Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2670

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
200.211.917/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uittreding coöperatie. Aantal akkerbouwers voldoen niet aan hun leveringsplicht van ‘fabriekaardappelen’ jegens Avebe, wegens in hun ogen te lage aardappelprijzen. Hof acht geen reden aanwezig om de daarvoor opgelegde statutaire boete te matigen. Zij zeggen voorts hun lidmaatschap op en worden geconfronteerd met een aan Avebe te vergoeden vergoeding van € 681 per door hen gehouden aandeel tenzij zij de aandelen tijdig aan derden overdragen. Hof acht deze regeling niet in strijd met artikel 2:60 BW. Wel is de regeling onduidelijk over de termijn waarbinnen de aandelen moeten worden overgedragen. Strijd met mededingingsrecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/423
NJF 2019/423
TvAR 2019/7997, UDH:TvAR/15727 met annotatie van M.J. Flamman-Schuil
JOR 2019/182 met annotatie van Rensen, G.J.C.
RO 2019/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.211.917/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/151790 / HA ZA 14-300)

arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

1 Deddens Akkerbouw B.V.,

gevestigd te Nieuw-Dordrecht,

hierna: Deddens,

2. [appellant2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellant2],

3. [appellant3] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant3],

4. [appellant4] , zowel pro se, als in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger onder algemene titel van wijlen [C] ,

wonende te [D] ,

hierna: [appellant4],

5. [appellant5] ,

wonende te [E] ,

hierna: [appellant5],

6. [appellant6] ,

wonende te [F] ,

hierna: [appellant6],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in voorwaardelijke reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: Deddens c.s.,

advocaat: mr. A.A. Bos, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

Coöperatie Avebe U.A.,

gevestigd te Veendam,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in voorwaardelijke reconventie,

hierna: Avebe,

advocaat: mr. W.M. Bijloo, kantoorhoudend te Middelharnis.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van
15 april 2015 en van 7 december 2016 die de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 24 januari 2017, gericht tegen het eindvonnis;

- de memorie van grieven (met producties) van 13 juni 2017;

- de rolbeschikking van 27 juni 2017;

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep van 25 juli 2017;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep van 3 oktober 2017;

- het comparitiearrest van 8 mei 2018;

- het proces-verbaal van de op 7 januari 2019 gehouden comparitie, waarbij Avebe akte is verleend van de door haar op 21 december 2018 toegezonden producties.

2.2

Het hof merkt nog op dat Mr. G.D. te Biesebeek, die zich eerder aan de zaak had onttrokken, ter comparitie namens zijn kantoorgenoot mr. A.A. Bos het woord heeft gevoerd. Onder verwijzing naar overweging 3.10 van de rolbeschikking van 27 juni 2017 en de daar aangehaalde jurisprudentie ziet het hof geen redenen om hieraan thans nog consequenties te verbinden.

2.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier.

2.4

Deddens c.s. vorderen in het (principaal) hoger beroep - kort samengevat - dat het hof, onder vernietiging van het beroepen vonnis:

1. voor recht verklaart dat de bepalingen in de statuten betreffende de uittreedregeling, de opzegregeling in combinatie met de leveringsverplichting en de boetebepaling, in strijd zijn met artikel 2:60 BW dan wel artikel 101 VWEU, althans met de artikelen 6 en 24 van de Mededingingswet;

2. de ten aanzien van appellanten genomen besluiten met betrekking tot de verschuldigdheid van 681 euro per aandeel wegens opzegging van het lidmaatschap nietig verklaart dan wel vernietigt op grond van artikel 2:15 BW;

3. de ten aanzien van appellanten genomen boetebesluiten van 11 april 2014 vernietigt wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid;

4. Avebe veroordeelt om aan [appellant4] te betalen een bedrag van € 106.000,- te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 2 februari 2015;

danwel

5. Avebe verbiedt de ten opzichte van Deddens c.s. genomen besluiten ten uitvoer te leggen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Verder vorderen Deddens c.s. dat de reconventionele vordering alsnog wordt afgewezen, dat Avebe in de proceskosten wordt veroordeeld en dat Avebe wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat Deddens c.s. op grond van het beroepen vonnis aan Avebe hebben betaald.

2.5

Avebe vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat - dat het hof het vonnis in eerste aanleg zo nodig onder verbetering van gronden bekrachtigt, onder veroordeling van Deddens in de kosten van het hoger beroep.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.22 van het bestreden vonnis, met dien verstande dat het hof gelet op grief 1 in principaal appel een kennelijke verschrijving van de rechtbank in rechtsoverweging 2.14 van het vonnis herstelt. Het hof zal de feiten hierna weergeven, voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep relevant en aangevuld met enige feiten die in hoger beroep tevens als vaststaand hebben te gelden, waarmee het hof ook de grieven 1 en 2 in principaal appel heeft besproken.

3.2

Deddens c.s. exploiteren allen akkerbouwbedrijven waarop onder meer (zetmeel)aardappelen (ook wel ‘fabrieksaardappelen’ genoemd) worden verbouwd.

3.3

Avebe is een coöperatie van landbouwers die is opgericht op 11 november 1919. Zij heeft ongeveer 2.500 leden en 1.300 medewerkers. Zij wint uit de (zetmeel)aardappelen van haar leden aardappelzetmeel en plantaardige eiwitten en verwerkt in haar fabrieken deze en andere bestanddelen uit de aardappelen tot diverse producten.

3.4

De leden van Avebe bezitten een door henzelf gekozen aantal - doch minimaal zes - aandelen in de coöperatie met een daaraan gekoppeld recht en de plicht om per aandeel dat op hun naam staat tussen de vier en vijf ton aardappelzetmeel aan Avebe te leveren. Aan de aandelen is ook stemrecht verbonden in de ledenvergadering.

3.5

Avebe draagt zorg voor de verwerking en de afzet van de (zetmeel)aardappelen. Het staat de leden vrij om (zetmeel)aardappelen of andere gewassen (zoals fritesaardappelen of tarwe) voor andere leveranciers te telen, mits zij aan hun leveringsverplichting jegens Avebe voldoen.

3.6

Deddens c.s. waren allen lid van Avebe. Deddens Akkerbouw B.V. sinds 2010, [appellant2] sinds 2008, [appellant3] sinds 2008, [appellant4] sinds 2006, [C] sinds 1974, [appellant5] sinds 2004 en [appellant6] sinds 1979, elk laatstelijk voor de navolgende aantallen Avebe-aandelen:

Deddens Akkerbouw B.V. 38

[appellant2] 30

[appellant3] 370

[appellant4] 70

[C] 124

[appellant5] 58

[appellant6] 98

3.7

De rechtsverhouding tussen de leden en de coöperatie is vastgelegd in de statuten.

In artikel 2 van de statuten is onder meer het volgende bepaald:

1. De coöperatie stelt zich ten doel in stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien krachtens overeenkomsten met hen gesloten in het bedrijf dat zij te dien einde te hunnen behoeve uitoefent of doet uitoefenen.

2. Zij tracht dit doel te bereiken door de navolgende activiteiten krachtens die overeenkomsten, hetzij op eigen naam, hetzij in naam van de leden, voor rekening en risico, hetzij van de leden, hetzij van haarzelf, te verrichten en/of te doen verrichten:

a. het verwerken van grondstoffen tot zetmeel en andere daaruit te winnen producten;

b. het aangaan van alle transacties die in verband met het vorenstaande wenselijk worden geacht;

(…)

In artikel 5 van de statuten is onder meer het volgende bepaald:

1. Opzegging kan geschieden zowel door het lid als namens de coöperatie door het bestuur.

(...)

Opzegging is alleen mogelijk tegen het einde van een boekjaar met inachtneming van een termijn van ten minste drie maanden in geval van opzegging door het lid (...)

(...)

8. Het bestuur is bevoegd aan een lid, dat in strijd handelt met statuten, reglementen, belangen van de coöperatie of besluiten, genomen door een orgaan van de coöperatie, een boete op te leggen.

Het bedrag der bovenvermelde boete wordt jaarlijks vastgesteld door het bestuur, na voorafgaande goedkeuring van raad van commissarissen, met dien verstande dat een boete nimmer meer zal bedragen dan driehonderd euro (€ 300,00) per ton aardappelzetmeel, welke ingevolge artikel 8 lid 1 en artikel 8 lid 2 in enig jaar geleverd dient te worden.

Als handelen in strijd met statuten, reglementen, belangen van de coöperatie of besluiten, genomen door een orgaan van de coöperatie worden in ieder geval beschouwd (...) het niet voldoen aan de leveringsplicht als bedoeld in artikel 8 lid 3 (...).

9. Naast het opleggen van de boete als bedoeld in lid 8 van dit artikel, is de coöperatie tevens gerechtigd van het lid een schadevergoeding te vorderen.

In artikel 6 van de statuten is het volgende opgenomen:

(...)

8. Indien een lid één of meer zijner aandelen wenst over te dragen aan derden is hij daartoe na voorafgaande goedkeuring van het bestuur bevoegd, (...)

9. Door overdracht van de aandelen aan de coöperatie wordt het lid een bedrag groot zeshonderdeenentachtig Euro (€ 681,-) per aandeel aan de coöperatie verschuldigd. Het ingevolge lid 1 van dit artikel op deze aandelen gestorte bedrag, evenals het op deze aandelen gestorte agio, worden bij een zodanige overdracht niet aan het lid gerestitueerd. In bijzondere gevallen kan het bestuur na voorafgaande goedkeuring van de raad van commissarissen gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van de uit dit lid voortvloeiende verplichtingen.

Artikel 7 van de statuten luidt - voor zover van belang - als volgt:

1. Indien het lidmaatschap eindig door:

a. overlijden;

b. opzegging door het bestuur alsmede;

c. indien een lid-rechtspersoon ophoudt te bestaan en zijn vermogen onder algemene titel overgaat op een andere rechtspersoon, hebben de rechtverkrijgenden respectievelijk het gewezen lid de bevoegdheid, na voorafgaande toestemming door het bestuur, de aandelen binnen zes maanden na de beëindiging van het lidmaatschap over te dragen aan één of meer leden van de coöperatie of aan derden.

Het bestuur, kan, indien er sprake is van een voorgenomen overdracht aan derden, deze goedkeuring afhankelijk stellen van het voldaan zijn aan door het bestuur te stellen of gestelde voorwaarden, waarbij als permanente voorwaarde geldt, dat deze derden als lid tot de coöperatie toetreden en vervolgens het minimaal in artikel 6 lid la genoemde aantal aandelen in het kapitaal der coöperatie nemen. De verkrijgers der aandelen treden, voorzover het de door hen overgenomen aandelen betreft in de aan deze aandelen verbonden rechten en verplichtingen van het gewezen lid.

2. Indien binnen de daarvoor gestelde termijn geen door het bestuur

goedgekeurde overdracht der aandelen als bedoeld in het vorige lid heeft plaatsgehad, alsook indien een lid zijn lidmaatschap heeft opgezegd onder gelijktijdige overdracht van alle door hem gehouden aandelen, zijn de rechtverkrijgenden of is het gewezen lid verplicht en gerechtigd de aandelen aan de coöperatie over te dragen op door het bestuur vast te stellen voorwaarden, de verplichting tot gehele of gedeeltelijke valstorting van aandelen daaronder begrepen. Artikel 6 lid 9 is op een dergelijke overdracht van toepassing.

3. (...)

2.9.

In artikel 8 van de statuten is - voor zover relevant - het volgende bepaald:

1. Het lid heeft het recht en de plicht voor elk aandeel dat te zijnen name staat jaarlijks aardappelen, belichaamd in tussen de (vier) 4 en (vijf) 5 ton aardappelzetmeel per aandeel (...), aan de coöperatie te leveren.

2. Met inachtneming van het bepaalde in lid 1 worden de precieze hoeveelheid aardappelzetmeel die een lid in een betreffende jaar per aandeel aan de coöperatie zal leveren (...) jaarlijks door het bestuur vastgesteld.

3. Indien een lid in een bepaald jaar minder dan (vier) 4 ton aardappelzetmeel per aandeel dat te zijnen name staat aan de coöperatie levert, is sprake van het niet voldoen aan de leverplicht.

4. Het bestuur kan (…) de leden collectief na afloop van de campagne geheel of gedeeltelijke ontheffing van hun leveringsplicht (…) verlenen, bijvoorbeeld in geval van gehele of gedeeltelijke mislukking van de oogst of andere door het bestuur te bepalen situaties.

5. Het bestuur kan ieder jaar individuele leden al dan niet gedeeltelijke ontheffing verlenen van hun leveringsplicht, mits dezen, dit met redenen omkleed schriftelijk voor één juni van ieder jaar voor de daaropvolgende campagne hebben verzocht. Deze ontheffing wordt door het bestuur voor één campagne verleend uitsluitend in de volgende situatie:

a. (...) op medische gronden (...)

b. in andere door het bestuur vast te stellen situatie, waarbij dat lid een door het bestuur vast te stellen bedrag per aandeel per omgaande voldoet aan de coöperatie.

4. Indien aan de verplichting, bedoeld in lid 2 of lid 3 van dit artikel, binnen een door het bestuur vast te stellen termijn niet wordt voldaan, is het

bestuur onherroepelijk tot overdracht van de aandelen aan de coöperatie gemachtigd. Artikel 6 lid 9 is bij deze overdracht van toepassing.

5. Het bestuur is bevoegd de in lid 1 genoemde termijn van zes maanden te verlengen, indien naar zijn oordeel redenen aanwezig zijn.

3.8

De door Avebe aan de haar leden te betalen prijzen zijn afhankelijk van verschillende factoren, zoals de oogst en de aanvoer van aardappelen, alsmede de kwaliteit daarvan, met name het zetmeelgehalte.

3.9

In april 2013 heeft Avebe Deddens c.s. gevraagd op te geven hoeveel aardappelen zij zouden leveren binnen de bandbreedte van het minimale en maximale gewicht per aandeel. Avebe heeft meerdere malen verzocht de opgave in te dienen. Deddens c.s. hebben dit nagelaten en hebben meegedeeld dat zij niet dan wel te weinig zullen leveren.

3.10

Een aantal landbouwers van Deddens c.s. heeft hun (zetmeel)aardappelen vervolgens aan derden geleverd voor een hogere uitbetalingsprijs dan zij bij Avebe konden realiseren.

3.11

Deddens, [appellant2] en [appellant5] hebben bij brief van 13 december 2013 aan Avebe geschreven dat er door Avebe reeds enkele jaren een prijs voor de (zetmeel)aardappelen wordt uitgekeerd die rond of beneden de kostprijs ligt. Ook staat in de brief vermeld dat de aardappelprijs, de boetes bij het niet voldoen aan de leveringsverplichting en de betaling van een bedrag van € 681,- per aandeel bij overdracht van de aandelen aan de coöperatie, door Deddens, [appellant2] en [appellant5] als knellend wordt ervaren.

3.12

Bij besluiten van 11 april 2014 heeft het bestuur van Avebe Deddens c.s. boetes opgelegd in verband met het niet voldoen aan de leveringsverplichting als bedoeld in artikel 8 lid 3, van de statuten, tijdens de campagne 2013/2014. De boete bedraagt € 125,- per ton te weinig geleverd zetmeel, hetgeen voor Deddens c.s. neerkomt op de hiernavolgende totaalbedragen:

Deddens € 19.000,-

[appellant2] € 15.000,-

[appellant3] € 155.908,75

[appellant4] € 62.000,-

[C] € 35.000,-

[appellant5] € 29.000,-

[appellant6] € 49.000,-

3.13

Deddens, [appellant2] , [appellant3] , [appellant5] en [appellant6] (verder: [Groep F] c.s.) hebben op 22, 25 en 29 april 2014 hun lidmaatschap van Avebe opgezegd. Daarbij hebben [Groep F] c.s. verzocht om ontheffing van de verplichting als bepaald in de artikelen 7 lid 2, en 6 lid 9 van de statuten inhoudende dat tegen betaling van een bedrag van € 681,- per aandeel de aandelen moeten worden overgedragen aan Avebe.

3.14

Bij brieven van 8 mei 2014 hebben Deddens c.s. beroep ingesteld tegen de bij besluit van 11 april 2014 opgelegde boetes wegens het niet voldoen aan de leveringsverplichting, overeenkomstig de in de statuten daarvoor opgenomen procedure. Bij besluiten van

19 juni 2014 heeft de Raad van Commissarissen de beroepen van Deddens c.s. afgewezen.

3.15

Bij brieven van 23 juni 2014 heeft Avebe de opzeggingen aan [Groep F] c.s. per

1 augustus 2014 bevestigd en daarbij aan hen meegedeeld dat zij hun aandelen binnen een maand dienen over te dragen aan door de coöperatie goed te keuren derden (artikel 6 lid 8,

van de statuten) of - tegen betaling van € 681,- per aandeel - aan de coöperatie (artikel 7 van de statuten).

3.16

[Groep F] c.s. hebben hun aandelen niet binnen de door Avebe gestelde termijn aan een derde of een goedgekeurde persoon overgedragen. Bij brieven van 31 juli 2014 heeft Avebe

[Groep F] c.s. bericht dat het bestuur van Avebe heeft besloten, om de aandelen, met toepassing van artikel 6 lid 9 van de statuten, aan Avebe over te dragen. Bij ieder afzonderlijke brief is een afschrift van het besluit van het bestuur gevoegd, alsmede een factuur voor de aandelenoverdracht, in totaal neerkomend op de hiernavolgende bedragen:

Deddens € 25.878,-

[appellant2] € 20.430,-

[appellant3] € 251.970,-

[appellant5] € 39.498,-

[appellant6] € 66.738,-

3.17

Bij brief van 17 juli 2014 heeft de advocaat van Deddens c.s. Avebe bericht dat Deddens c.s. zich niet kunnen verenigen met de besluiten ter zake van de boetes en dat [Groep F] c.s. zich niet kunnen verenigen met de facturen voor de aandelenoverdracht.

3.18

De advocaat van Avebe heeft Deddens c.s. bij afzonderlijke brieven van

1 oktober 2014 tot betaling gesommeerd van de boetes en [Groep F] c.s. tot betaling van de facturen voor de aandelenoverdracht.

3.19

Bij brief van 20 april 2015 heeft de advocaat van Deddens c.s. namens [appellant4] en [C] een door hen ondertekende opzeggingsbrief aan Avebe verzonden, waarin zij hun lidmaatschap opzeggen tegen 30 juli 2015. Na bevestiging van de opzegging door Avebe bij brief van 11 mei 2015 hebben [appellant4] en [C] bij brief van

28 mei 2015 gevraagd om opschorting van de door Avebe gestelde termijn voor overdracht van de aandelen aan door de coöperatie goed te keuren derden. De door hen gevraagde termijn is afgewezen. Avebe heeft hen bij brief van 2 juli 2015 voorgesteld dat zij, onder verschuldigdheid van € 681,- per aandeel, de gelegenheid krijgen de door Avebe in te nemen aandelen vóór 1 januari 2016 alsnog aan derden over te laten dragen, waarna Avebe hun voor de aldus over te dragen aandelen met € 681,- crediteert. Dit voorstel is door de heren [appellant 4 en C] afgewezen. Bij brief van 28 juli 2015 heeft Avebe de heren [appellant 4 en C] bericht dat de aandelen, met toepassing van artikel 6 lid 9 van de statuten, aan Avebe moeten worden overgedragen. Aan hen is dienovereenkomstig in rekening gebracht:

[appellant4] € 47.670,-

Harm [appellant4] € 84.444,-.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

Deddens c.s. hebben in eerste aanleg (in conventie) in hoofdlijnen eenzelfde vordering ingesteld als hiervoor onder 2.4 is weergegeven.

4.2

In reconventie heeft Avebe kort samengevat gevorderd dat Deddens c.s. ieder afzonderlijk verplicht worden tot betaling aan Avebe van de wegens onderlevering verschuldigd geworden boetes en van het bedrag € 681,- per gehouden aandeel voor de overdracht daarvan aan Avebe, te vermeerderen met rente en incassokosten, alsmede tot vergoeding van de schade als bedoeld in artikel 6:104 BW op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met rente.

4.3

De rechtbank heft bij vonnis van 7 december 2016 de vorderingen van Deddens c.s. afgewezen en de vorderingen van Avebe vrijwel integraal toegewezen.

4.4

De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat artikel 7 in samenhang met artikel 6 lid 9 van de statuten - verder door de rechtbank in navolging van partijen aangeduid als de 681-regeling, waarin het hof de rechtbank zal volgen - getoetst aan artikel 2:60 BW. Het doel en de feitelijke strekking van Avebe als coöperatie brengt met zich dat een lid van Avebe bij uittreding op zichzelf genomen mag worden geconfronteerd met een (materiële) uittreedvoorwaarde die bestaat uit een geldelijke vergoeding.

Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of de 681-regeling de mogelijkheid om uit te treden feitelijk (onredelijk) belemmerde. Een negatieve waarde van de aandelen betekent volgens de rechtbank op zichzelf genomen niet dat overdracht van die aandelen aan een derde daardoor onmogelijk is. In het betreffende boekjaar 2013/2014 zijn in totaal 5.754 aandelen verhandeld. Van een feitelijke onmogelijkheid om de aandelen aan een derde te verkopen was dan ook geen sprake. Het karakter van een coöperatie en van de ‘aandelen’ in een coöperatie verschilt wezenlijk van het karakter van een kapitaalvennootschap, vanwege de samenwerkings- en solidariteitsgedachte van de coöperatie, zodat het beroep op artikel 2:195 lid 5 BW niet opgaat. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is geweest van een reële mogelijkheid van overdracht van aandelen aan een derde. Dat sprake is van een wanverhouding tussen de omvang van de 681-vergoeding enerzijds en de gemiddelde bruto-jaaromzet van Deddens c.s. anderzijds acht de rechtbank niet aangetoond. Het gaat in dit geval niet om een boetebeding in eigenlijke zin, maar om een vergoeding voor de aandelen in de coöperatie. Deze vergoedingsplicht is weer het gevolg van het feit dat Deddens c.s. de aandelen niet aan een derde hebben verkocht en geleverd, nog daargelaten dat geen overtuigende jaarcijfers van Deddens c.s. zijn overgelegd die wijzen op een wanverhouding.

4.5

De rechtbank heeft verder overwogen dat het kartelverbod van artikel 101 lid 1 VwEU en artikel 6 lid 1 Mededingingswet buiten toepassing kan blijven indien is voldaan aan groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten van Verordening 330/2010 van 20 april 2010. De rechtbank heeft de statutaire regeling van Avebe getoetst aan die verordening en de daarop gebaseerde Richtsnoeren van de Europese Commissie voor de groepsvrijstelling voor verticale overeenkomsten. De rechtbank oordeelde dat de 681- regeling en de leveringsverplichting weliswaar beperkingen van de mededinging vormen, maar dat de 681-regeling moet worden gezien als een verticale overeenkomst, die geen middel omvat waarmee de markt wordt verdeeld, of waarmee prijsrestricties of andere harde kernbeperkingen worden opgelegd, zodat de 681-regeling geen mededingingbeperkende strekking heeft. Van een exclusieve leveringsverplichting aan Avebe was geen sprake, ook niet de facto. De rechtbank is van oordeel dat zowel de 681-regeling als de leveringsverplichting noodzakelijk zijn om de continuïteit van Avebe als coöperatie te verzekeren, zodat in zoverre is voldaan aan de noodzakelijkheidstoets.

4.6

De rechtbank heeft de relevante productmarkt afgebakend als de markt in zetmeel, waarvan aardappelzetmeel slechts een bescheiden deel vormt (in de Europese Unie 14%). Van die 14% is 6% afkomstig van Avebe en 8% van anderen. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat van marktmacht van Avebe op de downstreamverkoopmarkt geen sprake is. De 681-regeling en de leveringsverplichting hebben afzonderlijk noch gezamenlijk, noch in combinatie met de opzegregeling en de boeteregeling een merkbare beperking van de mededinging tot gevolg. Aldus is ook voldaan aan de evenredigheidstoets en is niet komen vast te staan dat de statutaire bepalingen van Avebe strijd met het Europees en het Nederlands mededingingsrecht opleveren.

4.7

De rechtbank heeft verder de 681-regeling en de door Avebe genomen besluiten getoetst aan de artikel 2:8, 2:15 en 6:248 BW, die deze toets hebben doorstaan. Ook het beroep van Deddens op 6:258 BW is door de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft de 681-regeling niet aangemerkt als een boete. De opgelegde boetes voor onderlevering heeft de rechtbank nog getoetst aan artikel 6:94 BW en daarbij geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat leidt.

4.8

De rechtbank heeft de in voorwaardelijke reconventie gevorderde bedragen toegewezen (aan de voorwaarde waaronder deze vordering was ingesteld was voldaan). Alleen is in plaats van de gevorderde handelsrente de gewone wettelijke rente toegewezen.

Ten aanzien van de door Avebe gevorderde buitengerechtelijke incassokosten heeft de rechtbank overwogen dat Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. De door Avebe gevorderde bedragen zijn conform het in het Besluit bepaalde tarief en als zodanig toewijsbaar.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering in hoger beroep

5.1

Deddens c.s. hebben in hoger beroep tien grieven voorgedragen, die het bestreden vonnis evenwel niet in de volle breedte bestrijken. De eerste twee grieven, die betrekking hebben de weergave van de feiten behoeven geen verdere bespreking meer nu het hof de feiten hiervoor zelfstandig heeft vastgesteld. Het hof zal de overige grieven hierna onderwerpsgewijs bespreken.

De vrijheid van uittreding (artikel 2:60 BW).

5.2

Het zwaartepunt van het principaal appel ligt bij de vraag of de ‘681-regeling’ een voorwaarde betreffende de uittreding is die verder gaat dan geoorloofd is. Het oordeel van de rechtbank dat deze regeling die toets doorstaat wordt aangevochten in de grieven 3 tot en met 7 in principaal appel, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Het hof zal daarbij ook de enige grief in het voorwaardelijk appel betrekken; met deze grief - die neerkomt op een gehandhaafd verweer - vecht Avebe het oordeel van de rechtbank aan dat de ‘681-regeling’ materieel neerkomt op een voorwaarde die de vrijheid van uittreding uit de coöperatie beperkt.

5.3

Leden van een vereniging kunnen hun lidmaatschap door opzegging beëindigen (artikel 2:35 BW). De wet kent een opzeggingstermijn van vier weken en een opzegmoment dat in beginsel bij het eind van het boekjaar ligt (artikel 2:36) BW; in de statuten kan van deze regeling worden afgeweken. Deze bepalingen gelden ook voor de coöperatie, waarbij de wet ook de vrijheid van opzegging (uittreding) vooropstelt, zij het dat daaraan voorwaarden kunnen worden verbonden. Artikel 2:60 BW stelt als formeel geldigheidsvereiste aan dergelijke uittredingsvoorwaarden dat deze voorwaarden in de statuten zijn opgenomen en dat de uittredingsvoorwaarden in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de coöperatie.

5.4

De ‘681-regeling’ maakt al zeer lange tijd deel uit van de statuten van Avebe en is in essentie de afgelopen decennia ook niet gewijzigd. Het bedrag van 681 euro is de omzetting van het voor de invoering van de euro in de statuten opgenomen bedrag van HFL 1500,-. Het samenstel van de statutaire bepalingen die samen de ‘681-regeling’ vormen, komt erop neer dat de opzeggende leden ervoor moeten zorgen dat nieuwe leden hun plaats innemen dan wel bestaande leden hun leveringsverplichtingen aan de coöperatie verhogen teneinde het wegvallen van de leveranties aan (zetmeel)aardappelen van de opzeggende leden te compenseren. De opzeggende leden zijn verplicht hun aandelen (wat neerkomt op hun leveringsplicht en tevens leveringsrecht) bij de effectuering van de opzegging van het lidmaatschap aan derden over te dragen. De bedoeling van de ‘681-regeling’ is de leveringszekerheid van de coöperatie van de grondstof voor haar producten, wat in het belang is van de achterblijvende leden. Het sluitstuk van deze regeling is dat indien opzeggende akkerbouwers hun aandelen niet tijdig hebben overgedragen, zij verplicht zijn deze aandelen aan de coöperatie over te dragen tegen bijbetaling van een bedrag van € 681,- aan Avebe. Avebe kan deze overdracht ook zelf bewerkstellingen (artikel 7 lid 4 van de statuten), zoals in deze zaak ook aan de orde is.

5.5

Deze verplichting tot overdracht van de aandelen Avebe bij opzegging is een voorwaarde die de statuten stellen aan de uittreding van leden uit de coöperatie. Indien het aan de aandelen verbonden leveringsrecht van (zetmeel)aardappelen bij akkerbouwers prevaleert en zij bereid zijn daarvoor een bedrag te betalen, hebben aandelen een positieve waarde, zodat de verplichting om de aandelen bij opzegging over te dragen in dat geval opzeggende leden niet zal hinderen. Indien de leveringsplicht bij geïnteresseerde akkerbouwers de boventoon voert, bijvoorbeeld omdat de door Avebe geboden prijzen voor (zetmeel)aardappelen niet concurrerend zijn, dan vertegenwoordigen de aandelen Avebe een negatieve waarde en levert de verplichting voor opzeggende aardappeltelers om hun aandelen Avebe over te dragen een belemmering op bij het opzeggen van hun lidmaatschap van de coöperatie.

5.6

Het hof verwerpt dan ook het andersluidende standpunt van Avebe dat de verplichting tot overdracht van de aandelen geen uittreedvoorwaarde is. Het betoog van Avebe dat leden ook kunnen pogen hun aandelen van de hand te doen voordat zij opzeggen en dat er geen noodzakelijk rechtstreekse band is tussen de opzegging en de overdracht van aandelen, miskent dat indien een lid opzegt omdat hij het niet met het beleid van Avebe eens is, hij daardoor geconfronteerd wordt met de verplichting om de aandelen te vervreemden. Het gaat niet aan om de opzegging wegens onvrede met de coöperatie jaren vooruit te plannen teneinde eerst het meest gunstige moment voor de overdracht van de aandelen te kiezen (zo dat voor een individueel lid al mogelijk zou zijn). Ook zou hierdoor de opzegtermijn, die statutair drie maanden bedraagt in combinatie met het enige toegelaten opzegmoment (tegen 1 augustus van enige jaar) in de praktijk onredelijk lang worden. Het hof komt op dat punt hierna terug.

5.7

Tussen partijen is niet meer in geschil dat de door de verplichte aandelenoverdracht beoogde leveringszekerheid van Avebe in overeenstemming is met het statutaire doel van Avebe dat neerkomt op het behalen van gemeenschappelijk voordeel door duurzame samenwerking, met name door het verwerken van (zetmeel)aardappelen tot daaruit te winnen producten. Ook is naar ’s hofs oordeel de verplichte aandelenoverdracht in overeenstemming met de strekking van de coöperatie, namelijk de solidariteitsgedachte en de daarmee samenhangende noodzaak van een zekere duurzaamheid in het ledenbestand en de

beschikbaarheid van een voldoende brede commerciële basis teneinde de continuïteit en de goede werking van de coöperatie voor alle leden te waarborgen.

5.8

Deddens c.s. hebben aangevoerd dat de ‘681-regeling’ echter niet noodzakelijk is, omdat de continuïteit voldoende wordt gewaarborgd door de boete bij onderlevering. Het hof verwerpt dat standpunt. De boete bij onderlevering geldt alleen zolang er sprake is van lidmaatschap van de coöperatie. De ‘681-regeling’ beoogt immers dat ook ingeval van beëindiging van het lidmaatschap er zoveel mogelijk vervangende leveranciers van (zetmeel)aardappelen aangedragen worden om de continuïteit van de bedrijfsvoering zeker te stellen. De prikkel die van de 681-regeling uitgaat voor vertrekkende leden (of hun rechtsopvolgers) is noodzakelijkerwijs groter wanneer de door Avebe geboden prijs voor (zetmeel)aardappelen onder druk staan en voor landbouwers het economisch aantrekkelijker is om andere producten (waaronder ook aardappelen voor een ander doel dan verwerking in de fabrieken van Avebe) te verbouwen. Juist dan is het, met het oog op de langere termijn en de continuïteit van de onderneming, in het belang van de achterblijvende leden dat de aanvoer van (zetmeel)aardappelen gewaarborgd blijft.

5.9

Aan de wettelijke eis dat de uittreedvoorwaarde in de statuten moet zijn opgenomen is eveneens voldaan. Uittredende akkerbouwers weten dat zij ingeval zij bij opzegging niet tijdig hun aandelen overdragen, maximaal 681 euro per niet overgedragen aandeel aan Avebe dienen te betalen. Zij kunnen betaling van dit bedrag vermijden althans verlagen door hun aandelen tijdig aan derden over te dragen. Dat het om een maximumbedrag gaat dat uittredende leden op grond van deze regeling moeten betalen, is naar ’s hof oordeel, anders Deddens c.s. aanvoeren, niet in strijd met het in artikel 2:60 BW opgenomen kenbaarheidsvereiste.

5.10

De vraag is evenwel of de ‘681-regeling’ verder gaat dan geoorloofd is. De beperkingen die de statuten aan de leden van Avebe opleggen om hun landbouwareaal geheel naar eigen inzicht aan te wenden, mogen niet verder gaan dan noodzakelijk is voor de continuïteit en de goede werking van de coöperatie. Volgens Deddens c.s. is daarvan sprake. Het bedrag dat zij op grond van de ‘681-regeling’ moeten betalen is hoger dan volgens hen Europeesrechtelijk is toegelaten, waarbij ook betrokken moet worden de termijn die Deddens c.s. is gegund om de aandelen te vervreemden. Deddens c.s. stellen dat voor de toelaatbaarheid van het bedrag dat zij op grond van de ‘681-regeling’ verschuldigd zijn, aangesloten dient te worden bij het maximum aan uittreedvergoeding voor leden van een melkveehouderscoöperatie. Volgens Deddens c.s. is dat op 4% van het gemiddelde jaarlijkse melkgeld gesteld. Zij voeren aan dat daarom de uittreedvergoeding maximaal 4% mag bedragen van de gemiddelde prijs die zij van Avebe hebben ontvangen voor de hoeveelheid aangeleverde (zetmeel)aardappelen in de periode voorafgaand aan de opzegging van het lidmaatschap. De toepassing van de ‘681-regeling’ komt volgens hen neer op tenminste 50% van hun gemiddelde ontvangsten per aandeel Avebe over de jaren 2010-2012.

Het hof is van oordeel dat de toelaatbaarheid in mededingingsrechtelijke zin van uittreedbepalingen ook van belang is bij het antwoord op de vraag of een uittreedbepaling geoorloofd is in de zin van artikel 2:60 BW. Uit het arrest Oude Luttikhuis-Coberco van het Hof van Justitie van (destijds) nog de Europese Gemeenschap (HvJEG 12 december 1995 ECLI:EU:C:1995:434) volgt dat een combinatie van bedingen als een exclusieve leveringsverplichting en de verplichting tot betaling van een buitensporig uittreedgeld, waardoor de leden gedurende lange tijd aan de coöperatie worden gebonden en hun aldus de mogelijkheid wordt ontnomen om zich tot concurrenten te wenden, een verboden beperking van de mededinging tot gevolg kan hebben. Het hof stelt evenwel vast dat tegen de overwegingen van de rechtbank, hiervoor onder 4.6 samengevat en de door de rechtbank getrokken conclusie dat de 681-regeling niet in strijd is met Europeesrechtelijke en nationale mededingingsregels, geen grieven zijn opgeworpen. Artikel 6 Mw is, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG3582, Heerlen - Whizz Croissanterie) niet van openbare orde. Het hof komt wat betreft artikel 101 VWEU tot eenzelfde conclusie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze bepaling immers alleen van openbare orde heeft geacht in een specifieke context. Het arrest van 1 juni 1999 in de zaak Eco-Swiss - Benetton (ECLI:EU:C:1999:269) betrof immers het antwoord op de prejudiciële vraag die was toegespitst op de vernietiging van arbitrale vonnissen (zie verder ookde conclusie van A-G Wathelet in de zaak Genentech - Hoechst, ECLI:EU:C:2016:177). De overwegingen omtrent het openbare orde karakter in het arrest in de zaak Manfredi (ECLI:EU:C:2006:461) zijn gedaan in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen. Daarmee moet de vraag of artikel 101 VWEU van openbare orde is in die zin dat daaraan ook moet worden getoetst buiten de grieven om, worden beantwoord in het kader van de nationale procesrechtelijke autonomie en de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. Het staat naar ’s hofs oordeel buiten kijf dat de status van artikel 101 VWEU in dit kader gelijkwaardig is aan die van 6 Mw. Evenmin staat het grievenstelsel in de weg aan een doeltreffend beroep op artikel 101 VWEU in het onderhavige geval, aangezien beide partijen zich in eerste instantie uitgebreid uitgelaten hebben over de toepasselijkheid van en verenigbaarheid met die bepaling.

5.11

Het hof acht derhalve geen redenen aanwezig om ambtshalve de mededingingsrechtelijke aanvaardbaarheid van deze regeling, buiten de grieven om, zelfstandig te beoordelen, nog daargelaten dat Deddens c.s. in hoger beroep ook geen relevante (economische) feiten en omstandigheden hebben gesteld omtrent de afbakening en werking van de desbetreffende mark, hetgeen op hun weg zou hebben gelegen (vgl. HR

21 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0345). De vraag of de ‘681-regeling’ volledig voldoet aan de Europeesrechtelijke uitzonderingen voor landbouwcoöperaties op de mededingingsregels, zoals thans geregeld in Vo 1184/2006 van 24 juli 2006 dan wel artikel 206 van de GMO-verordening (Vo 1308/2013 van 17 december 2013) kan dat ook onbesproken blijven. Datzelfde geldt het voorstel van Deddens c.s. om de Europese Commissie om advies te vragen.

5.12

Aldus resteert de vraag of er in het kader van artikel 2:60 BW een algemene regel valt aan te wijzen die uittreedvergoedingen binden aan een plafond van 4% van de gemiddelde omzet in het betrokken product. Deddens c.s. hebben uitsluitend verwezen naar het XXIe verslag over het mededingingsbeleid van de Europese Commissie uit 1991. Het hof begrijpt Deddens c.s. aldus dat zij beogen te verwijzen naar de procedure die de Europese Commissie op grond van een klacht van Inco-Inex tegen de zuivelcoöperatie Campina b.a. heeft gevoerd en die geleid heeft tot een aanpassing van de door die coöperatie gehanteerde uittreedregeling. Bij die aanpassing is het maximum van de uittreedvergoeding op 4% van het gemiddelde melkgeld is gesteld. In de procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 9 juni 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA6181) had het betreffende hof vastgesteld dat een uittreedvergoeding van 4% van het gemiddelde melkgeld tezamen met de exclusieve leveringsverplichting de maximaal toelaatbare uitreedvergoeding vormde gelet op de mededingingsrechtelijke bepalingen.

5.13

Uit deze jurisprudentie volgt naar ’s hofs oordeel echter niet dat in het kader van artikel 2:60 BW altijd sprake is van een plafond voor de uittreedvergoeding van 4% van de omzet behaald met het product waarop de coöperatie betrekking heeft, ook indien beperking van de mededinging niet aan de orde is. Daarbij komt nog dat de leden van Avebe, zoals uit de onder 2.9 geciteerde statutaire bepalingen volgt, geen exclusieve leveringsverplichting aan Avebe hebben, maar de verplichting om een minimale hoeveelheid aardappelen per aandeel te leveren, met een aantal uitzonderingsmogelijkheden. De omstandigheid dat de ‘681-regeling’ voor een of meer appellanten de facto neerkwam op een hogere uittreedvergoeding dan 4% van de gemiddelde omzet die zij met de teelt van de aan Avebe geleverde (zetmeel)aardappelen in de door hen gestelde referentieperiode hadden ontvangen, acht het hof dan ook onvoldoende om strijd met artikel 2:60 BW aan te nemen. Dat de bedragen die resulteren uit de ‘681-regeling’ feitelijk een belemmering vormen voor de uittreding van Deddens c.s. is ook niet gebleken, waarbij het hof meeneemt dat geen gegevens zijn verstrekt over de hoogte van de 681-vergoeding ten opzichte van de gehele bedrijfsomzet. Dit is van belang gezien het verschil tussen de coöperatie in de zuivelsector waarbij de algemeen behaalde omzet bij het merendeel van de aangesloten bedrijven grotendeels behaald zal zijn met de melkleveranties en deze coöperatie, waarbij de algeheel behaalde omzet vrijwel altijd significant hoger zal zijn dan de Avebe-omzet, hetgeen reeds voortvloeit uit de verplichte wisselteelt bij de verbouw van aardappelen.

5.14

Het hof verwerpt overigens het standpunt van Avebe dat voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van de bedragen voortvloeiend uit de ‘681-regeling’ ook gekeken zou moeten worden naar de Europese subsidies die de betrokken landbouwers tot en met 2019 hebben en nog zullen ontvangen (tot een maximum van ongeveer € 2.000 per aandeel) op grond van hun hoeveelheid Avebe-aandelen in 2011. Immers die subsidie bestond niet toen de Avebe statuten werden opgesteld, terwijl verder gesteld noch gebleken is dat Deddens c.s. hun aandelen Avebe kort voor 2011 hebben uitgebreid met het oog op de toen gewijzigde subsidiegrondslag.

De termijn van de aandelenoverdracht

5.15

Het hof is met Deddens c.s. van oordeel dat voor beantwoording van de vraag of de ‘681-regeling’ al dan niet verder gaat dan geoorloofd is, gekeken moet worden naar alle elementen waaruit de regeling bestaat, derhalve naast naar het hiervoor besproken maximumbedrag van 681 euro per aandeel, ook naar de termijn waarbinnen de overdracht moet worden gerealiseerd om aan betaling aan Avebe te ontkomen en de mogelijkheden tot vermindering van dit bedrag.

5.16

Voor overdracht van aandelen, zij het met bijbetaling (vertaald in een negatieve prijs van de aandelen) waren ook in het boekjaar 2013-2014 op zich wel kandidaten te vinden. Avebe heeft benadrukt dat er in dat jaar 5754 aandelen met goedkeuring van Avebe van eigenaar zijn gewisseld. Met het vinden van een kandidaat voor overname van aandelen is evenwel wel tijd gemoeid.

5.17

Het hof stelt vast dat de statutaire regeling betreffende de termijn van overdracht niet geheel evenwichtig is en dat het standpunt van Avebe op het punt van deze termijn ook niet consistent is.

Artikel 7, eerste lid, van de statuten van Avebe bepaalt dat de gewezen leden dan wel hun rechtverkrijgenden na het einde van het lidmaatschap op de daar genoemde gronden zes maanden de tijd hebben om hun aandelen over te dragen. Deze termijn is verlengbaar, gelet op artikel 7, vijfde lid. Voor opzeggende leden is de termijn van overdracht van hun aandelen niet expliciet in de statuten geregeld. Artikel 7, tweede lid, van de statuten, lijkt er van uit te gaan dat een opzeggend lid zijn aandelen vóór de opzegging moet hebben overgedragen, derhalve tenminste drie maanden voor de beëindiging van het lidmaatschap, zonder statutair geregelde verlengingsmogelijkheid. Vanuit deze gedachte heeft Avebe in haar onder 3.15 genoemde brief van 23 juni 2014 aan [Groep F] c.s. klaarblijkelijk een ‘extra’ maand de tijd gegeven om hun aandelen aan derden over te dragen, hoewel deze maand verliep vóór het einde van het lidmaatschap van [Groep F] c.s. Vanuit deze gedachtegang heeft Avebe in de procedure benadrukt dat Deddens c.s. jaren de tijd hebben gehad om hun aandelen te verkopen omdat zij dat vóór hun opzegging konden en moesten doen. Deze uitleg van Avebe van de statuten staat evenwel op gespannen voet met de bepaling van artikel 6 lid 1 dat een lid ten minste zes aandelen moet houden en de opzegbepaling van artikel 5 lid 1, die bepaalt dat een lid dat wil opzeggen een opzegtermijn van drie maanden in acht moet nemen en alleen kan opzeggen tegen effectief 1 augustus van enig jaar. Een verplichting om nog wel lid te zijn tijdens een opzegtermijn maar voor die opzegtermijn al te handelen als ware het lidmaatschap geëindigd is naar ’s hofs oordeel tegenstrijdig. Daarbij komt nog dat Avebe zich in haar brief van 2 juli 2015 aan [appellant4] op het standpunt heeft gesteld dat de leveringsplicht verbonden aan de aandelen voortduurt nadat het lidmaatschap is geëindigd.

5.18

Het standpunt van Avebe dat een lid dat ontevreden is over de gang van zaken binnen de coöperatie jarenlang de tijd heeft om zijn aandelen zo gunstig mogelijk over te dragen, miskent dat een ontevreden lid op moet kunnen stappen binnen de statutaire opzeggingstermijn. Deze is reeds langer is dan de wettelijke termijn. Een verdergaande restrictie van de opzeggingsmogelijkheid met de verplichting om op straffe van de facto een boete van 681 euro per aandeel, de aandelen Avebe al voorafgaand aan de opzegging aan derden over te dragen, gaat naar ’s hofs oordeel te ver. Dit kan neerkomen op een verlenging van de opzegtermijn met mogelijk meerdere maanden indien er weinig vraag naar de aandelen is. Het hof oordeelt dat er ook geen rechtvaardiging is voor het onderscheid dat in artikel 7 van de statuten wordt gemaakt tussen de termijn die een opzeggend lid wordt gegund om zijn aandelen tegen een gunstiger bedrag dan € 681 negatief aan derden over te dragen en de termijn die in andere gevallen wordt gehanteerd bij einde van het lidmaatschap. De wijze waarop Avebe de overdrachtstermijn van aandelen in geval van opzegging hanteert levert naar ’s hofs oordeel, in combinatie met de statutaire opzeggingstermijn en opzeggingsmoment, een belemmering voor het opzeggende lid op die verder gaat dan noodzakelijk is voor de goede werking van de coöperatie.

5.19

Het hof is van oordeel dat Avebe [Groep F] c.s. ook gedurende ten minste zes maanden na de opzegging van het lidmaatschap in de gelegenheid had moeten stellen om hun aandelen tegen de dan geldende markprijzen over te dragen. Avebe heeft, in zoverre onbetwist, aangevoerd dat de overdrachtsprijs voor aandelen Avebe in 2014 tussen de 300 en 400 euro negatief bedroeg. Het hof is van oordeel dat Avebe onder deze omstandigheden niet op een hogere bijbetaling van [Groep F] c.s. aanspraak kan maken dan de meest gunstige door haar genoemde overdrachtsprijs in de periode van zes maanden na de opzegging, derhalve 300 euro negatief. Het hof acht niet relevant dat [Groep F] c.s. volgens Avebe niet daadwerkelijk op zoek zijn geweest naar een partij aan wie zij hun aandelen hadden kunnen overdragen. Avebe heeft hun daartoe ten onrechte niet voldoende gelegenheid geboden. Het hof zal het bedrag gemoeid met de ‘681-regeling’ in hun geval dan ook tot € 300,- per aandeel terugbrengen.

5.20

Voor [appellant4] geldt dat tussen hem en Avebe wel gesproken is voor een termijn van (ruim) een half jaar na de opzegging van 20 april 2015 waarbinnen (toen nog beide heren) [appellant4] de facto hun aandelen alsnog zouden kunnen overdragen aan derden tegen een gunstigere prijs dan € 681 negatief. Nu dit aanbod niet onvoorwaardelijk is gedaan en Avebe uiteindelijk [appellant4] op 28 juli 2015 heeft gefactureerd op grond van € 681,- per aandeel, ziet het hof geen aanleiding om ten aanzien van [appellant4] anders te oordelen en ook voor hem de uittreedvergoeding terug te brengen tot € 300 per aandeel.

5.21

In het bijzonder grief 4 treft in zoverre doel.

De opgelegde boeten

5.22

Vast staat dat Deddens c.s. in 2013 niet hebben voldaan aan hun uit artikel 8 van de statuten van Avebe voortvloeiende verplichting tot levering van tenminste vier ton aardappelzetmeel per aandeel, omdat zij elders betere prijzen konden behalen met hun gewassen. De boete is in de statuten opgenomen om te voorkomen dat Avebe te weinig aardappelen aangeleverd krijgt. De statuten voorzien in regelingen dat geen boete verschuldigd is bij ziekte of misoogst. Die omstandigheden spelen in deze zaak ook niet, het gaat om een economische afweging van Deddens c.s. die ontevreden waren met de door Avebe geboden prijzen.

5.23

Deddens c.s. voeren in de toelichting op grief 10 in principaal appel aan dat boete gematigd had moeten worden tot het bedrag dat zij verschuldigd waren geweest indien zij voor de ‘parkeerregeling’ van artikel 8 lid 5 onder b hadden geopteerd. Deze ‘parkeervergoeding’ bedroeg € 150,- euro per aandeel terwijl de opgelegde boete neer kwam op € 500,- per aandeel (4 ton zetmeel per aandeel, boete € 125 per niet geleverde ton zetmeel).

5.24

Avebe heeft erop gewezen dat de parkeerregeling inhoudt dat leden ruim vóór het teeltseizoen moeten aangeven dat zij van die regeling gebruik willen maken, zodat Avebe de mogelijkheid heeft om daarmee in haar productie- en verkoopplanning rekening te houden. Voor zover het nadeel dat Avebe door de verminderde aanvoer lijdt meer bedraagt dan € 150,- per aandeel, hebben de leden van Avebe dat voor lief genomen en bij tijdige melding de “schadevergoeding” in de vorm van de parkeervergoeding tot dat bedrag beperkt.

5.25

Het hof overweegt dat Deddens c.s. geen gebruik hebben gemaakt van de parkeerregeling en willens en wetens hun leveringsverplichting niet zijn nagekomen. Het hof acht geen grond aanwezig om Deddens c.s. alsnog in de situatie te brengen als hadden zij wel voor de parkeerregeling geopteerd.

Voor zover Deddens c.s. onder verwijzing naar hun standpunten in eerste aanleg betogen dat de rechtbank hun bezwaren tegen de opgelegde boeten ten onrechte heeft verworpen, hebben zij hun grief onvoldoende toegelicht. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom deze bezwaren niet opgaan en waarom de boete niet voor matiging in aanmerking komt.

5.26

De grief faalt.

De verwijzing naar de schadestaat

5.27

In grief 9 in principaal appel vechten Deddens c.s. de verwijzing naar de schadestaat aan omdat volgens hen de schade wegens onderlevering minder bedraagt dan de opgelegde boete en er geen aanwijzingen zijn dat de schade meer bedraagt, zoals door Avebe is gesteld.

5.28

Avebe stelt dat de opgelegde boeten de schade die zij heeft geleden omdat Deddens c.s. niet aan hun leveringsplicht hebben voldaan, onvoldoende dekt. Volgens haar bedraagt de schade ruim €. 320,- per niet geleverde ton aardappelzetmeel, terwijl € 125 aan boete per niet geleverde ton is opgelegd. Zij heeft voor de meerdere schade een verwijzing naar de schadestaat gevorderd. De statuten bepalen in artikel 5 lid 9 dat naast de boeten ook schadevergoeding van de leden gevorderd kan worden indien de schade de opgelegde boeten overtreft, zodat artikel 6:92 lid 2 BW niet aan dit onderdeel van de vordering van Avebe in de weg staat. Voor toewijzing van de een schadevordering nader op te maken bij staat is in dit verband voldoende dat Avebe aannemelijk maakt dat mogelijk schade is geleden die hoger is dan € 125 per niet geleverde ton aardappelzetmeel. Aan die eis is voldaan en daarop stuit de grief af.

Het hof merkt nog wel op dat hetgeen Avebe in deze procedure heeft opgemerkt over de hoogte van de schade op voorhand niet geheel overtuigt. De rededering van Avebe komt erop neer opbrengst van de niet geleverde tonnen aardappelzetmeel veel hoger zou zijn geweest dan de opbrengst van de wel geleverde tonnen aardappelzetmeel doordat de vaste kosten gedekt worden door de wel geleverde tonnen, waardoor de schade van de onderlevering per ton niet geleverd aardappelzetmeel veel meer bedraagt dan de gemiddelde door Avebe behaalde opbrengst per ton geleverd aardappelzetmeel.

De buitengerechtelijke incassokosten

5.29

Grief 8 in principaal appel keert zich tegen de toewijzing van de door Avebe gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Avebe heeft in de sommatiebrieven van 1 oktober 2014 aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten overeenkomstig het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Deddens c.s. betogen dat dit besluit in dit geval toepassing mist.

5.30

Deze grief is terecht voorgedragen. Genoemd besluit is, gelet op artikel 1 daarvan, alleen van toepassing op een uit overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot betaling van een geldsom. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat het gaat om vorderingen die voortvloeien uit de het lidmaatschap van een coöperatie, die bovendien materieel het karakter dragen van een schadevergoeding. Het hof moet derhalve toetsen of de gevorderde incassokosten, los van genoemd besluit, in aanmerking komen voor vergoeding. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend, omdat een eerste sommatiebrief in deze procedure op grond van artikel 241 Rv valt onder het bereik van de bepalingen voor de proceskostenveroordeling en van verdere voor vergoeding in aanmerking komende incassowerkzaamheden niet is gebleken. Het beroep van Avebe in eerste aanleg op HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405 baat haar niet, omdat deze uitspraak betrekking heeft op vorderingen op consumenten die onder het toepassingsbereik van het Besluit buitengerechtelijke incassokosten vallen en waarvoor artikel 6:96 lid 5 BW bepaalt dat artikel 241 Rv toepassing mist. In dit geval gaat het om zakelijke vorderingen die niet onder het toepassingsbereik van genoemd besluit vallen.

De slotsom

5.31

De grieven slagen deels, zodat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Avebe gedeeltelijk toewijzen. Het hof zal hierna het toewijsbare deel van de vordering van Avebe opnieuw berekenen, bestaande uit de verschuldigde boeten en het bedrag op grond van de 681-regeling uitgaande van € 300 per aandeel. Bij dit bedrag komen nog de individuele verrekenposten zoals die blijken uit de facturen van 1 oktober 2014 (verwerkt in punt 72 van de conclusie van antwoord in conventie/ eis in reconventie) en (ingeval van [appellant4] ook) 28 juli 2015 (verwerkt in productie 26 bij de conclusie van dupliek in conventie/repliek in reconventie, met een dubbeltelling). Die verrekenposten zijn in appel als zodanig verder niet meer aangevochten. Per betrokken akkerbouwer komt dit neer op de volgende berekening:

Deddens

boeten in geschil € 19.000,00

681-regeling 38 aandelen € 11.400,00

verrekenposten (nr. 72 CvA) € 3.258,70

totaal € 33.658,70

[appellant2]

boeten in geschil € 15.000,00

681-regeling 30 aandelen € 9.000,00

verrekenposten (nr. 72 CvA) € 992,62

totaal € 24.992,62

[appellant3]

boeten in geschil € 155.908,75

681-regeling 370 aandelen € 111.000,00

verrekenposten (nr. 72 CvA) € 40.693,15 negatief

totaal € 226.215,60

[appellant4]

Boeten [appellant4] in geschil € 62.000,00

Boeten [C] in geschil € 35.000,00

681-regeling [appellant4] 70 aandelen € 21.000,00

681-regeling [C] 124 aandelen € 37.200,00

verrekenposten (nr. 72 CvA) € 4.936,22

aardappelgeld (prod. 26 dupliek) € 154.029,69 (negatief)

correctie dubbel getelde FSS 2013 € 1.801,16 (negatief)

totaal € 4.305,86

[appellant5]

boeten in geschil € 29.000,00

681-regeling (58 aandelen) € 17.400,00

verrekenposten (nr 72 CvA) € 198,81(negatief)

totaal € 46.201,19

[appellant6]

boeten in geschil € 49.000,00

681-regeling (98 aandelen( € 29.400,00

verrekenposten (nr 72 CvA) € 624,26 (negatief)

totaal € 77.775,74

5.32

Over de hiervoor berekende bedragen zal het hof de wettelijke rente toekennen vanaf

1 november 2014 (in geval van [Groep F] c.s.) dan wel met ingang van 1 november 2015 (in geval van [appellant4] ), waarbij het hof onder verwijzing naar rov. 5.19 uitgaat van zes volle maanden na de datum van de opzegging van het lidmaatschap. Voor een eerder

ingangsmoment van de wettelijke rente over deelvorderingen heeft Avebe onvoldoende gesteld met betrekking tot het moment van verzuim.

5.33

Het hof zal voorts de besluiten van het bestuur van Avebe van 31 juli 2014 en

28 juli 2015 (t.a.v. [appellant4] ) vernietigen voor zover daarbij aan Deddens c.s. op grond van de 681-regeling een hoger bedrag in rekening is gebracht dan € 300,- per aandeel.

5.34

Het hof zal gelet op deze uitkomst de kosten van de procedure in appel compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt. Datzelfde geldt ook voor de proceskosten in eerste aanleg in reconventie. Deddens blijven de in overwegende mate in het ongelijk te stellen partij in de oorspronkelijke vordering in reconventie, zodat het hof de daarin uitgesproken kostenveroordeling in stand zal laten.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis/de vonnissen van de rechtbank Noord-Nederland van

7 december 2016, voor zover het de kostenveroordeling in reconventie betreft (rechtsoverweging 11.9) en vernietigt dit vonnis voor het overige. In zoverre opnieuw rechtdoende:

vernietigt de besluiten van het bestuur van Avebe van 31 juli 2014 en 28 juli 2015 voor zover daarbij van Deddens c.s. een hogere vergoeding per aandeel is geheven dan € 300,-;

veroordeelt Deddens om aan Avebe te betalen de somma van € 33.658,70, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel. 6:119 BW daarover vanaf 1 november 2014 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant2] om aan Avebe te betalen de somma van € 24.992,62 te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel. 6:119 BW daarover vanaf 1 november 2014 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant3] om aan Avebe te betalen de somma van € 226.215,60 te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel. 6:119 BW daarover vanaf 1 november 2014 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant4] om aan Avebe te betalen de somma van € 4.305,86 te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel. 6:119 BW daarover vanaf 1 november 2015 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant5] om aan Avebe te betalen de somma van € 46.201,19 te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel. 6:119 BW daarover vanaf 1 november 2014 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [appellant6] om aan Avebe te betalen de somma van € 77.775,74 te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel. 6:119 BW daarover vanaf 1 november 2014 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Deddens c.s. voorts tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat als bedoeld in rov. 5.28;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van de procedure in eerste aanleg in reconventie en de procedure in hoger beroep draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. R. E. Weening, mr. J.H. Kuiper en mr. H.H.B. Vedder en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.