Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2694

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
200.232.730/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Advocatenkantoor (dat inmiddels failliet is) heeft onzorgvuldig gehandeld jegens cliënt door overeenkomst te beëindigen op moment dat maximale vergoeding van rechtsbijstandsverzekeraar nagenoeg is opgesoupeerd. Aansprakelijkheid aangesproken advocaat voor de daardoor ontstane schade? Heeft aangesproken advocaat (ook) als advocaat van cliënt of alleen als bestuurder van het advocatenkantoor gehandeld? Aansprakelijkheid advocaat als bestuurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/424
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.232.730/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/115637 / HA ZA 16-162)

arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J. Boelens, kantoorhoudend te Assen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G.M. Tiddens, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het verloop van de procedure in eerste aanleg

1.1

Het verloop van de procedure in eerste aanleg blijkt uit de vonnissen van

1 februari 2017 en 13 september 2017 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Assen.

2 Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

- de appeldagvaarding van 6 december 2017;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord;
- de akte overlegging productie (met één productie);
- de antwoordakte.

2.2

Vervolgens hebben partijen de processtukken ingediend en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt ertoe dat het vonnis van

13 september 2017 wordt vernietigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog worden afgewezen, dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van alles wat [appellant] aan [geïntimeerde] heeft voldaan op basis van het te vernietigen vonnis, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

3
3. De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

3.2

[appellant] was van 29 december tot 9 november 2015 (middellijk) bestuurder van mr [E] c.s. Advocaten B.V. (hierna: [E] Advocaten). Mr. [F] (hierna: [F] ) was tot 14 juli 2014 eveneens (middellijk) bestuurder. [appellant] en [F] waren ook als advocaat verbonden aan [E] Advocaten. [E] Advocaten is op 19 april 2016 failliet verklaard.

3.3

In juni 2013 heeft de broer van [geïntimeerde] een procedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt over de verdeling van een nalatenschap bij de rechtbank Noord-Nederland. [geïntimeerde] heeft [E] Advocaten verzocht hem bij te staan. Op 2 augustus 2013 vond een gesprek plaats tussen hem en [F] en diens kantoorgenote mr. [G] (hierna: [G] ).

3.4

[appellant] heeft in een brief van 5 augustus 2013 het gesprek van 2 augustus 2013 bevestigd. In deze brief heeft hij onder meer geschreven:
U gaf tijdens onze bespreking aan dat u voor rechtsbijstand ten aanzien van deze zaak bij de rechtsbijstandsverzekeraar DAS verzekerd bent. U gaf aan dat DAS akkoord is met een advocaat naar uw keuze. U gaf verder aan dat de door DAS verzekerde kosten maximaal
€ 50.000,- zijn. U heeft aangegeven dat u wenst dat alle kosten ten aanzien van deze procedure binnen dit kostenmaximum vallen.
In reactie hierop heb ik aangegeven dat wij hiermee kunnen instemmen. Wel wil ik u nadrukkelijk hierover aangeven dat wij voor deze kwestie uitgaan van een procedure, zoals die ingezet is bij de dagvaarding van 18 juni jl. en niet op andere kwesties en ook niet op een mogelijke hoger beroepsprocedure ten aanzien van deze zaak.
Uit ervaring weten wij dat DAS strikt is ten aanzien van wie zij de opdracht verstrekt en dat ze ook strikt is ten aanzien van het voldoen van facturen voor de werkzaamheden, die in opdracht van DAS zijn verricht.
(…)
Graag willen wij wel afspreken dat als om een of andere reden DAS onze werkzaamheden binnen een kostenmaximum niet vergoedt, u die aan ons betaalt. Kunnen wij dit met elkaar afspreken?
(…)
Als dit uitstel niet wordt verkregen, moet op 14 augustus a.s. tijdens de schriftelijke rolzitting van 10:00 uur de conclusie van antwoord met eventueel een eis in reconventie – een soort tegenvordering – genomen worden.”
De brief bevat verder een verwijzing naar de algemene voorwaarden van [E] Advocaten, met de mededeling dat deze voorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.
3.5 In een brief van 7 augustus 2013 schreven [F] en [appellant] onder meer het volgende aan [geïntimeerde] :
Gisteren en vandaag sprak u met onze kantoorgenote [G] over onze brief van 5 augustus jl. [G] heeft u namens ons beiden aangegeven dat wij in kunnen stemmen dat wij in opdracht van DAS uw advocaat zijn. Verder zijn wij akkoord dat wij u in deze zaak bijstaan met hetgeen hierbij hoort; zoals eventueel een hoger beroepsprocedure en eventueel een cassatieprocedure. Ook al zouden de werkzaamheden buiten het door DAS gestelde kostenmaximum van € 50.000,- vallen. Ten aanzien van een hoger beroeps- en cassatie-procedure gaf u [G] aan dat u deze kans zeer gering acht.

3.6

In een brief van 8 augustus 2013 schreef [appellant] “mede namens [F] ” onder meer het volgende aan [geïntimeerde] :
Gistermiddag sprak u nogmaals met mijn kantoorgenote [G] over deze zaak. (…)
Verder gaf u [G] aan dat de zin Ten aanzien van een hoger beroeps- en cassatie-procedure gaf u [G] aan dat u deze kans zeer gering acht” geschrapt wenst te zien. Bij deze. Tegelijkertijd wil ik wel opmerken dat [G] mij aangaf dat u daadwerkelijk heeft aangegeven dat u de kans klein acht dat een hoger beroeps- en cassatieprocedure zal volgen, omdat waarschijnlijk uw broer daar niet voor voelt, omdat hij zelf dan zijn portemonnee moet “trekken”.
Verder heeft uw dochter geadviseerd dat wij de volgende zin bevestigen: “Wij zullen u niet aansprakelijk stellen voor de kosten, die niet binnen het kostenmaximum van € 50.000,- vallen of buiten het kostenmaximum om, gemaakt zouden moeten worden.” Ook bij deze. Voor de duidelijkheid geef ik u aan dat deze zin uiteraard gelezen moet worden in de context en inhoud van de eerdere brieven van 5 en 7 augustus jl. Voor de helderheid kiezen wij ervoor om op deze wijze tegemoet te komen aan uw wensen en niet om de brief van 7 augustus jl. aan te passen en weer opnieuw naar u toe te sturen.”

3.7

In een brief van 3 september 2013 aan [E] Advocaten heeft DAS onder meer het volgende geschreven:
Bij DAS is verzekerd [C] .
(…)
Inliggend treft u alle van belang zijnde stukken uit het dossier. Daaruit blijkt dat verzekerde is gedagvaard, betreft een procedure tot vaststelling legitieme portie en verdeling.
De gegevens van verzekerde luiden:
Naam : [C]
Contactpersoon: de heer [geïntimeerde]
(…)

In overleg met verzekerde is besloten de (verdere) behandeling van deze zaak aan u uit te besteden. Ik verzoek u hierbij dan ook de belangen van verzekerde te behartigen.
(…)
Aangezien de verzekerde BTW-plichtig is, zal ik uw declaraties exclusief BTW voldoen en verzekerde verzoeken het BTW-gedeelte rechtstreeks aan u over te maken.
(…)

In dit dossier is een kostenmaximum van € 50.000,- van toepassing. (…) Voorzover de externe kosten boven het kostenmaximum uitkomen, zijn deze kosten voor rekening van de verzekerde.

3.8

In een brief van 9 mei 2014 aan [geïntimeerde] schreef [G] “mede namens [appellant]” dat zij met DAS overleg heeft gehad over de factuur van 1 april 2014. Daarover schreef zij:
Mevrouw [D] van DAS hebben we de afgelopen tijden diverse keren gemaild en gebeld over onder andere de openstaande factuur van 1 april jl. De laatste stand van zaken is dat mevrouw [D] op 6 mei jl. ons heeft verteld dat op dit moment het erg druk is bij DAS. Mevrouw [D] zal de facturen van 1 april en 1 mei jl. bestuderen. Omdat deze facturen qua hoogte niet erg laag zijn, moeten de facturen ook door andere medewerkers bij DAS beoordeeld worden. Mevrouw [D] heeft de toezegging gedaan dat wij in ieder geval binnen 2 weken betaling kunnen verwachten.
Verder schreef [G] dat na de facturen van 1 april en 1 mei 2014 van het kostenmaximum van € 50.000,- nog een bedrag van € 1.178,79 resteert. Volgens de brief is sprake van een aantal onvoorziene omstandigheden, waaronder extra geschilpunten tussen [geïntimeerde] en zijn broer die tot een eis in reconventie hebben geleid, de gebleken noodzaak van lang overleg en extra uitleg, het bezwaar van [geïntimeerde] tegen het aanmerken van het geschil als een zakelijk geschil, waardoor de BTW niet kan worden verrekend en het uitblijven van accordering door DAS van de facturen van 1 april en 1 mei 2014. [G] schreef verder:
Door deze onvoorziene omstandigheden zorgt de redelijkheid en billijkheid ervoor dat van ons kantoor niet gevergd kan worden dat wij zonder verdere betaling deze zaak voortzetten. Dit geldt ook voor de akte, die op 21 mei a.s. genomen moet worden. Dit betekent concreet dat zodra DAS onze werkzaamheden niet betaalt, wij de facturen u zullen sturen. We menen dat het niet redelijk en billijk is dat gezien deze omstandigheden de kosten van de verdere procedure voor rekening van kantoor komen.
Daarbij komt ook dat wij goede kwaliteit en goede service willen blijven leveren. Dat heeft nu eenmaal een prijs.
Als wij hierover niets van jullie vernemen gaan wij ervan uit dat jullie hiermee akkoord zijn.

3.10

[geïntimeerde] heeft DAS op enig moment - partijen verschillen van mening over dat moment (vgl. hierna rechtsoverweging 5.3) - verzocht om betaling van de facturen van [E] Advocaten op te schorten.

3.11

In een brief van 13 juni 2014 aan [E] Advocaten heeft DAS onder meer geschreven:
Cliënt stelt zich expliciet op het standpunt dat u de gemaakte afspraken dient na te komen. Partijen zijn een prijsafspraak van € 50.000,00 overeengekomen. (…)
Ik verzoek en zonodig sommeer u dan ook om ondergetekende vóór dinsdag 17 juni aanstaande om 15:00 uur te berichten dat u uw verplichtingen uit de overeenkomst tussen partijen zult nakomen en uw werkzaamheden derhalve zonder verdere facturatie voortzet, waarna cliënt mijn collega mevrouw [D] zal instrueren de opgeschorte betaling te voldoen.

3.12

[E] Advocaten heeft niet aan deze sommatie voldaan. [G] heeft zich op 2 juli 2014 in de procedure tussen [geïntimeerde] en diens broer als advocaat onttrokken, waarna mr. Tiddens zich namens [geïntimeerde] als advocaat heeft gesteld. Voor de kosten van mr. Tiddens heeft DAS dekking verleend tot maximaal € 27.517,65.

3.13

[E] Advocaten heeft [geïntimeerde] voor de verrichte werkzaamheden een bedrag van € 56.444,22 in rekening gebracht, waarvan € 22.482,35 door DAS betaald is. Het restant - in rekening gebracht in facturen van 1 april, 1 mei, 2 juni en 1 juli 2014 - is onbetaald gebleven.

3.14

[E] Advocaten heeft [geïntimeerde] en DAS in kort geding gedagvaard tot betaling van het openstaande bedrag. Deze vordering is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland bij vonnis van 1 augustus 2014 afgewezen. Dit hof heeft dat vonnis bij arrest van 4 november 2014 bekrachtigd.

3.15

In een brief van mr. Tiddens van 1 september 2014 aan [E] Advocaten heeft mr. Tiddens namens [geïntimeerde] de overeenkomst met [E] Advocaten, voor zover nog nodig, ontbonden.

3.16

[E] Advocaten heeft een bodemprocedure tegen [geïntimeerde] aanhangig gemaakt, waarin zij (onder meer) aanspraak maakte op betaling van € 27.517,65. [geïntimeerde] heeft in reconventie gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [E] Advocaten toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst en veroordeeld wordt tot vergoeding van de door [geïntimeerde] geleden schade, nader op te maken bij staat. Bij vonnis van 18 november 2015 heeft de rechtbank Noord-Nederland de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie toegewezen. [E] Advocaten is van deze beslissing in beroep gekomen.

3.17

[geïntimeerde] heeft een klacht ingediend tegen [F] en tegen [appellant] . De Raad van Discipline heeft in uitspraken van 6 november 2015 de klachten gegrond verklaard en [F] en [appellant] een voorwaardelijke schorsing voor de duur van één maand opgelegd. De beroepen van [F] en [appellant] zijn door het Hof van Discipline op 25 april 2016 verworpen. Het hof overwoog in de beslissing betreffende [appellant] onder meer:
4.14 Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft klager een e-mailbericht van mevrouw [D] van de DAS van 1 maart 2016 in het geding gebracht, waarin zij onder meer het volgende schrijft:
“Zoals in het schrijven van [E] Advocaten vermeld staat, klopt het dat de declaratie in eerste instantie betaald was gesteld. Echter aangezien verzekerde (= opdrachtgever) mij telefonisch op 12 mei 2014 had aangegeven dat de declaratie niet betaald mocht worden is deze geannuleerd.”
(…)
5.4 Het hof acht klachtonderdeel a gegrond. Verweerder heeft erkend dat hij de met klager gemaakte prijsafspraken heeft gemaakt en vastgelegd en dat hij betrokken is geweest bij het besluit dat klager de niet door DAS gedekte uren moest betalen aan het kantoor van verweerder. Dat verweerder achteraf betreurt dat geen clausule voor onvoorziene omstandigheden is afgesproken, is een risico dat volledig voor zijn rekening komt aangezien verweerder hier als deskundige partij mag worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat hij beperkte ervaring had met de afspraken zoals die hij heeft gemaakt met klager. Ten aanzien van het beroep van verweerder op onvoorziene omstandigheden overweegt het hof dat het niet aan de tuchtrechter is om te beoordelen of sprake is van omstandigheden die rechtvaardigen dat van de gemaakte afspraken wordt afgeweken. Dat oordeel is voorbehouden aan de civiele rechter. Overigens is ook niet gebleken van het bestaan van zodanig ingrijpende wijzigingen in de omstandigheden dat aanpassing van de afspraken in de rede zou hebben gelegen.
5.5 Het hof verwerpt het verweer van verweerder dat de opdracht mocht worden beëindigd omdat door toedoen van klager een vertrouwensbreuk is ontstaan. Noch uit de brief van 9 mei 2014 noch uit andere stukken is gebleken dat klager in april 2014 een betalingsblokkade heeft opgeworpen. Mede op basis van de door klager overgelegde verklaring van [D] , medewerker van de DAS acht het hof het plausibel en daarmee ook aannemelijk dat de brief van verweerder van 9 mei 2014, waarin op dwingende wijze wordt aangegeven dat klager facturen zal ontvangen zodra het bedrag van € 50.000,00 op is, voor klager aanleiding was om contact op te nemen met de deken en dat hij pas toen de DAS heeft verzocht om de betalingen aan het kantoor van verweerder op te schorten. Dat klager zich op dat moment al liet bijstaan door zijn gemachtigden, is gemotiveerd bestreden door klager. Voor zover sprake is geweest van een vertrouwensbreuk is deze ontstaan toen, naar aanleiding van de brief van verweerder van 9 mei 2014, de discussie tussen partijen over de prijsafspraken en betaling van de factuur al gaande was. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden, laat staan komen vast te staan, dat het gebrek aan vertrouwen is te herleiden tot de door verweerder aangevoerde omstandigheden dat verweerder, althans zijn kantoor het als lastig ervoer om klager te bedienen en dat klager gebrekkige medewerking verleende. Aangezien verweerder zelf debet is aan het ontstaan van de vertrouwensbreuk, vormt dit geen rechtvaardiging voor de beëindiging van de overeenkomst met klager. Het hof is van oordeel dat verweerder zich met het versturen van de facturen en de brieven van
9 mei 2014, 3 juni 2014 en 11 juni 2014, het beëindigen van de opdracht en het aanspannen van verschillende procedures tegen klager niet heeft gehouden aan de afspraken die hij met klager heeft gemaakt en dat hij aldus niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwame en redelijk handelend advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Dit betekent dat ook klachtonderdeel b gegrond is.
5.6 Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen a en b terecht gegrond zijn verklaard. De grieven van verweerder worden verworpen. Verweerder had zich niet aan de opdracht mogen onttrekken. Verweerder heeft zijn persoonlijke financiële belangen laten prevaleren boven de belangen van klager. Anders dan verweerder in hoger beroep heeft gesteld, zijn de belangen van klager wel degelijk ernstig geschaad door de handelwijze van klager. Klager heeft noodgedwongen een andere advocaat moeten zoeken en hij is jarenlang verwikkeld in (kostbare en tijdrovende) procedures tegen het kantoor van verweerder. Het hof rekent het verweerder zwaar aan dat tegen klager verschillende procedure zijn aangespannen om betaling af te dwingen. Zelfs al zou verweerder hiermee geen bemoeienis hebben gehad, dan doet dat niet af aan het door verweerder erkende feit dat hij heeft ingestemd met de procedures.(…)

3.18

[E] Advocaten is op 19 april 2016 failliet verklaard. In een brief van

2 mei 2016 heeft mr. Tiddens [appellant] aansprakelijk gesteld voor de door [geïntimeerde] geleden en nog te lijden schade vanwege de toerekenbare tekortkoming door [E] Advocaten.

3.19

In de appelprocedure tussen [geïntimeerde] en [E] Advocaten (vgl. rechtsoverweging 3.16) heeft het hof bij arrest van 14 november 2017 [geïntimeerde] van instantie ontslagen voor wat betreft de vordering van [E] Advocaten op hem en overwogen dat de procedure voor wat betreft de vordering van [geïntimeerde] op [E] Advocaten geschorst blijft.

4 De vorderingen en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[geïntimeerde] heeft [F] en [appellant] gedagvaard. Hij heeft gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [F] en [appellant] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld ten gevolge waarvan hij schade lijdt en dat [F] en [appellant] worden veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat. Aan deze vorderingen heeft hij ten grondslag gelegd dat zij een beroepsfout hebben gemaakt ten aanzien van het niet nakomen van de prijsafspraak en het zich onttrekken aan de zaak en dat aan hen als bestuurder van [E] Advocaten persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het toerekenbare tekortschieten door [E] Advocaten.

4.2

[geïntimeerde] heeft met [F] een minnelijke regeling getroffen, in het kader waarvan de procedure tegen [F] is geroyeerd. [appellant] heeft verweer gevoerd.

4.3

Nadat de rechtbank bij vonnis van 1 februari 2017 een comparitie van partijen had gelast en deze comparitie had plaatsgevonden, heeft de rechtbank in het eindvonnis van
13 september 2017 de vorderingen tegen [appellant] toegewezen. Volgens de rechtbank is [E] Advocaten toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst tussen haar en [geïntimeerde] en heeft [geïntimeerde] daardoor schade geleden. [appellant] heeft als advocaat jegens [geïntimeerde] niet de zorgvuldigheid betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht en hem kan bovendien als bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, doordat hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat [E] Advocaten jegens [geïntimeerde] zou gaan tekortschieten toen hij (mede) besloot dat [E] Advocaten de opdracht van [geïntimeerde] zou neerleggen.

5
5. De bespreking van de grieven

5.1

Met de grieven I tot en met III komt [appellant] op tegen diverse onderdelen van de feitenvaststelling door de rechtbank. Omdat het hof de feiten zelfstandig heeft vastgesteld en daarbij al rekening heeft gehouden met de in genoemde grieven geuite bezwaren tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, heeft [appellant] geen belang bij de bespreking van deze grieven.
Voor zover dat voor een verdere beoordeling van de zaak relevant is, zal het hof hierna ingaan op de standpunten van partijen over de feiten en daarbij ook betrekken wat zij betreffende deze grieven naar voren hebben gebracht.

5.2

Volgens [appellant] verkeerde [geïntimeerde] vanaf april 2014 in schuldeisersverzuim omdat hij betaling van de facturen door DAS aan [E] Advocaten tegenhield. Met de grieven IV en VI betoogt [appellant] allereerst dat de rechtbank dit beroep op schuldeisersverzuim ten onrechte niet heeft gehonoreerd. Vervolgens betoogt hij met deze grieven en met grief VII dat [E] Advocaten gerechtigd was de overeenkomst te ontbinden. De grieven hangen met elkaar samen. Het hof zal ze dan ook tezamen behandelen.

5.3

[geïntimeerde] heeft bestreden dat hij in april 2014 DAS heeft verzocht de facturen van [E] Advocaten niet te betalen. Volgens [geïntimeerde] heeft hij dat pas in mei 2014 gedaan, nadat [E] Advocaten in haar brief van 9 mei 2014 had aangegeven dat het bedrag

van € 50.000,- nagenoeg was opgesoupeerd en dat zij het meerdere bij hem in rekening zou brengen.
Deze stelling van [geïntimeerde] vindt steun in genoemde brief van [E] Advocaten van
9 mei 2014. In deze brief schrijft [G] dat zij contact heeft gehad met mevrouw [D] van DAS over de op dat moment nog onbetaalde factuur van 1 april 2014 en dat mevrouw [D] heeft toegezegd dat de factuur binnen twee weken zal worden betaald. Betaling had nog niet plaatsgevonden vanwege drukte bij DAS, zo had [G] van mevrouw [D] begrepen. De brief bevat geen enkel aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van [appellant] dat DAS toen, op 9 mei 2014, al een instructie van [geïntimeerde] had ontvangen de facturen niet te betalen.
Ook uit het in rechtsoverweging 3.17 aangehaalde e-mailbericht van mevrouw [D] van
1 maart 2016, verstuurd met het oog op de tuchtprocedure tegen [appellant] , volgt dat [geïntimeerde] niet al in april 2014, maar pas na de brief van 9 mei 2014 van [E] Advocaten heeft verzocht om de facturen van [E] Advocaten nog niet uit te betalen.

5.4

In het licht van deze stukken heeft [appellant] , op wie op dit punt stelplicht en bewijslast rust, zijn beroep op schuldeisersverzuim van [geïntimeerde] vanaf april 2014 onvoldoende onderbouwd. Er kan dan ook niet vanuit worden gegaan dat [geïntimeerde] op

9 mei 2014 in schuldeisersverzuim verkeerde.

5.5

Vaststaat dat [E] Advocaten in haar brief van 9 mei 2014 aangaf dat zij voor haar werkzaamheden meer dan € 50.000,- zou moeten declareren, dat zij het meerdere bij [geïntimeerde] in rekening zou brengen en van mening was dat van haar niet gevergd kon worden zonder verdere betaling de zaak voort te zetten. Met deze brief gaf [E] Advocaten dan ook aan dat zij zich niet gebonden achtte aan de in haar brieven van 5, 7 en

8 augustus 2013 vastgelegde afspraak, die erop neerkwam dat [E] Advocaten voor haar werkzaamheden betreffende de te voeren procedure maximaal € 50.000,- bij DAS zou declareren en [geïntimeerde] niet voor het eventueel meerdere zou belasten. [E] Advocaten heeft dit standpunt later niet verlaten. Indien dit standpunt van [E] Advocaten onjuist was, stond het [geïntimeerde] vrij om DAS te verzoeken de betaling van de facturen van [E] Advocaten op te schorten. Hij moest er op basis van die brief immers rekening mee houden dat [E] Advocaten, in strijd met haar verplichtingen uit de overeenkomst, haar werkzaamheden zou opschorten of beëindigen wanneer hij niet bereid was om de facturen van [E] Advocaten voortaan zelf te betalen en dus toerekenbaar zou tekortschieten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst met hem.

5.6

Volgens [appellant] stond het [E] Advocaten wel vrij om ondanks de gemaakte afspraak jegens [geïntimeerde] aanspraak te maken op betaling van het meerdere boven
€ 50.000,-. [appellant] voert daartoe allereerst aan dat [geïntimeerde] niet of niet tijdig de noodzakelijke stukken aanleverde. In dat verband beroept hij zich op artikel 2 lid 3 van de algemene voorwaarden van [E] Advocaten, die inhouden dat [E] Advocaten in een dergelijk geval gerechtigd is haar verplichtingen uit de overeenkomst op te schorten en/of de uit de vertraging voortvloeiende extra kosten in rekening te brengen.
Het valt op dat [appellant] zijn stelling dat [geïntimeerde] de noodzakelijk stukken niet of te laat aanleverde niet onderbouwt. Onduidelijk is welke stukken het betreft, of [G] om de desbetreffende stukken heeft gevraagd, of ze [geïntimeerde] eraan heeft herinnerd deze stukken in te leveren en hoe vaak het is voorgekomen dat stukken niet of te laat zijn aangeleverd. Ook maakt [appellant] niet duidelijk hoeveel extra tijd een en ander kostte. [appellant] heeft het door hem gedane beroep op artikel 2 lid 3 van de algemene voorwaarden dan ook onvoldoende onderbouwd.
5.7 [appellant] heeft vervolgens aangevoerd dat een reconventionele vordering moest worden ingesteld en dat de kosten van de procedure in reconventie niet onder de gemaakte prijsafspraak valt. [geïntimeerde] heeft dat bestreden. Volgens hem heeft [E] Advocaten niet duidelijk gemaakt dat de vordering in reconventie niet onder de gemaakte prijsafspraak viel. Voor deze procedure is ook niet apart gedeclareerd. Bovendien hingen de vorderingen in conventie en in reconventie nauw met elkaar samen; beide vorderingen hadden betrekking op de verdeling van de nalatenschap, aldus [geïntimeerde] .

5.8

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat de kosten van de vordering in reconventie niet onder de gemaakte prijsafspraak vallen. [appellant] heeft niet aangevoerd dat de vordering een heel ander onderwerp betreft dan de vordering(en) in conventie. De rechtbank heeft er terecht op gewezen dat in de brief van
5 augustus 2013 (aangehaald in rechtsoverweging 3.4), de eerste brief van van [E] Advocaten aan [geïntimeerde] , de mogelijkheid van een reconventionele vordering al onder ogen wordt gezien. In dat licht bezien, ligt het niet voor de hand dat de in diezelfde brief verwoorde prijsafspraak geen betrekking heeft op een eventuele reconventionele vordering. [appellant] heeft ook niet toegelicht hoe zijn stelling over de kosten van de reconventionele vordering zich verhoudt tot de inhoud van deze brief. Bovendien heeft [appellant] niet gesteld dat [E] Advocaten [geïntimeerde] erop heeft gewezen dat de kosten van een reconventionele vordering niet onder de prijsafspraak vallen. Dat had wel van [E] Advocaten verwacht mogen worden, gezien het belang dat [geïntimeerde] klaarblijkelijk (getuige de brieven van [E] Advocaten van 5, 7 en 8 augustus 2014) hechtte aan waterdichte afspraken over de kosten.

5.9

[appellant] heeft zich er, vervolgens, op beroepen dat sprake was van onvoorziene omstandigheden, waardoor niet van [E] Advocaten kon worden gevergd genoegen te nemen met de overeengekomen maximale vergoeding van € 50.000,-. De rechtbank heeft dat beroep verworpen. De rechtbank heeft daarbij vooropgesteld dat van wijziging van de gevolgen of (gedeeltelijke) ontbinding van een overeenkomst wegens gewichtige redenen pas sprake kan zijn als die omstandigheden van dien aard zijn dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten. Tegen dit - terechte - uitgangspunt zijn de grieven niet gericht, zodat daar in hoger beroep van dient te worden uitgegaan. Het is gebaseerd op het - tot terughoudendheid dwingende - criterium van artikel 6:258 BW. Volgens [appellant] is het beroep op onvoorziene omstandigheden alleen gebaseerd op de weigering van [geïntimeerde] om de kwestie onder te brengen onder de zakelijke polis van zijn rechtsbijstandsverzekering. Het hof stelt vast dat dit standpunt van [appellant] verschilt van het door [E] Advocaten in haar brief van 9 mei 2014 voor het eerst gedane beroep op onvoorziene omstandigheden, maar zal uitgaan van het betoog van [appellant] op dit punt.

5.10

Volgens [appellant] bedroeg het budget onder de zakelijke polis € 60.500,- inclusief BTW en onder de particuliere polis € 41.322,31 exclusief BTW. Een dergelijk verschil kon [E] Advocaten bij het aangaan van de overeenkomst onmogelijk voorzien, aldus [appellant] .

5.11

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog.
Doordat [appellant] bedragen exclusief en inclusief BTW met elkaar vergelijkt, lijkt het verschil groter dan het is. [appellant] schetst door deze vergelijking een vertekend beeld van het verschil. Het verschil is of € 41.322,21 en € 50.000,- exclusief BTW (een verschil van
€ 8.677,69 exclusief BTW), of een verschil van € 50.000,- en € 60.500,- inclusief BTW (een verschil van € 10.500,- inclusief BTW), dus ongeveer de helft van het door [appellant] gesuggereerde verschil. Het hof laat dan nog buiten beschouwing dat over een deel van te maken kosten - het griffierecht - geen BTW verschuldigd is, zodat het verschil nog wat kleiner is.
Bovendien kan er zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet van worden uitgegaan dat [E] Advocaten bij het aangaan van de overeenkomst met [geïntimeerde] meende en mocht menen dat [geïntimeerde] de BTW voor deze procedure zou kunnen verrekenen. [geïntimeerde] wijst er terecht op dat de procedure geen zakelijk geschil maar een geschil over een nalatenschap betrof. Verrekening van BTW betreffende een dergelijk geschil ligt bepaald niet voor de hand. In de brief van DAS van 3 september 2013 wordt weliswaar over het verrekenen van BTW gesproken, maar deze brief dateert van ruimschoots na het aangaan van de overeenkomst tussen partijen.
Ten slotte geldt dat ook indien ervan moet worden uitgegaan dat [E] Advocaten erop rekende dat het budget van € 50.000,- een budget exclusief BTW betrof deze omstandigheid niet van dien aard is dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet de ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst mocht verwachten. [appellant] lijkt te miskennen dat terughoudendheid betracht moet worden bij het aanmerken van een omstandigheid als een onvoorziene omstandigheid die tot wijziging van de overeenkomst dwingt.

5.12

De slotsom is dat [E] Advocaten in haar brief van 9 mei 2014 ten onrechte aangaf, en daarin later volhardde, dat zij meer dan € 50.000,- mocht declareren voor haar werkzaamheden en het meerdere bij [geïntimeerde] in rekening mocht brengen en er bij [geïntimeerde] op aandrong daarmee in te stemmen. Onder die omstandigheden stond het [geïntimeerde] vrij DAS te verzoeken de openstaande facturen niet uit te betalen, en op die manier zijn verplichtingen uit de overeenkomst op te schorten. [E] Advocaten heeft dan ook, zonder dat zij daartoe gerechtigd was, haar werkzaamheden stopgezet en de overeenkomst de facto beëindigd. Zij is daarmee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst.

5.13

De grieven falen.

5.14

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [geïntimeerde] [E] Advocaten in de brief van 13 juni 2013 (vgl. rechtsoverweging 3.11) terecht in gebreke heeft gesteld en, toen [E] Advocaten haar verplichtingen niet alsnog nakwam de overeenkomst met [E] Advocaten terecht heeft ontbonden. Grief VIII, die gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] de overeenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden, faalt om die reden.

5.15

Grief IX betreft het oordeel van de rechtbank dat ook de kosten van de deskundigen onder het overeengekomen kostenmaximum vallen. Volgens [appellant] is dit oordeel onjuist en heeft het kostenmaximum alleen betrekking op de werkzaamheden van [E] Advocaten en niet op bijkomende kosten, zoals de kosten van griffierecht en deskundigenkosten.

5.16

Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog. Uit de afspraken van partijen, zoals vastgelegd in de brieven van [E] Advocaten aan [geïntimeerde] (vgl. de rechtsoverwegingen 3.4 tot en met 3.6) volgt dat partijen hebben willen aansluiten bij de verzekeringsdekking van [geïntimeerde] in die zin dat de kosten van het inschakelen van [E] Advocaten geheel door de verzekering zou zijn gedekt en dat [geïntimeerde] deze kosten niet zelf zou moeten dragen, bijvoorbeeld doordat de kosten meer zouden bedragen dan door de verzekering was gedekt. Partijen zijn het erover eens dat de verzekeringsdekking € 50.000,- bedroeg en dat in deze dekking alle kosten, dus niet alleen de kosten voor het honorarium van de advocaat, zijn begrepen. Dat volgt trouwens ook uit de in rechtsoverweging 3.7 aangehaalde brief van DAS aan [E] Advocaten. De grief faalt dan ook.

5.17

Ook grief X faalt. [appellant] heeft ook in hoger beroep niet onderbouwd dat [geïntimeerde] met zijn opvolgend advocaat mr. Tiddens is overeengekomen dat [geïntimeerde] slechts de kosten van mr. Tiddens dient te voldoen voor zover [E] Advocaten verhaal zou bieden. Het is uitermate onwaarschijnlijk dat [geïntimeerde] en mr. Tiddens een dergelijke afspraak, die het risico voor verhaal van de vordering van [geïntimeerde] op [E] Advocaten geheel op mr. Tiddens legt en die bovendien in strijd is met de voor advocaten geldende gedragsregels, zouden hebben gemaakt. [geïntimeerde] heeft ook gemotiveerd betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Anders dan [appellant] betoogt is zo’n afspraak ook niet te lezen in de stellingen van [geïntimeerde] over de afspraak van mr. Tiddens.

5.18

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat [E] Advocaten toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] daardoor schade heeft geleden, daarin bestaande dat hij toch kosten heeft moeten maken voor de procedure tegen zijn broer. De vraag die resteert is of [appellant] persoonlijk aansprakelijk is voor deze schade. [geïntimeerde] heeft deze persoonlijke aansprakelijkheid van [appellant] gebaseerd op twee grondslagen. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellant] onrechtmatig jegens hem gehandeld, allereerst doordat hij als zijn advocaat niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht en vervolgens doordat [appellant] als bestuurder van zijn, [geïntimeerde] , contractspartij, [E] Advocaten persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. De rechtbank heeft deze beide grondslagen gehonoreerd.

5.19

Met de grieven V, XI en XII komt [appellant] op tegen de toewijzing van de vordering op de eerste grondslag. Het hof zal de grieven, die met elkaar samenhangen, tezamen behandelen en daarbij ook betrekken wat [appellant] in de toelichting op grief I over zijn positie als advocaat heeft opgemerkt. Grief XIII betreft de toewijzing van de vordering op de tweede grondslag.

5.20

Het hof stelt bij de bespreking van deze grieven voorop dat [geïntimeerde] een overeenkomst heeft gesloten met [E] Advocaten. [appellant] is niet de contractuele wederpartij van [geïntimeerde] . Hij kan toch aansprakelijk zijn jegens [geïntimeerde] wanneer hij als diens advocaat is opgetreden, dan wel wanneer hem als bestuurder van [E] Advocaten persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. In het eerste geval is de aansprakelijkheid gelegen in het wijze waarop [appellant] zijn werkzaamheden als advocaat van [geïntimeerde] feitelijk heeft verricht en gaat het om zijn aansprakelijkheid als beroepsbeoefenaar. In het tweede geval is de aansprakelijkheid gelegen in zijn taakvervulling als bestuurder van [E] Advocaten en gaat het dus om bestuurdersaansprakelijkheid (Vgl. Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745).

5.21

[appellant] heeft gemotiveerd bestreden dat hij als advocaat van [geïntimeerde] is opgetreden. Hij is - zijdelings - betrokken geweest bij het aangaan van de overeenkomst met [geïntimeerde] , maar hij is niet inhoudelijk betrokken geweest bij de dienstverlening aan [geïntimeerde] en bij de verdere afwikkeling van de opdracht, aldus [appellant] .
5.22 Stelplicht en bewijslast dat (ook) [appellant] is opgetreden als advocaat van [geïntimeerde] rusten op [geïntimeerde] . Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] zijn stellingen in deze onvoldoende onderbouwd. Hij heeft niet aangegeven welke rol [appellant] inhoudelijk heeft gespeeld bij de uitvoering van de opdracht. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] zich heeft gesteld als advocaat, processtukken heeft opgesteld, overlegd heeft over de inhoud van het geschil of heeft gecorrespondeerd met de rechtbank, de wederpartij of de rechtsbijstandsverzekeraar. Dat [appellant] als advocaat inhoudelijke bemoeienis met de opdracht heeft gehad, ligt ook niet voor de hand omdat [geïntimeerde] niet wilde dat [appellant] hem zou bijstaan. Bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft [geïntimeerde] in dat verband verklaard:
Ik wilde niet met mr. [appellant] te maken hebben in verband met een eerdere zaak. (…) Ik wilde weten wie de zaak zou doen. Ik heb een gesprek met mr. [F] gehad, samen met mijn dochter. Hij noemde mr. [G] als specialist. Ik wilde dat mr. [F] de regie zou houden.

5.23

Dat [appellant] betrokken is geweest bij het aangaan en bij (de schermutselingen rond) het beëindigen van de overeenkomst tussen [E] Advocaten en [geïntimeerde] betekent niet dat hij in dit opzicht als advocaat van [geïntimeerde] heeft gehandeld. [E] Advocaten was de contractuele wederpartij van [geïntimeerde] en werd in dat verband mede vertegenwoordigd door [appellant] als een van haar (middellijk) bestuurders. Deze betrokkenheid van [appellant] vloeide niet voort uit zijn optreden als advocaat van [geïntimeerde] , maar als bestuurder van [E] Advocaten. Uit het feit dat [appellant] voor dit handelen tuchtrechtelijk is aangesproken, volgt niet dat hij als advocaat van [geïntimeerde] is opgetreden. Een advocaat kan immers ook voor zijn handelen als bestuurder van een advocatenkantoor tuchtrechtelijk worden aangesproken.

5.24

De slotsom is dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellant] als zijn advocaat is opgetreden. Daarop strandt de eerste grondslag van de vordering, dat [appellant] als advocaat van [geïntimeerde] niet de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mocht worden verwacht. De grieven V, XI en XII slagen dan ook.

5.25

De vraag die resteert is of de vordering toewijsbaar is op de tweede grondslag, die van de bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof stelt daarbij het volgende voorop.

5.26

Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. (Vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K.).

5.27

In geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering kan volgens vaste rechtspraak (zie met name het arrest van de Hoge Raad d.d. 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006: AZ0758, NJ 2006, 659, Ontvanger/ Roelofsen ) naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NJ 2000, 295).

5.28

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat, kort gezegd, persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden (De zogenoemde Beklamelnorm naar HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990, 286, laatstelijk geduid in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015, 22, RCI Financial Services/K waaruit volgt dat deze norm in de kern de eis inhoudt dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden).

5.29

In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. In dit onder (ii) bedoelde geval draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.

5.30

Het ligt daarbij bij zowel de hiervoor onder (i) als de onder (ii) bedoelde gevallen op de weg van de benadeelde crediteur om per aangesproken bestuurder te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de betreffende bestuurder persoonlijk jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld.

5.31

Uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid, behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW (HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215), voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend.

Daarmee verdraagt zich niet de opvatting dat de collegiale verantwoordelijkheid van bestuurders (zoals bedoeld in art. 2:9 BW) de eis van een persoonlijk ernstig verwijt (ook) in het kader van art. 6:162 BW mede vorm geeft in die zin dat een bestuurder ex artikel 6:162 BW zonder meer kan worden aangesproken voor (ernstig verwijtbaar) handelen of nalaten door een collega-bestuurder ten aanzien van bestuurstaken die bij of krachtens de wet of de statuten aan die bestuurder zijn toebedeeld. Dit laat onverlet dat het houden van onvoldoende toezicht op de uitoefening van een taak door een medebestuurder onder omstandigheden persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder kan meebrengen. (Vgl. HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470).

5.32

De rechtbank heeft overwogen dat zich het hierboven onder (i) bedoelde geval heeft voorgedaan. [appellant] heeft er terecht op gewezen dat voor dat geval de situatie ten tijde van het aangaan van de overeenkomst doorslaggevend is, terwijl de rechtbank is uitgegaan van de situatie ten tijde van het neerleggen van de opdracht door [E] Advocaten. De rechtbank heeft dan ook een onjuiste invulling gegeven aan dat geval. Los daarvan geldt dat de rechtbank niet heeft vastgesteld, en [geïntimeerde] ook niet heeft aangevoerd, dat toen [E] Advocaten in mei/juni 2014 de overeenkomst met [geïntimeerde] aanging [appellant] al wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat [E] Advocaten niet aan haar verplichtingen uit de overeenkomst zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

5.33

[geïntimeerde] heeft onvoldoende onderbouwd dat het onder (ii) bedoelde geval zich voordoet. Hij heeft in algemene zin, onder verwijzing naar het eerste faillissementsverslag betreffende [E] Advocaten, aangevoerd dat [F] en [appellant] uitsluitend oog hadden voor hun eigen financiële belangen en zich aan de belangen van hun medewerkers en crediteuren beduidend minder gelegen lieten liggen, maar heeft dat verder niet geconcretiseerd. In het bijzonder heeft hij niet gemotiveerd gesteld dat [appellant] kan worden verweten dat hij betaling en verhaal van de vordering van [geïntimeerde] op [E] Advocaten heeft gefrustreerd. Het verwijt dat [geïntimeerde] [appellant] maakt, is ook eerder gelegen in het ten onrechte neerleggen van de opdracht door [E] Advocaten dan in frustratie van betaling en verhaal van de vordering van [geïntimeerde] op [E] Advocaten.

5.34

De slotsom is dat [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [appellant] als bestuurder van [E] Advocaten persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat betekent dat grief XIII slaagt.

5.35

De hiervoor besproken grondslagen voor de aansprakelijkheid van [appellant] voor de door [geïntimeerde] geleden schade ten gevolge van de wanprestatie van [E] Advocaten zijn ondeugdelijk. [geïntimeerde] heeft geen andere grondslagen aangevoerd. Dat betekent dat de vordering van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is. Grief XIV, die is gericht tegen toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] , slaagt dan ook.

5.36

Uit het voorgaande volgt dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen. Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde] afwijzen en [geïntimeerde] , als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de proceskosten in beide instanties (geliquideerd salaris van de advocaat in eerste aanleg: 2 punten, tarief II (oud), in hoger beroep: 1 punt (het hof kent, gelet op het beknopte karakter van deze akte, geen half punt toe aan de akte overlegging productie van [appellant] ), tarief II (nieuw), te vermeerderen met nasalaris en wettelijke rente.
Het hof zal [geïntimeerde] ook veroordelen om aan [appellant] terug te betalen wat [appellant] op grond van het vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente over het betaalde vanaf de datum van betaling.

6 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van 13 september 2017 tussen partijen gewezen en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] terug te betalen alles wat [appellant] op grond van genoemd vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente over het terug te betalen bedrag vanaf de datum van betaling tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering tot terugbetaling;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties en in het nasalaris en bepaalt deze kosten:
- voor de procedure in eerste aanleg op € 123,- aan verschotten en op € 904,- voor geliquideerd salaris van de advocaat,
- voor de procedure in hoger beroep op € 420,95 aan verschotten en op € 1.074,- voor geliquideerd salaris van de advocaat,
- op € 157,- voor het nasalaris, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [geïntimeerde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit arrest heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;
een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na aanschrijving en betekening tot aan het tijdstip van voldoening;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is uitgesproken op 26 maart 2019 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de griffier.