Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2969

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
09-04-2019
Zaaknummer
200.241.341
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verzoek tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking binnen de termijn van zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, gedaan. Verzoeken in hoger beroep ten aanzien van nevenvoorzieningen niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0100
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.241.341

(zaaknummer rechtbank Gelderland 330114)

beschikking van 2 april 2019

inzake

[verzoeker] ,

thans wonende te [woonplaats] , gemeente [plaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. J.A. van Essen te Breda, thans mr. M. Simons te Breda,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [plaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.J.M. van Gruijthuijsen-van Gent te Zaltbommel.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2018, verder te noemen: de bestreden beschikking, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1 tot en met 5, ingekomen op 22 juni 2018;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties 1 tot en met 7;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties 6 tot en met 13;

- een journaalbericht van mr. Simons van 13 maart 2019 met een brief van mr. Simons van 13 maart 2019 die door mr. van Gruijthuijsen-van Gent voor gezien en akkoord mede is ondertekend.

2.2

De advocaten van partijen hebben het hof bij voormelde brief van 13 maart 2019 bericht dat zij afzien van de op 14 maart 2019 geagendeerde mondelinge behandeling.

3 De feiten

3.1

Partijen zijn op [trouwdag] 2007 in de gemeente [plaats] gehuwd. In de bestreden beschikking van 26 maart 2018 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] , en

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [plaats] ,

gezamenlijk verder te noemen: de kinderen, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 19 januari 2018 heeft de rechtbank - na overeenstemming tussen partijen - onder meer de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van die datum vastgesteld op € 172,- per kind per maand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 1.250,- per maand en de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 172,- per kind per maand, beide bijdragen telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

4.2

De man is - naar het hof begrijpt - met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw. De man verzoekt het hof in principaal hoger beroep de bestreden beschikking onder punt 3 en 5 te vernietigen en te bepalen dat hij ter zake kinderalimentatie met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw € 83,- per kind per maand bij vooruitbetaling zal voldoen en de partneralimentatie vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op nihil vast te stellen nu de man geen draagkracht heeft om zulks te voldoen.

4.3

De vrouw voert in principaal hoger beroep verweer en is met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op het gezinsinkomen van partijen in het kader van de berekening van de behoefte van de kinderen en de behoefte van de vrouw. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep - uitvoerbaar bij voorraad - de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans hem zijn verzoeken te ontzeggen en de gezamenlijk gezag te bekrachtigen voor zover het de partneralimentatie betreft en in incidenteel hoger beroep - uitvoerbaar bij voorraad - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vast te stellen op € 186,- per kind per maand, en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud met ingang van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vast te stellen op € 850,- bruto per maand, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

4.4

De man voert verweer in incidenteel hoger beroep. Hij verzoekt het hof, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de behoefte van de kinderen vast te stellen op € 475,- per kind per maand en de door de vrouw verzochte partneralimentatie af te wijzen, de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking vast te stellen op € 127,- per kind per maand en de door de vrouw verzochte partneralimentatie af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en de behoefte als mede de draagkracht van de man inzake de partneralimentatie vast te stellen op nihil, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De advocaat van man deelt het hof in voormelde brief van 13 maart 2019 mee dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen. Partijen zijn overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2019 een kinderalimentatie zal voldoen van € 129,- per kind per maand. De man heeft geen draagkracht voor partneralimentatie en daarom verzoeken partijen thans de partneralimentatie met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op nihil te stellen. Verder zijn partijen overeengekomen dat de man de achterstand in de kinderalimentatie van € 1.639,- en op grond van de bepalingen in eerste aanleg ten aanzien van de kosten verbonden aan de echtelijke woning een bedrag van € 8.328,33 aan de vrouw dient te voldoen. Partijen verzoeken het hof de regelingen die zij zijn overeengekomen te bekrachtigen in deze beschikking.

Daarbij verzoeken partijen de echtscheiding, die in de bestreden beschikking is uitgesproken onder punt 1, te bekrachtigen. Dit in verband met het feit dat de echtscheiding voor 17 februari 2019 diende te zijn ingeschreven en dat niet is gebeurd. Partijen wensen alsnog zo spoedig mogelijk over te gaan tot inschrijving van de echtscheiding.

Tot slot worden, voor zover vereist, de niet in overeenstemming zijnde verzoeken en grieven van partijen over en weer ingetrokken.

5.2

Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de echtscheiding met nevenvoorzieningen tussen partijen uitgesproken. Ontbinding van het huwelijk komt vervolgens tot stand door inschrijving van de beschikking waarin de echtscheiding is uitgesproken in de registers van de burgerlijke stand.

In artikel 1:163 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de echtscheidingsbeschikking haar kracht verliest indien het verzoek tot inschrijving niet is gedaan uiterlijk zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Beslissingen op in de echtscheidingsprocedure verzochte nevenvoorzieningen in de zin van artikel 827 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verliezen daarmee eveneens hun kracht.

5.3

Het principaal en het incidenteel hoger beroep richten zich uitsluitend tegen de kinderalimentatie en de partneralimentatie. Geen van partijen heeft hoger beroep ingesteld tegen de bij de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding. Omdat het principaal en incidenteel hoger beroep zich niet ten minste, direct of indirect, richt tegen de echtscheiding zelf, heeft dit niet tot gevolg dat de werking van de beschikking als geheel wordt geschorst. Partijen hebben toegelicht dat zij geen verzoek tot inschrijving van de echtscheidings-beschikking binnen de voormelde termijn van zes maanden na de dag waarop de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, hebben gedaan. Het gevolg daarvan is dat de echtscheidingsbeschikking van 26 maart 2018 haar kracht heeft verloren. Hieruit volgt dat partijen nog gehuwd zijn. Van een echtscheiding tussen partijen is geen sprake, noch van een procedure daartoe, zodat voor het ingestelde beroep tegen de in de echtscheidingsbeschikking opgenomen beslissingen aangaande de nevenvoorzieningen een rechtsgrond ontbreekt, alsmede enig belang bij de behandeling daarvan.

5.4

Het vorenstaande brengt met zich dat partijen naar het oordeel van het hof niet meer kunnen worden ontvangen in hun verzoeken in principaal en incidenteel hoger beroep.

5.5

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen echtgenoten zijn en de procedure de echtscheiding, de bijdrage aan de uit hun relatie geboren kinderen en een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

verklaart de man niet-ontvankelijk in het principaal hoger beroep;

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in het incidenteel hoger beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is op 2 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.