Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2665

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
28-03-2019
Zaaknummer
200.197.715/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eindarrest inzake geschil of Bakker Bart franchise-filiaal onder het verplichtstellingsbesluit van het bedrijfstakpensioenfonds valt. Zie ECLI:NL:GHARL:2018:5130 en ECLI:NL:GHARL:2018:8311.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2019/64
PR-Updates.nl PR-2019-0041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.197.715/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 4444689 CV EXPL 15-12124)

arrest van 26 maart 2019

in de zaak van

1 de vennootschap onder firma VOF [appellanten] ,

zaakdoende te Den Haag, alsmede haar vennoten

2. [appellant] ,

wonende te [A] ,

3. [appellante] ,

wonende te [A] ,

appellanten,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] (in enkelvoud),

advocaat: mr. D.I.M.E. Hermans, kantoorhoudend te 's-Hertogenbosch,

tegen

Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf,

gevestigd te Groningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: bpf Bakkersbedrijf,

advocaat: mr. E. Lutjens, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 18 september 2018 hier over.

1.2

In dit tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen om [appellanten] in de gelegenheid te stellen nieuwe berekeningen over te leggen van de omzet in bakkersproducten en andere producten van beide filialen en van alle jaren waarvoor zij bewijs wenst te leveren dat zij niet langer onder het verplichtstellingsbesluit valt. Het hof heeft daarbij aangegeven dat [appellanten] bpf Bakkersbedrijf in staat moet stellen om de onderliggende stukken van die berekeningen te controleren.

1.3

[appellanten] heeft op 27 november 2018 een akte uitlating bewijs genomen, waarbij producties zijn overgelegd.

1.4

Bpf Bakkersbedrijf heeft op 5 februari 2019 een antwoordakte genomen.

1.5

Vervolgens hebben partijen op19 februari 2019 het hof verzocht opnieuw arrest te wijzen, onder overlegging van de (aanvullende) procesdossiers.

2 De verdere beoordeling

2.1

Lourens- Van Vliet heeft bij akte gesteld dat uit de door haar overgelegde berekeningen blijkt dat zij in haar beide filialen vanaf 2014 steeds meer dan 50% van haar totale omzet heeft behaald uit niet-bakkersartikelen, namelijk

2014 51,4%

2015 51,2%

2016 55%

2017 56,4%

2018 57% (gerekend tot en met week 40).

2.2

[appellanten] heeft aangegeven dat zij bpf Bakkersbedrijf in staat heeft gesteld om onderzoek te doen naar en controle uit te oefenen op de administratie waarop zij haar berekeningen heeft gebaseerd.

2.3

Bpf Bakkersbedrijf heeft zich bij antwoordakte aan het oordeel van het hof gerefereerd of [appellanten] aan de bewijsopdracht heeft voldaan.

2.4

Het hof is van oordeel dat [appellanten] met de overgelegde berekeningen - waarvan niet betwist is dat die met de door het hof vereiste mate van nauwkeurigheid en zijn opgesteld en hun grondslag vinden in de boekhoudkundige bescheiden die bpf Bakkersbedrijf heeft kunnen controleren - aannemelijk heeft gemaakt dat zij vanaf 2014 meer dan 50% van haar omzet heeft behaald met de verkoop van niet-bakkersproducten, zoals door het hof uitgelegd in het tussenarrest van 5 juni 2018. Daarmee valt [appellanten] onomstotelijk onder de uitzondering van artikel b onder 3 van het verplichtstellingsbesluit Bakkersbedrijf en dient zij niet langer als bakkersbedrijf in de zin van dat besluit te worden aangemerkt.

De slotsom

2.5

Grief 2 is per saldo terecht voorgedragen en het hoger beroep slaagt. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen, de door [appellanten] verzochte verklaring voor recht dat zij vanaf 1 februari 2014 niet langer onder het verplichtstellingsbesluit valt toewijzen als hierna volgt en de reconventionele vordering van bpf Bakkersbedrijf alsnog afwijzen. Het hof zal bpf Bakkersbedrijf in de kosten van de procedure in beide instanties veroordelen.

2.6

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 82,63

- griffierecht € 109,00

subtotaal verschotten € 191,63

- salaris gemachtigde € 375,00 (2, 5 punten x tarief € 150,-)

Totaal € 566,63

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 77,75

- griffierecht € 718,00

subtotaal verschotten € 795,75

- salaris advocaat € 3.222,00 (3 punten x tarief II)

Totaal € 4.017,75

2.7

Het hof zal ook de gevorderde rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen als hierna volgt.

3 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 4 mei 2016 en opnieuw rechtdoende

verklaart voor recht dat [appellanten] met ingang van 1 februari 2014 niet onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit bpf Bakkersbedrijf valt en dat bpf Bakkersbedrijf voor de periode nadien geen premienota’s meer kan opleggen;

veroordeelt bpf Bakkersbedrijf in de kosten van de procedure in beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellanten] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 191,63 voor verschotten en op € 375,- voor salaris gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 795,75 voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

deze proceskostenveroordeling te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval betaling binnen die termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf het verstrijken van die termijn van veertien dagen;

veroordeelt bpf Bakkersbedrijf in de nakosten, begroot op € 157,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval bpf Bakkersbedrijf niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart de in dit arrest opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, O.E. Mulder en J.A. Gimbrère en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

26 maart 2019.