Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2518

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2019
Datum publicatie
30-07-2019
Zaaknummer
200.221.391
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning vaderschap, omgang. Belangenafweging. 1:204 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.221.391

(zaaknummer rechtbank Gelderland 305747)

beschikking van 21 maart 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.M. van Eeten te Den Helder,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. S. Usanmaz te Arnhem.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

mr. I.P. Rietveld, in haar hoedanigheid van bijzondere curator,

gevestigd te Arnhem,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 20 februari 2018 verwijst het hof naar zijn beschikking van die datum.

1.2

Het hof heeft in de beschikking van 20 februari 2018 de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over de vragen of vervangende toestemming van [kind] door de vader en het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en [kind] in het belang van [kind] is. De raad heeft naar aanleiding van dit verzoek onderzoek verricht en het rapport van 16 augustus 2018 (verder te noemen: het raadsrapport) opgesteld.

1.3

De nadien ingekomen stukken zijn:

- het raadsrapport van 16 augustus 2018;

- een journaalbericht van mr. Van Eeten van 3 september 2018 met één brief;

- een faxbericht van mr. Usanmaz van 28 november 2018 met een journaalbericht van

30 augustus 2018;

- een journaalbericht van de bijzondere curator van 30 november 2018 met één brief;

- een journaalbericht van mr. Usanmaz van 4 februari 2019 met één brief en (ongenummerde) producties.

1.4

Op 12 februari 2019 is de mondelinge behandeling voortgezet. De vader en de moeder zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen. Voorts is de bijzondere curator verschenen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 20 februari 2018, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

ten aanzien van het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning

de aanvullende/gewijzigde standpunten van de ouders, de bijzondere curator en de raad

2.2

De raad heeft in het raadsrapport van 16 augustus 2018, kort gezegd, geadviseerd het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning van [kind] door de vader af te wijzen, omdat erkenning een ongestoorde relatie tussen de moeder en [kind] in de weg staat. De raad acht het noodzakelijk dat eerst passende hulp voor beide ouders en voor [kind] zelf wordt ingezet. In afwachting van de uitkomsten van de in te zetten hulpverlening heeft de raad het hof in overweging gegeven om de beslissing over de vervangende toestemming voor erkenning aan te houden voor de periode van zes maanden.

Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2019 heeft de raad zijn advies gewijzigd. Gezien de hulpverlening die inmiddels is ingezet en het recht van [kind] om te weten wie zijn vader is, adviseert de raad thans aan het hof wél de vader vervangende toestemming voor erkenning van [kind] te verlenen.

2.3

De vader heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – het hof schriftelijk verzocht om de zaak voor een periode van zes maanden aan te houden om de ouders de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode de door de raad noodzakelijk geachte hulpverlening in te roepen. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2019 heeft de vader het hof verzocht het gewijzigde advies van de raad te volgen en aan hem vervangende toestemming tot erkenning te verlenen.

2.4

De moeder heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – het hof schriftelijk verzocht om de zaak af te doen en het verzoek van de vader af te wijzen. Daarbij heeft zij te kennen gegeven in te stemmen met het advies in het raadsrapport, dat erkenning niet in het belang is van haarzelf en [kind] , en dat zij het niet eens is met een eventuele aanhouding van de zaak voor een periode van zes maanden. Volgens de moeder zal aanhouding van de zaak stress en paniek meebrengen voor haar, hetgeen zijn weerslag heeft op de relatie tussen haar en [kind] en op de in te zetten behandelingen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoeken gehandhaafd.

2.5

De bijzondere curator heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – haar advies de vader toestemming te verlenen tot erkenning van [kind] gehandhaafd. Zij is het niet eens met een aanhouding van de zaak.

de beoordeling

2.6

Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker is van het kind.

2.7

Vaststaat dat [kind] de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en de vader de verwekker is van [kind] . Voor de beantwoording van de vraag of voor het overige is voldaan aan de wettelijke vereisten als genoemd onder rechtsoverweging 2.6, komt het aan op een afweging van het belang van de vader om te erkennen tegenover de belangen van de moeder en de minderjarige bij het niet-erkennen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. De moeder heeft er belang bij dat zij een ongestoorde relatie met haar kind kan hebben. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien een reëel risico bestaat dat het kind door de erkenning door de vader wordt belemmerd in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer erkenning ertoe zou leiden dat de moeder daardoor in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Enige weerstand van de kant van de moeder is onvoldoende om het verzoek tot erkenning te kunnen afwijzen. Bij de afweging van de belangen dient daarbij mede in aanmerking te worden genomen dat het noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting over toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is.

2.8

Voor de belangenafweging acht het hof het volgende van belang.

Ten aanzien van [kind] is gebleken dat hij goed in zijn vel zit en dat sprake is van een sterke band tussen hem en de moeder. [kind] maakt in veel opzichten een positieve ontwikkeling door. Wel heeft hij angst om alleen te slapen. De raad en de bijzondere curator benoemen dat het belangrijk is dat [kind] weet wie zijn vader is. Zij achten het nodig dat aan [kind] de ruimte wordt gegeven om vragen te stellen over zijn vader. De raad heeft speltherapie voor [kind] geadviseerd om te onderzoeken of [kind] gevoelsmatig worstelt met nare herinneringen uit het verleden, wat zijn beleving is ten aanzien van zijn vader én om meer duidelijkheid te krijgen over wat [kind] nodig heeft om sociaal en emotioneel een positieve ontwikkeling te (blijven) doormaken. De moeder heeft het intakeverslag en het behandelplan voor [kind] van psychologenpraktijk [x] in het geding gebracht, ondertekend door de moeder op 30 januari 2019. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder verklaard dat [kind] inmiddels drie keer bij de speltherapie is geweest.

Ten aanzien van de moeder is gebleken dat zij angst- en stressklachten heeft, die volgens haar verband houden met gebeurtenissen die tijdens haar relatie met de vader hebben plaatsgevonden. Zij heeft hiervoor in het verleden weerbaarheidstraining gehad en gesprekken gevoerd bij [stichting] . Verder heeft zij nog steeds fysiotherapie.

De raad heeft geconstateerd dat de tot nu toe ingezette begeleiding niet heeft bewerkstelligd dat de angsten bij de moeder voor de vader na drieënhalf jaar zijn verminderd. Doordat de moeder de ernstige gebeurtenissen uit het verleden nog niet heeft kunnen verwerken, wordt zij gehinderd in haar functioneren en kan zij [kind] niet de ruimte bieden om zelf een beeld van de vader te vormen of toestemming te geven voor contact, zo staat in het raadsrapport. De raad heeft aan de moeder psychische begeleiding geadviseerd, gericht op haar angsten en trauma’s en op het leren haar eigen negatieve gevoelens en frustraties over de vader een plek te geven. De moeder heeft haar behandelplan van [y] GGZ overgelegd en heeft verklaard dat zij daar inmiddels twee maal voor behandeling is geweest.

Ten aanzien van de vader heeft de raad in zijn raadsrapport geadviseerd, dat hij begeleiding dient te zoeken die er op is gericht te leren accepteren dat de moeder een belangrijke rol vervult in het leven van [kind] en dat hij niet om haar heen kan in verband met zijn wens om een band met [kind] op te bouwen. Daarnaast heeft de raad geadviseerd dat de vader door middel van psycho-educatie leert aan te sluiten bij de behoeften van [kind] en zich leert te verplaatsen in de beleving van [kind] . De vader heeft verklaard dat hij naar aanleiding van het raadsadvies hulp heeft gezocht in de vorm van gesprekken met maatschappelijk werk bij MEE & de Wering in Den Helder. De gesprekken vinden ongeveer één keer per maand plaats. Hij heeft inmiddels zes gesprekken gehad en de hulpverlening zal doorgaan zolang dat nodig is, aldus de vader.

2.9

Zonder te oordelen dat de beschuldigingen van fysieke en geestelijke mishandeling, die de moeder jegens de vader heeft geuit en die de vader heeft betwist, op waarheid berusten, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van angst- en stressklachten bij de moeder die verband houden met de vader. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat de moeder onrust ervaart als gevolg van de gerechtelijke procedures over erkenning en omgang. Het hof is evenwel – overeenkomstig het gewijzigde advies van de raad – van oordeel dat gezien de passende hulpverlening die voor de moeder, de vader en [kind] thans is ingezet (hiervoor weergegeven onder rechtsoverweging 2.8), het risico dat door de erkenning de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [kind] in het gedrang komt en/of de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met [kind] worden geschaad voldoende wordt ondervangen. Bovendien is gebleken dat sprake is van een goede band tussen de moeder en [kind] en dat [kind] zich goed ontwikkelt en zijn er geen aanwijzingen dat de (gerechtelijke procedure(s) over de) verzochte erkenning hierop van invloed is (geweest).

2.10

Ook de overige door de moeder aangevoerde omstandigheden, waaronder dat de vader niet betrokken is geweest bij haar zwangerschap en de bevalling van [kind] , dat hij [kind] nauwelijks heeft verzorgd en nauwelijks belangstelling heeft getoond voor [kind] nadat de ouders uit elkaar waren gegaan en dat zij vrees heeft dat de vader [kind] iets zal aandoen of hem zal ontvoeren, leiden niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten het hiertegen gevoerde verweer van de vader is het hof van oordeel dat de aangevoerde omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, minder zwaar wegen dan het belang van [kind] en de vader bij erkenning van hun familierechtelijke betrekking.

2.11

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof de bestreden beschikking, voor zover daarbij het verzoek van de vader tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning is afgewezen, zal vernietigen en aan de vader alsnog vervangende toestemming zal verlenen tot erkenning van [kind] .

ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling

de aanvullende/gewijzigde standpunten van de ouders, de bijzondere curator en de raad

2.12

De raad heeft in het raadsrapport van 16 augustus 2018, kort gezegd, geadviseerd dat het niet in het belang van [kind] is dat nu al een omgangsregeling met de vader wordt vastgelegd. Om ruimte voor omgang te creëren acht de raad het nodig dat eerst hulp wordt ingezet voor [kind] en beide ouders. In afwachting van de uitkomsten van de in te zetten hulpverlening heeft de raad het hof in overweging gegeven om de beslissing over de omgangsregeling aan te houden voor de periode van zes maanden.

Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2019 heeft de raad voornoemd advies gehandhaafd, met de opmerking dat hij zich ook kan voorstellen dat het volledig afwijzen van het verzoek in het belang van [kind] kan zijn. De raad heeft verder er op gewezen dat, indien [kind] met eigen herinneringen en/of angsten zit en/of indien hij gevoelens en gedachtes van de moeder overneemt door hun hechte band, het belangrijk is dat dit in de speltherapie wordt meegenomen zodat [kind] zelf een beeld van de vader kan gaan vormen en kan gaan ervaren dat hij die angst in de toekomst niet hoeft te hebben. Voorts heeft de raad ter zitting geadviseerd, dat contact wordt gelegd tussen de hulpverlening van de vader en de hulpverlening van [kind] .

2.13

De vader heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – het hof schriftelijk verzocht om de zaak ten aanzien van de verzochte omgangsregeling voor een periode van zes maanden aan te houden om de ouders de gelegenheid te geven om in de tussenliggende periode de door de raad noodzakelijk geachte hulpverlening in te roepen. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2019 heeft de vader dit verzoek gehandhaafd.

2.14

De moeder heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – het hof schriftelijk verzocht om de zaak af te doen en het verzoek van de vader af te wijzen. Daarbij heeft zij te kennen gegeven in te stemmen met het advies in het raadsrapport, dat het niet in het belang van [kind] is dat een omgangsregeling met de vader wordt vastgesteld, en dat zij het niet eens is met een eventuele aanhouding van de zaak voor een periode van zes maanden.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder haar verzoek gehandhaafd. In reactie op de opmerking van de raad over de inhoud van de speltherapie, heeft de moeder verklaard in te zien dat in de speltherapie de rol van de vader moet worden betrokken, maar dat zij niet weet of dat nu al zou moeten. Zij heeft verder tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd, dat de behandelaars van de vader en [kind] contact met elkaar opnemen voor het uitwisselen van informatie. Daarbij heeft zij opgemerkt, dat dit niet zo ver dient te gaan dat zij onderling afspraken gaan maken over een ontmoeting tussen de vader en [kind] .

2.15

De bijzondere curator heeft – naar aanleiding van het raadsrapport – schriftelijk geadviseerd, dat een aanhouding van zes maanden voor de beslissing met betrekking tot de omgang alleen zinvol is als daadwerkelijk een start wordt gemaakt met begeleide omgang, zodat duidelijk wordt of het werkelijk in het belang van [kind] is contact te hebben met zijn vader en, zo ja, welke omgangsregeling in het belang van [kind] is. Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2019 heeft zij zich op het standpunt gesteld, dat als contact tussen de vader en [kind] gaat volgen, het belangrijk is dat door [kind] speltherapie wordt gevolgd.

de beoordeling

2.16

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

2.17

Niet in geschil is dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vader en [kind] . Ter beoordeling ligt de vraag voor of gronden aanwezig zijn die tot afwijzing van de door vader verzochte omgangsregeling met [kind] dienen te leiden.

Het hof acht omgang met de vader op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [kind] gezien de zorgen die bestaan over zijn vaderbeeld. Het is noodzakelijk dat de ingezette speltherapie voor [kind] zich (mede) gaat richten op zijn beleving van het verleden met de vader en het verminderen van eventuele, daaruit voortkomende angsten.

Het hof gaat ervan uit dat de ouders en [kind] stappen zullen zetten met behulp van de door de raad geadviseerde hulpverlening, zodat in de toekomst nader kan worden bezien of omgang tot de mogelijkheden zou kunnen behoren. In dit verband acht het hof het van belang dat contact wordt gelegd tussen MEE & de Wering, die hulp aan de vader verleent, en psychologenpraktijk [x] , die speltherapie aan [kind] verleent, voor het uitwisselen van informatie over de mogelijkheden voor omgang op enig moment, zoals door de raad is geadviseerd en waarvoor de moeder ter zitting toestemming heeft gegeven.

2.18

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof de bestreden beschikking, voor zover daarbij het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling met [kind] is afgewezen, zal bekrachtigen. Het hof ziet geen aanleiding om de beslissing over de omgangsregeling aan te houden.

3 De slotsom

3.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven deels. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover het de beslissing over de vervangende toestemming voor erkenning door de vader van [kind] betreft, vernietigen en beslissen als hierna vermeld, en voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal bekrachtigen en zal beslissen als hierna vermeld.

3.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu de ouders een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 mei 2017, voor zover daarbij het verzoek van de vader tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning van [kind] is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

verleent aan [verzoeker] , wonende te [woonplaats] , vervangende toestemming tot erkenning van [kind] , geboren op [geboortedatum] 2011 te [plaats] ;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 3 mei 2017, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Rijken, A. Smeeïng-van Hees en R. Feunekes, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes en is op 21 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.