Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2608

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-03-2019
Datum publicatie
26-03-2019
Zaaknummer
TBS P18/0355
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat een verlenging van de maatregel niet in strijd is met artikel 5 EVRM nu er toereikende gronden zijn om tot verlenging van de maatregel over te gaan en de verlenging van de maatregel geen vrijheidsbeperking inhoudt die strijdig is met artikel 5 EVRM. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er in de kliniek nog steeds sprake is van een behandeling die tot verbetering van de situatie van de terbeschikkinggestelde kan leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P18/0355

Beslissing d.d. 7 maart 2019

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te Curaçao (voormalige Nederlandse Antillen) op [1962] ,

verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) De Rooyse Wissel.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 2 november 2018, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en afwijzing van het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 5 november 2018;

- de aanvullende informatie van FPC De Rooyse Wissel van 14 februari 2019, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 9 augustus 2018 tot en met 1 februari 2019.

Het hof heeft ter zitting van 21 februari 2019 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Lonterman, advocaat te Amsterdam, en de advocaat-generaal mr. J.F.C. Janssen.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De terbeschikkingstelling duurt inmiddels al zes jaar. Inmiddels verblijft de terbeschikkinggestelde in de derde kliniek en is er nog steeds veel onduidelijkheid over de diagnostiek: is er bij hem nu sprake van een persoonlijkheidsstoornis of van een autisme spectrum stoornis. Ook heeft de terbeschikkinggestelde na al die tijd nog steeds geen verlofmogelijkheden. Dit terwijl er in het verlengingsadvies van FPC 2 Landen uit 2014 stond dat men na anderhalf jaar behandelen zou gaan proberen om een andere manier te vinden om naar begeleid verlof toe te werken. Geconcludeerd kan worden dat de terbeschikkinggestelde de afgelopen jaren geen stap verder is gekomen. Zelf is hij altijd gemotiveerd geweest voor behandeling en heeft hij, op zijn niveau, willen meewerken. Zo heeft hij zelf om een zorgconferentie gevraagd. Het is niet onbegrijpelijk dat hij inmiddels niet meer zo gemotiveerd is. Het blijkt een heilloze weg te zijn. De externe deskundige [deskundige] heeft in zijn rapport van 1 juli 2016 al gezegd dat er sprake is van een impasse. De verwachting dat een verandering in de persoonlijkheid moet worden bewerkstelligd om te komen tot een vermindering van het recidiverisico, achtte de deskundige een doodlopende weg omdat de terbeschikkinggestelde niet kan veranderen. De behandeling zoals die thans wordt vormgegeven, biedt geen perspectief op verlofmogelijkheden en leidt tot dit langdurige traject. Een alternatief daarvoor is, volgens [deskundige] , om de reclassering onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. De deskundige [deskundige] schat het recidiverisico daarbij als midden/laag in. De afgelopen jaren in de kliniek hebben zich geen incidenten voorgedaan. Kortom, er zal een andere koers moeten worden gevaren.

De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde de reclassering de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te laten onderzoeken

Het standpunt van het openbaar ministerie

Gelet op de ernst van de stoornis, het gegeven dat het recidivegevaar bij een eventuele (voorwaardelijke) beëindiging van de verpleging van overheidswege als hoog wordt ingeschat, en het gegeven dat de terbeschikkinggestelde nog veel zorg en begeleiding nodig heeft, is voortzetting van de maatregel geïndiceerd. Uit de (aanvullende) informatie van de kliniek volgt dat de terbeschikkinggestelde niet meewerkt aan diagnostiek en/of behandeling. De kernproblematiek welke heeft geleid tot het indexdelict is nog vrijwel onverminderd aanwezig. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Voor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege acht de advocaat-generaal het nog te vroeg.

Het oordeel van het hof

Afwijzen verzoek

Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het door de terbeschikkinggestelde ingediende beroep. Het verzoek de reclassering de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te doen onderzoeken, wordt afgewezen, nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. Het hof acht een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege prematuur.

Bevestiging

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.

Aanvullende overweging

Het hof stelt vast dat net als in 2017 een impasse dreigt of mogelijk zelfs al is ontstaan. Het hof acht dit onwenselijk en geeft in overweging om via een observatieplaatsing in een andere kliniek (ex art. 6.5 lid 2 Wet forensische zorg) mogelijke vervolgstappen te onderzoeken.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Bevestigt de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 2 november 2018 met bettrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr. G. Mintjes als voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. A.B.A.P.M. Ficq als raadsheren,

en dr. W.F.J.M. van Kordelaar en dr. W.J. Canton als raden,

in tegenwoordigheid van mr. J.P. Fuchs-van Dis als griffier,

en op 7 maart 2019 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.