Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2644

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
21-08-2019
Zaaknummer
200.231.747
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Faillissement verpleeghuis. Vordering inzage in en afschrift van medisch dossier door erfgenamen patiënt. Rol curator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2019-0219
INS-Updates.nl 2019-0106
RI 2019/80
JOR 2020/11 met annotatie van Tideman, B.J.
Jurisprudentie Erfrecht 2019/279
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.231.747

(zaaknummer rechtbank Gelderland 328889)

arrest in kort geding van 26 maart 2019

in de zaak van

[Appellant (curator)]

wonende te [Woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de curator,

advocaat: mr. C.W. Houtman,

tegen:

1 [Geïntimeerde 1]

wonende te [Woonplaats] ,

hierna ook: [Geïntimeerde 1] ,

2. [Geïntimeerde 2] ,

wonenden te [Woonplaats] ,

hierna ook: [Geïntimeerde 2] ,

3. [Geïntimeerde 3] ,

wonende te [Woonplaats] ,

hierna ook: [Geïntimeerde 3] ,

geïntimeerden, hierna ook: de kinderen,

in eerste aanleg: eisers,

niet verschenen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 11 december 2017 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 8 januari 2018,

- de verstekverlening tegen alle drie geïntimeerden,

- de memorie van grieven (met producties).

2.2

Vervolgens heeft de curator de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.9 van het bestreden vonnis van 11 december 2017.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Appellanten zijn kinderen van [Vader] (hierna ook: [Vader] ). [Vader] is op 14 januari 1983 gehuwd met [Stiefmoeder van de kinderen] (hierna: [Stiefmoeder van de kinderen] ) na het maken van huwelijkse voorwaarden waarin zij iedere huwelijksgemeenschap hebben uitgesloten. [Stiefmoeder van de kinderen] is stiefmoeder van de kinderen.

4.2

Omstreeks 1997-1998 is bij [Vader] de ziekte van Parkinson gediagnosticeerd. In 2005 is daarnaast geconstateerd dat hij leed aan een matige cerebrale atrofie. In 2011 is bij hem dementie vastgesteld. Hij heeft sedert 2009 verbleven op de gesloten afdeling van verschillende verpleeghuizen, waaronder van de stichting Diafaan, gevestigd in Zevenaar. [Vader] verbleef op de locatie van Diafaan in Duiven. Tijdens zijn verblijf bij Diafaan is een medisch dossier van [Vader] bijgehouden. Na zijn overlijden is Diafaan failliet gegaan en is de curator op 21 april 2016 benoemd tot curator in het faillissement.

4.3

Tussen de kinderen en [Stiefmoeder van de kinderen] zijn geschillen gerezen over de afwikkeling van de nalatenschap van [Vader] . De kinderen hebben vorderingen ingesteld die strekken tot afgifte door [Stiefmoeder van de kinderen] van bescheiden, beantwoording van door hen gestelde vragen en uitkering van de aan hen gemaakte legaten. De stukken in deze procedure zijn bij de inleidende dagvaarding in kort geding als producties 1 tot en met 9 overgelegd. De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft in het vonnis van 3 mei 2017 alle vorderingen van de kinderen afgewezen en de kinderen in de proceskosten aan de zijde van [Stiefmoeder van de kinderen] veroordeeld (prod. 9). De kinderen hebben hoger beroep bij dit hof ingesteld (zaaknummer 200.226.126), zo is het hof ambtshalve bekend.

4.4

De kinderen hebben in eerste aanleg in dit kort geding veroordeling van de curator gevorderd om een kopie van het medisch dossier van [Vader] dat tijdens zijn verblijf bij stichting Diafaan in Duiven is bijgehouden ter beschikking te stellen en de curator te veroordelen in de proceskosten. Zij hebben daartoe aangevoerd dat afgifte van dat medisch dossier aan hen noodzakelijk is in het kader van de procedure in hoger beroep die bij dit hof aanhangig is (zie inleidende dagvaarding onder 3 en 16).

4.5

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis van 11 december 2017 de curator veroordeeld tot afgifte van een kopie van het medisch dossier van [Vader] aan een door de advocaat van geïntimeerden aan te wijzen onafhankelijke vertrouwensarts die verslag aan geïntimeerden dient uit te brengen over de wilsbekwaamheid van [Vader] en zijn fysieke mogelijkheden inzake het beheer van zijn vermogen in de periode van 1 januari 2005 tot 25 februari 2015. De voorzieningenrechter heeft de curator in de proceskosten veroordeeld, alle veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

4.6

De curator komt met vier grieven op tegen het vonnis van 11 december 2017. Zijn hoger beroep strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de vorderingen van de kinderen in eerste aanleg en veroordeling van de kinderen in de proceskosten in beide instanties.

4.7

In deze zaak gaat het om het medisch beroepsgeheim na overlijden. De kinderen willen kennisnemen van het medisch dossier van hun overleden vader. De curator heeft dat geweigerd.

4.8

Alvorens de grieven te bespreken geeft het hof in de rechtsoverwegingen 4.9 – 4.11 het beoordelingskader weer.

4.9

Op grond van artikel 7:454 lid 1 BW richt een hulpverlener (in dit geval de stichting Diafaan) een dossier in met betrekking tot de behandeling van een patiënt (in dit geval [Vader] ). De hulpverlener dient de bescheiden in dit dossier gedurende vijftien jaar vanaf het moment van vervaardiging van die bescheiden te bewaren (lid 3). De hulpverlener is verplicht aan de patiënt desgevraagd inzage in en afschrift van de bescheiden te verstrekken (artikel 7:456 BW). De hulpverlener mag aan anderen dan de patiënt geen inzage in of afschrift van deze bescheiden verstrekken dan met toestemming van de patiënt (artikel 7:457 lid 1 BW). Deze geheimhoudingsplicht is tevens verwoord in artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en onder meer uitgewerkt in de richtlijn "Omgaan met medische gegevens" van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG), door de curator overgelegd als productie 1 bij memorie van grieven. Artikel 88 Wet BIG luidt: "Een ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen." Met deze geheimhoudingsplicht wordt beoogd te voorkomen dat een patiënt nalaat geneeskundige hulp in te roepen uit vrees dat hetgeen hij toevertrouwt aan de hulpverlener aan anderen wordt geopenbaard.

4.10

Deze geheimhoudingsplicht geldt gelet op de hiervoor vermelde strekking ook na het overlijden van een patiënt. Zij geldt ook ten aanzien van zijn erfgenamen, tenzij zij mentor van de overleden patiënt waren of de patiënt bij leven heeft ingestemd met het verstrekken van inzage in of afschrift van zijn medisch dossier aan (een of meer van) zijn erfgenamen.

4.11

De geheimhoudingsplicht is niet absoluut. Doorbreking daarvan kan aan de orde zijn als mag worden verondersteld dat de patiënt zijn toestemming zou hebben gegeven als hij zich had kunnen uitlaten over inzage in zijn medisch dossier na zijn overlijden (vgl. HR 21 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7871). Daarnaast geldt dat het belang van geheimhouding van een zodanig gewicht is dat een inbreuk daarop alleen gerechtvaardigd is, indien er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden (HR 20 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AB1201). Daarbij moet aannemelijk zijn dat het medisch dossier daarover opheldering kan geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen.

4.12

De eerste grief komt erop neer dat de curator van een gefailleerde instelling die medische dossiers van (oud)cliënten heeft gearchiveerd niet kan worden verplicht om een medisch dossier af te geven. De curator licht dat als volgt toe. Het is de arts die gelet op zijn beroepsgeheim een afweging moet maken of het in een voorkomend geval geboden is zijn beroepsgeheim te doorbreken. Alleen de arts kan door de (voorzieningen)rechter worden verplicht tot afgifte. De curator heeft geen recht op inzage in medische dossiers en kan niet het beroepsgeheim van een arts schenden.

4.13

Het hof oordeelt als volgt. De faillissementswet geeft aan de curator een aantal taken en bevoegdheden, waaronder in de eerste plaats het beheer en de vereffening van een failliete boedel (artikel 68 Fw). Bij de vervulling van zijn taak van door de rechtbank benoemde beheerder en vereffenaar van de failliete boedel onder toezicht van een rechter-commissaris in het kader van een van waarborgen voorziene wettelijke regeling, behoort hij met alle gerechtvaardigde belangen rekening te houden (HR 5 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2419). Daartoe behoren niet alleen de belangen van de gezamenlijke schuldeisers, maar ook belangen van maatschappelijk aard (HR 24 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1643).

4.14

Door het faillissement van de stichting Diafaan zijn de wettelijke verplichtingen ten aanzien van de medische dossiers niet geëindigd. Dat geldt ook voor de bewaarplicht voor deze dossiers. Niet is gebleken dat de stichting Diafaan deze dossiers heeft overgedragen aan een andere hulpverlener. Ook is niet gebleken dat naast de stichting Diafaan andere hulpverleners, zoals artsen die werkzaam zijn geweest bij stichting Diafaan de beschikking hebben over deze dossiers. Het behoort in dat geval tot de taak van de curator deze medische dossiers te bewaren en zo nodig en mogelijk een ordelijke overdracht van deze dossiers aan een opvolgend hulpverlener te realiseren. Het is in dat geval ook aan de curator om, zolang als hij beschikt over de medische dossiers, de verplichting inzage in en afgifte van medische bescheiden te verstrekken aan de patiënt na te leven (artikel 7:456 BW). Daarmee is een maatschappelijk belang gediend dat ook in een faillissement het verstrekken van de noodzakelijke inzage in en afschrift van medische bescheiden en dossiers is gewaarborgd. Om deze reden behoort het in dat geval ook tot de taak van de curator inzage in en afschrift van deze bescheiden te verstrekken aan derden, zoals erfgenamen van een patiënt, indien een inbreuk op de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is. De curator dient, indien hij geconfronteerd wordt met een dergelijk verzoek, dan aan de hand van het in rechtsoverweging 4.11 gegeven criterium te beoordelen of inbreuk op de geheimhoudingsplicht gerechtvaardigd is. Dat de curator zelf geen inzage heeft in het medisch dossier maakt dat niet anders. Uiteraard kan de curator bij het maken van zijn afweging en het nemen van zijn beslissing te rade gaan bij personen die voor de stichting werkzaam zijn of zijn geweest en/of die als behandelaar betrokken zijn geweest bij de betreffende patiënt.

4.15

Op grond van wat is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.12 – 4.14 faalt grief 1 van de curator.

4.16

De grieven 2 en 3 behelzen - kort weergegeven - dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat inbreuk op de geheimhoudingsplicht in deze zaak gerechtvaardigd is.

4.17

De kinderen stellen dat het voor de procedure in hoger beroep tussen de kinderen en [Stiefmoeder van de kinderen] noodzakelijk is dat (een kopie van) het medisch dossier wordt vrijgegeven aan de kinderen en voeren daartoe het volgende aan. Uit dit medisch dossier blijkt (of zou moeten blijken) de fysieke en geestelijke gezondheid van [Vader] waarmee de wils(on)bekwaamheid bepaald kan worden. Er is sprake van een zwaarwegend belang en er zijn voldoende concrete aanwijzingen over de gezondheid van [Vader] , terwijl er geen andere alternatieven voorhanden zijn om de gewenste informatie over de medische gezondheid van [Vader] te verkrijgen. Als [Vader] nog in leven was geweest is het aannemelijk dat hij toestemming voor inzage zou hebben gegeven. Zij noemen de volgende concrete aanwijzingen omtrent zijn fysiek en geestelijke gezondheid. In 1998 is de ziekte van Parkinson gediagnosticeerd en vanaf toen is hij geestelijk en lichamelijk achteruitgegaan. Door zijn ziekte is [Vader] voortijdig met pensioen gegaan. Hij kon zijn werkzaamheden als organisatieadviseur niet meer naar behoren uitvoeren. De afgelopen 10 jaar was het voor [Vader] lichamelijk en geestelijk niet meer mogelijk zijn handtekening te plaatsen of de consequenties van zijn beslissingen te overzien. Al in 2005 is een matige cerebrale atrofie gezien; in 2011 wordt gesproken over dementie. [Vader] was in feite handelingsonbekwaam. Hij heeft in verschillende verpleeghuizen op een gesloten afdeling verbleven.

4.18

Het hof is van oordeel dat niet duidelijk is geworden waarom het voor de procedure tegen [Stiefmoeder van de kinderen] nodig is te kunnen beschikken over het medisch dossier. De curator betwist de stelling van de kinderen dat er geen alternatieven zijn om de door hen gewenste informatie te verkrijgen en voert aan dat het bewijs dat [Vader] niet wilsbekwaam was ook op een andere manier mogelijk moet zijn. Tegenover die gemotiveerde betwisting hebben de kinderen vooralsnog in deze procedure in kort geding hun stellingen niet aannemelijk gemaakt. Zo hebben zij een voor de hand liggend alternatief als het horen van personen die contact hadden met [Vader] in de periode dat hij een instelling van de stichting Diafaan heeft verbleven niet genoemd, laat staan dat zij hebben verklaard waarom dat alternatief geen soelaas zou kunnen bieden. Verder is uit de vorderingen in de procedure tegen [Stiefmoeder van de kinderen] niet af te leiden in hoeverre voor toewijzing daarvan nodig is aan te tonen dat [Vader] op enig moment wilsonbekwaam was. De kinderen hebben die vorderingen niet voldoende geconcretiseerd met het oog op de stelling dat [Vader] wilsonbekwaam zou zijn. Zij hadden aan de curator in elk geval duidelijk moeten maken of het voor de omvang van de aan hen gemaakte legaten van belang is dat [Vader] wilsonbekwaam was. De slotsom is dat er niet voldoende concrete aanwijzingen zijn dat bij handhaving van de geheimhoudingsplicht een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden en dat niet aannemelijk is gemaakt dat het medisch dossier daarover opheldering kan geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen.

4.19

Niet is gebleken dat er daarnaast nog andere gronden zijn die een inbreuk op de geheimhoudingsplicht in deze zaak kunnen rechtvaardigen. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen mentor van [Vader] waren of dat [Vader] bij leven ermee heeft ingestemd dat zij inzage in of afschrift van zijn medische gegevens zouden krijgen. De curator betwist de stelling van de kinderen dat het aannemelijk is dat [Vader] als hij nog in leven was geweest toestemming voor inzage zou hebben gegeven. Zij onderbouwen die stelling niet, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

4.20

Op grond van wat is overwogen in de rechtsoverwegingen 4.16 – 4.19 slagen de grieven 2 en 3 van de curator en zal het hof het bestreden vonnis vernietigen en alle vorderingen van de kinderen alsnog afwijzen met veroordeling van de kinderen in de proceskosten in beide instanties. Gelet hierop heeft de curator geen belang meer bij zijn grief 4 (zie ook de laatste zin onder 4.3).

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 11 december 2017 en doet opnieuw recht:

wijst de vorderingen van de kinderen af;

veroordeelt de kinderen in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van de curator wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 618,- (griffierecht 2017) voor verschotten en op € 816,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 726,- (griffierecht) en € 98,01 (appelexploot) voor verschotten en op € 1.074,- (tarief II, 1 punt) voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en T. ter Brugge en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2019.