Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2667

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
16-05-2019
Zaaknummer
200.201.688/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Letselschade na caféruzie. Beroep op noodweer verworpen, beroep op eigen schuld gedeeltelijk (korting 30%) gehonoreerd. Uitvoerige bespreking van verschillende schadeposten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2019-0749
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.201.688/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/147343 / HA ZA 14-93)

arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.H. Mastenbroek, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

1 [geïntimeerde1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde1],

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden] c.s.,

advocaat: mr. N.E. Koelemaij, kantoorhoudend te Assen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 januari 2018 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 31 mei 2018 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Daarna is de procedure aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen de mogelijkheden van het treffen van een minnelijke regeling te onderzoeken.

1.4

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

1.5

[appellant] vordert in principaal hoger beroep:
“dat het het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, behaagt bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te vernietigen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 13 juli 2016 (…) en opnieuw rechtdoende,
2. geïntimeerden niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans deze aan hen te ontzeggen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van het geding in prima en in beroep; althans de kosten in beide instanties te compenseren in dier voege dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.”

1.6

[geïntimeerden] c.s. vorderen in incidenteel hoger beroep:
“II te vernietigen het door de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, d.d. 13 juli 2016 (…) gewezen vonnis, doch uitsluitend voor zover daarin de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. zijn afgewezen (dan wel de afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. hierop is gestoeld), en, opnieuw rechtdoende, alsnog, aanvullend op de veroordelingen die reeds in prima ten laste van [appellant] zijn uitgesproken (en welke zonodig ook thans zijn toe te wijzen, zonodig onder verbetering van gronden):
III de door de rechtbank uitgesproken veroordelingen (evenals de door het Gerechtshof uit te spreken aanvullende veroordelingen) alsnog wettelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;
IV weg te nemen het maximum dat door de rechtbank is verbonden aan de dwangsommen ter versterking van het aan [appellant] opgelegde verbod als opgenomen in het dictum op bladzijde 3, alinea 3, en doorlopend naar bladzijde 4, van het eindvonnis van de rechtbank (subsidiair dit maximum te verhogen);
V [appellant] te veroordelen tot vergoeding aan [geïntimeerden] c.s. van het gedeelte van de door [geïntimeerden] c.s. geleden en te lijden schade (terzake hetgeen in deze procedure voor recht verklaard is en/of zal worden) welke reeds kan worden vastgesteld, belopende € 100.000,00 (of zodanig bedrag als het Gerechtshof in goede justitie mocht begroten), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2014 (dan wel 22 februari 2014,
4 maart 2014, of de dag der dagvaarding in prima of een in goede justitie te bepalen datum) tot de dag der algehele voldoening;
VI voorzover terzake het onder V gevorderde niet reeds een bedrag tot een beloop van € 100.000,00 (exclusief wettelijke rente) mocht worden toegewezen als reeds toewijsbaar geacht deel van de definitieve schadevergoeding, [appellant] te veroordelen tot het betalen van een voorschot ad € 100.000,00 verminderd met hetgeen (exclusief wettelijke rente) wel al reeds wordt toegbinneewezen terzake het onder V gevorderde (althans zodanig voorschot als het Gerechtshof in goede justitie mocht bepalen), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 januari 2014 (dan wel 22 februari 2014, 4 maart 2014, of de dag der algehele voldoening, op de (ter zake hetgeen in deze procedure voor recht verklaard is en/of zal worden) door [appellant] een [geïntimeerden] c.s. nog te betalen (verdere) schadevergoeding;


VII alsmede/althans gelet op het door [geïntimeerden] c.s. gestelde zodanig te beslissen als het Gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren;

VIII met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit appel, alsmede in het nasalaris ad € 131,00 zonder en € 199,00 ingeval van betekening, alles (proceskosten en nasalaris) te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW inzoverre betaling binnen veertien dagen na betekening van het ten dezen te wijzen arrest uitblijft.”

2 De feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2

[appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zijn allen woonachtig in [A] . Tussen [appellant] en [geïntimeerde1] is sinds langere tijd sprake van een slechte verstandhouding, hetgeen zijn oorsprong vindt in een geschil over de pacht van een stuk land. [appellant] en [geïntimeerde1] hebben zich in het jaar 2014 over en weer in diverse (lokale) kranten uitgelaten over (onder andere) dit geschil.

2.3

In de avond van 18 januari 2014 bevonden [appellant] , [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] zich in Partycentrum Strandheem te [A] . Vaststaat dat [geïntimeerde1] die avond iets in de richting van [appellant] heeft gezegd, waarop [appellant] zich bij de bar tot [geïntimeerde1] heeft gewend om hem daarover aan te spreken. Vervolgens is een woordenwisseling tussen [appellant] en [geïntimeerde1] ontstaan, die is geëscaleerd in geweld. Een door [appellant] gedragen gouden ketting is stukgegaan.

2.4

[appellant] heeft op 21 januari 2014 aangifte tegen [geïntimeerde1] gedaan van eenvoudige mishandeling. De strafzaak tegen [geïntimeerde1] is geseponeerd.

2.5

[geïntimeerde1] heeft op 24 januari 2014 en 3 februari 2014 aangifte tegen [appellant] gedaan van zware mishandeling c.q. poging doodslag.

2.6

[geïntimeerden] c.s. hebben [appellant] op 19 maart 2014 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van onrechtmatig handelen van [appellant] stellen te hebben geleden.

2.7

De officier van justitie heeft [appellant] gedagvaard voor de politierechter en hem eenvoudige mishandeling ten laste gelegd. [geïntimeerde1] heeft zich in het daaropvolgende strafproces gevoegd als benadeelde partij in de zin van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en heeft schadevergoeding ter hoogte van € 109.148,91 van [appellant] gevorderd.

2.8

[appellant] is bij vonnis van 4 juni 2015 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, veroordeeld voor mishandeling van [geïntimeerde1] tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, waarvan

80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De politierechter heeft [geïntimeerde1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

2.9

[appellant] heeft van het vonnis van de politierechter hoger beroep ingesteld. Bij arrest van de strafkamer van dit hof van 27 december 2017 is bewezenverklaard dat [appellant] [geïntimeerde1] op 18 januari 2014 opzettelijk heeft mishandeld doordat hij [geïntimeerde1] meermalen met kracht met een tot vuist gebalde hand tegen het hoofd heeft geslagen ten gevolge waarvan [geïntimeerde1] op de grond is komen te vallen, waardoor hij letsel heeft opgelopen en pijn heeft ondervonden. Het door [appellant] gevoerde verweer gegrond op noodweerexces is afgewezen. Het hof heeft [appellant] veroordeeld tot - kort gezegd - een taakstraf voor de duur van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis, waarvan veertig uren voorwaardelijk. Het hof heeft, mede omdat reeds een civiele procedure tussen partijen aanhangig was gemaakt, [geïntimeerde1] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding.

2.10

[geïntimeerde2] heeft eveneens aangifte van mishandeling en bedreiging door [appellant] gedaan. Deze aangifte heeft niet tot vervolging geleid.

3 De vordering in eerste aanleg en de beslissing daarop

3.1

Bij inleidende dagvaarding van 19 maart 2014 hebben [geïntimeerden] c.s. [appellant] gedagvaard en hebben zij gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Voorts hebben zij een vordering ingesteld strekkende tot veroordeling van [appellant] uit hoofde van schadevergoeding aan hen, al dan niet in de vorm van een voorschot, € 100.000,-, te betalen en de zaak ter vaststelling van de overige schade naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Daarnaast hebben [geïntimeerden] c.s.
samengevat weergegeven - gevorderd [appellant] te verbieden [geïntimeerden] c.s. te mishandelen, bedreigingen jegens hen te uiten, hen te belagen, anderszins contact met hen te zoeken, zich in de onmiddellijke nabijheid van hen te begeven, hun woonperceel te betreden, zich binnen een zone van 750 meter vanaf de buitenrand van hun woonperceel te begeven of onjuiste of onvolledige feiten te verkondigen, alles op een dwangsom van € 10.000,- voor iedere overtreding. Tot slot vorderden [geïntimeerden] c.s. [appellant] te veroordelen een nader omschreven rectificatie in twee nieuwsbladen te laten publiceren.

3.2

[appellant] heeft geen conclusie van antwoord genomen waarna de rechtbank in een tussenvonnis van 20 augustus 2014 een akte niet-dienen heeft verleend. In datzelfde vonnis zijn [geïntimeerden] c.s. in de gelegenheid gesteld hun vorderingen nader te onderbouwen. [appellant] heeft vervolgens bij antwoordakte verweer gevoerd tegen de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. In het daaropvolgende tussenvonnis van 22 april 2015 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.3

Bij tussenvonnis van 4 mei 2016 heeft de rechtbank overwogen dat zij in het tussenvonnis van 22 april 2015 niet heeft onderkend dat akte niet-dienen was verleend en zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de procedurele gevolgen hiervan. In het eindvonnis van 13 juli 2016 heeft de rechtbank overwogen dat het niet onaanvaardbaar is aan de beslissing akte niet-dienen vast te houden, waarna is beoordeeld of de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. op grond van artikel 139 Rv konden worden toegewezen. De rechtbank heeft de vorderingen tot betaling van schadevergoeding van € 100.000,- (al dan niet in de vorm van een voorschot) afgewezen. De overige vorderingen zijn toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsommen zijn gemaximeerd. Gelet op de procedurele gang van zaken is het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4 De beoordeling in hoger beroep
Inleiding

4.1

In deze procedure staat centraal de vordering van [geïntimeerden] c.s. jegens [appellant] op grond van onrechtmatige daad. [appellant] heeft volgens [geïntimeerden] c.s. onrechtmatig jegens hen gehandeld door hen op de avond van 18 januari 2014 te mishandelen. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] stellen (ieder voor zich) dat zij als gevolg van deze mishandeling schade hebben geleden, die door [appellant] dient te worden vergoed. Mede in verband met deze onrechtmatige daad vorderen [geïntimeerden] c.s. daarnaast diverse aan [appellant] op te leggen verboden (op straffe van een dwangsom), alsmede een gebod tot het publiceren van rectificaties naar aanleiding van uitlatingen van [appellant] in diverse (lokale) media. Nu het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voorligt, zullen de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep niet afzonderlijk besproken worden. Het hof zal de vorderingen van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] in het navolgende bespreken.
Ten aanzien van [geïntimeerde1]
Aansprakelijkheid

4.2

Het hof stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 161 Rv een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. In het onderhavige geval staat vast dat [appellant] door de strafkamer van dit hof is veroordeeld voor mishandeling en dat dit arrest onherroepelijk is geworden. Dit brengt mee dat – behoudens tegenbewijs – als vaststaand dient te worden aangenomen dat [appellant] [geïntimeerde1] opzettelijk heeft mishandeld door hem meermalen met kracht met een tot vuist gebalde hand tegen het hoofd te slaan, ten gevolge waarvan [geïntimeerde1] op de grond is gevallen, waardoor hij letsel heeft opgelopen en pijn heeft ondervonden.

4.3

Tegen deze bewezenverklaring staat weliswaar de mogelijkheid van tegenbewijs open, maar het hof ziet onvoldoende aanleiding [appellant] daartoe in de gelegenheid te stellen. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat ten onrechte vast is komen te staan dat hij [geïntimeerde1] heeft geslagen. Aldus staat de mishandeling in rechte vast. Dit leidt in beginsel tot de conclusie dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde1] heeft gehandeld. Van onrechtmatig handelen is echter geen sprake indien vast komt te staan dat voor het handelen van [appellant] een rechtvaardigingsgrond bestaat (artikel 6:162 lid 2 BW).

4.4

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 1995 (ECLI:NL:HR:1995:ZC1688, Noenmaal) voert [appellant] aan dat [geïntimeerde1] het conflict heeft uitgelokt. Volgens [appellant] is [geïntimeerde1] bij binnenkomst in het partycentrum vrijwel rechtstreeks op hem toegelopen en heeft [geïntimeerde1] hem onnodig beledigend toegesproken. [appellant] stelt daarop afhoudend gereageerd te hebben, maar [geïntimeerde1] bleef hem beledigend toespreken en liep niet weg. Vervolgens is er volgens [appellant] geduwd en getrokken, waarbij [geïntimeerde1] de ketting van [appellant] kapot trok en deze vervolgens onder zich hield, ondanks dat [appellant] woedend reageerde op het feit dat zijn ketting kapot was gegaan. Door zo te handelen en niet onmiddellijk de ketting terug te geven en weg te lopen is [appellant] buitengewoon boos geworden en zijn er (over en weer) klappen

gevallen. [appellant] stelt dat dit niet zou zijn gebeurd als [geïntimeerde1] terstond de ketting had teruggeven of op de toonbank van de bar had gelegd.

4.5

Het hof verwerpt het beroep van [appellant] op uitlokking. Zelfs al zou vast komen te staan dat [geïntimeerde1] de gouden ketting van [appellant] opzettelijk kapot getrokken heeft hetgeen [geïntimeerde1] betwist - dan is daarmee niet gegeven dat het gedrag van [appellant] zodanig is uitgelokt door [geïntimeerde1] dat [appellant] niet onrechtmatig heeft gehandeld door [geïntimeerde1] meerdere malen met een tot vuist gebalde hand te slaan.

4.6

[appellant] heeft voorts gesteld dat hij niets anders heeft gedaan dan zijn lijf, eerbaarheid en goed verdedigen tegen de onrechtmatige agressie van de zijde van [geïntimeerde1] , bestaande uit schelden, trekken, duwen en het kapot trekken van zijn ketting. Het hof kwalificeert dit verweer als een beroep op een rechtvaardigingsgrond (noodweer) en stelt dienaangaande het volgende voorop. De strafkamer van dit hof heeft in zijn arrest van

27 december 2017 (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.8) geoordeeld dat het beroep van [appellant] op noodweer, dan wel noodweerexces, wordt verworpen. Dit oordeel wordt niet door artikel 161 Rv bestreken; het maakt immers geen deel uit van de bewezenverklaring maar heeft betrekking op de strafbaarheid van de verdachte (artikel 350 Sv). Het verwerpen van een beroep op noodweer door de strafrechter laat de vrijheid in de bewijswaardering van de burgerlijke rechter dan ook onverlet (HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760). Het bestaan van die rechtvaardigingsgrond moet – als bevrijdend verweer – in een civiele procedure als hier aan de orde, door de dader worden bewezen.

4.7

Het verweer van [appellant] dat hij uit noodweer gehandeld heeft faalt. Het hof overweegt daartoe als volgt. Onder noodweer (in strafrechtelijke zin) wordt verstaan een gedraging die geboden is door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De wijze van verdediging moet voldoen aan het proportionaliteits- en het subsidiariteitsvereiste: er mag geen wanverhouding bestaan tussen de wijze van verdediging en de ernst van de aanranding, en degene die zich op noodweer beroept moet niet met een minder schadelijke wijze van verdediging hebben kunnen volstaan. Het hof acht bij de beoordeling van het beroep op noodweer de volgende getuigenverklaringen van belang:
[B] : “Toen ik bij de bloembak stond zag ik dat [geïntimeerde1] en [appellant] elkaar stonden te duwen. Ik heb niet kunnen zien wie er was begonnen met duwen. Ik liep toen net langs het koffiezetautomaat. Toen ik bij de bloembak stond zag ik dat [geïntimeerde1] de ketting van [appellant] kapot trok. Ik zag dat [appellant] hierop [geïntimeerde1] een klap op het hoofd gaf. Ik kon zien dat de klap met gebalde vuist werd gegeven. Ik zag dat de klap ter hoogte van de wang van [geïntimeerde1] terecht kwam. Ik kon dit vanaf mijn punt goed zien. Ik hoorde dat [appellant] meerdere keren tegen [geïntimeerde1] zei van “goddomme geef mijn ketting terug, nu heb je mijn ketting ook al kapot gemaakt” of woorden van gelijke strekking. Ik vermoede dat [appellant] de klap aan [geïntimeerde1] gaf uit frustratie.”
[C] : “Ineens hoorde ik geschreeuw bij de bar. Ik hoorde [appellant] schreeuwen waar zijn ketting was gebleven. (…) Ik dat op een gegeven moment dat [appellant] [geïntimeerde1] een vuistslag tegen diens gezicht gaf. Dit laatste kan ik niet met zekerheid zeggen, maar [geïntimeerde1] werd wel door [appellant] geraakt.
[D] : “Ik zag wel dat [geïntimeerde1] [appellant] vastpakte en zijn ketting stuk trok. Ik hoorde [appellant] roepen: “Godverdomme mijn ket”. Hij was erg kwaad omdat zijn ketting stuk was getrokken. Wel heb ik gezien dat [geïntimeerde1] daarna hard op de grond viel. Dit kwam door de duw die [appellant] hem gaf.
[E] : “ [appellant] stond en schreeuwde: hij heeft mijn gouden ketting. [geïntimeerde1] en zijn vrouw lagen op de grond. Ik heb meneer [appellant] geprobeerd tegen te houden en de zaak te sussen. Ik heb nog tegen [appellant] gezegd: kijk eens in je shirt, misschien is de ketting daar wel in gevallen. Hij was door het dolle heen (…) [appellant] had het alleen maar over zijn ketting en dat [geïntimeerde1] zijn ketting had. Hij was niet voor rede vatbaar.”
Het hof is van oordeel dat uit deze verklaringen niet valt op te maken dat sprake was van een acute bedreigende situatie voor [appellant] . Uit deze verklaringen komt veeleer het beeld naar voren dat [appellant] en [geïntimeerde1] over en weer hebben geduwd en getrokken en dat [appellant] hevig gefrustreerd is geraakt over (met name) de kapotte ketting, die volgens hem opzettelijk door [geïntimeerde1] stukgetrokken was. Het hof is van oordeel dat het met gebalde vuist slaan van [geïntimeerde1] door [appellant] in het onderhavige geval disproportioneel was ten opzichte van het duwen, trekken en stuktrekken van de ketting van [appellant] (zo dat al vast zou komen te staan). De conclusie luidt dan ook dat noodweer niet kan worden aangenomen, nu geen sprake was van een noodzakelijke verdediging, terwijl anders handelen door [appellant] mogelijk was. Van een rechtvaardigingsgrond in de zin van artikel 6:162 lid 2 BW, die het onrechtmatig karakter van het handelen van [appellant] zou wegnemen, is om die reden evenmin sprake.

4.8

Uit het voorgaande volgt dat [appellant] jegens [geïntimeerde1] onrechtmatig heeft gehandeld.
Eigen schuld

4.9

[appellant] doet, zo begrijpt het hof, subsidiair een beroep op eigen schuld van [geïntimeerde1] .

4.10

Artikel 6:101 BW geeft als uitgangspunt dat de schade over de benadeelde en de aansprakelijke wordt verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Toepassing van die primaire maatstaf van artikel 6:101 BW houdt een causaliteitsafweging in, die er in het onderhavige geval op neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van [appellant] en anderzijds het gedrag van [geïntimeerde1] aan het ontstaan van het letsel heeft bijgedragen. Bij deze beoordeling komt het (nog) niet aan op de mate van verwijtbaarheid van het een en ander. Beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt pas aan de orde bij de toepassing van de tevens in artikel 6:101 BW vervatte billijkheidscorrectie.

4.11

Bij de beoordeling van het beroep op eigen schuld acht het hof de volgende getuigenverklaringen van belang:
[appellant] tijdens aangifte bij de politie: “Ik zag dat [geïntimeerde1] achter mij ging staan. Ik hoorde [geïntimeerde1] in mijn richting zeggen: “Ben jij hier ook ellendeling”. Ik hoorde mijn vrouw tegen mij zeggen: Reageer er niet op [appellant] . [geïntimeerde1] bleef echter aan de bar staan en bleef mij provocerend aankijken. Ik besloot om een stap in de richting van [geïntimeerde1] te doen en vroeg aan hem waarom hij zo deed. Ik hoorde [geïntimeerde1] tegen mij zeggen wat moet je hier eigenlijk ellendeling. Ik vroeg aan [geïntimeerde1] : “Wat wil je nu eigenlijk van mij. Je hebt helemaal geen last van mij. Ik mag ergens komen en jij wel.” Op dat moment voelde en zag ik dat [geïntimeerde1] mij met zijn rechter hand bij de keel greep. Ik voelde dat de gouden ketting die ik om had doormidden brak. Ik af op dat moment [geïntimeerde1] een harde duw en schreeuwde tegen hem: “Wat mankeert jou nu!”. (…) Er is wel geduwd of er geslagen is durf ik niet meer te zeggen.”
[geïntimeerde1] tijdens aangifte bij de politie: “Toen ik bij de bar stond zag ik de mij bekende [appellant] daar ook staan. Ik hoorde dat [appellant] hardop riep: ‘Wat moet die lange hier’. (…) Toen ik mijn bestelde drinken kreeg, stond opeens [appellant] naast mij. Hij zei: ‘Wat moet jij hier’. [appellant] begon toen direct intimiderend tegen mij te schreeuwen over de aankomende rechtszaak dat is aangespannen over een geschil tussen [appellant] en mij. [appellant] pakte toen de kraag van mijn shirt beet en trok hier hard waardoor dit stuk ging. Hij pakte mij met zijn rechterhand bij mijn keel en kneep deze dicht. Ik kreeg het bijzonder benauwd en had het gevoel dat hij mij zou laten stikken. Ik kreeg doodsangsten. Ik was nog in de mogelijkheid [appellant] van mij af te duwen. Ik duwde hem van mij af door hard met mijn rechter hand hoog tegen de borstkas van [appellant] te drukken. Terwijl ik hem van mij af duwde bleek mijn hand haken aan de halsketting die [appellant] droeg waardoor deze stuk knapte en op de grond viel. Ik zag en hoorde dat [appellant] nog kwader werd. Hij begon te schreeuwen: ‘Jij hebt mij ket, hier mijn ket.’ Terwijl ik naar de grond keek gaf [appellant] mij een klap in het gezicht met zijn rechter vuist.”
[B] tijdens getuigenverhoor bij de politie: “Ik zag dat [geïntimeerde1] ook gelijk naar de bar kwam en richting [appellant] liep. Ik kon dit goed zien want ik stond op dit moment achter de bar en bijna tegenover [appellant] . Ik zag dat [geïntimeerde1] achter [appellant] langs liep en ik hoorde dat [geïntimeerde1] tegen [appellant] zei “Jij misselijke ellendeling ben jij hier ook”. (…) Nadat [appellant] wat terug zei tegen [geïntimeerde1] ben ik naar de bloembak gelopen bij nummer 2 op de tekening. Toen ik richting de bloembak liep zag ik dat [geïntimeerde1] en [appellant] elkaar stonden te duwen. Ik heb niet kunnen zien wie er was begonnen met duwen. (…) Toen ik bij de bloembak stond zag ik dat [geïntimeerde1] de ketting van [appellant] kapot trok. Ik zag dat [appellant] hierop [geïntimeerde1] een klap op het hoofd gaf.”
[B] tijdens getuigenverhoor raadsheer-commissaris: “ [geïntimeerde1] zei tegen [appellant] : misselijke ellendeling, ben jij ook hier? [appellant] deed eerst een beetje verbaasd. Er ontstond een woordenwisseling en daarna werd er geduwd. Ik weet niet wie er begonnen is. Door al het geduw kwamen zij aan de zijkant van de bar uit. Ik ging achter de bar weg en ging voor de bar staan. Ze waren maar aan het duwen en trekken. Op een gegeven moment begon [appellant] te schreeuwen: waar is mijn ketting? Hij zicht onder zijn t-shirt naar zijn ketting. Ondertussen bleef [geïntimeerde1] maar doorgaan met schelden tegen [appellant] en naar hem toe lopen. [appellant] heeft een paar keer gezegd: ik heb jou niets gedaan, geef mijn ketting terug, je hebt mijn ketting kapot gemaakt. Toen heeft [appellant] een klap gegeven aan [geïntimeerde1] .”
[C] tijdens getuigenverhoor bij de politie: “Toen [geïntimeerde1] net naast [appellant] ging staan, hoorde ik dat [geïntimeerde1] tegen [appellant] zei: “He ellendeling, wat moet jij hier”, of woorden van gelijke strekking. Dit werd gezegd in de Friese taal. (…) Ineens hoorde ik geschreeuw bij de bar. Ik hoorde [appellant] schreeuwen waar zijn ketting was gebleven. (…) Er werd over en weer een en ander gezegd. Wat ze precies zeiden, weet ik niet maar er werd wel gescholden. (…) Ze [ [geïntimeerde2] ] probeerde [appellant] tot kalmte te manen en haar vriend [geïntimeerde1] te bewegen om bij [appellant] weg te gaan. Dit lukte haar niet, want beide mannen waren daar te woest voor. [geïntimeerde1] ging niet weg en bleef steeds maar weer voor [appellant] staan.”
[D] tijdens getuigenverhoor bij de politie: “Ik zag dat [geïntimeerde1] naar [appellant] liep. Ik hoorde dat [geïntimeerde1] tegen [appellant] zei: “Wat doe jij hier ellendeling?”. Ik hoorde [appellant] zeggen: “We hoeven hier niet te ouwehoeren het is een feestje.” Ik heb niet gezien dat [appellant] klappen aan [geïntimeerde1] heeft gegeven. Ik zag wel dat [geïntimeerde1] [appellant] vastpakte en zijn ketting stuk trok.”
[F] (partner van [appellant] ) tijdens getuigenverhoor raadsheer-commissaris: “ [geïntimeerde1] kwam recht op ons aflopen en vroeg: ben jij hier ook, ellendeling? Vervolgens bestelde hij wat te drinken. [appellant] vroeg aan [geïntimeerde1] : wat heb ik jou nou misdaan? Ik zag dat [appellant] werd beetgepakt bij de keel door [geïntimeerde1] . [appellant] gaf hem toen een duw en later bleek dat de ketting kapot was. Er werd over en weer geduwd.”
Op grond van deze verklaringen acht het hof aannemelijk dat [geïntimeerde1] [appellant] bij binnenkomst in het partycentrum heeft toegesproken met de woorden “ellendeling, wat doe jij hier?” of woorden van gelijke strekking, waarna [appellant] en [geïntimeerde1] over en weer geduwd en getrokken hebben. Het hof acht aannemelijk dat [geïntimeerde1] vervolgens de gouden ketting van [appellant] kapot heeft getrokken. Aan de lezing van [geïntimeerde1] , inhoudende dat hij met zijn pink achter de ketting is blijven haken waardoor deze kapot gegaan is, hecht het hof geen geloof gelet op de getuigenverklaringen alsmede gelet op de zwaarte en dikte van de ketting, hetgeen het hof ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep zelf heeft kunnen waarnemen. Het hof leidt voorts uit de verklaringen af dat [geïntimeerde1] de confrontatie met [appellant] niet uit de weg is gegaan door weg te lopen en dat hij de stukgetrokken ketting niet aan [appellant] heeft teruggegeven.
Op grond hiervan beantwoordt het hof de vraag of sprake is van enige mate van eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde1] in de zin van artikel 6:101 BW bevestigend. Naar het oordeel van het hof hebben de aan [geïntimeerde1] toe te rekenen omstandigheden voor 30% bijgedragen aan het ontstaan van de schade. Het hof ziet dan ook reden 30% van de schade voor rekening van [geïntimeerde1] te laten.
Naar het oordeel van het hof is er geen reden op grond van de billijkheid tot een andere verdeling te komen.

4.12

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [appellant] op 18 januari 2014 [geïntimeerde1] mishandeld heeft door hem meerdere malen met gebalde vuist te slaan. [geïntimeerde1] heeft dientengevolge schade geleden. Deze schade kan aan [appellant] worden toegerekend, met dien verstande dat de vergoedingsplicht van [appellant] wordt verminderd op grond van artikel 6:101 BW tot 70%.
Schade

4.13

In zijn inleidende dagvaarding heeft [geïntimeerde1] primair gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 100.000,- schadevergoeding en tot vergoeding van de overige schade nader op te maken bij staat, terwijl hij subsidiair heeft gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 100.000,- en schadevergoeding op te maken bij staat.

4.14

Het hof overweegt dat het de rechter, die dient te beslissen op een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat, vrij staat om de schade te begroten. Dat is vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR 20 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2611). Voorts volgt uit (de wetsgeschiedenis van) artikel 612 Rv dat de rechter de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat slechts toewijst als hij de schade niet kan begroten (vgl. HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2229). Naar het oordeel van het hof kan in het onderhavige geval de omvang van de schade, die ruim vijf jaar geleden is veroorzaakt, in deze procedure worden begroot, te meer nu [geïntimeerde1] reeds in het tussenvonnis van de rechtbank van 20 augustus 2014 in de gelegenheid is gesteld de door hem gevorderde schadevergoeding nader te onderbouwen.

4.15

[geïntimeerde1] maakt, onder verwijzing naar het rapport van Ridder Letselschade

d.d. 13 oktober 2014, aanspraak op vergoeding van materiële en immateriële schade, die hij als volgt heeft becijferd:

- Kosten genezing en herstel

a. reiskosten t/m september 2014 € 228,52

b. eigen risico zorgverzekering 2014 € 360,-

c. medicijnen niet vergoed € 25,-

- Verlies verdiencapaciteit

a. gemist project € 18.900,- netto

b. gederfde huurinkomsten Polen € 12.250,-
c. gederfde inkomsten JFC € 8.286,73

- Verlies zelfwerkzaamheid

a. datum ongeval t/m oktober € 926,25

- Huishoudelijke hulp

a. eerste drie maanden zwaar beperkt € 1.118,-

b. verlenging richtlijn met drie maanden € 1.118,-

c. na zes maanden beperkt t/m oktober 2014 € 540,-

- Overige materiele schade

a. bewaking 20-01-2014/30-09-2014 € 28.919,-

b. onkosten € 30,-

c. PS vertalingen € 108,03

d. advocaatkosten t/m 30-09-2014 € 8.508,64

e. griffierechten € 868,-

- Immateriële schade

a. smartengeld € 25.000,-

- Wettelijke rente tot 13 oktober 2014

a. conform berekening NRL € 555,-

- Kosten juridische hulp en bijstand

a. nota Ridder Letselschade € 1.407,74

Totaal schade € 109.148,91.

4.16

Bij de begroting van de schade stelt het hof het volgende voorop. Ter onderbouwing van het letsel dat [geïntimeerde1] als gevolg van de mishandeling stelt te hebben opgelopen, heeft [geïntimeerde1] verwezen naar de volgende stukken:
- een brief van dr. [G] van de afdeling chirurgie in het UMCG

d.d. 18 januari 2014. In deze brief wordt geschreven dat uit de anamnese naar voren komt dat [geïntimeerde1] onder andere last heeft van hoofdpijn en nekpijn. Centraal op het voorhoofd wordt een bloeduitstorting vastgesteld. De kaakgewrichten blijken gevoelig. Er is sprake van drukpijn in de nek. Uit röntgenonderzoek is niet gebleken van traumatische afwijkingen. Er is een consult bij neurologie aangevraagd. Op chirurgisch gebied wordt een afwachtend beleid gevoerd.
- een brief van dr. [H] en [I] van de afdeling neurologie in het UMCG d.d. 19 februari 2014 aan de huisarts van [geïntimeerde1] . Hierin wordt geschreven dat [geïntimeerde1] via de huisarts naar het UMCG is verwezen in verband met hoofdpijn en nekpijn na mishandeling. In de anamnese valt te lezen dat [geïntimeerde1] sinds de mishandeling last heeft van hoofdpijn en een stijf gevoel heeft in de nek. Hij kan zich moeilijk concentreren en werkt momenteel niet. Geconcludeerd wordt dat sprake is van posttraumatische klachten in de vorm van hoofdpijn, concentratie- en geheugenproblemen. Op basis van neurologisch onderzoek zijn er geen aanwijzingen voor intracraniële pathologie (hof: hoge schedeldruk). Het beleid van het UMCG houdt in dat [geïntimeerde1] uitleg is gegeven over posttraumatische klachten en de mogelijkheid van spontaan herstel hiervan. [geïntimeerde1] is geadviseerd paracetamol af te bouwen in verband met het risico op medicatie-afhankelijke hoofdpijn. Bij persisterende klachten wordt een neuropsychologisch onderzoek en revalidatie geadviseerd. [geïntimeerde1] dient over drie maanden terug te komen voor een herbeoordeling van de klachten.
- een brief van medisch adviseur [J] , werkzaam bij Triage Medisch Adviesbureau d.d. 10 oktober 2014. De medisch adviseur schrijft in deze brief dat [geïntimeerde1] te maken heeft met aanhoudende hoofdpijn en problemen met het geheugen en concentratie. Daarnaast heeft hij last van posttraumatische stressproblematiek. De medisch adviseur stelt dat als gevolg van de mishandeling de volgende diagnosen kunnen worden gesteld: licht traumatisch schedelhersenletsel met hoofdpijn, nekpijn en klachten van cognitieve aard; pijn in de kaken diverse bloeduitstortingen in het gelaat, lage rugpijn en een pijnlijk rechter bovenbeen; aan de mishandeling gerelateerde psychische klachten in de vorm van stress. Gelet op de aard van de werkzaamheden van [geïntimeerde1] acht de medisch adviseur het zeer aannemelijk dat zijn uitval voor arbeid een gevolg is van de door de mishandeling ontstane klachten en beperkingen. Door problemen met concentratie en pijnklachten is [geïntimeerde1] volgens de medisch adviseur beperkt in verkeersdeelname en overige activiteiten. De medisch adviseur verwacht dat pas sprake zal zijn van een eindtoestand als de rechtszaak en overige procedures zijn afgerond. Mocht de huidige situatie niet verbeteren dan kan volgens de medisch adviseur uit worden gegaan van maximaal 3% functionele invaliditeit vanwege het licht schedelhersenletsel en 3-5% functieverlies vanwege posttraumatische psychische klachten.

4.17

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde1] op grond van deze stukken onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij na zijn bezoek aan de afdeling neurologie in het UMCG op 19 februari 2014 nog relevante klachten heeft gehad die kunnen worden toegeschreven aan de mishandeling. Het hof overweegt daartoe het volgende. Uit de brief van de afdeling neurologie van het UMCG van 19 februari 2014 blijkt dat bij [geïntimeerde1] geen aanwijzingen bestaan voor afwijkingen binnen de schedel en wordt een afwachtend beleid gehanteerd waarbij, indien sprake is van persisterende klachten, een neuropsychologisch onderzoek en revalidatie is geadviseerd. Gesteld noch gebleken is dat een dergelijk onderzoek en/of revalidatie heeft plaatsgevonden. Voorts heeft [geïntimeerde1] nagelaten te onderbouwen dat hij, zoals door het UMCG is geadviseerd, na drie maanden terug is gegaan naar het UMCG voor een herbeoordeling van zijn klachten. Behoudens het rapport van medisch adviseur [J] bevinden zich over de periode na 19 februari 2014 in het geheel geen medische stukken in het dossier. Aan het rapport van [J]

d.d. 10 oktober 2014, waarin geconcludeerd wordt dat [geïntimeerde1] te maken heeft met licht traumatisch schedelhersenletsel, pijn in de kaken en stress, kan daarbij naar het oordeel van het geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Het hof overweegt daartoe dat uit de factuur van [J] blijkt dat hij zijn medisch advies enkel heeft uitgebracht op basis van een dossierstudie van 63 minuten, terwijl [geïntimeerde1] ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep heeft bevestigd dat [J] hem niet (lichamelijk) heeft onderzocht. Andere gegevens waaruit zou kunnen blijken dat [geïntimeerde1] na zijn bezoek aan de afdeling neurologie in het UMCG op 19 februari 2014 nog relevante klachten heeft gehad die kunnen worden toegeschreven aan de mishandeling heeft [geïntimeerde1] niet verstrekt.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat [geïntimeerde1] voor het aannemen van blijvende gezondheidsklachten onvoldoende heeft gesteld, en ziet daarom geen aanleiding een onderzoek door een deskundige te laten plaatsvinden of om [geïntimeerde1] toe te laten tot bewijslevering. Voor zover [geïntimeerde1] toekomstige schade (na 19 februari 2014) in de vorm van verlies verdienvermogen, verlies zelfredzaamheid en huishoudelijke hulp heeft gevorderd komt zijn vordering derhalve niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof gaat uit van tijdelijk letsel zoals beschreven in de brief van het UMCG van 19 februari 2014 (hoofdpijn, concentratie- en geheugenproblemen). [appellant] heeft niet weersproken dat dit tijdelijke letsel kan worden toegeschreven aan de door hem gepleegde onrechtmatige daad.

4.18

Met inachtneming van het voorgaande overweegt het hof ten aanzien van de opgevoerde schadeposten het volgende.
reiskosten tot en met september 2014

4.19

[geïntimeerde1] maakt, onder verwijzing naar een handgeschreven overzicht, aanspraak op door hem gemaakte reiskosten in de periode tot en met september 2014 van (788 km á € 0,29 per kilometer =) € 228,52.

4.20

Het hof is van oordeel dat de reiskosten die [geïntimeerde1] heeft gemaakt voor een bezoek aan de politie in Leek op 18 januari 2014 en voor de bezoeken aan het UMCG op 18 januari 2014 en 19 februari 2014 kunnen worden toegeschreven aan de door [appellant] gepleegde onrechtmatige daad en aan [appellant] kunnen worden toegerekend. De in zoverre gevorderde reiskosten van 20 km + 54 km + 64 km x € 0,29 = € 40,02 komen dan ook voor toewijzing in aanmerking.

eigen risico zorgverzekering

4.21

[geïntimeerde1] maakt aanspraak op eigen risico ad € 360,- dat hij in 2014 in het kader van zijn zorgverzekering heeft moeten betalen.

4.22

Nu vaststaat dat [geïntimeerde1] op 18 januari 2014 en 19 februari 2014 het UMCG heeft bezocht voor onderzoeken naar aanleiding van de door [appellant] gepleegde mishandeling, is naar het oordeel van het hof voldoende komen vast te staan dat [geïntimeerde1] zijn eigen risico ad € 360,- heeft gerealiseerd. Dit bedrag zal dan ook worden toegewezen.
niet vergoede medicijnen

4.23

[geïntimeerde1] vordert een bedrag van € 25,- ter zake van niet vergoede medicijnen. Ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep heeft [geïntimeerde1] toegelicht dat het hierbij gaat om het kalmeringsmiddel oxazepam dat aan hem is voorgeschreven door de huisarts, in overleg met neuroloog.

4.24

[geïntimeerde1] heeft nagelaten deze post met bewijsstukken te onderbouwen en heeft bovendien niet toegelicht dat het gebruik van oxazepam is voorgeschreven als gevolg van de mishandeling. Het hof wijst deze post, die door [appellant] is betwist, dan ook af wegens onvoldoende onderbouwing.
gemist project

4.25

[geïntimeerde1] stelt dat hij als gevolg van de mishandeling een project bij JFC Manufacturing Ltd. (hierna: JFC) is misgelopen in verband waarmee hij inkomensschade van € 18.900,- heeft geleden. Ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep heeft [geïntimeerde1] toegelicht dat hij in opdracht van JFC een marktonderzoek in Duitsland zou doen. Indien hij na dit marktonderzoek ‘de markt op gang zou krijgen’ zou op basis van omzet worden afgerekend. [geïntimeerde1] stelt op provisiebasis voor JFC te hebben gewerkt en in dat verband aanspraak te kunnen maken op 4,5% provisie over een omzet van 1 tot 1,5 miljoen.

4.26

[appellant] heeft betwist dat causaal verband bestaat tussen de mishandeling en het beweerdelijk gemiste inkomen uit het project van [geïntimeerde1] .

4.27

Gelet op de gemotiveerde betwisting van [appellant] heeft [geïntimeerde1] naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om toereikend aannemelijk te maken dat het mislopen van een project in opdracht van JFC het gevolg is van de mishandeling door [appellant] op 18 januari 2014.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat wordt uitgegaan van tijdelijk letsel na de mishandeling, bestaande uit hoofdpijn, concentratie- en geheugenklachten. [geïntimeerde1] heeft niet onderbouwd dat deze tijdelijke klachten hebben geleid tot zodanige beperkingen dat hij hierdoor niet in staat is geweest kort na de mishandeling een project in de vorm van het door hem genoemde marktonderzoek uit te voeren. Daar komt bij dat uit verschillende door [appellant] overlegde stukken blijkt dat [geïntimeerde1] kort na de mishandeling (in ieder geval in februari 2014) kennelijk wel in staat is geweest werkzaamheden te verrichten als lijsttrekker van de politieke partij VZ2000. Tot slot blijkt uit de ‘trading advising management’ d.d. 2 december 2013, waarop [geïntimeerde1] zijn vordering klaarblijkelijk baseert, niet wanneer [geïntimeerde1] dit eventuele marktonderzoek uit zou voeren, noch staat vast dat hij hiervoor een bedrag van € 18.900,- zou ontvangen. In het licht van deze omstandigheden heeft [geïntimeerde1] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij inkomsten ter hoogte van € 18.9000,- is misgelopen als gevolg van de door [appellant] gepleegde mishandeling. De enkele brief van de heer [K] van JFC, die als bijlage bij het schaderapport van Ridder is overgelegd, waarin die verklaart: “On your request I confirm that due to the fact you were beaten up by your neighbour and the consequences, the contract we made for the research in Germany was never fulfilled by you.” is niet toereikend als onderbouwing, omdat de brief daartoe te weinig specifiek is.

4.28

De schadepost ‘misgelopen project’ wordt op grond van het voorgaande afgewezen.
gederfde huurinkomsten Polen

4.29

[geïntimeerde1] maakt aanspraak op gederfde huurinkomsten ter zake van onroerend goed in Polen over de periode juni tot en met oktober 2014 ter hoogte van € 12.250,-.

4.30

[appellant] betwist dat de beweerdelijke gederfde huurinkomsten een gevolg zijn van de mishandeling.

4.31

Zoals het hof hiervoor heeft overwogen heeft [geïntimeerde1] onvoldoende gesteld dat hij na 19 februari 2014 nog te maken heeft gehad met gezondheidsklachten die kunnen worden toegeschreven aan de mishandeling op 18 januari 2014. Onder die omstandigheden valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien hoe het mislopen van huurinkomsten in de periode juni-oktober 2014 een gevolg is van de door [appellant] gepleegde mishandeling. Nu aldus voor het causaal verband tussen deze schadepost en de mishandeling onvoldoende is gesteld, is [appellant] niet gehouden de beweerdelijke gederfde huurinkomsten te vergoeden, nog daargelaten dat ook de stelling dat [geïntimeerde1] in de genoemde periode huurinkomsten ter zake van een pand in Polen is misgelopen niet is onderbouwd.

4.32

De vordering uit hoofde van gederfde huurinkomsten wordt afgewezen.
gederfde inkomsten JFC

4.33

[geïntimeerde1] heeft gesteld dat hij door zijn verlies aan arbeidscapaciteit zijn betrekking bij JFC kwijt is geraakt, waardoor hij inkomensschade van € 8.286,73 heeft geleden. Ter onderbouwing van zijn vordering verwijst [geïntimeerde1] naar een brief van JFC d.d. 5 januari 2015.

4.34

Ook ten aanzien van deze schadepost heeft [appellant] betwist dat sprake is van causaal verband tussen de mishandeling en de gestelde schade.

4.35

[geïntimeerde1] baseert zijn vordering op zijn stelling dat hij door verlies aan arbeidscapaciteit die het gevolg is van de mishandeling zijn betrekking bij JFC kwijt is geraakt. Het hof heeft hiervoor evenwel geoordeeld dat [geïntimeerde1] onvoldoende gesteld heeft dat bij hem sprake is van blijvend letsel. Zodoende is niet vast komen te staan dat bij [geïntimeerde1] sprake was van klachten die hem (in ieder geval na 19 februari 2014) beperkt hebben arbeid te verrichten. Reeds op grond hiervan dient de vordering van [geïntimeerde1] te stranden. Daarbij merkt het hof nog op dat [geïntimeerde1] ook ten aanzien van deze schadepost heeft nagelaten te onderbouwen hoe hij de gestelde inkomensschade van € 8.286,73 heeft berekend. Zo is onduidelijk gebleven op welke periode de vordering ziet en zijn door [geïntimeerde1] geen jaaropgaven of belastingaangiften overgelegd.

4.36

De vordering ter zake van gederfde inkomsten JFC wordt afgewezen.
verlies zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp

4.37

[geïntimeerde1] vordert ter zake van verlies zelfwerkzaamheid een bedrag van € 926,25 over de periode 18 januari 2014 - oktober 2014. Ter zake van huishoudelijke werkzaamheden maakt [geïntimeerde1] over deze periode aanspraak op een totaalbedrag van € 2.776,-. Ter onderbouwing van beide schadeposten verwijst [geïntimeerde1] naar de normbedragen genoemd in de richtlijn van de Letselschaderaad d.d. 1 januari 2014.

4.38

[appellant] heeft de vorderingen van [geïntimeerde1] betwist en stelt daartoe dat [geïntimeerde1] nimmer (geheel of gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geraakt.

4.39

Het hof overweegt dat uit de overgelegde (medische) stukken niet kan worden afgeleid dat [geïntimeerde1] in de periode na de mishandeling niet in staat is geweest werkzaamheden in, aan of rond zijn woning of in de huishouding te verrichten, zodat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat in dit verband sprake is van schade. [geïntimeerde1] heeft daarnaast niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat hij voorafgaande aan de mishandeling de desbetreffende werkzaamheden zelf verrichtte, dat hij kosten heeft gemaakt voor verlies aan zelfwerkzaamheid en huishoudelijke kosten én dat deze kosten in relatie tot de mishandeling staan.

4.40

De schadeposten wegens verlies aan zelfwerkzaamheid en huishoudelijke kosten zullen op grond van het voorgaande dan ook worden afgewezen.
bewaking

4.41

[geïntimeerde1] stelt dat hij zich in de periode van 20 januari 2014 tot en met 30 september 2014 heeft moeten laten bewaken in verband met de dreiging die vanuit [appellant] kwam. In verband hiermee maakt hij, onder verwijzing naar een tweetal facturen van ‘Special Dog Security’ aanspraak op beveiligingskosten van € 28.919,-.

4.42

[appellant] betwist dat [geïntimeerde1] bewaking nodig heeft gehad en wijst erop dat [geïntimeerde1] bovendien heeft nagelaten betalingsbewijzen ter zake hiervan over te leggen.

4.43

Het hof overweegt dat uit niets blijkt dat [geïntimeerde1] zich in de periode na de mishandeling diende te laten bewaken vanwege gerechtvaardigde vrees voor agressie vanuit de zijde van [appellant] . Het hof verwijst in dit verband naar de brief van de burgemeester van de gemeente Grootegast d.d. 18 maart 2014 naar aanleiding van het verzoek van [geïntimeerde1] om permanente beveiliging van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] . De burgemeester schrijft in antwoord op dit verzoek: “Dit verzoek heb ik neergelegd bij de politie. Vervolgens heeft de politie een dreigingsanalyse gemaakt waarin zij de concrete (voorspelbare) en potentiële (voorstelbare) dreiging tegen één of meer bepaalde personen analyseren. De analyse is gebaseerd op feiten en omstandigheden met betrekking tot de dreiging, de ernst en waarschijnlijkheid van het manifesteren van de dreiging. In de dreigingsanalyse wordt zowel naar de bedreiger als naar de bedreigde personen gekeken. Uit deze analyse is gebleken dat uw cliënten [hof: [geïntimeerde1] ] niet in aanmerking komen voor persoonsbeveiliging door de politie.” Gelet hierop heeft [geïntimeerde1] de noodzaak van de door hem ingeschakelde bewaking niet met toereikende feiten en omstandigheden onderbouwd, zodat het gevorderde schadebedrag reeds daarom niet kan worden toegewezen.
onkosten

4.44

[geïntimeerde1] maakt aanspraak op vergoeding van ‘onkosten’ ter hoogte van € 30,-. Blijkens een tweetal overgelegde bonnen is deze vordering gebaseerd op consumpties genuttigd in horecagelegenheden op 19 februari 2014 en 22 mei 2014.

4.45

Zonder nadere toelichting, die [geïntimeerde1] niet gegeven heeft, valt niet in te zien dat deze consumpties in causaal verband staan met de mishandeling door [appellant] op 18 januari 2014. De vordering wordt afgewezen.
PS Vertalingen

4.46

[geïntimeerde1] vordert vergoeding van de factuur van PS Vertalingen ter hoogte van € 108,03 ter zake van het opstellen van een transcriptie van de geluidsopname die [geïntimeerde1] van een deel van de discussie tussen hem en [appellant] op 18 januari 2014 gemaakt heeft.

4.47

[appellant] heeft de vordering betwist en stelt dat het [geïntimeerde1] vrij staat een dergelijke transcriptie op te laten maken maar dat dit niets van doen heeft met de onderhavige procedure.

4.48

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde1] de noodzaak van het laten opstellen van een transcriptie van de door hem gemaakte geluidsopnamen niet heeft aangetoond en niet toereikend heeft onderbouwd om welke reden de betreffende kosten als een gevolg van de mishandeling aan [appellant] moeten worden toegerekend. De vordering zal daarom worden afgewezen.
advocaatkosten

4.49

[geïntimeerde1] maakt aanspraak op vergoeding van advocaatkosten ter hoogte van € 8.508,64. Uit de overgelegde facturen blijkt dat de werkzaamheden van de advocaat betrekking hebben gehad op de onderhavige procedure. Deze kosten vallen onder de proceskosten waarop het hof hierna, onder rechtsoverweging 5.3, zal terugkomen.
griffierechten

4.50

Ook de door [geïntimeerde1] gevorderde vergoeding voor betaalde griffierechten valt onder de proceskosten waarover het hof hierna een beslissing zal nemen.
immateriële schade

4.51

[geïntimeerde1] maakt aanspraak op immateriële schade ter hoogte van € 25.000,-. Gezien het geen het hof hiervoor ten aanzien van het letsel van [geïntimeerde1] heeft overwogen acht het hof , rekening houdende met alle omstandigheden en met vergelijkbare

gevallen, een bedrag van € 1.000,- redelijk voor de door [geïntimeerde1] geleden immateriële schade.

kosten Ridder Letselschade

4.52

[geïntimeerde1] vordert vergoeding van de kosten voor begroting van de door hem geleden schade door inschakeling van Ridder Letselschade ter hoogte van € 1.407,74.

4.53

Het hof stelt voorop dat op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding als vermogensschade in aanmerking komen. Het hof constateert echter dat het rapport van Ridder Letselschade voor een groot deel betrekking heeft op gestelde schadeposten die niet door [appellant] vergoed behoeven te worden. Op grond daarvan ziet het hof aanleiding een groot deel van de kosten van het rapport van Ridder Letselschade voor rekening van [geïntimeerde1] te laten. Het hof zal het door [appellant] te vergoeden bedrag ex aequo et bono vaststellen op € 100,- inclusief BTW.


wettelijke rente

4.54

[geïntimeerde1] vordert wettelijke rente over de schadeposten vanaf 19 januari 2014.

4.55

[appellant] heeft aangevoerd dat wettelijke rente pas kan worden toegekend vanaf de datum van de dagvaarding, te weten 19 maart 2014.

4.56

Het hof oordeelt dat op grond van artikel 6:119 BW wettelijke rente is verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening van de betaling van de geldsom in verzuim is. Op grond van artikel 6:83 sub b BW treedt verzuim in dit geval in zonder ingebrekestelling. De wettelijke rente loopt dan vanaf het moment dat de verbintenis opeisbaar is. Wanneer de vordering tot schadevergoeding opeisbaar is, zal in de regel worden bepaald door de vraag wanneer de schade geacht moet worden te zijn geleden. Voor de beantwoording van die laatste vraag is relevant hoe de schade is berekend. In deze zaak is de materiële schade van [geïntimeerde1] concreet berekend, zodat van opeisbaarheid eerst sprake is op het moment waarop [geïntimeerde1] schade heeft geleden. De rente over de reiskosten zal het hof om voorgaande reden toewijzen vanaf 19 februari 2014 en de rente over de kosten ter zake van het rapport van Ridder Letselschade vanaf 13 oktober 2014 (datum factuur). Ten aanzien van het eigen risico heeft [geïntimeerde1] geen aanknopingspunten aangereikt, zodat de wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 19 maart 2014 (zijnde datum dagvaarding). De wettelijke rente over de immateriële schade zal worden toegerekend vanaf 19 januari 2014 (zijnde de dag na de mishandeling).


slotsom schade

4.57

De conclusie luidt dat de gevorderde schade van [geïntimeerde1] toewijsbaar is tot een bedrag van 70% van € 40,02 + € 100,- + € 360,- + € 1.000,- = € 1.050,01, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals hiervoor weergegeven.

Gevorderde verboden

4.58

[geïntimeerden] c.s. hebben gevorderd dat aan [appellant] een aantal verboden worden opgelegd op straffe van een dwangsom. Het hof zal deze vorderingen achtereenvolgens bespreken.
verbod tot mishandeling, bedreiging en belaging

4.59

[geïntimeerden] c.s. vorderen dat aan [appellant] een verbod wordt opgelegd hen te mishandelen, bedreigingen jegens hen te uiten dan wel hen overigens te belagen c.q. lastig te vallen.

4.60

Nu mishandeling, bedreiging en belaging reeds op grond van het Wetboek van Strafrecht verboden zijn, hebben [geïntimeerden] c.s. (anders dan zij betogen) naar het oordeel van het hof geen belang bij de toewijzing van een afzonderlijk verbod op deze gedragingen. Het gevorderde verbod dient alleen al daarom te worden afgewezen.
contact- en gebiedsverbod

4.61

[geïntimeerden] c.s. hebben gevorderd [appellant] te verbieden contact met hen te zoeken anders dan door middel van advocaten, zich zonder gerechtvaardigd doel en anders dan door toeval in de nabijheid van [geïntimeerden] c.s. te begeven, het woonperceel van [geïntimeerden] c.s. te betreden en zich te begeven binnen een zone van 750 meter vanaf de buitenrand van dit woonperceel.

4.62

Het hof stelt voorop een contact- en gebiedsverbod een inbreuk vormen op het aan een ieder toekomend recht vrijelijk te communiceren en zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van een zo ingrijpende maatregel is vereist dat voorshands voldoende aannemelijk is dat [appellant] stelselmatig een inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van [geïntimeerden] c.s. en dat deze inbreuk dusdanig ernstig is dat die een inbreuk op het recht van [appellant] om vrijelijk te communiceren en zich vrijelijk te kunnen verplaatsen rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof is hiervan niet gebleken. [geïntimeerden] c.s. hebben naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zich na 18 januari 2014 incidenten hebben voorgedaan die het opleggen van het gevorderde contact- en gebiedsverbod zouden kunnen rechtvaardigen. Het enige stuk dat [geïntimeerden] c.s. ter onderbouwing van hun stellingen hebben overgelegd betreft een proces-verbaal van aangifte, waarin [geïntimeerde1] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2016 door [appellant] is bedreigd doordat deze met zijn auto naast de auto van [geïntimeerde1] is gestopt en richting [geïntimeerde1] een “soort schietbeweging” heeft gemaakt. [appellant] heeft echter betwist dat dit voorval zou hebben plaatsgevonden en heeft onweersproken gesteld dat hij ter zake van deze aangifte niet door de politie is gehoord dan wel dat enige justitiële activiteit naar aanleiding van deze aangifte heeft plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden kan het door [geïntimeerden] c.s. gevorderde contact- en gebiedsverbod niet voor toewijzing in aanmerking komen.
verbod onjuiste of misleidende feiten te verkondigen

4.63

Ten aanzien van het gevorderde verbod voor [appellant] om “vermeende feiten te verkondigen waarvan uit de af te geven verklaring voor recht blijkt dat zij onjuist of door onvolledigheid misleidend zijn” overweegt het hof dat [geïntimeerden] c.s. geen feiten of omstandigheden naar voren hebben gebracht op grond waarvan moet worden gevreesd dat [appellant] uitlatingen zal doen die de eer en goede naam van [geïntimeerden] c.s. aantasten. Het algemeen geformuleerde verbod ten aanzien van toekomstige uitlatingen van [appellant] moet derhalve eveneens worden afgewezen.

Rectificatie

4.64

[geïntimeerden] c.s. stellen dat [appellant] op 22 februari 2014 in het Dagblad van het Noorden en op 4 maart 2014 in De Streekkrant onjuiste uitlatingen heeft gedaan of heeft laten optekenen die evident bedoeld zijn om [geïntimeerde1] in een kwaad daglicht te stellen. Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft [appellant] in beide krantenartikelen ten onrechte gesuggereerd dat [geïntimeerde1] in het verleden aan de oom van [appellant] zou hebben geadviseerd voor een bepaald perceel grond niet meer dan fl. 25.000,- te bieden, waarna de heer [geïntimeerde1] het betreffende perceel zelf voor fl. 500,- meer zou hebben gekocht. Volgens [geïntimeerden] c.s. zijn deze uitlatingen evident onjuist en dient [appellant] deze uitlatingen te rectificeren.

4.65

Daargelaten de vraag of de uitlatingen van [appellant] als onrechtmatig kunnen worden beschouwd, acht het hof gelet op het tijdsverloop sinds de gewraakte uitlatingen - die in februari en maart 2014 zijn gedaan - rectificatie niet passend. Gesteld noch gebleken is dat de uitlatingen van [appellant] nog in de pers zijn herhaald en niet valt in te zien welk (gerechtvaardigd) belang [geïntimeerden] c.s. thans nog hebben bij de door hen gevorderde rectificaties. De gevorderde rectificaties zullen alleen al om deze reden worden afgewezen.

Ten aanzien van [geïntimeerde2]

Aansprakelijkheid

4.66

[geïntimeerde2] heeft gesteld dat [appellant] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat hij haar op 18 januari 2014 ‘met grote kracht aan de kant heeft gesmeten’. Als gevolg hiervan stelt [geïntimeerde2] blijvend letsel te hebben opgelopen, in de vorm van littekenweefsel op haar bil. [geïntimeerde2] betoogt dat dit letsel waarschijnlijk blijvende (gehele of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [geïntimeerde2] verwezen naar diverse foto’s waarop een forse bloeduitstorting is te zien, alsmede naar een (concept)brief van dr. [G] van de afdeling Chirurgie Traumatologie van het Universitair Medisch Centrum Groningen (hierna: UMCG), waaruit blijkt dat [geïntimeerde2] op 19 januari 2014 is gediagnosticeerd met hematoomvorming (bloeduitstorting) op haar linker bil.

4.67

[appellant] betwist onrechtmatig jegens [geïntimeerde2] te hebben gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk te zijn voor de door [geïntimeerde2] gepretendeerde schade. Ook de omvang van de schade is door hem betwist.

4.68

Het hof overweegt als volgt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de zijde van [appellant] , rust op [geïntimeerde2] ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van haar stelling dat [appellant] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar te mishandelen. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde2] vooralsnog niet in dit bewijs geslaagd is en overweegt daartoe het volgende. Behoudens uit de verklaring van de partner van [geïntimeerde2] ( [geïntimeerde1] ) kan uit geen van de in het geding gebrachte getuigenverklaringen die zijn afgelegd bij de politie en ten overstaan van de rechter-commissaris in de strafprocedure worden afgeleid dat [appellant] [geïntimeerde2] ‘met grote kracht aan de kant heeft gesmeten’ dan wel ‘tegen de grond geslagen’ heeft. Daarentegen heeft getuige [B] (geen familie van [appellant] ) met betrekking tot het gebeurde als volgt verklaard: “Ik zag dat [geïntimeerde1] een duw aan [appellant] gaf. Hierdoor verloor [appellant] zijn evenwicht en stapte hij achteruit. Ik zag dat [appellant] tegen de vrouw van [geïntimeerde1] [ [geïntimeerde2] ] aan kwam. Hierdoor kwam de vrouw van [geïntimeerde1] op de grond terecht.”
Het hof verwerpt de stelling van [geïntimeerde2] dat, ook indien zij ten val zou zijn gekomen dan wel zou zijn gestruikeld in het tumult, dit aan [appellant] moet worden toegerekend omdat dit tumult door toedoen van de voortdurende aanval van [appellant] op [geïntimeerde1] is ontstaan.
[geïntimeerde2] heeft echter gesteld en expliciet te bewijzen aangeboden dat zij ten val is gekomen doordat [appellant] haar met kracht tegen de grond heeft geslagen.
Het hof zal [geïntimeerde2] overeenkomstig haar bewijsaanbod toelaten tot het leveren van bewijs door middel van getuigen. Indien de door [geïntimeerde2] gestelde toedracht wordt bewijzen, komt immers vast te staan dat [appellant] onrechtmatig jegens [geïntimeerde2] heeft gehandeld en is hij in beginsel aansprakelijk voor de schade die [geïntimeerde2] als gevolg daarvan heeft geleden.

4.69

[geïntimeerde2] heeft haar schade (in productie 21 bij akte uitlating van 15 oktober 2014) begroot op een bedrag van € 8.515,19. Zij vordert een bedrag van € 7.500,- aan smartengeld, vermeerderd met € 165,- aan wettelijke rente over dat bedrag berekend tot 18 oktober 2014, een bedrag van € 268,88 aan eigen risico in verband met ziekenhuisbezoek op

18 januari 2014 en een bedrag van € 581,31 aan kosten van juridische bijstand.

4.70

Over de omvang van die schade overweegt het hof reeds thans het volgende.
Uit het dossier is gebleken dat [geïntimeerde2] zich op de dag van het incident bij de afdeling spoedeisende hulp van het Universitair Medisch Centrum Groningen heeft gemeld en dat haar in verband daarmee door haar ziektenkostenverzekering een bedrag van € 268,88 aan eigen risico in rekening is gebracht. Op de bewuste dag is vastgesteld dat [geïntimeerde2] een forse bloeduitstorting op haar bil had. Uit een advies van [J] , arts-medisch adviseur van 13 oktober 2014 blijkt dat [geïntimeerde2] zich drie weken na het incident nog bij de huisarts heeft gemeld vanwege aanhoudende pijnklachten van de linkerheup/bilregio. Daarbij heeft de huisarts de diagnose littekenvorming in de bloeduitstorting gesteld.
Dat dit tot enige verdere behandeling heeft geleid blijkt niet. [J] schrijft op

13 oktober 2014 dat hij uit ‘overige informatie’ opmaakt dat [geïntimeerde2] blijvend hinder heeft van de gekwetse regio. Welke informatie dit betreft, wordt niet gespecificeerd.
Ter gelegenheid van de comparitie in hoger beroep is bevestigd dat [J] [geïntimeerde2] zelf niet heeft onderzocht of zelfs maar gezien. Hij heeft zich beperkt tot het bestuderen van de beschikbare medische informatie. Recentere medische informatie ontbreekt in het dossier. Aldus is niet gebleken dat [geïntimeerde2] bij de val meer heeft opgelopen dan een forse bloeduitstorting op haar bil. Dat er sprake is van blijvend letsel of arbeidsongeschiktheid als gevolg daarvan is op geen enkele wijze onderbouwd. Het hof ziet daarom geen aanleiding om smartengeld ter hoogte van het door [geïntimeerde2] gevorderde bedrag toe te wijzen.
Dat betekent dat in het geval [geïntimeerde2] in het haar op te dragen bewijs slaagt, de post eigen risico voor toewijzing in aanmerking zou komen, alsmede mogelijk een gering bedrag aan smartengeld en een daarmee in verhouding staand bedrag aan kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid.

4.71

Het hof geeft partijen in overweging om, nu het hof al de nodige geschilpunten in dit tussenarrest heeft beslecht, hun geschil in onderling overleg te regelen. Het financiële belang dat gemoeid is met het door [geïntimeerde2] te leveren bewijs, zal immers niet opwegen tegen de kosten van het verhoor van meerdere getuigen. Het hof geeft daarbij aan dat het in de omstandigheid dat maar een klein deel van de vorderingen van [geïntimeerden] c.s. voor toewijzing in aanmerking kan komen, aanleiding ziet om in zijn eindarrest de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren, aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

draagt [geïntimeerde2] op te bewijzen dat [appellant] haar op of omstreeks 18 januari 2014 met kracht tegen de grond heeft geslagen;

bepaalt dat [geïntimeerde2] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum

23 april 2019 waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde2] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;


bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. J. Smit en mr. A.G.J. Van Wassenaer Van Catwijck en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 26 maart 2019.