Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2666

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
200.200.545/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onmiddellijke opzegging vennootschap onder firma gerechtvaardigd ter beperking van de schade die uit het voortzetten van de vennootschap zou kunnen voortvloeien voor de vennoot door het handelen van de andere vennoot. Omvang van de verplichtingen van die andere vennoot aan de ontbonden vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2019/591
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.200.545/01

(zaaknummer rechtbank C/18/155813/HA ZA 15-92)

arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [A] ,

appellant,

tevens verweerder in het incident,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie, tevens incidenteel verweerder,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.J. Blokzijl, kantoorhoudend te Groningen, na diens desisteren niet langer vertegenwoordigd door een advocaat,

tegen:

[geïntimeerde] , pro se en in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de ontbonden vennootschap onder firma Noordelijk IT Team v.o.f. (hierna: NITT)

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

tevens eiser in het incident,

in eerste aanleg: eiser in conventie, verweerder in reconventie, tevens incidenteel eiser,

hierna: [geïntimeerde] pro se respectievelijk [geïntimeerde] q.q.,

advocaat: mr. S van Gessel, kantoorhoudend te Veendam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 26 juni 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- het bericht van mr. Blokzijl op 19 januari 2019 dat hij zich onttrekt als advocaat van [appellant]

- het proces-verbaal van de op 1 februari 2019 gehouden comparitie van partijen.

[appellant] is op die comparitie zonder bericht van verhindering niet verschenen.

1.3

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.

1.4

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 29 juni 2016 en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en toewijzing van de vorderingen van [appellant] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.

1.5

[geïntimeerde] q.q. heeft in zijn memorie van antwoord geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met dien verstande dat hij zijn oorspronkelijke vordering ter zake van (kort gezegd) nakosten heeft gewijzigd, aldus dat hij in plaats van verwijzing van die post naar de schadestaat, thans vordert veroordeling van [appellant] tot betaling van een bedrag van € 8.418,20, over te maken op de derdenrekening van zijn advocaat, met machtiging aan die advocaat om het ontvangen bedrag aan [geïntimeerde] q.q. over te maken ten behoeve van de vereffening van NITT.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals vastgesteld in de rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.9. van het bestreden vonnis van 29 juni 2016, rekening houdend met wat [appellant] tegen die feitenvaststelling heeft ingebracht. Aangevuld met feiten waar in hoger beroep eveneens van kan worden uitgegaan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

[geïntimeerde] en [appellant] zijn in 2001 gaan samenwerken in NITT. Zij hebben geen schriftelijke vennootschapsovereenkomst opgesteld, maar hebben wel afgesproken dat de bedrijfsresultaten 'fifty-fifty' zouden worden verdeeld.
De bedrijfsuitoefening vond plaats vanuit de [a-straat 1] te [A] , een pand van [appellant] . Op enig moment zijn [appellant] en [geïntimeerde] mondeling overeengekomen dat voor het gebruik van dat pand NITT een bedrag van € 1.000,- per maand als huur aan [appellant] verschuldigd zou zijn.

2.3

Deutsche Bank heeft in oktober 2013 het krediet van NITT per 30 december 2013 opgezegd en de uitstaande lening opgeëist. In de loop van 2013 en begin 2014 heeft de belastingdienst verschillende dwangbevelen betekend aan NITT wegens niet betaalde omzetbelasting.

2.4

Op 21 november 2013 heeft [appellant] van de rekening van NITT een bedrag van € 5.000,- laten overboeken naar een eigen rekening. Dit betrof de betaling van vijf maanden huur. Naar aanleiding van die betaling heeft [geïntimeerde] in een e-mailbericht van

27 november 2013 aan [appellant] bericht het met die overboeking niet eens te zijn. [geïntimeerde] schrijft dat afgesproken is dat besluiten over substantiële transacties gezamenlijk zouden worden genomen en dat de overmaking van € 5.000,- aan achterstallige huur bij die overeenkomst hoort.

2.5

Op 19 december 2013 heeft de advocaat van [geïntimeerde] een brief gestuurd aan [appellant] , waarin wordt vermeld dat [appellant] al geruime tijd zonder toestemming van [geïntimeerde] structureel meer gelden opneemt uit de vennootschap dan zijn winstaandeel en dat als gevolg daarvan zijn ondernemingskapitaal ultimo 2012 € 61.868,- negatief is. [appellant] wordt gesommeerd zijn privéopnames met onmiddellijke ingang te staken en hem wordt meegedeeld dat de huur zal worden verrekend met de negatieve kapitaalrekening. Indien [appellant] toch door mocht gaan met het verrichten van privéopnames of het overboeken van huurpenningen aan zichzelf, dan zal [geïntimeerde] de vennootschap met onmiddellijke ingang opzeggen. De brief eindigt ermee dat [geïntimeerde] er de voorkeur aan geeft de samenwerking op korte termijn te beëindigen.

2.6

[appellant] heeft ten laste van de kredietruimte van NITT op 24 december 2013 een bedrag van € 1.000,- opgenomen en op 10 januari 2014 een bedrag van € 2.000,-.

2.7

In een brief van 15 januari 2014 heeft de advocaat van [geïntimeerde] de vennootschap per 16 januari 2014, opgezegd, omdat [appellant] is blijven doorgaan met het doen van privéopnamen uit de vennootschap en de liquiditeit van de vennootschap in gevaar heeft gebracht. De huurovereenkomst wordt opgezegd per 1 maart 2014.

2.8

In het handelsregister is ingeschreven dat de vennootschap is ontbonden per

16 januari 2014. [appellant] heeft die inschrijving na kennisname daarvan niet ongedaan gemaakt.

2.9

Tussen partijen is geschil ontstaan over de afwikkeling van NITT. [geïntimeerde] heeft in kort geding onderdelen van het geschil voorgelegd aan de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (zaaknr.C/18/147581 / KG ZA 14-111). In zijn vonnis van 13 juni 2014 heeft de voorzieningenrechter [geïntimeerde] benoemt tot vereffenaar van de ontbonden vennootschap NITT. Tevens heeft de voorzieningenrechter [appellant] veroordeeld tot betaling van € 81.778,- aan die ontbonden vennootschap. Daarnaast zijn nog enkele andere voorzieningen getroffen, die verplichtingen opleggen aan [appellant] op verbeurte van dwangsommen.

2.10

Aaabee accountants (hierna: Aaabee) heeft in opdracht van [geïntimeerde] q.q. een concept jaarrekening 2013 opgesteld van NITT (in vereffening), alsmede een winst en verliesrekening 2014 en een eindbalans per 16 januari 2014 van de kapitaalrekeningen van [appellant] en [geïntimeerde] . Volgens die stukken bedroeg de kapitaalrekening van [appellant] per

16 januari 2014 een bedrag van € 22.816,- negatief, waarin al verdisconteerd na te melden depotstorting van € 95.000,-. Volgens een “totaalopstelling” van Aaabee accountants was op 30 juni 2014 de kapitaalrekening van [appellant] € 115.588,- negatief, maar dan zonder verdiscontering van die depotstorting.

2.11

Nadat [geïntimeerde] had gedreigd met gerechtelijke executie van door hem gelegd executoriaal beslag op onroerende goederen van [appellant] , heeft [appellant] op 3 september 2015 een bedrag van € 95.000,- in depot gestort. Uit dat depot zijn tot een bedrag van € 89.179,88 verschillende vorderingen voldaan aan crediteuren van de ontbonden vennootschap.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

[geïntimeerde] (zowel pro se als q.q.) heeft in eerste aanleg in conventie samengevat gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van:
- een bedrag van € 117.924,36 ten behoeve van de vereffening van NITT, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 19 december 2013 en te verminderen met de uit het depot reeds verrichte betalingen;

- de helft van alle kosten, boetes, rentes en lasten van de ontbonden vennootschap, voor

zover daarmee nog geen rekening is gehouden in de opgemaakte stukken;

- de kosten van deze procedure, inclusief beslagkosten.

3.2

[appellant] heeft verweer gevoerd en in eerste aanleg in reconventie samengevat gevorderd:
- voor recht te verklaren dat de opzegging van NITT door [geïntimeerde] ontijdig en onrechtmatig is gedaan, en dat [geïntimeerde] daardoor schadeplichtig is geworden jegens [appellant] , met veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat;

- [geïntimeerde] te gelasten de ontbonden vennootschap te vereffenen volgens een eindbalans van

een door de rechtbank te benoemen deskundige;

- [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] teveel heeft betaald en in de proceskosten.

3.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 29 juni 2016 de vorderingen van [geïntimeerde] pro se afgewezen bij gebrek aan belang. Voorts is in conventie [appellant] , samengevat, veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] q.q. van:
- een bedrag van € 22.816,-, alsmede de (reeds voldane) bedragen van € 3.648,85 en € 39.920,09, te vermeerderen met de wettelijke rente over het nog niet betaalde gedeelte van een bedrag € 117.924,36 vanaf 16 januari 2014 tot de dag van algehele betaling;
- de helft van alle kosten, boetes, rentes en lasten van de ontbonden vennootschap NITT, voor zover daarmee nog geen rekening is gehouden in de opgemaakte stukken namens NITT;

- de proceskosten in conventie.
In reconventie zijn de vorderingen van [appellant] afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in reconventie.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

[appellant] heeft in zijn memorie van grieven een aantal ongenummerde grieven opgeworpen tegen het vonnis van de rechtbank. Deze bestrijken de volgende kwesties:
i) kan hetgeen [appellant] per 16 januari 2014 nog is verschuldigd aan de ontbonden vennootschap worden bepaald op basis van de door Aaabee accountants opgestelde concept jaarrekening 2013, de winst en verliesrekening 2014, en de eindbalans per 16 januari 2014, of dient een nadere vaststelling daarvan plaats te vinden op basis van een onderzoek door een gerechtelijke deskundige?
ii) indien de vaststelling kan plaatsvinden op basis van de stukken van Aaabee, is het saldo van de kapitaalrekening van [appellant] per 16 januari 2014 dan € 22.816,- negatief?
iii) is [appellant] wettelijke rente verschuldigd over het nog niet betaalde gedeelte van een bedrag van € 117.924,36 vanaf 16 januari 2014?
iv) is [appellant] aan de ontbonden vennootschap nog een bedrag verschuldigd van € 8.418,20 aan nagekomen kosten?
v) heeft [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld door de vennootschap onmiddellijk, zonder inachtneming van een opzegtermijn, op te zeggen, en zo ja, is [geïntimeerde] daardoor schadeplichtig geworden jegens [appellant] ?
vi) had de rechtbank [geïntimeerde] pro se moeten veroordelen in de proceskosten?
Op deze kwesties zal hieronder achtereenvolgens nader worden ingegaan.

gerechtelijk deskundige?

4.2

[appellant] heeft gesteld dat zijn eventuele verplichting aan de ontbonden vennootschap per 16 januari 2014 dient te worden vastgesteld door een gerechtelijk te benoemen deskundige (accountant). Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij de door Aaabee opgestelde stukken niet heeft kunnen controleren en dat die stukken niet juist kunnen zijn omdat, zo begrijpt het hof zijn stellingen daarin:
a) geen rekening is gehouden met de waarde (goodwill) die de ontbonden vennootschap nog vertegenwoordigde, in het bijzonder vanwege haar klantenbestand;
b) geen rekening is gehouden met de verplichtingen die nog op de ontbonden vennootschap rustten uit hoofde van de huurovereenkomst met [appellant] ;
c) niet is gecorrigeerd dat advocaatkosten die ten behoeve van [geïntimeerde] pro se zijn gemaakt, ten laste zijn gebracht van de ontbonden vennootschap.

4.3

Het hof overweegt dat [appellant] de onderbouwde stelling van [geïntimeerde] dat aan [appellant] op zijn verzoek de administratie van de ontbonden vennootschap ter hand is gesteld, zodat hij de bevindingen van Aaabee accountants kon controleren, niet heeft betwist. In hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat hem de financiële middelen ontbraken om de jaarrekening 2013 “even over te doen”. Die beweerdelijke omstandigheid dient echter voor zijn rekening en risico gelaten te worden. Van een situatie dat [appellant] de door Aaabee opgestelde stukken niet heeft kunnen controleren, is daarmee niet gebleken.

4.4

[geïntimeerde] heeft gesteld dat Aaabee in haar stukken op goede grond geen “goodwill” heeft opgenomen. Volgens [geïntimeerde] hebben hij en [appellant] na de ontbinding van de vennootschap hun (ondernemers)activiteiten voortgezet in eigen (IT-)ondernemingen en hebben zij daarbij de klanten van de vennootschap in gelijke mate overgenomen. Het hof begrijpt deze stelling aldus dat partijen de goodwill van de ontbonden vennootschap feitelijk al hebben verdeeld door de klanten te verdelen. [appellant] heeft dat niet (gemotiveerd) weersproken.

4.5

Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] de huur ontijdig opgezegd en zijn de doorlopende huurverplichtingen niet terug te vinden in de stukken van Aaabee. [geïntimeerde] heeft betwist dat sprake was van doorlopende huurverplichtingen. Volgens hem was sprake van huur van (bedrijfs)ruimte in de zin van artikel 7:230a BW en is die huur op 15 januari 2014 met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn van een maand rechtsgeldig opgezegd tegen
1 maart 2014. [appellant] heeft niet weersproken dat sprake was van huur als bedoeld in artikel 7:230a BW. Verder is niet gesteld of gebleken dat de huurovereenkomst gold voor een bepaalde, op 1 maart 2014 nog niet verstreken termijn. Derhalve moet het er voor worden gehouden dat huurovereenkomst is geëindigd op 1 maart 2014. De stelling van [appellant] dat in de stukken van Aaabee geen rekening wordt gehouden met doorlopende huurverplichtingen is dus onjuist. Wel wordt daarin geen rekening gehouden met de huurverplichting voor februari 2014. [geïntimeerde] houdt daarmee echter alsnog rekening in zijn hierna te bespreken opstelling van de “nakosten”.

4.6

[geïntimeerde] heeft in zijn memorie van antwoord betwist dat zijn eigen advocaatkosten zijn (door)belast aan de ontbonden vennootschap. Ter onderbouwing van die betwisting heeft hij facturen overgelegd van de advocaat, waaruit kan blijken dat een aantal van die facturen is gesteld op naam van de vennootschap en een aantal op naam van hemzelf.
[appellant] is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen op de comparitie. Daarmee heeft hij de kans onbenut gelaten de door [geïntimeerde] bij zijn memorie van antwoord overgelegde producties te betwisten. Dat dient nu voor zijn rekening en risico te worden gelaten. Het hof houdt het er daarom voor dat [geïntimeerde] geen (advocaat)kosten die voor zijn rekening waren, ten laste van de ontbonden vennootschap heeft gebracht.

4.7

De slotsom is dat niets in de weg staat aan het gebruik van de stukken van Aaabee voor de vaststelling van de verplichting van [appellant] aan de (ontbonden) vennootschap. Er is daarom geen aanleiding tot het benoemen van een gerechtelijk deskundige.

omvang van de verplichting per 16 januari 2014

4.8

Aaabee heeft een opstelling (“eindbalans”) gemaakt van de stand van het kapitaal van [geïntimeerde] en [appellant] in de ontbonden vennootschap per 16 januari 2014. Volgens die opstelling bedroeg de schuld van [appellant] aan de vennootschap, berekend per die datum, een bedrag van per saldo € 22.816,- (vgl. rov. 3.5). [appellant] heeft de juistheid van dat saldo betwist. Volgens hem zou slechts sprake kunnen zijn van een negatief vermogen in de ontbonden vennootschap van € 3.309,-, voor welk bedrag beide vennoten bij helfte aansprakelijk zijn.
Voor zover [appellant] zich erop beroept dat hij de juistheid van de onderliggende cijfers niet heeft kunnen controleren, geldt dat dit voor zijn rekening en risico moet worden gelaten (zie ook rov. 4.3). De eindbalans heeft als vertrekpunt dat het kapitaal van [appellant] per
1 januari 2014 € 73.578,- negatief bedroeg. De juistheid van dat uitgangspunt heeft [appellant] niet (gemotiveerd) betwist. De eindbalans geeft vervolgens weer hoe die uitgangspositie resulteert in een eindpositie van negatief € 22.816,- per 16 januari 2014. [appellant] heeft de verschillende posten in die eindbalans op zichzelf niet betwist of weersproken. Zijn uitleg hoe hij desondanks uitkomt op een saldo van € 3.309,- negatief (waarvoor beide vennoten bij helfte aansprakelijk zijn) is zonder nadere toelichting voor het hof niet te volgen. Opvalt dat [appellant] in ieder geval geen rekening houdt met het (onweersproken) negatieve resultaat van
€ 70.880,- over 2014. Omdat [appellant] niet is verschenen tijdens de comparitie, heeft hij zichzelf de mogelijkheid ontnomen te verduidelijken hoe hij tot zijn resultaat is gekomen. Ook dat dient voor zijn rekening en risico te worden gelaten. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de cijfers van Aaabee. Derhalve houdt het hof het er voor dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat de verplichting van [appellant] aan de ontbonden vennootschap per 16 januari 2014 € 22.816,- bedroeg en dat hij dat bedrag nog dient te voldoen aan de (ontbonden) vennootschap.

wettelijke rente

4.9

[appellant] voert aan dat het onbegrijpelijk is dat [geïntimeerde] zijn vordering tot voldoening van wettelijke rente over het aan de vennootschap verschuldigde bedrag niet heeft aangepast aan de omstandigheid dat [appellant] al voor het uitbrengen van de dagvaarding een bedrag van € 95.000,- in depot had gestort. [appellant] gaat er daarbij echter aan voorbij dat [geïntimeerde] daar wel degelijk rekening mee heeft gehouden. Hij vordert immers dat op het te betalen bedrag en de daarover verschuldigde wettelijke (handels)rente in mindering komen de reeds ten behoeve van schuldeisers van de vennootschap verrichte betalingen, door [geïntimeerde] gesteld op een bedrag van € 89.179,88.
Op overeenkomstige wijze is met die betalingen rekening gehouden in de veroordeling van de rechtbank. De grieven missen op dit punt dus feitelijke grondslag.

nagekomen verplichtingen

4.10

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] zal worden veroordeeld tot betaling van de helft van alle kosten, boetes, rentes en lasten van de ontbonden vennootschap, voor zover daarmee nog geen rekening is gehouden in de opgemaakte stukken (hof: nakomende kosten).

[appellant] heeft tegen de toewijzing van die vordering in eerste aanleg aangevoerd dat die door [geïntimeerde] niet is onderbouwd en dat hem ( [appellant] ) niet duidelijk is waar de vordering betrekking op heeft.
In zijn memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] zijn vordering op dit punt concreet gemaakt, zowel waar het betreft de posten waar de vordering op ziet, als het bedrag van de vordering (€ 8.418,20). [appellant] heeft in een akte bezwaar gemaakt tegen deze wijziging van eis. Dat bezwaar heeft het hof in een rolbeschikking van 7 november 2017 verworpen. Daarbij is overwogen dat [appellant] zich in zijn akte ook inhoudelijk heeft uitgelaten over de wijziging en dat de zaak daarom niet aangehouden hoeft te worden voor een inhoudelijke reactie.

4.11

In zijn akte heeft [appellant] tegen de vordering inhoudelijk naar voren gebracht dat daarin zijn begrepen (verder opgelopen) advocaatkosten. Volgens [appellant] vallen dergelijke kosten echter onder het regime van artikel 237 e.v. Rv.
miskent daarbij echter dat het hier gaat om advocaatkosten die ten laste komen van de vennootschap. De vordering ziet dus niet op de kosten die op grond van artikel 237 Rv. in een procedure kunnen worden doorbelast aan de wederpartij.
De andere posten zijn door [appellant] niet (gemotiveerd) weersproken. Daarmee is de (gewijzigde) vordering toewijsbaar. Vanwege de wijziging dient het bestreden vonnis op dit punt wel vernietigd te worden, maar opnieuw rechtdoende zal het hof de gewijzigde vordering van [geïntimeerde] toewijzen.

onrechtmatige opzegging

4.12

De rechtbank heeft met betrekking tot de vraag of [geïntimeerde] de vennootschap onrechtmatig of in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft opgezegd, het volgende overwogen.

4.5.

[appellant] stelt zich nog op het standpunt dat [geïntimeerde] NITT ontijdig en op onjuiste

gronden heeft opgezegd, hetgeen - zo begrijpt de rechtbank zijn stelling althans - [geïntimeerde]

als (voormalig) vennoot aansprakelijk maakt jegens NITT (in vereffening). De rechtbank is

van oordeel dat [geïntimeerde] NITT in redelijkheid heeft kunnen opzeggen zoals hij gedaan heeft

gelet op de volgende omstandigheden. Niet betwist wordt dat NITT financieel in (zeer)

zwaar weer zat, onder meer vanwege belastingschulden (de fiscus had dwangbevelen

betekend) en het door Deutsche Bank opgezegde krediet. Vast staat voorts dat [appellant] op 21

november 2013 vijf maanden achterstallige huur (€ 5.000,-) aan zichzelf overboekte. In dat

verband heeft [appellant] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat partijen de afspraak

hadden gemaakt om - in het licht van de zware financiële situatie - substantiële

overboekingen pas te verrichten na onderling overleg en dat voorgaande overboeking

zonder overleg is uitgevoerd door [appellant] . [geïntimeerde] heeft [appellant] er per e-mail van 27

november 2013 op gewezen dat hij niet kon instemmen met deze gang van zaken. Via zijn

advocaat heeft [geïntimeerde] [appellant] op 20 december 2013 - samengevat - laten weten dat de

opnamen door [appellant] in de visie van [geïntimeerde] onverantwoord waren, dat [appellant] geen

opnamen meer moest doen en zo snel mogelijk zijn privéschuld aan NITT moest inlossen.

Zou [appellant] doorgaan met opnamen, heeft [geïntimeerde] aangekondigd dat hij dan genoodzaakt

zou zijn om de vennootschap met onmiddellijke ingang op te zeggen. [appellant] heeft daarop

niet gereageerd. [appellant] heeft wel op 24 december 2013 een bedrag van € 1000,--

opgenomen en op 10 januari een bedrag van € 2000,-. Beide bedragen zijn ten laste

gebracht van de kredietruimte van NITT. Tegen deze achtergrond is niet gebleken van een
onrechtmatige opzegging door [geïntimeerde] of een opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.6.

Voor zover [appellant] stelt dat [geïntimeerde] op onrechtmatige wijze klanten of omzet

heeft meegenomen die toebehoorde aan NITT (goodwill) geldt het volgende. Vast staat dat

NITT per 16 januari 2014 is ontbonden. Daarna stond het [geïntimeerde] en [appellant] in beginsel

vrij ieder zijns weegs te gaan. Dat hebben partijen ook gedaan blijkens de door hen nadien

verrichte werkzaamheden. Zowel [appellant] als [geïntimeerde] zijn voortgegaan met IT werkzaamheden.

Mogelijk dat sprake is geweest van goodwill aan de zijde van NITT met waarde en dat dit activum bij de verdeling betrokken had kunnen worden. [geïntimeerde] heeft ter comparitie echter aangegeven dat hij in zijn contacten met voormalig NITT klanten heeft aangegeven dat NITT was gestopt en dat het deze voormalig klanten vrij stond voortaan bij hem werkzaamheden onder te brengen, ofwel bij [appellant] , ofwel bij een derde partij. Deze gang van zaken is niet weersproken door [appellant] . In zoverre is niet gebleken dat [geïntimeerde] klanten van NITT op onrechtmatige wijze heeft overgenomen. Nu bovendien beide partijen een eigen IT bedrijf zijn begonnen na de ontbinding van NITT, waarbij zij allebei ook voormalig klanten van NITT bedienen, is niet gebleken dat [geïntimeerde] zich ten opzichte van [appellant] op onrechtmatige wijze klanten of goodwill heeft toegeëigend.

4.13

Het hof kan zich vinden in deze overwegingen en neemt die over.
Naar aanleiding van de door [appellant] tegen deze overwegingen aangevoerde bezwaren, merkt het hof aanvullend het volgende op.

i.) Voldoende aannemelijk is geworden dat NITT zich eind 2013/begin 2014 inderdaad in financieel zwaar bevond, mede gelet op door de fiscus uitgebrachte dwangbevelen en het door de Deutsche Bank opgezegde krediet.
[geïntimeerde] heeft bij zijn memorie van antwoord nog diverse dwangbevelen van de belastingdienst overgelegd, waaruit kan blijken dat in 2013 structureel de omzetbelasting niet werd voldaan. Ook heeft hij een grafische weergave van de dalende solvabiliteit van de vennootschap overgelegd, waaruit kan blijken dat de solvabiliteit op 31 december 2013 264,4% negatief was.
[appellant] heeft de juistheid van deze nader overgelegde bescheiden niet weersproken. Daarbij geldt (wederom) dat de omstandigheid dat hij zonder bericht van verhindering niet op de comparitie is verschenen voor zijn rekening en risico dient te worden gelaten.
Weliswaar is mogelijk dat achteraf bezien de Deutsche Bank het krediet zonder voldoende grond heeft opgezegd en dat de opzegging nog niet zou hebben geleid tot het direct dichtdraaien van de geldkraan, zoals [appellant] heeft betoogd, maar [geïntimeerde] heeft onweersproken aangevoerd dat dit eind 2013/begin 2014 bepaald niet duidelijk was en dat de opzegging van het krediet toen een realiteit was.

ii.) Voldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] in strijd met gemaakte afspraken en ondanks twee uitdrukkelijke waarschuwingen (op 27 november 2013 en 19 december 2013) van de kant van [geïntimeerde] te eigen bate gelden is blijven opnemen uit de vennootschap. Voor wat betreft de overboeking van een bedrag van € 5.000,- aan (achterstallige) huur geldt dat [geïntimeerde] heeft gesteld dat medio 2013 was overeengekomen dat de huur zou worden verrekend met de schuld van [appellant] aan de vennootschap en dat vanuit de vennootschap dus geen huurbetalingen meer aan [appellant] zouden worden gedaan. [appellant] heeft het bestaan van een dergelijke afspraak betwist. Hij heeft er echter geen verklaring voor gegeven waarom, als een dergelijke afspraak niet bestond, hij in november 2013, op een moment dat het financieel slecht ging met NITT, als huur een bedrag gelijk aan vijf maanden huur naar een eigen rekening heeft overgeboekt. Dat doet vermoeden dat de afspraak wel bestond en [appellant] heeft gehandeld in strijd daarmee.
Verder geldt dat [appellant] heeft erkend dat partijen hadden afgesproken dat besluiten over substantiële financiële transacties gezamenlijk zouden worden genomen. Volgens [appellant] betrof dat echter alleen het doen van privéopnamen en viel het voldoen van crediteuren, zoals hijzelf in zijn hoedanigheid van verhuurder, daar niet onder. [appellant] maakt daarmee naar het oordeel van het hof een gekunsteld onderscheid; in de geest van de afspraak diende [appellant] het overboeken naar een eigen rekening van een substantieel bedrag natuurlijk wel met [geïntimeerde] te overleggen. Daar doet niet aan af dat het zou gaan om (achterstallige) huur.

De opnamen die [appellant] in privé heeft gedaan na de brief van (de advocaat van) [geïntimeerde] van 20 december 2013 zijn op zichzelf weliswaar beperkt, maar bezien tegen de achtergrond van de penibele financiële situatie van de vennootschap en de uitdrukkelijke mededeling van [geïntimeerde] dat bij voortzetting van dergelijke opnamen de vennootschap door hem met onmiddellijke ingang zou worden opgezegd, valt niet goed te begrijpen dat [appellant] deze opnamen heeft gedaan zonder die van tevoren met [geïntimeerde] af te stemmen. Indien [geïntimeerde] , zoals [appellant] (niet onderbouwd) stelt en [geïntimeerde] uitdrukkelijk betwist, in die periode niet voor [appellant] bereikbaar mocht zijn geweest, had [appellant] zich daarover dienen te verstaan met de advocaat van [geïntimeerde] . Het hof kan begrijpen dat door die opnamen bij [geïntimeerde] de vrees bestond dat de financiële positie van de vennootschap door [appellant] alleen maar verder uitgehold zou worden en kan billijken dat hij door onmiddellijke opzegging van de vennootschap (verdere) schade heeft willen beperken die daaruit voor hemzelf zou kunnen voortvloeien, vanwege zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor schulden van de vennootschap.

iii.) [appellant] heeft weliswaar aangevoerd dat hij door de onmiddellijke opzegging schade heeft geleden, maar hij heeft ook in hoger beroep niet aangegeven welke redelijke termijn [geïntimeerde] in zijn ogen in acht had dienen te nemen. Evenmin heeft hij aangegeven welke schade hij heeft geleden doordat [geïntimeerde] een dergelijke termijn niet acht heeft genomen. Dat klemt, nu gelet op de onweersproken stellingen van [geïntimeerde] dat partijen na de ontbinding hun activiteiten als IT-ondernemer hebben voortgezet en daarbij ieder ongeveer de helft van de klanten van NITT hebben meegenomen, op zichzelf nog niet aannemelijk is dat de beëindiging van de vennootschap ook heeft geresulteerd in schade voor [appellant] .
In de vorige zin ligt ook besloten dat de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van NITT mee te nemen, geen stand houdt. [geïntimeerde] heeft weliswaar klanten meegenomen, maar [appellant] heeft dat kennelijk ook en in ongeveer gelijke mate gedaan. Daarmee valt niet in te zien dat het meenemen van klanten door [geïntimeerde] onrechtmatig was.

proceskosten [geïntimeerde] pro se

4.14

[appellant] heeft aangevoerd dat, nu de vorderingen die [geïntimeerde] pro se had ingesteld in eerste aanleg zijn afgewezen, [geïntimeerde] in die hoedanigheid ook in de proceskosten van [appellant] veroordeeld had moeten worden. Die opvatting deelt het hof niet. De vorderingen die [geïntimeerde] op eigen naam had ingesteld en de vorderingen die hij in zijn hoedanigheid van vereffenaar van NITT heeft ingesteld zijn dezelfde en zijn processueel ook volledig gevoegd (en dus niet in afzonderlijke (onderdelen van) processtukken behandeld). In die situatie valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat [appellant] afzonderlijke proceskosten heeft moeten maken om zich te verweren tegen de vorderingen van [geïntimeerde] pro se. Er is dan geen grond om aan de door [geïntimeerde] pro se ingestelde vorderingen afzonderlijk proceskosten toe te rekenen als bedoeld in artikel 237 e.v. Rv.

bewijsaanbod

4.15

[appellant] heeft uitdrukkelijk aangeboden te bewijzen:
- dat [geïntimeerde] na zijn brief van 21 november 2013 [hof: bedoeld zal zijn 27 november 2013] niet meer bereikbaar voor hem was, en
- dat Deutsche Bank het krediet weliswaar had opgezegd, maar dat hem uit eigen wetenschap bekend is dat Deutsche Bank bij geen van haar kredietrelaties de geldkraan direct heeft dichtgedraaid.
Aan dat bewijsaanbod gaat het hof voorbij omdat, zoals ligt besloten in wat hiervoor is overwogen, de te bewijzen aangeboden feiten, indien zij zouden komen vast te staan, niet leiden tot een ander oordeel.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Alleen op het punt van de geconcretiseerde en toewijsbaar geachte nakosten dient het vonnis te worden vernietigd. Het concreet gemaakte bedrag zal worden toegewezen.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 718,- aan griffierecht en € 2.782,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief III).

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
29 juni 2016, behoudens de veroordeling die in dat vonnis (in conventie) onder 5.3 is uitgesproken, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

5.3

veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] in zijn hoedanigheid van vereffenaar van het vermogen van de ontbonden vennootschap Noordelijke IT Team vof sub 2 van een bedrag van € 8.418,20 door overboeking op de derdenrekening van de advocaat van [geïntimeerde] , te weten [00000] t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Lloyd advocaten te Veendam; met machtiging aan deze Stichting om de ontvangen gelden vervolgens aan de heer [geïntimeerde] over te maken ten behoeve van de vereffening van v.o.f. NITT.

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 2.782,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. O.E. Mulder, mr. K.M. Makkinga en mr. M.W. Zandbergen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.