Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2784

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
28-03-2019
Datum publicatie
05-04-2019
Zaaknummer
200.255.573
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:836
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pilotenlening. Geen sprake van de situatie waarin redelijkerwijs is te voorzien dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of dat hij thans in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht


zaaknummer gerechtshof: 200.255.573

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: C/16/474245)

arrest van 28 maart 2019

in de zaak van:

[Appellant] ,

wonende te [Woonplaats] ,

appellant,
hierna: [Appellant] ,

advocaat: mr. L.T.M. Keet.

1 Het geding in eerste aanleg

Bij vonnis van 25 februari 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het verzoek van [Appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen. Het hof verwijst naar dat vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij ter griffie van het hof op 4 maart 2019 ingekomen verzoekschrift is [Appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 februari 2019. [Appellant] verzoekt het hof dat vonnis te vernietigen en het verzoek tot toelating tot de schuldsanering alsnog toe te wijzen.

2.2

Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, de brieven met bijlagen van 14 en 15 maart 2019 en het faxbericht met bijlagen van 19 maart 2019 van mr. Keet.

2.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 maart 2019. [Appellant] is in persoon verschenen, vergezeld van zijn vader, en bijgestaan door mr. Keet.

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof het volgende gebleken.

[Appellant] is geboren op [Geboortedatum] 1988. Na het behalen van zijn HAVO-diploma is hij in januari 2009 begonnen met een pilotenopleiding bij de B.V. Nationale luchtvaartschool in Hoofddorp.
Op 11 januari 2012 heeft [Appellant] zijn opleiding tot piloot succesvol afgerond. [Appellant] heeft daarna geen baan als piloot kunnen vinden. Tot augustus 2018 heeft hij zijn vaardigheden bijgehouden en daardoor bleef zijn vliegbrevet geldig. Vanwege de jaarlijks te maken (hoge) kosten heeft hij de geldigheid van zijn brevet laten verlopen.
heeft na het voltooien van de pilotenopleiding bij verschillende (met name op Schiphol gevestigde) werkgevers gewerkt. In oktober 2016 heeft hij het ouderlijk huis verlaten en is hij op zichzelf gaan wonen.
Sinds 1 april 2017 is [Appellant] werkzaam in loondienst bij een op Schiphol gevestigd transportbedrijf. Zijn inkomsten bedragen € 2.157,21 netto per maand. Het op 1 april 2019 aflopende contract wordt, naar [Appellant] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard, niet (meer) verlengd.

3.2

Ter financiering van de pilotenopleiding en ter voorziening in de kosten van zijn levensonderhoud is [Appellant] twee leningen aangegaan bij ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN AMRO) voor een totaalbedrag van € 153.200, ingaande 1 februari 2009, tegen een rente van 6,1% en met een looptijd van 25 jaar, tot 1 februari 2034.
In september 2015 is een eerste deel van de totale lening van ABN AMRO ad € 84.000 omgezet in een servicelening voor herstructurering pilotenfinanciering met een rente van 0,2% en een betalingsverplichting van € 356,36 per maand. Daarnaast betaalde [Appellant] volgens eigen zeggen op de normale lening van ABN AMRO € 259,50 aan rente per maand, in totaal dus € 615,86 per maand. Vanaf 1 februari 2017 gold een rentestop voor de normale lening, zodat [Appellant] alleen het bedrag van € 356,36 per maand hoefde te betalen. Dit hield ermee verband dat [Appellant] minder verdiende en een duur trainingsprogramma volgde en daarna uit huis ging.
In februari 2018 is een tweede deel van de normale lening ad € 35.000 omgezet in een servicelening met een rente van 0,2% en een betalingsverplichting van € 148,84 per maand. [Appellant] betaalde vanaf dat moment in totaal € 505,20 per maand.
In juni 2018 heeft ABN AMRO kenbaar gemaakt dat er ook rente en aflossing betaald moest gaan worden op het resterende deel van de normale lening. [Appellant] heeft hierna met hulp van zijn schuldhulpverlener [Schuldhulpverlener] een voorstel voor een minnelijke regeling gedaan. Dit heeft echter niet tot resultaat geleid. Nader overleg met ABN AMRO over omzetting van het laatste deel van de normale lening in een derde servicelening heeft daarna nog niet plaatsgevonden. De betalingen op de eerste en tweede servicelening zijn stopgezet in verband met het gestarte minnelijk traject en het daarop volgende bij de rechtbank ingediende schuldsaneringsverzoek.

De voor de serviceleningen gesloten kredietovereenkomsten hebben een looptijd van
12 maanden. Bepaald is dat de looptijd steeds met 12 maanden wordt verlengd, tot maximaal 240 maanden (20 jaar), tenzij de bank de overeenkomst wil wijzigen omdat er iets in de persoonlijke situatie van [Appellant] is gewijzigd.

3.3

De schuldenlast van [Appellant] bestaat volgens de in hoger beroep overgelegde crediteurenlijst (en conform de schuldopgaaf van ABN AMRO van 26 juli 2018) uit vier schulden aan ABN AMRO van respectievelijk € 34.200, € 75.548,32, € 35.572,75 en € 2,51, in totaal € 145.323,58.

3.4

De rechtbank heeft het verzoek van [Appellant] om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen, omdat [Appellant] in staat wordt geacht voort te kunnen gaan met het betalen van zijn schulden en hij niet in de uitzichtloze financiële situatie verkeert die de wetgever bij invoering van de Wet schuldsanering natuurlijke personen voor ogen stond. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen.

Uit de kredietovereenkomst van 2008 blijkt dat [Appellant] de lening gedurende een periode van 25 jaar na zijn afstuderen zou afbetalen. Weliswaar werd bij het aangaan van de lening uitgegaan van een hoger salaris dan dat [Appellant] nu verdient, maar dat betekent niet dat nu niet meer van hem kan worden verlangd dat hij gedurende een dergelijk lange periode moet blijven betalen op de lening. Daarom moet worden voorbijgegaan aan de stelling van [Appellant] dat hij met het huidige maandbedrag zo weinig aflost aan zijn schuld, dat hij nog jarenlang moet doorbetalen voordat hij van de schuld af is en dat dit hem belemmert in zijn toekomstplannen.

Overigens is niet gebleken dat [Appellant] zich heeft ingespannen om een regeling te treffen met ABN AMRO. [Appellant] heeft in het minnelijk traject wel een aanbod gedaan, waarbij is uitgegaan van een aflossingsperiode van drie jaar, maar een regeling waarbij bijvoorbeeld wordt uitgegaan van een langere periode dan drie jaar, maar een kortere periode dan de in 2008 afgesproken 25 jaar, is niet aangeboden door [Appellant] , aldus de rechtbank.

3.5

Het hof oordeelt als volgt. Op grond van artikel 284 lid 1 Fw kan een natuurlijk persoon, indien redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, verzoeken de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. In aansluiting daarop bepaalt artikel 288 lid 1 aanhef en onder a Fw dat het verzoek slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

3.6

Vaststaat dat [Appellant] en ABN AMRO tot nu toe steeds overeenstemming hebben kunnen bereiken over een kennelijk zowel voor [Appellant] als voor de bank acceptabele (af)betalingsregeling. Niet in debat is ook dat [Appellant] daardoor gedurende de looptijd van de leningen steeds heeft kunnen voldoen aan de met ABN AMRO (nader) overeen-gekomen betalingsverplichtingen en dat hij geen nieuwe schulden heeft laten ontstaan.
Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat redelijkerwijs is te voorzien dat [Appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schuld aan ABN AMRO of dat hij thans in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, zoals bepaald in artikel 284 lid 1 Fw. Evenmin kan worden aangenomen dat [Appellant] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden als bedoeld in artikel 288 lid 1 onder a Fw.
Dat [Appellant] , naar hij heeft gesteld, tot in lengte van jaren een groot gedeelte van zijn netto inkomsten zal moet blijven afdragen aan ABN AMRO en dat zijn schuld aan die bank maakt dat hij geregistreerd blijft staan bij het BKR waardoor zijn financiële positie onveranderd uitzichtloos is en hij (bijvoorbeeld) niet in staat zal zijn een acceptabele woning of te kopen en/of een gezinsleven op te bouwen, maakt dit niet anders. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat [Appellant] zich eind 2008/begin 2009 bewust heeft gebonden aan een (af)betalingsverplichting van lange duur, te weten 25 jaar, en dat hij zich, bijzondere omstandigheden daargelaten, aan die verplichting zal moeten houden.
De hiervoor door [Appellant] aangevoerde omstandigheden zijn niet als zodanig aan te merken. Dat het vooruitzicht waarmee de lening destijds is aangegaan anders is dan het huidige vooruitzicht van [Appellant] , in die zin dat hij geen piloot is geworden en het bij dit beroep behorende (hoge) salaris is gaan verdienen, leidt ook niet tot een andere conclusie.
De serviceleningen voorzien immers in aanpassing van de betalingsverplichting aan het lagere inkomen van [Appellant] . De aflossingsduur blijft gelijk. Niet in geschil is dat [Appellant] tot nu toe kan voldoen aan de betalingsverplichtingen waaraan ABN AMRO hem op deze wijze houdt. Er zijn geen aanwijzingen dat dit in de toekomst anders zal zijn. Van een uitzichtloze financiële situatie kan onder deze omstandigheden ook niet worden gesproken. Gelet op het voorgaande kan [Appellant] niet worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.

3.7

Hieraan voegt het hof nog het volgende toe. De onderhandelingen tussen [Appellant] over de financiële voorwaarden van de leningen zijn, naar het hof begrijpt, in afwachting van de uitkomsten van het minnelijk traject en het schuldsaneringsverzoek in de loop van 2018 gestaakt. Mede gelet op de één dag voor de mondelinge behandeling in hoger beroep aan [Appellant] gedane mededeling dat zijn op 1 april 2019 aflopende arbeidscontract niet (verder) zal worden verlengd (waardoor zijn inkomsten, tenzij hij op heel korte termijn een minstens zo goed betalende baan vindt, zullen dalen), gaat het hof er vanuit dat ABN AMRO en [Appellant] spoedig het gesprek met elkaar zullen hervatten om te komen tot voor beide partijen aanvaardbare financiële oplossingen.

3.8

Het hoger beroep faalt. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 februari 2019.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, C.J.H.G. Bronzwaer en D.M.I. de Waele, en is op 28 maart 2019 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.