Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2921

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-04-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
200.237.255
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2020:1633, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

70f lid 3 en lid 5 Pachtwet. De kern van de zaak is de kwalificatie van de tussen partijen gesloten gebruikersovereenkomst van 2006. Het is geen teeltovereenkomst als bedoeld in artikel 70f lid 3 Pachtwet omdat niet aan de formele vereisten is voldaan. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten voor een eenmalige pachtovereenkomst. Het hof oordeelt dat het een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van één jaar is. De door de grondkamer vastgestelde pachtprijs heeft te gelden als de tussen partijen overeengekomen pachtprijs. Dit betekent dat de vordering van verpachter tot betaling van de helft van de afgesproken pachtsom alsnog wordt afgewezen en de vordering van pachter tot terugbetaling van het teveel door hem betaalde wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2019/478
TvAR 2020/8012, UDH:TvAR/15995 met annotatie van E.H.M. Harbers
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem


afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.237.255

(zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 5984261)

arrest van de pachtkamer van 2 april 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente]

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.A. de Oude,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente]

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.C. Teeuw.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 mei 2018 hier over.

1.1

Het verdere verloop blijkt uit:

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 17 augustus 2018,

- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis,

- de memorie van antwoord.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellant] vordert in het hoger beroep - samengevat en na wijziging van eis - het vonnis van 3 januari 2018 te vernietigen en
1. te verklaren voor recht dat de tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen grondgebruikersovereenkomst in 2006 wegens het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 70f lid 1 onder d en leden 2 en 3 Pachtwet aangemerkt dient te worden als een reguliere pachtovereenkomst voor korte duur met ingang van 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2006 tegen een pachtprijs van € 7.270 per jaar voor het geheel, een en ander met inachtneming van de beschikking van de grondkamer van 4 juli 2016,
2. [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van het door [appellant] te veel betaalde bedrag van € 1.451, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 mei 2006,
3. [geïntimeerde] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente en nakosten.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten:

2.1

[geïntimeerde] pachtte van Domeinen het perceel kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie C, nummer 246, groot circa 9.18.00 ha. In november 2005 hebben partijen gesproken over de verpachting van dit perceel aan [appellant] voor de teelt van pootaardappelen. Op 16 februari 2006 hebben partijen een grondgebruikersovereenkomst gesloten met betrekking tot dat perceel voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006. Handgeschreven is toegevoegd:
“Aan u verhuurd voor 1 jaar voor pootaardappelen: à € 1.900,=/ha”.

2.2

In mei 2006 heeft [appellant] een bedrag van € 8.721 betaald aan [geïntimeerde] . Dit is de helft van de tussen partijen overeengekomen pachtsom.

2.3

De pootaardappelen bleken ernstig aan schurft te lijden. Partijen (of hun verzekeraars) hebben over en weer deskundigenonderzoeken laten verrichten.

2.4

Bij factuur van 8 september 2006 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van
€ 1.294,25 in rekening gebracht voor aardappelen selecteren in juni en juli 2006.

2.5

Bij brief van 21 december 2011 is namens [geïntimeerde] aan [appellant] een sommatie verstuurd voor het restantbedrag aan pacht van € 8.721 en het bedrag van € 1.294,25.

2.6

Bij verzoek van 14 december 2015 heeft [geïntimeerde] de grondkamer Noordwest verzocht de grondgebruikersovereenkomst vast te leggen als geliberaliseerde pacht voor de duur van één jaar en subsidiair als een reguliere pachtovereenkomst voor korte duur. De grondkamer heeft bij beschikking van 16 juni 2016, verzonden op 4 juli 2016, de gevraagde goedkeuring als bedoeld in artikel 7:325 lid 3 BW verleend en de overeengekomen pachtprijs gewijzigd in € 7.270 per jaar. De aldus gewijzigde overeenkomst is goedgekeurd.

2.7

Bij brief van 30 december 2016 heeft [geïntimeerde] [appellant] gesommeerd de bedragen van € 8.721 en € 1.295,25 binnen 30 dagen te voldoen. [appellant] heeft daaraan niet voldaan.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[appellant] heeft in eerste aanleg in conventie een verklaring van recht gevorderd dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van één jaar is overeenkomstig de beslissing van de grondkamer. Voorts heeft hij terugbetaling gevorderd van het bedrag van € 1.451,- dat hij gelet op deze beslissing teveel heeft betaald. [geïntimeerde] heeft in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomst tussen partijen een teeltpachtovereenkomst is, althans een overeenkomst van eenmalige pacht dan wel geliberaliseerde pacht met veroordeling van [appellant] tot betaling van de bedragen van € 8.721 en € 1.294,25, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2

De pachtkamer heeft bij vonnis van 3 januari 2018 in conventie en in reconventie voor recht verklaard dat de overeenkomst is te beschouwen als een teeltpachtovereenkomst en [appellant] veroordeeld beide gevorderde bedragen aan [geïntimeerde] te betalen, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

De kern van de zaak is de kwalificatie van de tussen partijen gesloten gebruikersovereenkomst van 2006. Het hof oordeelt dat deze moet worden aangemerkt als een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van één jaar. De door de grondkamer vastgestelde pachtprijs heeft te gelden als de tussen partijen overeengekomen pachtprijs. Dit betekent dat de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de helft van de pachtsom alsnog wordt afgewezen en de vordering van [appellant] tot terugbetaling van het teveel door hem betaalde wordt toegewezen. Wat de factuur voor selectiewerkzaamheden betreft, kan [geïntimeerde] de factuur verrekenen met wat ze aan [appellant] moet betalen. Het hof legt hieronder uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

4.2

Op grond van artikel 70f lid 3 Pachtwet dient de inzending ter registratie van een teeltpachtovereenkomst binnen twee maanden nadat deze is aangegaan, te hebben plaatsgevonden. Vast staat dat niet is voldaan aan deze eis omdat de grondgebruikers-overeenkomst pas in december 2015 is ingezonden. Deze vereisten gelden op grond van de wet en zijn van dwingend recht in de zin dat daarvan niet ten nadele van de pachter mag worden afgeweken. Nu de teeltpachtovereenkomst niet (tijdig) is ingezonden ter registratie, geldt dat partijen een pachtovereenkomst hebben gesloten waarvoor het normale pachtregime geldt (Hof Arnhem, 2 maart 2004, Pr juni 2004/4, [A] / [B] ). Niet in geschil is dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar. De grondkamer heeft goedkeuring verleend aan de korte duur zodat er voorlopig van moet worden uitgegaan dat tussen partijen een reguliere pachtovereenkomst voor de duur van één jaar is gesloten met een pachtprijs van € 7.670 per jaar.

4.3

[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat aan de formele vereisten moet worden voorbijgegaan. Nu die vereisten tot bescherming van de pachter strekken, ziet het hof geen aanleiding om aan de vereisten voorbij te gaan. Voorts voert zij aan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [appellant] zich beroept op pachtbescherming. Het opzij zetten van dwingendrechtelijke beschermingsbepalingen vereist echter nogal wat. [geïntimeerde] voert aan dat [appellant] willens en wetens heeft ingestemd met de eenjarige pacht voor een hoge pachtsom en desondanks weigert de helft te betalen. Dit is niet voldoende. Het feit dat [appellant] heeft ingestemd met deze constructie maakt niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij zich later alsnog op deze beschermingsbepaling beroept. De grieven 2 en 4 van [appellant] slagen dus. Er is geen teeltpachtovereenkomst. Dat brengt mee dat het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep moet beoordelen of er sprake is van een geliberaliseerde overeenkomst.

4.4

Omdat de overeenkomst is gesloten onder het oude recht, gaat het om de vraag of partijen een eenmalige pachtovereenkomst hebben gesloten als bedoeld in artikel 70f lid 5 Pachtwet. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden aangevoerd om te oordelen dat partijen bij hun overeenkomst hebben bepaald dat de bepalingen die genoemd zijn in dat vijfde lid niet van toepassing zijn op hun pachtovereenkomst. Het enkele feit dat partijen een overeenkomst voor één jaar zijn aangegaan tegen een hogere dan de reguliere pachtprijs is daartoe onvoldoende.

4.5

Het hof zal de door [appellant] gevorderde verklaring van recht dat de pachtverhouding is aan te merken als een reguliere pachtovereenkomst voor één jaar met bepalingen overeenkomstig de beschikking van de grondkamer alsnog afgeven. Daarnaast zal [geïntimeerde] worden veroordeeld om het door [appellant] teveel betaalde aan hem terug te betalen. Die vordering is niet verjaard omdat de vordering pas is ontstaan door de beslissing van de grondkamer van 16 juni 2016 en [appellant] ook pas toen met het bestaan van deze vordering bekend is geworden (zie artikel 3:309 BW). Omdat niet is aangevoerd en ook niet kan worden aangenomen dat [geïntimeerde] te kwader trouw was (artikel 6:205 BW), is zij pas in verzuim gekomen met de terugbetaling na ingebrekestelling door [appellant] . [appellant] heeft niet gesteld per welke datum hij [geïntimeerde] voor het eerst heeft gesommeerd de vordering uit onverschuldigde betaling te betalen. Daarom gaat het hof uit van de datum van de dagvaarding in eerste aanleg, 3 mei 2017, als de ingangsdatum van de wettelijke rente.

4.6

[appellant] voert in zijn vijfde grief primair aan dat de pachtkamer ten onrechte heeft overwogen dat de vordering tot betaling van selectiewerkzaamheden niet is verjaard. De grief slaagt op dit onderdeel. De factuur dateert van 8 september 2006 en eerst bij brief van 21 december 2011 is namens [geïntimeerde] gesommeerd tot betaling. Toen waren er meer dan vijf jaren verstreken. [geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat de factuur “eerst eind 2006 opeisbaar” is geworden maar zij heeft dat niet toegelicht. Het hof kan die opmerking ook niet plaatsen omdat op de factuur staat dat per omgaande moet worden betaald. Andere stuitingshandelingen (vóór de sommatie van 21 december 2011) zijn niet gesteld.

4.7

In het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep geldt dat [geïntimeerde] zich subsidiair op verrekening beroept. Dat verweer slaagt. Wil [geïntimeerde] kunnen verrekenen, dan moet vaststaan dat [geïntimeerde] , althans haar echtgenoot, in opdracht van [appellant] selectiewerkzaamheden heeft verricht. [appellant] betwist dat in de vijfde grief. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van haar vordering gewezen op het feit dat haar echtgenoot, [echtgenoot van geïntimeerde] , ook in het jaar daarvoor voor [appellant] selectiewerkzaamheden heeft verricht en dat partijen in juni/juli 2006 nog in goede harmonie verkeerden. Verder wijst zij op het expertiserapport van 3 november 2006 dat in opdracht van de verzekeraar van [appellant] tot stand is gekomen. In dat expertiserapport is de schadetoedracht onderzocht van de schurftaantasting. Volgens dat rapport heeft [appellant] verklaard: “De veroorzaker van de schade, de heer [echtgenoot van geïntimeerde] , heeft geassisteerd bij het selectiewerk in de pootaardappelen. Hij zou de opgetreden schade hebben gebagatelliseerd. Verzekerde is er zeker van dat de heer [echtgenoot van geïntimeerde] kennis droeg van een zware besmetting met schurft tijdens de laatste teelt van aardappelen op dit perceel.”

4.8

[appellant] heeft dit een en ander onvoldoende gemotiveerd betwist. In de memorie van grieven voert hij alleen aan dat hij zich niet kan herinneren dat in 2006 door [echtgenoot van geïntimeerde] selectiewerkzaamheden zijn verricht. De hiervoor aangehaalde verklaring heeft hij onvoldoende feitelijk weersproken. Dat die niet klopt, zoals [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, en volgens hem dus foutief zou zijn genoteerd, ligt in elk geval niet voor de hand in het licht van de context en bedoeling van het citaat. Hierop strandt de vijfde grief alsnog. [geïntimeerde] kan het bedrag van € 1.294,25 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2007 in conventie verrekenen.

4.9

In zijn zesde grief keert [appellant] zich tegen de toewijzing van de buitengerechtelijke kosten van [geïntimeerde] . Hij voert aan dat [geïntimeerde] op geen enkele wijze heeft onderbouwd waarop die kosten betrekking zouden kunnen hebben. [geïntimeerde] volstaat met de stelling dat de gemachtigde van [geïntimeerde] meerdere sommatiebrieven heeft verzonden. Een enkele (herhaalde) sommatiebrief is echter onvoldoende om aanspraak te kunnen maken op buitengerechtelijke incassokosten. Het betoog van [geïntimeerde] dat de buitengerechtelijke kosten zonder meer verschuldigd zijn op grond van het Besluit BIK (Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten) gaat ook niet op. Dit alleen al omdat dit besluit niet van toepassing is op vorderingen in de voldoening waarvan de schuldenaar vóór 1 juli 2012 in verzuim was (zie artikel 3 van het Besluit). Dat is het geval bij de vordering van [geïntimeerde] waarvoor incassokosten zijn gemaakt, waarvoor [appellant] aansprakelijk zou kunnen zijn. De grief slaagt dus. Het hof zal de buitengerechtelijke incassokosten alsnog afwijzen.

4.10

De zevende grief gaat over de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten die de pachtkamer heeft afgewezen. [appellant] heeft onvoldoende toegelicht dat werkzaamheden zijn verricht die vallen onder buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Een tijdens de procedure beproefde schikking valt daar niet onder. De grief faalt.

Slotsom

4.11

De grieven 2, 4 en 6 slagen zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De overige grieven falen of behoeven geen bespreking. Het hof zal de vorderingen in conventie, onder verrekening van de factuur van [geïntimeerde] , grotendeels toewijzen en die in reconventie afwijzen. Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties veroordelen.

4.12

De kosten voor de procedure in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 99,21

- griffierecht € 223

- salaris advocaat € 400 (2 punten x kantontarief € 200)
Totaal € 722,21

en in reconventie op: € 100 (2 punten x 0,5 x kantontarief € 200).

4.13

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op € 99,91 aan explootkosten, € 318 aan griffierechten en op € 2.148 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II).

4.14

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de pachtkamer te Alkmaar (rechtbank Noord-Holland) van 3 januari 2018 en doet opnieuw recht:

in conventie

verklaart voor recht dat de tussen [appellant] een [geïntimeerde] overeengekomen grondgebruikersovereenkomst in 2006 onder het regime van de Pachtwet moet worden aangemerkt - wegens het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 70f lid 1 onder d en leden 2 en 3 - als een reguliere pachtovereenkomst voor korte duur (artikel 12 Pachtwet), met ingang van 1 januari 2006 en eindigend op 31 december 2006, tegen een pachtprijs van € 7.270 per jaar voor het geheel, een en ander met inachtneming van de beschikking van de grondkamer van 4 juli 2016;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van het te veel betaalde bedrag van
€ 1.451, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 mei 2017, onder verrekening van een bedrag van € 1.294,25 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 januari 2007;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten aan de zijde van [appellant] , tot aan het bestreden vonnis vastgesteld op € 722,21;

in reconventie

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten aan de zijde van [appellant] , tot aan het bestreden vonnis vastgesteld op € 100;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 417,21 voor verschotten en op € 2.148 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] de proceskosten van beide instanties te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en -voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82 in geval zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, H.L. Wattel en D.H. de Witte en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019.