Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:3102

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-04-2019
Datum publicatie
19-04-2019
Zaaknummer
18/00356
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2018:1833, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1387
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

LB/PVV. Privégebruik auto. Twee vakantieritten dienen als privé te worden aangemerkt. Waarde geïmporteerde auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 19-04-2019
FutD 2019-1101
V-N Vandaag 2019/962
Belastingadvies 2019/14.6
V-N 2019/34.1.1
Viditax (FutD), 20-09-2019
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 18/00356

uitspraakdatum: 9 april 2019

Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 april 2018, nummer AWB 17/5728, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Team Auto/PGA (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een naheffingsaanslag in de loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 8.402. Daarbij is hem voorts bij beschikking belastingrente in rekening gebracht ten bedrage van € 383.

1.2.

Deze naheffingsaanslag en beschikking inzake de belastingrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd door de Inspecteur.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen die uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede [A] namens de Inspecteur.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is directeur en enig aandeelhouder van de vennootschap [B] b.v. te [Z] (hierna: de Holding). De Holding heeft aan belanghebbende in 2015 een personenauto (Renault Twingo) ter beschikking gesteld. Ter zake hiervan is op de voet van artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) een ‘bijtelling’ tot het loon van belanghebbende van de Holding gerekend.

2.2.

De Holding houdt 50% van de aandelen in [C] b.v. die op haar beurt alle aandelen in de vennootschap [D] oefenen b.v. (hierna: [D] ) in haar bezit heeft. [D] verzorgt onder meer trainingen voor de brandweer. Daartoe wordt belanghebbende tegen een managementvergoeding door [D] ‘ingehuurd’ van de Holding. Belanghebbende is niet in civielrechtelijke dienstbetrekking werkzaam bij [D] .

2.3.

Voor het verrichten van de werkzaamheden ten behoeve van [D] heeft deze vennootschap belanghebbende een auto van het merkt Volvo, voorzien van het kenteken [0-YYY-00] (hierna: de Volvo) ter beschikking gesteld. De Volvo is in het buitenland op 24 november 2011 voor het eerst op kenteken gesteld. In 2013 is de Volvo vervolgens geïmporteerd in Nederland en in het Nederlandse kentekenregister geregistreerd. Ter zake daarvan is een bedrag van € 3.828 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen voldaan (hierna: bpm). De Volvo is door [D] in 2013 aangeschaft. Alle kosten met betrekking tot de Volvo worden door [D] gedragen.

2.4.

Op verzoek van belanghebbende heeft de Inspecteur hem met betrekking tot de Volvo een ‘verklaring geen privégebruik auto’ verstrekt.

2.5.

In 2015 heeft belanghebbende met betrekking tot de Volvo een rittenadministratie bijgehouden. De Volvo is door belanghebbende in 2015 van 20 februari tot en met 2 maart gebruikt voor een vakantie naar Oostenrijk en van 6 juli tot en met 20 juli voor een vakantie naar Noorwegen. In totaal heeft belanghebbende ten behoeve van deze vakanties 5.621 kilometers met de Volvo gereden. Belanghebbende heeft voor het gebruik van de Volvo voor de vakantieperioden een huurovereenkomst met [D] gesloten. Op grond daarvan heeft belanghebbende een zakelijke vergoeding voor het gebruik van de Volvo aan [D] betaald van € 1.106. Voorts heeft belanghebbende de brandstofkosten en vignetkosten voor zijn rekening genomen.

2.6.

De Inspecteur heeft op grond van deze vakantieritten geconcludeerd dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de Volvo in 2015 voor niet meer dan 500 kilometers voor privédoeleinden is gebruikt. Daarom heeft de Inspecteur de onderhavige naheffingsaanslag loonheffingen ten bedrage van € 8.402 aan belanghebbende opgelegd. Het bedrag van de nageheven loonheffing is als volgt door de Inspecteur berekend:

“ Berekening

De bijtelling per jaar is 25% van de cataloguswaarde € 64.592.

Dat is op jaarbasis € 16.148. Per maand is dit € 1.345,66.

In mindering wordt gebracht de eigen bijdrage. Deze bedraagt € 92,17 per

maand. Resteert een bijtelling van 1.253,49 per maand, dit is € 15.041 op

jaarbasis.

Het maandloon van belanghebbende bedraagt volgens zijn opgaaf € 4.774. Na toepassing van de bijtelling bedraagt het loon € 4.774 + € 1.253,49, oftewel € 6.027.

Volgens de witte maandtabel 2015 is de loonbelasting bij een loon van € 4.774, volgens de eerste kolom (met heffingskorting) € 1.640,50.

Volgens dezelfde tabel is de loonbelasting bij een loon van € 6.027 € 2.340,67. Het verschil bedraagt per maand € 700,17, oftewel op jaarbasis € 8.402.”.

2.7.

Belanghebbende heeft vergeefs bezwaar en beroep aangetekend tegen de onderhavige naheffingsaanslag en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente van € 383.

3 Geschil

In hoger beroep is in geschil of de Inspecteur terecht de onderhavige naheffingsaanslag ter zake van privégebruik van de Volvo heeft opgelegd.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Partijen verschillen, getuige ook het door belanghebbende aan de Inspecteur gedane verzoek tot verstrekking van de ‘verklaring geen privégebruik’ (zie 2.4), kennelijk niet van mening dat de Volvo – behoudens de in 2.5 genoemde vakantieperioden – aan belanghebbende als werknemer van Holding door de met Holding verbonden vennootschap [D] ter beschikking is gesteld in de zin van de regeling van de autokostenfictie (artikel 13bis, lid 1, van de Wet). Nu aannemelijk is dat de Volvo met medeweten van Holding (de werkgever van belanghebbende) door [D] ter beschikking aan belanghebbende is gesteld en vaststaat dat [D] de kosten van de Volvo niet doorberekent aan de Holding, is dat naar het oordeel van het Hof juist (vgl. HR 1 november 2000, nr. 316, ECLI:NL:HR:2000:AA7993 en HR 29 mei 2015, nr. 13/04993, ECLI:NL:HR:2015:1360). De enkele stelling van belanghebbende dat hij niet in (civielrechtelijke) dienstbetrekking is van [D] kan in zoverre aan de naheffing niet afdoen.

4.2.

Met zijn betoog pdat de Volvo in de vakantieperioden tegen een zakelijke vergoeding is gehuurd van [D] stelt belanghebbende naar het oordeel van het Hof in wezen dat de Volvo hem in die perioden niet ter beschikking is gesteld in de zin van de wettelijke zogenoemde autokostenfictieregeling (art. 13bis van de Wet). Dit betoog treft naar het oordeel van het Hof echter geen doel. De tussen dezelfde partijen (belanghebbende en [D] ) overeengekomen kortstondige verhuur van de Volvo doorbreekt naar het oordeel van het Hof de in overweging 4.1 bedoelde terbeschikkingstelling van de Volvo niet.

4.3.

Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de Volvo gedurende het gehele jaar 2015 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld in de zin van de autokostenfictieregeling. Alsdan rust op belanghebbende de last te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat de Volvo in 2015 voor niet meer dan 500 kilometers voor privédoeleinden is gebruikt (artikel 13 bis, leden 1 en 3, van de Wet). Nu de ter zake van de twee vakanties met de Volvo gereden kilometers als privé dienen te worden aangemerkt, is belanghebbende daarin naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. De Inspecteur heeft derhalve terecht een ‘bijtelling’ op de voet van de autokostenfictieregeling tot het loon van belanghebbende gerekend.

4.4.

Het voordeel van de terbeschikkingstelling van de Volvo bedraagt 25% van de waarde van de auto (artikel 13bis, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet). De ‘waarde van de auto’ wordt, voor zover hier van belang, gesteld op ‘de catalogusprijs in de zin van artikel 9 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen 1992 vermeerderd met de belasting van de personenauto’s en motorrijwielen ingevolge de artikelen 9 tot en met 9c van genoemde wet’ (artikel 13bis, lid 7, van de Wet). De Inspecteur heeft gemotiveerd – onder verwijzing naar data in www.Kentekencheck.nu – gesteld dat de catalogusprijs van de Volvo zoals vastgesteld door de importeur of fabrikant van de auto op de datum van eerste toelating € 64.592 bedroeg. Het Hof acht dit aannemelijk. De omstandigheid dat ter zake van de overbrenging van de Volvo naar Nederland en de registratie ervan in het Nederlandse kentekenregister een rest-bpm was verschuldigd van € 3.818 is in dit verband niet van belang. Dat bedrag is immers beïnvloed door de regels van het in artikel 10 van de Wet BPM vervatte afschrijvingsregime.

4.5.

De berekening van de onderhavige naheffingsaanslag als zodanig is voor het overige niet bestreden door belanghebbende. Opmerking verdient nog dat de Inspecteur terecht (zie 2.6) het bedrag van € 1.106, dat in wezen een door belanghebbende aan [D] betaalde vergoeding voor het gebruik van de Volvo voor privédoeleinden vormt, in mindering heeft gebracht op het bedrag van de bijtelling (art. 13bis, lid 8, van de Wet).

4.6.

De naheffingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.

Belastingrente

4.7.

Met betrekking tot de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen zelfstandige grieven door belanghebbende aangevoerd. Nu de naheffingsaanslag in stand blijft, ziet het Hof geen grond voor een vermindering van de beschikking inzake de belastingrente.

Slotsom


Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2019

De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

De raadsheer,

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 9 april 2019.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH DEN HAAG.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.