegen de begroting door de rechtbank, die de waarde van de gemiste onderdelen e. (Base Training) en g. en h. heeft begroot op 25% van de door [geintimeerden] betaalde totaalprijs van € 34.500,- te weten € 8.625,-.

[Appellant] heeft daarbij haar betoog herhaald dat de onderdelen g. en h. niet deel uitmaken van het Type Rating Program. [Appellant] stelt voorts dat de rechtbank zich ten onrechte heeft laten leiden door de als productie 19 bij conclusie van repliek overgelegde mail van 3 september 2014, waarin [x] namens [Appellant] aan [geintimeerden] het volgende meedeelt:

“(…) Farnair heeft een bevestiging gestuurd voor een restitutie van € 4.000,- voor de kosten van de Line Training (LEP). Dit vind ik onacceptabel en zal een tegenvoorstel doen om zoveel mogelijk kosten van niet genoten training terug te vorderen.(…)”.

Volgens [Appellant] betreft deze terugvordering de kosten van een Change of Operator Course en niet de onderdelen g. en h.

[geintimeerden] betogen met verwijzing naar de in 4.12 genoemde advertentie van Farnair dat de waarde van de gemiste onderdelen g. en h. bepaald zou moeten worden op

€ 14.600,-.

Op grond van de hiervoor uiteengezette uitleg van de restitutiebepaling zal het hof niet de waarde bepalen van de onderdelen g. en h. op zich beschouwd, maar de waarde van de gegarandeerde toegang tot het dienstverband met Farnair. Gelet op het feit dat die garantie een essentieel onderdeel van de overeenkomst vormde en tevens gelet op het feit dat voor de gemiste Base Training hiervoor al een waarde is bepaald, zal het hof de waarde ex aequo et bono bepalen op € 6.000,-.

Grief VII principaal beroep is in zoverre behandeld, evenals het incidentele beroep dat dit punt betreft.

4.14

[geintimeerden] hebben tenslotte in incidenteel beroep nog restitutie gevraagd van de waarde van een onderdeel van de Ground School bestaande uit een Change of Operator Course, die een (werk)week zou duren (het hiervoor in 2.4 genoemde onderdeel f.). De rechtbank heeft de waardebepaling van dit onderdeel niet besproken. Volgens [geintimeerden] kan de waarde daarvan geschat worden op € 500,- (€ 100,- per dag), uitgaande van de kosten van een docent en een klaslokaal. [Appellant] heeft ook op dit punt haar standpunt slechts herhaald dat geen restitutie hoeft plaats te vinden, omdat de piloten op het moment dat dit trainingsonderdeel gegeven zou worden al in dienst zouden zijn van Farnair. Deze redenering gaat niet op, zoals hiervoor overwogen. Nu [Appellant] weliswaar heeft aangevoerd dat het hier geen klassikale theoretische training betreft maar een brand/evacuatieoefening, doch de begroting van de waarde door [geintimeerden] niet heeft weersproken en ook geen ander bedrag aan waarde heeft genoemd, zal voor dit onderdeel een bedrag van € 500,- worden begroot.

4.15

In de toelichting op haar grief VII heeft [Appellant] betoogd dat zij kosten heeft gemaakt om [geintimeerden] een tweede herkansing te bieden. Het hof acht het een redelijke uitleg van de restitutiebepaling (“any unused training minus any costs incurred by [Appellant] ”)

om de kosten van de herkansing in Rotterdam (in totaal € 1.400,-) in mindering te brengen op de terugbetaling aan [geintimeerden] , nu dit onvoorziene kosten zijn voor [Appellant] die rechtstreeks met de nakoming van de overeenkomst met [geintimeerden] te maken hebben en het aannemelijk is dat deze kosten gemaakt zijn. De kosten voor extra overleg met Farnair en daarvoor gemaakte reiskosten zullen niet in aanmerking worden genomen, nu [Appellant] zelf heeft aangegeven dat dit overleg is gevoerd in de marge van een algehele evaluatie van trainingsresultaten die periodiek gehouden wordt tussen [Appellant] en Farnair.

4.16

Recapitulerend dient [Appellant] aan [geintimeerden] terug te betalen € 15.500,-

(€ 6.000,- aan gemiste simulatorsessies, € 3.000,- aan een gemiste Base Training, € 6.000,- voor de gemiste gegarandeerde toegang tot een dienstverband met Farnair en € 500,- voor een gemiste Change of Operator Course) minus € 1.400,- aan door [Appellant] gemaakte kosten.

Per saldo dient [Appellant] dus € 14.100,- te betalen aan zowel [Geintimeerde 1] als aan [geintimeerde 2] .

Grief VIII in het principaal beroep (een veeggrief) is hiermee behandeld en de vordering tot terugbetaling van hetgeen [Appellant] heeft voldaan uit hoofde van de veroordeling in het bestreden vonnis zal worden afgewezen.

5 De slotsom

5.1

De grieven in het principaal beroep falen, maar het incidenteel beroep gaat deels op. Het bestreden vonnis zal daarom worden vernietigd en [Appellant] zal worden veroordeeld tot betaling aan zowel aan [Geintimeerde 1] als aan [geintimeerde 2] van € 14.100,-.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [Appellant] in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geintimeerden] zullen (conform het bestreden vonnis) worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,19

- griffierecht € 78,-

subtotaal verschotten € 172,19.

- salaris advocaat € 2.034,- (4,5 punten x tarief II oud ad € 452,- per punt).

De kosten voor de procedure in zowel principaal als incidenteel hoger beroep aan de zijde van [geintimeerden] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 314,-

- salaris advocaat € 2.685,- ( punt x appeltarief II ad € 1.074,- per punt).

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

6.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) van 17 augustus 2016 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [Appellant] tot betaling aan [Geintimeerde 1] van € 14.100,- en tot betaling aan [geintimeerde 2] van

€ 14.100,-, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 29 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

6.2

veroordeelt [Appellant] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geintimeerden] gezamenlijk wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op

€ 172,19 voor verschotten en op € 2.034,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 314,- voor griffierecht en op € 2.685,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen genoemde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

6.3

veroordeelt [Appellant] in de nakosten, begroot op € 246,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [Appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

6.4

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, B.J. Engberts en J. Beuving en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2019.