Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2646

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
25-06-2019
Zaaknummer
200.237.958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontzegging om op bedrijfsterrein te komen. Is sprake van een jachthuurovereenkomst die het recht tot betreden van het terrein geeft? Herformulering verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.237.958

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, C/05/328215 / KG ZA 17-528)

arrest in kort geding van 26 maart 2019

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. M.C. Mulder,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.A.H. van de Sanden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 22 december 2017 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland tussen [geïntimeerde] als eiseres en [appellant] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 18 januari 2018,

- het herstelexploot,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.2.

Vervolgens heeft [appellant] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat, rekening houdende met de tegen de feitenvaststelling gerichte grief I, uit van de navolgende feiten:

3.2.

[firma 1] (hierna [firma 1] ) heeft op 14 oktober 2016 de aandelen in [geïntimeerde] gekocht van [firma 2] (hierna [firma 2] ). [appellant] was (tot genoemde datum) directeur van [geïntimeerde] . Tevens is hij enig directeur en enig aandeelhouder (hierna: dga) van [firma 2] .

3.3.

[geïntimeerde] is eigenaresse van een aantal percelen te [vestigingsplaats] die kadastraal zijn aangeduid als gemeente Heerewaarden, sectie E, nummers 219, 230, 378 en 404 (hierna: E219, E230, E378 en E404). Deze percelen zijn, althans deels, gelegen aan de [adres] te [vestigingsplaats] .

3.4.

Op 29 december 2016 heeft de heer [managing director] , managing director van [geïntimeerde] (hierna te noemen: [managing director] ), aan [appellant] geschreven dat [appellant] zonder begeleiding van een medewerker van [appellant] Plastics niet de kantoren, productie-logistieke en technische dienst ruimtes alsook de overige gronden van [geïntimeerde] mag betreden.

3.5.

Vervolgens heeft [managing director] bij e-mail en WhatsAppbericht van 30 september 2017 het volgende aan [appellant] bericht:

“(…) Voor de duidelijkheid, je hebt niets te zoeken op het terrein van [firma 1] . Nog in Nederland, noch in Duitsland. Jagen doe je op jouw terrein. Indien je nog achterstallige betalingen van één van mijn medewerkers tegoed hebt, dan kun je of met hen in jouw woning contact opnemen of schriftelijk een verzoek tot loonbeslag bij de administratie indienen, wat te doen gebruikelijk is. Laat ik heel duidelijk zijn, als je met mij geen afspraak hebt, dan ben je persona non grada op ons terrein. Je hebt als burger en onbevoegde al helemaal geen toegang tot de fabriek, logistiek, opslag en of magazijnen. (...)”

3.6.

In reactie hierop heeft [appellant] op 2 oktober 2017 het volgende WhatsApp-bericht terug gestuurd: “Als je oorlog wilt kun je oorlog krijgen!”

4 De motivering van de beslissing in het principaal hoger beroep

4.1.

Op 30 september 2017 heeft [appellant] , gekleed in jachttenue, een fabriekshal van [geïntimeerde] op het terrein aan de [adres] te [vestigingsplaats] betreden. [geïntimeerde] heeft daarop, in de persoon van haar managing director, [managing director] , [appellant] gesommeerd zich niet meer zonder toestemming op het terrein van [geïntimeerde] te begeven. [appellant] heeft hierop gereageerd met de mededeling “Als je oorlog wilt kun je oorlog krijgen” (rov. 3.4 - 3.6). [geïntimeerde] heeft vervolgens bij de voorzieningenrechter in de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd dat het [appellant] wordt verboden om het perceel en/of de opstallen van [geïntimeerde] opnieuw te betreden zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de managing director van [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom. De voorzieningenrechter heeft het gevorderde verbod gegeven maar de gevorderde dwangsom verlaagd van € 10.000 naar € 5.000 per overtreding en gemaximeerd. Hierbij heeft de voorzieningenrechter het beroep van [appellant] op een tussen hem en [geïntimeerde] gesloten jachthuurovereenkomst verworpen omdat het bestaan daarvan onvoldoende aannemelijk is bevonden. [appellant] komt met negen door het hof vernummerde grieven op tegen het vonnis van de voorzieningenrechter.

4.2.

Met de grieven II tot en met VI ligt de vraag voor of het gevorderde verbod (geheel) toewijsbaar is nu [appellant] stelt dat hij een jachthuurovereenkomst met [geïntimeerde] heeft gesloten op grond waarvan hij de percelen E219, E230 en E378 mag betreden en er voor wat betreft de op het perceel van [geïntimeerde] aanwezige opstallen geen gevaar op herhaling bestaat nu hij op 30 september 2017 enkel in een opwelling de fabriekshal heeft betreden en naar een medewerker van [geïntimeerde] is gelopen.

4.3.

De vraag of [geïntimeerde] in dit kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.

4.4.

Het meest ver strekkende verweer tegen het gevorderde betredingsverbod is het beroep op een tussen [geïntimeerde] en [appellant] gesloten schriftelijke jachthuurovereenkomst betreffende de percelen E219, E230 en E378 gedateerd 1 april 2016. Op de overeenkomst staan alleen de handtekeningen van [appellant] zelf in beide hoedanigheden. Ten tijde van de op die overeenkomst vermelde datum was hij directeur van [geïntimeerde] .

Tussen partijen is niet in geschil dat [firma 2] contractueel verplicht was om [firma 1] (voorafgaand aan de tussen hen gesloten overeenkomst (rov. 3.2.)) te informeren over de door [appellant] overgelegde jachthuurovereenkomst. Volgens [geïntimeerde] is dat niet gebeurd. [appellant] heeft hiertegenover slechts aangevoerd dat [geïntimeerde] ten tijde van de aandelenoverdracht “wel degelijk (is, hof) geïnformeerd over het bestaan van de jachthuurovereenkomst”. Dat is onvoldoende. Het lag op de weg van [appellant] om aan te geven wanneer, hoe en door wie die informatie zou zijn gegeven. Het moet er daarom voor worden gehouden dat [appellant] (als dga van [firma 2] ) [firma 1] niet heeft ingelicht over de overgelegde jachthuurovereenkomst. In de uitwisseling van berichten tussen [appellant] en [geïntimeerde] via WhatsApp heeft [appellant] evenmin gewezen op de jachthuurovereenkomst, wat gezien de aanzeggingen van [geïntimeerde] om haar terrein(en) niet meer te betreden wel voor de hand had gelegen. Op grond van het vorenstaande is het bestaan van de jachthuurovereenkomst onvoldoende aannemelijk geworden. [appellant] heeft aangeboden daarvan (nader) bewijs te leveren, met name door het horen van getuigen. Het hof gaat daaraan voorbij omdat uitgangspunt is dat in een kort geding geen plaats is voor (uitgebreide) bewijslevering en niet voldoende is gesteld of gebleken dat er redenen zijn om in deze zaak van dat uitgangspunt af te wijken.

Waar [appellant] ondanks de aanzegging van 29 december 2016 (rov. 3.4) het perceel van [geïntimeerde] aan de [adres] te [vestigingsplaats] toch (zonder toestemming) heeft betreden, in reactie op het WhatsAppbericht van 30 september 2017 (rov. 3.5) heeft bericht dat als [geïntimeerde] ( [managing director] ) oorlog wil zij dat kan krijgen en gezien, ten slotte, het beroep op een jachthuurovereenkomst waarvan het bestaan niet is gebleken, is er voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde betredingsverbod. De tussenconclusie is dat de grieven II tot en met VI geen doel treffen.

4.5.

De grieven VII, VIII en IX (in de correcte nummering) zien op de toewijzing van de dwangsom en de proceskostenveroordeling en het verbod als zodanig. Zij bouwen voort op de grieven II tot en met VI en behoeven daarom geen bespreking.

5 De motivering van de beslissing in het incidenteel hoger beroep

5.1.

In het incidenteel hoger beroep komt [geïntimeerde] allereerst (grief 1) op tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat [geïntimeerde] erop bedacht had kunnen of moeten zijn dat [appellant] zich erop zou beroepen dat hij bij [geïntimeerde] mag komen jagen. Deze grief strekt niet tot vernietiging van het vonnis van de voorzieningenrechter en behoeft daarom geen bespreking.

5.2.

Met grief 2 beoogt [geïntimeerde] een nadere verduidelijking van de percelen waarvoor het betredingsverbond geldt. Aldus behelst deze grief een wijziging van de eis. Het gevorderde verbod zag op “het perceel en/of de opstallen van” [geïntimeerde] . Het gaat volgens [geïntimeerde] om drie percelen, te weten de in de jachthuurovereenkomst vermelde percelen E230, E378 en E219. De aldus gewijzigde eis is als niet afzonderlijk weersproken toewijsbaar. Uit de als producties 3 en 4 door [geïntimeerde] overgelegde brieven blijkt dat de grens (omvang) van het perceel E378 in geschil is, maar de exacte positie daarvan kan niet in het kader van dit kort geding worden bepaald. Daarom zal het betredingsverbod betrekking hebben op de genoemde percelen zoals deze op de als productie 2 bij memorie van grieven overgelegde kadastrale kaart d.d. 15 september 2017 zijn weergegeven. Deze kaart wordt aan dit arrest gehecht.

5.3.

Grief 3 klaagt over de matiging van de gevorderde dwangsom. De gematigde dwangsom is voldoende afschrikwekkend nu niet is gesteld of gebleken dat [appellant] het perceel van [geïntimeerde] na het vonnis van 22 december 2017 nog heeft betreden. Er is daarom onvoldoende grond om de gestelde dwangsom te verhogen.

6 De slotsom

6.1.

De grieven in het principaal hoger beroep treffen geen doel. De met grief 2 in het incidenteel appel gewijzigde eis wordt toegewezen. Het bestreden vonnis zal omwille van de duidelijkheid worden vernietigd en de beslissingen zullen in hun geheel opnieuw worden weergegeven.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen.

6.3.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 726 voor griffierecht en op € 1.074 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (1 punt x tarief II).

6.4.

De noodzaak tot nadere verduidelijking die met grief 2 van [geïntimeerde] is beoogd is – gezien de formulering van de oorspronkelijke vordering – aan [geïntimeerde] zelf te wijten, zodat het hof [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep zal veroordelen. Deze kosten worden begroot op € 537 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (0,5 punt x tarief II).

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 22 december 2017;

verbiedt [appellant] om de percelen E230, E378 en E219 van [geïntimeerde] (zoals vermeld op de aan dit arrest aangehechte kadastrale kaart d.d. 15 september 2017) te betreden zonder uitdrukkelijke voorafgaande toestemming van de managing director van [geïntimeerde] , op straffe van het - na betekening van dit arrest - verbeuren van een dwangsom van € 5.000 per overtreding met een maximum van € 100.000;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan het vonnis begroot op € 1.515,99;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 726 aan verschotten en op € 1.074 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 537 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, B.J. Engberts en J. Beuving en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.