Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2508

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-03-2019
Datum publicatie
22-03-2019
Zaaknummer
21-000684-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2018:195, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van verdachte tegen de veroordeling van de rechtbank tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van voorarrest ter zake van moord en diefstal. Het hof wijst de verzoeken van de verdediging strekkende tot nader (forensisch) onderzoek af, verwerpt de verweren van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en bewijsuitsluiting en komt evenals de rechtbank tot een bewezenverklaring van moord en diefstal. Het hof is met de rechtbank op diverse gronden van oordeel dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden en is van mening dat verdachte het heeft verzonnen. Het hof veroordeelt de verdachte tot een hogere gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van voorarrest omdat het de strafverzwarende omstandigheden zwaarder laat wegen dan de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000684-18

Uitspraak d . d .: 22 maart 2019

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 januari 2018 met parketnummer 16-700054-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1987] ,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Rotterdam, locatie De Schie.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 juni 2018, 15 februari 2019, 22 februari 2019 en 8 maart 2019 en – overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadslieden – mr. P.J. Hoogendam, mr. D .J.G.J. Cornelissen en mr. J.W. Grift – naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft de verdachte ter zake van moord (feit 1 primair) en diefstal (feit 2 primair) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank een beslissing genomen op de vorderingen benadeelde partij zoals hierna te noemen, evenals een beslissing omtrent het beslag.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen vanwege proceseconomische redenen en omdat het tot een andere strafoplegging komt. Het hof zal opnieuw recht doen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.

In de eerste plaats heeft de verdediging aangevoerd dat het onderzoek in het begin eenzijdig en onvolledig is geweest, dat mogelijke daderscenario’s niet daadwerkelijk zijn onderzocht, laat staan zijn ‘uitgerechercheerd’ en dat men zodoende in een zeer vroeg stadium ten onrechte enkel heeft ingezoomd op de verdachte. Dit heeft zijn weerslag gehad op het forensisch onderzoek in deze zaak, in die zin dat het forensisch onderzoek zich feitelijk alleen heeft toegespitst op het vinden van ondersteuning voor de belastende aspecten en dat onderzoek dat de verklaring(en) van de verdachte mogelijk kan ondersteunen bewust niet is ingezet. In dat verband heeft de verdediging ook opgemerkt dat het openbaar ministerie in eerste aanleg haast onuitputtelijke mogelijkheden heeft gehad om het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) in te schakelen en DNA-onderzoek te laten verrichten, terwijl de verdachte daarvoor instemming van het openbaar ministerie dan wel rechterlijke toestemming nodig heeft en die telkenmale niet heeft gekregen. Op die manier heeft het openbaar ministerie zich ten opzichte van de verdachte en de verdediging een luxepositie toegeëigend.

Ook in hoger beroep heeft het openbaar ministerie zich een luxepositie toegeëigend door in strijd met het recht als advocaat-generaal zelfstandig een NFI-deskundige te benoemen. De verdediging meent dat met het handelen van het openbaar ministerie wat betreft de benoeming van een NFI-deskundige, een fundamentele inbreuk is gemaakt op de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt (het zogeheten Karman-criterium).1 De door het hof gegeven beslissing in het tussenarrest van 13 juli 2018 omtrent de rechtmatigheid van de benoeming van de NFI-deskundige is apert onjuist, nu artikel 148c Sv niet ziet op het benoemen van deskundigen en de benoemingsbevoegdheid in artikel 150, eerste lid, Sv voor de advocaat-generaal ontbreekt, aldus de verdediging.

In de tweede plaats heeft de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege schending van het recht op een eerlijk proces en meer specifiek het beginsel van equality of arms. Betoogd is dat nu de verdachte afhankelijk is van instemming, toestemming dan wel medewerking wat betreft aanvullend DNA-onderzoek, hij zich in een nadeligere positie bevindt dan het openbaar ministerie en hij aldus wordt belet om zelf (tegen)deskundigen in te schakelen en om het rapport van een door hem ingeschakelde (tegen)deskundige als processtuk aan het dossier toe te laten voegen. Ook op het beginsel van interne openbaarheid waardoor bestaand forensisch onderzoek kan worden betwist is in deze zaak een inbreuk gemaakt, onder meer doordat de piekenprofielen zich niet bij de NFI-rapportages bevinden. Alles overziend wordt het de verdachte op die manier onmogelijk gemaakt om zijn ontkenning objectief te onderbouwen, zijn alternatieve scenario verder aannemelijk te maken en aldus zijn onschuld aan te tonen, althans nader vorm te geven. Derhalve is sprake van een schending als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verweren van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte dienen te worden verworpen, nu niet is gebleken dat is voldaan aan de daaraan in de wet en/of de jurisprudentie gestelde eisen. Anders dan de verdediging heeft doen voorkomen is de verdachte niet het enige onderzoekssubject geweest (in het begin) van het onderzoek. De politie heeft veel breder gerechercheerd en heeft meerdere scenario’s onderzocht, zodat niet gezegd kan worden dat sprake is van een eenzijdig en onvolledig onderzoek. Van een schending van het beginsel van equality of arms is evenmin sprake, gelet op het feit dat op verzoek van de verdediging een tegendeskundige (Herbergs van The Maastricht Forensic Institute (hierna: TMFI)) is benoemd, de verdediging zelf deskundigen heeft ingeschakeld en het door de verdediging ingeschakelde Independent Forensic Services (verder: IFS) niet alleen het dossier, maar zelfs de oorspronkelijke sporendragers heeft ontvangen en daaraan (nader) onderzoek heeft kunnen laten verrichten.

Oordeel van het hof

Het hof is – overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Hoge Raad – in de eerste plaats van oordeel dat een zware sanctie als de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie eerst aan de orde kan komen indien sprake is van een zodanig ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde dat daarmee doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Daarvan kan in deze zaak niet worden gesproken.

Voor zover het verweer van de verdediging inhoudt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens eenzijdig en onvolledig onderzoek, mist dit verweer feitelijke grondslag en wordt het om die reden verworpen. Uit het dossier blijkt dat er bij aanvang van het politieonderzoek niet uitsluitend op basis van de verdachte als vermoedelijke dader, maar in (veel) bredere zin is gerechercheerd. Daar komt bij dat de politie – op aangeven van de verdachte en zijn raadslieden – onderzoek heeft gedaan naar het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, waarin een ander dan wel anderen dan de verdachte verantwoordelijk zou/zouden zijn voor de dood van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ). In dat kader is op verzoek van de verdediging onder meer aanvullend technisch onderzoek verricht, is er op verzoek van de verdediging een tegendeskundige (Herbergs van het TMFI) benoemd en heeft de verdediging ook zelf deskundigen ingeschakeld zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. In dat verband merkt het hof in het bijzonder op dat het door de verdediging ingeschakelde IFS niet alleen het dossier heeft ontvangen, maar ook sporendragers en daaraan zelf (nader) onderzoek heeft kunnen verrichten, zoals het heeft gedaan.

Naar het oordeel van het hof is – in tegenstelling tot het standpunt van de verdediging – evenmin sprake van strijd met de grondslagen van het strafproces waaronder met name de wettelijk voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter.2 In het kader van de regiezitting op 29 juni 2018 heeft de verdediging – naar aanleiding van een bericht van de advocaat-generaal inhoudende dat de officier van justitie in eerste aanleg op verzoek van de advocaat-generaal op grond van artikel 150, eerste lid, Sv A. Bostas (werkzaam bij het NFI) heeft benoemd als deskundige, teneinde aanvullend onderzoek te verrichten aan SIN AAIZ5932NL (iPhone van de verdachte), in het bijzonder naar de gezondheid-app – zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een onrechtmatige benoeming van een deskundige door het openbaar ministerie. Hetgeen in het kader van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie door de verdediging naar voren is gebracht, doet niet af aan het oordeel van het hof zoals gegeven in het tussenarrest van 13 juli 2018. Het hof verwijst dan ook naar hetgeen daarover in het tussenarrest is opgenomen:

“Het hof is van oordeel dat de benoeming van voornoemde deskundige door de officier van justitie op verzoek van de advocaat-generaal op de voet van artikel 150, eerste lid, Sv niet onrechtmatig is en verwijst daarvoor naar het bepaalde in de artikelen 148c Sv in verbinding met artikel 150 Sv.”

Wat betreft het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie vanwege schending van het recht op een eerlijk proces en meer specifiek het beginsel van equality of arms overweegt het hof als volgt.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens legt de betekenis van het beginsel van equality of arms als volgt uit:

“However, the principle of equality of arms, which is one of the elements of the broader concept of a fair hearing, requires each party to be given a reasonable opportunity to present its case under conditions that do not place it at a substantial disadvantage vis-à-vis its opponent.” 3

Voor een beoordeling van de concrete onderzoekswensen van de verdediging verwijst het hof naar hetgeen daarover later in dit arrest is opgenomen (onder het kopje ‘Verzoeken van de verdediging’). Het hof hecht eraan op dit punt alvast het volgende op te merken. De wetgever heeft bepaald dat de strafrechter gaat over het al dan niet verrichten van eventueel aanvullend onderzoek (op verzoek van een der procespartijen), waarbij de rechter gehouden is – afhankelijk van het moment waarop het verzoek is gedaan en het stadium waarin het strafproces zich op dat moment bevindt en afhankelijk van het soort nader onderzoek dat zou moeten worden verricht, zoals het horen van getuigen of het laten verrichten van onderzoek door een deskundige – dat te beoordelen aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang dan wel het noodzakelijkheidscriterium. Het verweer van de verdediging dat de verdachte geen dan wel onvoldoende ruimte heeft gekregen om aan de hand van technische onderzoeksresultaten het door hem geschetste alternatieve scenario aannemelijk te maken, nu diverse onderzoekswensen zijn afgewezen, dient naar het oordeel van het hof geplaatst – en verworpen – te worden tegen de volgende achtergrond. De rechtbank heeft – mede op verzoek van de verdediging – in zeer ruime mate forensisch onderzoek bevolen en heeft zo nodig – eveneens op verzoek van de verdediging – aanvullend forensisch onderzoek laten verrichten. De in een later stadium – bij de voorgenomen inhoudelijke beoordeling in eerste aanleg en tijdens het hoger beroep – naar voren gebrachte diverse onderzoekswensen van de verdediging zijn – bij het ontbreken daartoe van de noodzaak of relevantie – afgewezen op grond van de toepasselijke maatstaven. Daar komt bij dat – zoals hiervoor reeds is overwogen – op verzoek van de verdediging een tegendeskundige (Herbergs) is benoemd en de verdediging ook zelf deskundigen heeft ingeschakeld zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, waarbij het door de verdediging ingeschakelde IFS sporendragers heeft ontvangen om daaraan zelf (nader) onderzoek te verrichten. Alles overziend komt het hof tot het oordeel dat van een schending van het beginsel van equality of arms dan ook geen sprake is.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016, te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans éénmaal, voornoemde [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk meermalen, althans éénmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal van een horloge (merk IWC) en/of een telefoon (merk Apple, type IPhone 6 S plus), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam gestoken van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

2.

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge (merk IWC) en/of een telefoon (merk Apple, type IPhone 6 S plus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair

hij op één of meer tijdstip (pen) in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 18 mei 2016 te Bilthoven, gemeente De Bilt en/of Rotterdam, althans in Nederland, een goed, te weten een horloge (merk IWC) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

meer subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 18 mei 2016 te Bilthoven, gemeente De Bilt en/of Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een horloge (merk IWC), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als vinder en/of houder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot de bruikbaarheid van het bewijs

Het verhoor van de verdachte op 4 maart 2016 als getuige en de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring die de verdachte op 4 maart 2016 heeft afgelegd als getuige en de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten (te weten: de onderzoeksresultaten van het eerste onderzoek aan de iPhone 6 van de verdachte) van het bewijs dienen te worden uitgesloten, wegens een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Aangevoerd is dat er op 4 maart 2016 – gelet op jegens de verdachte op dat moment ingezette opsporingsmiddelen – al een verdenking bestond tegen hem en hij zodoende ook als verdachte aangemerkt had dienen te worden. Derhalve was de politie gehouden de verdachte de cautie te geven en hem in de gelegenheid te stellen een advocaat te raadplegen. Dat de verdachte op 4 maart 2016 toestemming heeft gegeven om zijn telefoon uit te lezen maakt niet dat hij niet in de gelegenheid gesteld had moeten worden om daarover een advocaat te raadplegen, aldus de verdediging.


De advocaat-generaal heeft betoogd dat het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting van de verklaring van de verdachte als getuige op 4 maart 2016 en de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten, dient te worden verworpen. Los van de vaststelling dat het de verdachte zelf is geweest die zich op 4 maart 2016 heeft gemeld bij de politie omdat hij wilde vertellen wat er in de avond van 3 maart 2016 was gebeurd, is de stelling van de verdediging dat uit jegens de verdachte ingezette opsporingsmiddelen blijkt dat de verdachte al op 4 maart 2016 door de politie als verdachte aangemerkt had dienen te worden feitelijk en juridisch onjuist. Op 4 maart 2016 waren er immers geen feiten en omstandigheden bekend, die de conclusie rechtvaardigden dat er een redelijk vermoeden bestond dat de verdachte strafrechtelijk betrokken was bij de dood van [slachtoffer] .

Het hof neemt onderstaande overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de zijne.

De overwegingen van de rechtbank houden het volgende in:

“Op grond van de dossierstukken blijkt het volgende. Op 4 maart 2016 om 11.44 uur en 14.26 uur heeft verdachte telefonisch contact opgenomen met de meldkamer van de politie en meegedeeld dat hij de avond ervoor (het hof begrijpt: 3 maart 2016) bij [slachtoffer] was geweest. Dezelfde dag is verdachte door de politie uitgenodigd en is hij in de hoedanigheid van getuige op het politiebureau in Rotterdam gehoord. Vanaf die datum (het hof begrijpt: 4 maart 2016) is de telefoon van verdachte afgeluisterd. Voorafgaand en na afloop van het verhoor is verdachte kortstondig gevolgd. (…)

Uit artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat bij een misdrijf als in deze zaak aan de orde is vertrouwelijke communicatie kan worden opgenomen. De toepassing van deze bevoegdheid tot ‘afluisteren’ is niet beperkt tot communicatie waaraan de verdachte deelneemt. Het is tegen een ieder inzetbaar als dat door het belang van het onderzoek dringend wordt gevorderd. De officier van justitie heeft toegelicht dat er op dat moment een verdenking bestond tegen een toen nog onbekende verdachte of verdachten. In het kader daarvan werd de telefonische communicatie van meerdere personen afgeluisterd.

De officier van justitie heeft gewezen op een overzicht ‘Overzicht van BOB middelen niet irt (rechtbank begrijpt: in relatie tot) [verdachte] ’. Uit dit overzicht blijkt dat naast de telefoon van de verdachte ook telefoonnummers van andere ‘betrokken’ personen zijn afgeluisterd. Uit het feit dat de telecommunicatie van verdachte vanaf 4 maart 2016 werd opgenomen, volgt dan ook niet dat verdachte op dat moment al werd aangemerkt als ‘verdachte’. Dit volgt evenmin uit het feit dat verdachte op weg naar het verhoor en op de terugweg na het verhoor door de politie is gevolgd. Daargelaten dat ook een stelselmatige observatie kan plaatsvinden van andere personen dan een verdachte, is van een stelselmatige observatie geen sprake geweest. Van een stelselmatige observatie is immers pas sprake wanneer door de observatie een min of meer volledig beeld wordt verkregen van bepaalde aspecten van iemands privéleven. Dat is met het kortstondig volgen van de verdachte niet het geval.”

Naar het oordeel van het hof dwingen voornoemde feiten en omstandigheden niet tot de conclusie dat de politie de verdachte op 4 maart 2016 als verdachte had moeten aanmerken, nu er op dat moment nog geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld en de opsporingsambtenaren tot dit oordeel hebben kunnen komen. Het enkele gegeven dat verdachte de avond daarvoor bij [slachtoffer] op bezoek was geweest is daarvoor onvoldoende. Nu de verdachte op 4 maart 2016 niet door de politie als verdachte aangemerkt had moeten worden, is artikel 29 Sv niet van toepassing en waren de verhoorders niet gehouden hem de cautie te geven. Evenmin waren zij gehouden de verdachte in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen. Evenals de rechtbank verwerpt het hof – gelet op het voorgaande – het verweer tot uitsluiting van het verhoor van de verdachte als getuige op 4 maart 2016 en de daaruit voortvloeiende onderzoeksresultaten van het bewijs en acht die onderdelen bruikbaar bij de beoordeling van het bewijs.

Onderzoek aan digitale gegevensdragers (iPhone, iPad en MacBook) van de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat alle resultaten van het onderzoek aan de iPhone, iPad en de MacBook van de verdachte – gelet op het bepaalde in artikel 359a Sv – dienen te worden uitgesloten van het bewijs, nu de officier van justitie dan wel de rechtercommissaris voor dat betreffende onderzoek geen bevel heeft afgegeven, terwijl dat bevel wel vereist was. Het onderzoek door de politie aan de gegevensdragers van de verdachte levert een schending op van artikel 8 EVRM, waardoor de verdachte getroffen is in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen en waarbij het concrete nadeel van de verdachte erin bestaat dat de politie op de meest ingrijpende wijze heeft kennisgenomen van zijn persoonlijke leven. Gelet op de ernst van dit verzuim kan – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – met de enkele constatering daarvan niet worden volstaan.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat het verweer van de verdediging strekkende tot bewijsuitsluiting van alle onderzoeksresultaten aan de digitale gegevensdragers van de verdachte dient te worden verworpen. Hoewel de politie op het moment dat de gegevensdragers werden uitgelezen volledig conform de toen geldende en door de Hoge Raad altijd goedgekeurde werkwijze heeft gehandeld, dient dit handelen gelet op het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 aangemerkt te worden als een vormverzuim.4 Echter, in dit geval kan en moet worden volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim, onder meer gezien de omstandigheid dat de officier van justitie heeft aangegeven dat zij achteraf voor het onderzoek aan de gegevensdragers toestemming verleend zou hebben als die haar was gevraagd.

Voor zover het verweer betrekking heeft op het onderzoek aan de iPhone van de verdachte op 4 maart 2016 merkt het hof op dat de verdachte blijkens het proces-verbaal van verhoor van 4 maart 2016 toestemming heeft gegeven voor dit onderzoek. Het verweer treft in zoverre geen doel.

Het hof stelt vast – evenals de rechtbank – dat de verdachte op 24 maart 2016 is aangehouden en dat diens iPhone, iPad en MacBook in het belang van de waarheidsvinding in beslag zijn genomen. Met gebruikmaking van een technisch hulpmiddel zijn deze drie gegevensdragers door de politie uitgelezen en met daarvoor geschikte apparatuur is de inhoud ervan overgenomen. Niet gebleken is dat de verdachte voor dit onderzoek toestemming heeft gegeven.

De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 april 2017 (ECLI:NL:HR:2017:584) uiteengezet onder welke voorwaarden onderzoek kan worden gedaan aan gegevens uit elektronische gegevensdragers en onder welke omstandigheden voor dit onderzoek een bevel is vereist van de officier van justitie of rechter-commissaris. Indien de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer door dat onderzoek beperkt is, biedt de algemene bevoegdheid van opsporingsambtenaren – zoals neergelegd in artikel 94, in verbinding met de artikel 85 en 96 Sv – daarvoor voldoende legitimatie. Indien dat onderzoek echter zo verstrekkend is dat een min of meer een compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de gebruiker van de gegevensdragers of het geautoriseerde werk, kan dat onderzoek onrechtmatig zijn. Daarvan zal in het bijzonder sprake kunnen zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle in de elektronische gegevensdragers opgeslagen of anderszins beschikbare gegevens, waarbij technische hulpmiddelen worden gebruikt.

Bij het onderzoek naar voornoemde gegevensdragers die onder de verdachte in beslag zijn genomen, zijn de gegevens volledig uitgelezen en overgenomen. Naar het oordeel van het hof is daarmee een min of meer compleet beeld verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijke leven van de verdachte en is sprake van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Hoewel gezegd kan worden dat de politie destijds – in maart 2016 – handelde conform de op dat moment gangbare en door de Hoge Raad geaccepteerde werkwijze, brengt voornoemd arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 met zich dat het onderzoek naar de gegevensdragers had moeten plaatsvinden door tussenkomst van de officier van justitie of rechter-commissaris. Nu dat laatste niet is gebeurd, is het hof – met de verdediging en het openbaar ministerie – van oordeel dat het onderzoek van de digitale gegevensdragers van de verdachte, zoals dat vanaf 24 maart 2016 heeft plaatsgevonden, onrechtmatig moet worden geacht en dat derhalve sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv.

Ingevolge artikel 359a Sv houdt de rechter bij de bepaling van de rechtsgevolgen die worden verbonden aan een dergelijk vormverzuim rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient (I), de ernst van het verzuim (II) en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt (III).

Ten aanzien van het belang dat het geschonden voorschrift dient (I) overweegt het hof dat het voorschrift – te weten: artikel 8 EVRM, recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer – strekt ter bescherming van willekeurige inmenging in iemands privéleven/privésfeer.

Ten aanzien van de ernst van het verzuim (II) overweegt het hof dat:

  • -

    de privacy enerzijds een belangrijk rechtsgoed betreft, maar anderzijds het hof het redelijk acht dat politie en justitie niet eerder dan na het arrest van de Hoge Raad hun praktijk hebben aangepast, terwijl aannemelijk is dat de politie bij eerdere bekendheid hiermee de officier van justitie en/of de rechter-commissaris zou hebben benaderd voor een machtiging en de officier en de officier van justitie en/of de rechter-commissaris in een verzoek daartoe zou(den) hebben bewilligd;

  • -

    de officier van justitie tijdens de zitting bij de rechtbank op 12 december 2017 heeft aangegeven dat zij, als zij dat toen had geweten, het bevel tot onderzoek aan de gegevens uit de elektronische gegevensdragers zou hebben gegeven.

Ten aanzien van het nadeel dat is veroorzaakt (III) overweegt het hof dat:

  • -

    het nadeel eruit bestaat dat de politie kennis heeft kunnen nemen en ook daadwerkelijk heeft genomen van persoonlijke gegevens die op de digitale gegevensdragers van de verdachte stonden;

  • -

    het kennisnemen van de door de politie verkregen privégegevens van de verdachte niet heeft geleid tot enige verspreiding van die gegevens en ander nadeel dan het aantreffen van mogelijk bewijsmateriaal tegen de verdachte niet aannemelijk is geworden;

- volgens vaste jurisprudentie het belang van de verdachte dat het geleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan worden aangemerkt als een in dit verband rechtens te respecteren belang.5

Het hof heeft op grond van de door de Hoge Raad gestelde criteria beoordeeld of en zo ja, welk rechtsgevolg hieraan dient te worden verbonden.6 Het hof overweegt daartoe als volgt.

Bewijsuitsluiting kan aan de orde zijn in de volgende gevallen:

 als dat noodzakelijk is om het recht van de verdachte te waarborgen op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM;

 als een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden en bewijsuitsluiting noodzakelijk is als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen en als een krachtige stimulans voor de politie tot rechtmatig handelen. Bewijsuitsluiting kan in beeld komen als sprake is van een vormverzuim dat een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte tot gevolg heeft;

 in zeer uitzonderlijke situaties waarin het vormverzuim, zoals dat uit objectieve gegevens blijkt, zo bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende hebben ingespannen om overtredingen te voorkomen.

Nu het hier een inbreuk op het recht op privacy betreft, kan het verzuim in beginsel niet leiden tot bewijsuitsluiting, tenzij het recht op een eerlijke berechting in het gedrang komt. De verdediging heeft een beroep gedaan op artikel 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (te weten: recht op bescherming van persoonsgegevens) en de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Dvivev voor de stelling dat de resultaten van het onderzoek aan de digitale gegevensdragers zouden moeten worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof verwerpt dit beroep en overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 51 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie zijn de bepalingen van dit handvest gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het Unierecht ten uitvoer brengen. Dat is hier niet het geval. Bovendien hield in de zaak Dvivev de nationale regeling in dat het bewijsmateriaal niet mocht worden gebruikt, terwijl het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dat het EU-recht zich daartegen niet verzet.

Het recht op een eerlijke berechting (zoals bedoeld in artikel 6 EVRM) is niet geschaad. Daarbij neemt het hof in aanmerking hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de door de verdediging gevoerde verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie en de omstandigheid dat aan de verdachte zo veel mogelijk ruimte is gelaten voor het voeren van zijn verdediging. Aangezien de praktijk zich na voornoemd arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017 over het onderzoek aan smartphones direct heeft aangepast, is er geen reden om aan te nemen dat van bewijsuitsluiting (in onderhavige zaak) een normerende werking zal uitgaan. Bij afweging van de door de Hoge Raad vermelde belangen is het hof van oordeel dat bewijsuitsluiting geen passend rechtsgevolg van het vormverzuim is. In het verlengde hiervan acht het hof ook strafvermindering geen passend rechtsgevolg. De wet biedt geen ruimte voor de toekenning van een financiële compensatie.

Alles afwegende volstaat het hof – evenals de rechtbank – met de enkele constatering van het verzuim. De resultaten van het onderzoek aan de digitale gegevensdragers van de verdachte kunnen derhalve worden gebruikt bij de beoordeling van het bewijs.

Bewijsoverwegingen

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde, te weten de moord op [slachtoffer] (feit 1 primair) en de diefstal van een iPhone en een IWC-horloge van [slachtoffer] (feit 2 primair).

Verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de verdachte van de gehele tenlastelegging dient te worden vrijgesproken, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Betoogd is dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen onvoldoende redengevend zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen en dat het dossier ook voor het overige daarvoor onvoldoende redengevend bewijs bevat.

Indien en voor zover de verweren betrekking hebben op stukken uit het dossier die het hof voor het bewijs gebruikt, zal het hof die verweren later uitgebreider bespreken.

Het oordeel van het hof

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – bewezen dat het de verdachte is geweest die in de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 [slachtoffer] heeft gedood en het IWC-horloge van [slachtoffer] heeft gestolen. Het betreft in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    de periode gedurende welke op de avond van 3 maart 2016 het geweld dat heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] is toegepast en hij is overleden;

  • -

    de periode gedurende welke de verdachte op de avond van 3 maart 2016 heeft verbleven in de woning van [slachtoffer] , waar het geweld heeft plaatsgevonden en [slachtoffer] is overleden;

  • -

    dat het horloge van [slachtoffer] in de nacht van 3 op 4 maart 2016 uit diens woning is verwijderd en daarna in het bezit van de verdachte was;

  • -

    het voor de verdachte belastende resultaat van het onderzoek aan het mes (SIN AAJL3499NL) dat op de plaats delict is aangetroffen en waarmee [slachtoffer] verwondingen zijn toegebracht;

  • -

    het resultaat van het onderzoek aan de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte, waarop bloed van [slachtoffer] is aangetroffen;

  • -

    de door de verdachte gebruikte zoektermen en de resultaten van het onderzoek op de digitale gegevensdragers van de verdachte.

Het hof benadrukt dat het uit de combinatie van de feiten en omstandigheden de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan en niet uit elk onderdeel afzonderlijk. Het hof zal op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden achtereenvolgens nader ingaan en zo nodig de door de verdediging hieromtrent gevoerde verweren en de beoordeling daarvan aan de orde stellen.

De periode gedurende welke op de avond van 3 maart 2016 het geweld dat heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] is toegepast en hij is overleden

In de ochtend van 4 maart 2016 is [slachtoffer] in zijn woning (op de keukenvloer) aan de [adres] dood aangetroffen.

Aan het lichaam van [slachtoffer] heeft onderzoek plaatsvonden. De conclusie van het pathologisch onderzoek van dr. V. Soerdjbalie-Maikoe van 8 maart 2016 houdt (onder meer) het volgende in:

“Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] , oud 42 jaren, waren aan de hals, romp en ledematen in totaal 24 scherprandige huidperforaties die bij leven waren ontstaan als gevolg van een meervoudig ingewerkt mechanisch scherprandig klievend/snijdend en perforerend geweld. Hiermee wordt het intreden van de dood verklaard door functiestoornissen van vitale organen en algehele weefselschade door doorgemaakt fors bloedverlies met als verwikkeling hersenschade en herseninklemming”.

Ter zitting in eerste aanleg is Soerdjbalie-Maikoe op 11 december 2017 gehoord als deskundige door de rechtbank. Zij heeft aldaar – blijkens het proces-verbaal van die zitting – ter verduidelijking van dit rapport het volgende verklaard:

“In mijn rapport geef ik één doodsoorzaak, namelijk het mechanisch perforerend geweld, verbloeding en functieverlies van vitale organen. Zuurstofgebrek en herseninklemming zijn daar het gevolg van. (…) Dat geeft afwijkingen in de hersenen en is dus een verwikkeling van het steken. Er is dus één doodsoorzaak, er zijn verwikkelingen en er is het mechanisme”.

Prof. dr. H.A. M . Daanen van TNO (menskunde) heeft een schatting gedaan van de postmortale tijd. Zijn rapport van mei 2016 houdt – samengevat – in dat de meest waarschijnlijke schatting van het tijdstip van overlijden 00.06 uur is (het hof begrijpt: op 4 maart 2016). De spreiding van dit tijdstip is uitgedrukt in termen van een 95% betrouwbaarheidsinterval. Deze interval loopt van 21.47 uur (het hof begrijpt: 3 maart 2016) tot 01.31 uur (het hof begrijpt: 4 maart 2016).

De periode gedurende welke de verdachte op de avond van 3 maart 2016 heeft verbleven in de woning van [slachtoffer] , waar het geweld heeft plaatsgevonden en [slachtoffer] is overleden

De verdachte heeft zowel op 4 maart 2016 – toen hij als getuige werd gehoord door de politie – als tijdens zijn verhoren waarbij hij als verdachte is gehoord, verklaard dat hij in de avond van 3 maart 2016 bij [slachtoffer] (het hof begrijpt: op de [adres] ) is geweest. De verdachte heeft verklaard dat hij op 3 maart 2016 omstreeks 21.00 uur bij [slachtoffer] is gearriveerd (per auto) en die avond in de woning van [slachtoffer] heeft verbleven (en dat zij samen naar een voetbalwedstrijd en naar darts hebben gekeken, terwijl de dochter van [slachtoffer] boven lag te slapen). Daar waren geen andere personen bij.

Het hof stelt vast dat de verdachte omstreeks 23.45-23.50 uur bij de woning van [slachtoffer] (op voornoemd adres) moet zijn weggereden en leidt dat uit onder meer het navolgende af.

Op de telefoon die op dat moment in gebruik was bij de verdachte is door de politie een zogeheten broekzakfoto (een donkere foto) aangetroffen, welke volgens in de telefoon vastgelegde gegevens is gemaakt op 4 maart 2016 om 00.09 uur. Aan de hand van de coördinaten die bij de foto zijn vermeld heeft de politie vastgesteld dat deze foto is gemaakt op de A12 ter hoogte van de afrit Woerden. Blijkens datzelfde onderzoek van de politie (waarbij gebruik is gemaakt van GoogleMaps) bedraagt de gemiddelde reistijd (het hof begrijpt: met de auto) van de [adres] te Bilthoven en de bij de foto vermelde coördinaten 21 minuten en bedraagt de gemiddelde reistijd van de op de foto vermelde coördinaten en het adres waar de verdachte destijds woonde ( [adres] te Rotterdam) 30 minuten. De verdachte heeft verklaard dat hij omstreeks 00.35 uur thuis (op de [adres] te Rotterdam) is aangekomen. Gelet daarop moet de verdachte naar het oordeel van het hof omstreeks 23.45-23.50 uur zijn weggereden bij de woning van [slachtoffer] . Er is daarmee sprake van een overlap van deze periode en de hiervoor vermelde periode waarin [slachtoffer] is overleden. Daarbij houdt het hof er rekening mee dat de aard van de verwondingen zodanig is dat er tussen het tijdstip van toebrengen van de verwondingen en het tijdstip van intreden van de dood enige tijd kan zijn verstreken.

De verklaring van de verdachte – die hij heeft afgelegd nadat hij als verdachte was aangemerkt – inhoudende dat hij pas uit Bilthoven is weggereden na het oponthoud door een aantal onbekende mannen, acht het hof niet aannemelijk geworden. Het hof verwijst voor een uitgebreidere beschouwing van de door de verdachte gegeven lezing naar hetgeen daarover later in dit arrest is opgenomen.

Het horloge van [slachtoffer] dat in de nacht van 3 op 4 maart 2016 uit diens woning is verwijderd en dat daarna in het bezit van de verdachte was

Op 1 april 2016 is de woning van [slachtoffer] vrijgegeven aan de executeur, E.A. D . Buitelaar (hierna: [executeur] ), nadat deze woning enige tijd was verzegeld in verband met het sporen- en tactisch onderzoek. [executeur] heeft op diezelfde dag gemeld dat het IWC-horloge van [slachtoffer] miste. Gebleken is dat het een grijskleurig IWC-horloge betreft ter waarde van ongeveer € 75.000,-. Diverse getuigen hebben verklaard dat [slachtoffer] dit horloge kort voor zijn dood – op 1 maart 2016 en 2 maart 2016 – nog om heeft gehad.

Het horloge bleek in het bezit van verdachte te zijn. Op 21 april 2016 heeft de verdachte in de PI bezoek gehad van [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) – de ouders van de verdachte – en [naam 3] (hierna: [naam 3] ), zijn toenmalige vriendin. De communicatie tussen de verdachte en deze personen is opgenomen. Het OVCgesprek houdt (onder meer) het volgende in:

“V: verdachte [verdachte]

“V: …waarom ik dat niet tegen [naam 4] …zeg maar dat is zeg maar…als ze dat (NTV)…en ze vinden dat horloge van 25 mille op [dochter slachtoffer] d ’r kamer…dan gaat het er naar toe…dat ik dat natuurlijk heb gehad/gejat(fon)…”.

Op 12 mei 2016 heeft de verdachte wederom bezoek gehad in de penitentiaire inrichting van [naam 1] en [naam 3] . De communicatie tussen de verdachte en deze personen is wederom opgenomen. Het OVC-gesprek houdt (onder meer) het volgende in:

“ [verdachte] : verdachte [verdachte]

“ [verdachte] : (…) Twee dagen geleden heb ik natuurlijk dit nieuws gehoord wat er zogenaamd missende was. (…)

“ [verdachte] : Toen ik aan mim vroeg, die middag, toen jullie geweest waren: hebben jullie de dingen gedaan die ik aan jullie vroeg, weet je wel? Toen zei mim: ja, daar krijg k wel maagkrampen van. Toen zeg ik: mim, ik zeg, ik krijg d ’r maagkrampen van. Ik zeg: jullie moeten alleen maar doen wat ik jullie vraag. Als ze die dingen thuis vinden, dan eh, dan ik klaar, bij wijze van spreken”.

Op 18 mei 2016 is [naam 1] gehoord door de politie in verband met het horloge. Hij heeft – samengevat – verklaard dat het betreffende horloge in zijn woning (het hof begrijpt: de woning aan de [adres] te Rotterdam), op de kamer van zijn overleden dochter [dochter slachtoffer] had gelegen en dat zij (het hof begrijpt [naam 1] en [naam 2] ) op verzoek van de verdachte het horloge daar hebben weggehaald. Het horloge is vervolgens verplaatst naar de woning van [naam 8] – de zus van de verdachte – waar het in de berging is opgeslagen. Op 18 mei 2016 heeft de politie op aanwijzen van [naam 8] het horloge in die berging aangetroffen en in beslag genomen. Het serienummer van het onder [naam 8] in beslaggenomen IWC-horloge bleek overeen te komen met dat van het horloge van [slachtoffer] .

De verdachte heeft verklaard dat hij het horloge op 4 maart 2016 heeft weggelegd in de kamer van zijn overleden zusje, omdat hij er zich geen raad mee wist.

Uit deze bewijsmiddelen leidt het hof af dat het horloge rond middernacht (van 3 op 4 maart 2016) uit de woning van [slachtoffer] is verwijderd en dat het horloge daarna in het bezit van de verdachte was. De verdachte was ook degene die op dat moment aanwezig was in de woning van [slachtoffer] en aan het eind van de avond, iets voor middernacht, daar is vertrokken.

De verdachte heeft met betrekking tot het horloge – samengevat – verklaard dat hij het horloge op 4 maart 2016 in zijn auto heeft aangetroffen na terugkomt van de podoloog, waarna hij kort daarna op de oprit bij de woning aan de [adres] in Rotterdam een vuilniszak heeft aangetroffen met daarin een vest dat aan hem toebehoorde. In één van de zakken van dit vest heeft de verdachte naar eigen zeggen (in een latere verklaring) een briefje aangetroffen met daarop de tekst “Voor het horloge komen we terug, komen we jou halen”. Zoals hierna zal worden overwogen, acht het hof deze door de verdachte gegeven lezing niet aannemelijk geworden.

Het door de verdachte gevoerde verweer dat het enkele feit dat het horloge de dag na het misdrijf in het bezit was van de verdachte niet discrimineert tussen het schuld-scenario en het onschuld-scenario, wat betreft de betrokkenheid van de verdachte bij het overlijden van [slachtoffer] , wordt dus verworpen. Het hof beziet – zoals hiervoor al is overwogen – de omstandigheden in onderling verband en samenhang, waarbij het horloge dat na het misdrijf in het bezit van de verdachte is geweest slechts één van de voor de bewezenverklaring redengevende feitelijke elementen is.

Het door de verdediging gevoerde verweer dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een bewezenverklaring van de diefstal van het horloge, wordt door het hof verworpen. Het hof verwijst in dat verband naar de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden en overwegingen, in samenhang met de jurisprudentie van de Hoge Raad over de betekenis die mag worden gehecht aan het voorhanden hebben (kort na de diefstal) van een gestolen voorwerp en over het door de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal mogen betrekken van het gegeven dat een verdachte voor zo'n omstandigheid als het voorhanden hebben van een dergelijk voorwerp – welke omstandigheid op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan zijn voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit – geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.7 Van een dergelijke verklaring is geen sprake.

Het voor de verdachte belastende resultaat van het onderzoek aan het mes (SIN AAJL3499NL) dat op de plaats delict is aangetroffen en waarmee [slachtoffer] verwondingen zijn toegebracht

Op 4 maart 2016 is bij het onderzoek in de woning van [slachtoffer] een mes aangetroffen. Dat mes lag op de grond naast het levenloze lichaam van [slachtoffer] (SIN AAJL3499NL). Aan dit mes heeft (DNA)onderzoek plaatsgevonden naar/aan biologische sporen.

Het (herziene) rapport van dr. J. Warnaar (hierna: Warnaar) van 17 augustus 2016 houdt het volgende in:

“Het mes is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn enkele bloedsporen aangetroffen op het lemmet en het heft van het mes. Deze bloedsporen zijn als AAJL3499NL#01, #02 en #04 tot en met #06 bemonsterd voor een DNA-onderzoek. (…)

In de bemonsteringen AAJL3499NL#01, #02 en #04 tot en met #06 is een DNA-profiel aangetroffen van een man, dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] , met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard. 8

In de bemonstering AAJL3499NL#03 (heft van het mes) is een mengprofiel aangetroffen, dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] en minimaal één andere persoon, waarvan de matchkans niet is berekend”.

Aan de bemonstering AAJL3499NL#03 (heft van het mes) is aanvullend onderzoek verricht, teneinde een informatiever DNA-profiel te verkrijgen. Het rapport van dat aanvullende onderzoek van 17 augustus 2016 houdt hieromtrent het volgende in:

“De bemonstering AAJL3499NL#03 bevat een afgeleid DNA-hoofdprofiel van een man, dat afkomstig kan zijn van [slachtoffer] , met een matchkans van kleiner dan 1 op 1 miljard en DNA-nevenkenmerken die afkomstig kunnen zijn van [verdachte] en minimaal één onbekende persoon”.

Wat betreft de matchkans van de hiervoor genoemde DNA-nevenkenmerken wordt verwezen naar hetgeen in het rapport is opgenomen onder het kopje ‘Bewijskracht’. Het rapport houdt hieromtrent het volgende in:

“Om de ordegrootte van de bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek te berekenen met betrekking tot het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] is aangenomen dat (1) de bemonstering AAJL3499NL#03 DNA bevat van drie personen, waarvan [slachtoffer] één van deze personen is, en (2) dat deze personen onderling niet verwant zijn. Onder deze aannames zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

hypothese I:

De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] , [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon.

hypothese II:

De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] en twee willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn ten minste één miljoen keer waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is”.

Het hof leidt uit deze onderzoeksbevindingen af dat celmateriaal op het heft van het naast het slachtoffer aangetroffen mes meerdere DNA-kenmerken bevat die overeenkomen met DNA-kenmerken uit het DNA-profiel van de verdachte.

Op verzoek van de verdediging is in hoger beroep door het NFI een RNA-/DNA-onderzoek verricht naar de vetachtige substantie die op het lemmet van bovengenoemd mes is aangetroffen en in 2016 reeds is bemonsterd (AAJL3499NL#07 en #08). Het rapport van NFI-deskundige dr. P.A. Maaskant-van Wijk (hierna: Maaskant-van Wijk) van 31 januari 2019 houdt (onder meer) het volgende in:

“Met RNA-onderzoek wordt een bemonstering tegelijkertijd op de aanwezigheid van meerdere celtypen onderzocht. De aanwezigheid van één bepaald celtype, zoals bloed, is niet van invloed op het aantonen van één van de andere celtypen.

Vanwege de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek en omdat het bemonsteringen betreft van een mes dat is aangetroffen naast het lichaam van [slachtoffer] in zijn woning, is aangenomen dat het DNA in de bemonsteringen AAJL3499NL#07 en #08 afkomstig is van [slachtoffer] .

Op basis van de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen en RNA-onderzoek aan de bemonsteringen AAJL3499NL#07 en #08 van het lemmet van het mes wordt geconcludeerd dat het DNA van [slachtoffer] in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van bloed en spierweefsel”.

Het hof leidt uit de onderzoeksbevindingen af dat het mes dat is aangetroffen op de grond naast het slachtoffer is gebruikt om [slachtoffer] te steken en dat dit mes DNA-kenmerken bevat die overeenkomen met DNA-kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte. Het door de verdediging gevoerde verweer dat (zoals de verdediging zegt:) niet onomstotelijk is komen vast te staan dat het mes het lichaam van [slachtoffer] heeft geperforeerd en daarmee niet als ‘aanvalsmes’ kan worden aangemerkt, wordt naar het oordeel van het hof door de hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen weerlegd. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat de omstandigheid dat iets ‘niet onomstotelijk vast is komen te staan’ niet het juridische criterium is waaraan dient te worden getoetst in deze context.

Het verweer van de verdediging dat – indien het hof het mes als aanvalswapen zou aanmerken – de interpretaties van Warnaar onbetrouwbaar zijn en zodoende niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden, in het bijzonder waar het de door hem berekende bewijskracht betreft, treft naar het oordeel van het hof evenmin doel. De verdediging heeft ter onderbouwing van dat verweer aangevoerd dat onderzoek dat niet voor de volle 100% door tegenonderzoek wordt bevestigd (in dit geval: onderzoek door het TMFI) niet betrouwbaar (genoeg) is om als bewijs te kunnen worden gebruikt en Warnaar bekend is met andere onderdelen van het dossier, zodat hij ook om die reden niet betrouwbaar moet worden geacht. Deze onderbouwing van het verweer miskent naar het oordeel van het hof dat de omstandigheid dat een deskundige tot een beoordeling komt van de bewijskracht van zijn onderzoeksbevindingen die iets afwijkt van de door een andere deskundige bepaalde bewijskracht bij een vergelijkbaar onderzoek aan hetzelfde materiaal, zonder meer nog niet betekent dat aan de betrouwbaarheid van die onderzoeksbevindingen moet worden getwijfeld. Daar komt bij dat Herbergs (van TMFI) ter zitting op 8 mei 2017 een verklaring heeft gegeven voor de verschillen in bewijskracht. Anders dan de verdediging heeft gesuggereerd, betekent de enkele omstandigheid dat Warnaar bekend is met meer onderdelen van het dossier niet dat er reden bestaat te twijfelen aan zijn objectiviteit als deskundige.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het aantreffen van DNA-kenmerken op het mes die overeenkomen met kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte niet dwingend logisch leidt tot de gevolgtrekking dat de verdachte het slachtoffer met het mes heeft gestoken, nu er ook DNA-kenmerken van onbekenden op het mes zijn aangetroffen en deze kenmerken niet zijn te verklaren. De verdediging heeft betoogd dat de DNA-kenmerken die op het mes zijn aangetroffen en die overeenkomen met de verdachte wel verklaard kunnen worden. In dat verband heeft de verdediging er op gewezen dat de verdachte op maandag 29 februari 2016 bij [slachtoffer] was en met dat mes babi pangang heeft gesneden, dat het overgedragen kan zijn door degene die heeft gestoken dan wel dat er mogelijk sprake kan zijn van contaminatie.

Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat de DNA-kenmerken die op het mes zijn aangetroffen en die overeenkomen met DNA-kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte verklaard worden door het hanteren van het mes door de verdachte op 29 februari 2016. Het hof heeft daarbij acht geslagen op het tijdsverloop, de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , de schoonmaaksters van [slachtoffer] , en de (onder andere ter terechtzitting in hoger beroep gegeven) verklaring van de verdachte over het schoonmaken van het mes waarmee hij die maandagavond babi pangang zou hebben gesneden. Ook de andere door de verdediging aangevoerde mogelijke verklaringen voor de aangetroffen DNA-kenmerken van de verdachte op het mes zijn naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. Het hof zal hierop later nader ingaan bij de bespreking van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de door de verdediging in hoger beroep ingebrachte rapportages (van IFS en Bosmans) niet leiden tot een ander oordeel, reeds omdat deze rapportages – als zij voor juist moeten worden gehouden – hooguit meebrengen dat de door het NFI voor het onderzoek aan bemonstering AAJL3499NL#03 bepaalde bewijswaarde lager zou moeten worden vastgesteld, maar niet zo laag dat het hof – dit onderzoek in onderling verband en samenhang bezien met andere bewijsmiddelen – niet tot een bewezenverklaring zou kunnen komen.

Het resultaat van het onderzoek aan de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte, waarop bloed van [slachtoffer] is aangetroffen

De verdachte heeft verklaard dat hij op 3 maart 2016 met zijn auto (een grijze Volkswagen Golf) naar de woning van [slachtoffer] is gereden. Op 17 maart 2016 is deze auto (die op naam staat van de verdachte) in beslaggenomen door de politie en is technisch onderzoek verricht naar mogelijke sporen in de auto. Bij onderzoek aan deze auto is een stuk bekleding uit de zitting van de bijrijdersstoel gesneden en voorzien van SIN AAJJ2748NL.

Het rapport van Warnaar van 13 mei 2016 houdt hieromtrent (onder meer) het volgende in:

“De stukjes textiel AAJJ2744Nl tot en met AAJJ2749NL (uit de bekleding van autostoelen) zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. (…) Op de stukjes textiel AAJJ2746NL, AAJJ2747NL, AAJJ2748NL en AAJJ2749NL is bloed aangetroffen. (…)

In de bemonstering AAJJ2748NL#02 (met bloed) is een DNA-profiel aangetroffen dat afkomstig kan zijn van een man, [slachtoffer] , met een matchkans van kleiner dan één op één miljard”.

Warnaar is in eerste aanleg op de zitting van 8 mei 2017 door de rechtbank gehoord als deskundige. Het proces-verbaal van die zitting houdt op dit punt het volgende in:

“U houdt mij pagina 532 van het dossier (het hof begrijpt: pagina 532 van het forensisch dossier) voor, de resultaten ten aanzien van bemonstering AAJJ2748NL#02 van de bijrijdersstoel in de auto van verdachte. Als er bij een spoor staat vermeld dat deze “met bloed” was, dan betekent dit dat op het NFI een tetrabase test is uitgevoerd en dat deze positief was. Daar is in die bemonstering bloed aangetoond. In dit geval was er geen sprake van een mengprofiel. Er was sprake van een enkelvoudig profiel, waarbij, heel laag tegen de detectiegrens aan, nog enkele andere kenmerken zichtbaar zijn. Wij vermelden die dan wel, maar ze zijn niet geschikt om onderzoek naar te doen. Wij kunnen geen 100% zekerheid hebben dat het hier bloed van [slachtoffer] betreft. Omdat er geen bloed van iemand anders is aangetroffen, is de kans dat [slachtoffer] de donor is van dit bloed in de orde van 95% of hoger.”

Bij gelegenheid van diezelfde zitting is Herbergs van het TMFI gehoord als deskundige door de rechtbank. Hij heeft blijkens het proces-verbaal van de zitting van 8 mei 2017 het volgende verklaard:

“Ik kan mij vinden in wat deskundige Warnaar zegt. Als er een sterk hoofprofiel aanwezig is en er is bloed aangetoond dan is het een logische conclusie om een link te leggen tussen dat bloed en deze donor”.

Het hof leidt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen – waaraan door het hof geloof wordt gehecht – af dat op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte in de bemonstering AAJJ2748NL#02 DNA-materiaal is aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer en die bemonstering bloed betreft.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet vaststaat dat het spoor op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte bloed van [slachtoffer] betreft en dat naar dit spoor zodoende nader onderzoek dient te worden verricht. Aangevoerd is dat het NFI de rechtbank onjuist heeft geïnformeerd door ten onrechte te spreken over een enkelvoudig profiel (terwijl er sprake is van een mengprofiel, nu er ook andere kenmerken zijn aangetroffen) en door niet in te gaan op de piekhoogtes. Tegen de achtergrond van het rapport van IFS van 8 februari 2019 en het door Bosmans uitgebrachte rapport van 11 december 2018 kan na bestudering van de piekhoogtes en de aangetroffen DNA-kenmerken niet worden uitgesloten dat sprake is van (1) oud bloed van de verdachte dan wel een onbekende derde, (2) nieuwer DNA in de vorm van huidepitheel van [slachtoffer] dan wel (3) dierlijk bloed en DNA-materiaal van [slachtoffer] , niet zijnde bloed. Gelet hierop is het rapport van Warnaar en de door hem in eerste aanleg gegeven verklaring onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te kunnen worden gebezigd.

Het door de verdediging gevoerde verweer wordt door de hiervoor genoemde bewijsmiddelen weerlegd, waarbij het hof in aanvulling daarop nog het volgende opmerkt. Dat de door de verdediging belichte mogelijkheden niet uitgesloten kunnen worden, is onvoldoende om het rapport van Warnaar en de door hem ter zitting in eerste aanleg gegeven verklaring wegens onvoldoende betrouwbaarheid terzijde te schuiven. Het hof ziet geen reden om aan de betrouwbaarheid van dit rapport te twijfelen en acht het derhalve bruikbaar voor het bewijs. Ook de in hoger beroep door de verdediging ingebrachte rapportages van IFS van 8 februari 2019 en het rapport van Bosmans van 11 december 2018 – samengevat inhoudende dat de bewijswaarde van de door het NFI vastgestelde bevindingen lager moet worden bepaald – laten onverlet dat er DNA-materiaal is aangetroffen op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte waarvan kenmerken overeenkomen met het DNA-profiel van [slachtoffer] . Naar het oordeel van het hof brengen deze rapportages hooguit mee dat de door het NFI gestelde bewijswaarde wat lager bepaald zou moeten worden, maar heeft dit niet tot gevolg dat de bewijswaarde op een zodanig niveau moet worden vastgesteld dat het hof – dit onderzoek in onderling verband en samenhang bezien met de andere bewijsmiddelen – niet tot een bewezenverklaring zou kunnen komen.

Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat indien het hof zou vaststellen dat het gaat om een bloedspoor, het enkel aantreffen van een bloedspoor van [slachtoffer] op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte niet dwingend logisch tot de gevolgtrekking leidt dat de verdachte de pleger is van het aan hem onder 1 tenlastegelegde. En zelfs al zou het bloedspoor op die avond waarop [slachtoffer] is overleden op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte terecht zijn gekomen, is dit spoor verklaarbaar in zowel het scenario van het openbaar ministerie als het scenario van de verdachte, aldus de verdediging.

Zoals hiervoor reeds is overwogen beziet het hof de feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang en niet elk element afzonderlijk. Om die reden treft het hiervoor door de verdediging genoemde verweer geen doel. Het hof acht nader onderzoek naar het spoor op de bijrijdersstoel – zoals hierna wordt overwogen – niet noodzakelijk.

De door de verdachte gebruikte zoektermen en de resultaten van het onderzoek op de digitale gegevensdragers van de verdachte

Op 24 maart 2016 is de verdachte op Schiphol aangehouden. Tijdens zijn aanhouding was hij in het bezit van een iPad 2. Deze iPad is in beslaggenomen. Naar de gegevens op deze iPad – in het bijzonder naar de door de verdachte gebezigde zoektermen – is door de politie onderzoek verricht. Dit onderzoek houdt – samengevat – het volgende in.

De iPad van de verdachte is doorzocht op geselecteerde trefwoorden afkomstig uit de user dictionary aangevuld met woorden naar aanleiding van gevonden bevindingen. De woorden werden gevonden in de dictionary onder de titel “ [url] ” op de iPad van de verdachte. Dit betreft een bestand dat Google cachegegevens bevat, evenals de geschiedenis van zoekacties met Google. Het bestand is voor het laatst aangepast op ‘2016-03-15’ (het hof begrijpt: 15 maart 2016). De gezochte woorden of termen worden in de volgorde waarop ze gezocht zijn weggeschreven in twee velden in Google storage, te weten: “msuggest.history..history” en “msuggest.history.i.history”. Voor het wegschrijven van de gezochte woorden of termen geldt voor beide velden dat het eerst opgezochte woord of de eerst opgezochte term als laatste (het hof begrijpt: onderaan) in de map/document is vermeld en het laatstelijk opgezochte woord of de laatst opgezochte term als eerste (het hof begrijpt: bovenaan) in de map/document wordt vermeld.

In het veld “msuggest.history..history” zijn onder meer navolgende zoektermen aangetroffen (van boven naar beneden): horloge verkopen Rotterdam // stop heling // iwc referentie // [slachtoffer] // [slachtoffer] horloge // iwc portuguese prijzen // iwc portugese halsslagader// slagaderlijke bloeding hart // fatale messteek // messteek in het hart // maps // [naam 6] // [naam 6] // plaats van het hart // trigger points head // klap op je achterhoofd bewusteloos // klap op je achterhoofd // hartplek // messteek in nek // messteek in rug // mes in rug // rug messteek // dood door wurging // hart plaats in lichaam // verwurging // verwurging hoelang // verwurging zelfmoord // knockout head // jaw knokout // zelfmoord tips // st5 pressure point // st5 // jaw pressure point knockout // pressure point knockout // pressure point knockout ear // trigger points ear knockout // trigger points ear knock out // waar zit je hart // hart plek // slagaders arm // halsslagader snijden// bewusteloos slaan // halsader plek // serienummer horloge iwc // serienummer horloge // deo in oog // dodelijk stoffen in huis // blauwzuur kopen // blauwzuur // waterstofcyanide // edelgas // stikken door touw // stikken touw // hartslagader dood // hartslag meten halsslagader // halsslagader plek // halsslagader doorsnijden // halsslagader mens // mes door halsslagader // messteken in rug // dodelijk messteken // mes in hoofd steken // mes in hoofd.

Wat betreft de zoekterm “ [naam 6] ” is nog opgemerkt in het onderzoek dat uit de cookies afkomstig uit de iPad is af te leiden dat de website van de [naam 6] op 3 maart 2016 om 13:48:30 uur werd bezocht. Deze onderzoeksbevinding vindt bevestiging in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting bij de rechtbank op 8 mei 2017 inhoudende dat hij zich kan herinneren dat hij op 2 of 3 maart 2016 heeft gezocht op “ [naam 6] ”.

In het veld “msuggest.history.i.history” zijn (onder meer) de volgende zoektermen aangetroffen, die niet ook in het veld “msuggest.history..history” zijn aangetroffen (van boven naar beneden): trigger points backhead // knockout head pressure points // hart plaats in lichaam // halsader // wurgkoord wikipedia // wurging door touw // dodelijke messteek // auto exploderen // steek ruggenmerg // slagader // messteek in hals // taser dodelijk // hersenstam plek // waar zit de hersenstam // schot hersenstam waar // kruit bij schieten // doodschieten // doodschieten hoofd // hersenstam dood // kogel door hersenstam // hersenstam // messteek in het hoofd // overzicht lichaamsorganen // overzicht lichaamsdelen // klap tegen je slaap // auto explosief // messteken in onderbuik.

Om te beoordelen of de volgorde van de woorden een logisch verband hadden is een referentieonderzoek uitgevoerd op een vergelijkbare iPad 2. Gekeken is of de volgorde waarop de zoekwoorden bij de test waren ingegeven weerspiegeld werd in de volgorde binnen de velden “msuggest.history..history” en “msuggest.history.i.history”. In de velden werden de individuele zoekacties weergegeven in omgekeerde volgorde ten opzichte van de volgorde waarop ze waren ingegeven. De oudste (het hof begrijpt: minst recent) ingegeven zoekacties stonden achteraan (het hof begrijpt met de rechtbank: onderaan het overzicht) en de jongste (het hof begrijpt: meest recent) ingegeven zoekacties stonden vooraan (het hof begrijpt met de rechtbank: bovenaan het overzicht). De velden bleken beperkt te zijn tot 100 zoekacties, waarbij telkens wanneer er een nieuwe zoekactie werd uitgevoerd, deze zoekactie er in het veld aan de voorzijde (het hof begrijpt: bovenaan) bijkwam en telkens aan de achterzijde (het hof begrijpt: onderaan) van het veld een zoekactie verviel.

Op 21 april 2016 zijn de ouders van de verdachte en [naam 3] bij de verdachte in de penitentiaire inrichting in Rotterdam op bezoek geweest. De communicatie tussen hen is opgenomen. Het proces-verbaal waarin deze communicatie is uitgewerkt houdt (onder meer) het volgende in:

“V: Verdachte [verdachte] ;

[naam 2] : Moeder, [naam 2] ;

[naam 1] : Vader, [naam 1] ;

[naam 3] : vriendin, [naam 3] (…)

V: Thuis, want ik heb bijvoorbeeld ook, omdat ik zo aan het denken was, ik heb, daar in Miami, op mijn iPad, heb ik dingen op zitten zoeken. Euh…celstraf voor moord. Allemaal dat soort dingen…euh…ik…ik…op een gegeven moment ging ik kijken, voor dat horloge, ik heb al die geschiedenis gewist, kan je geschiedenis terugvinden, op mijn iPad?

(…)

[naam 1] : Hoezo, heb je hem gewist, die geschiedenis?

V: Honderd keer.

(…)

V: Allemaal dat soort dingen. Daarom heb ik ook in mijn aantekeningen gezet…euhm…digitaal onderzoek laptops, wat kunnen ze terughalen. Heb ik iets, heb ik niet, toen ik thuis was, weet je, iets in de krant gelezen en dat op Google opgezocht op mijn telefoon, omdat ik dat altijd doe. Of het nou euh, mooi weer is of een krantenartikel, of dat ik iets wou weten over allemaal dat soort dingen. Zeg maar, is dat niet belastend? Ik heb 2 weken voordat [slachtoffer] vermoord is, er op gezocht, bomexplosies…of…euh…

[naam 2] : ja, maar zo moet je je niet gek maken.

V: “Dood door messteken!” Nee, maar ik heb dat wel gedaan, IK heb dat soort dingen wel opgezocht”.

Ook tijdens het bezoek van de vader van de verdachte en [naam 3] op 12 mei 2016 aan de verdachte in de penitentiaire inrichting is er gesproken over de zoektermen op de iPad van de verdachte. De communicatie tussen deze personen is opgenomen. Het OVC-gesprek houdt het volgende in:

“ [verdachte] = verdachte, [verdachte]

[naam 1] = vader van de verdachte, [naam 1]

[naam 3] = vriendin van de verdachte, [naam 3] (…)

[verdachte] : (…) Het digitaal onderzoek. Ja, wat ik zei over die iPad, weet je wel. Dat ik dat, op internet dingen heb opgezocht.

[naam 1] : Ja, euh, daar zou ik niet meer van wakker liggen hoor.

[verdachte] : Ja, maar ja, dat is natuurlijk…Als je al ziet wat ze in het dossier zo eruit lichten.

[naam 1] : Ja, zo bedoel je. Van een mug een olifant.

[verdachte] : Dan is, dan is, een eh, filmpje hoe je iemand knock-out moet krijgen, bij wijze van spreken, door een wurgklem…

[naam 1] : Ja, oké.

[verdachte] : …vrij verdacht, bij wijze van spreken. Als ik dat een dag van tevoren heb gedaan. en filmpjes naar aanleiding van, al die dingen die ik heb opgezocht, ja, bomexplosies. De meest gekke dingen op basis van.

[naam 1] : Ja, maar dat was allemaal na 3 maart he?

[verdachte] : nee, maar ook daarvoor. Ook daarvoor gewoon. Niet alleen maar. Kijk, na 3 maart heb ik alleen maar op internet gezocht van, over [slachtoffer] . Gewoon hoe die zaak ging. (…)”.

Het hof begrijpt het verweer van de verdediging zo dat niet kan worden vastgesteld wanneer de zoektermen zijn ingevoerd en de zoektermen derhalve niet gelieerd kunnen worden aan het overlijden van [slachtoffer] , zodat het onderzoek naar de zoektermen onvoldoende betrouwbaar is en derhalve niet voor het bewijs kan worden gebezigd.

Op basis van het hiervoor genoemde rapport van de politie over de geschiedenis van zoektermen, alsmede de verklaring van de verdachte en de OVC-gesprekken leidt het hof – in onderling verband en samenhang bezien – af dat de zoektermen die onder “ [naam 6] ” en “ [naam 6] ” in het overzicht staan vermeld, op of vóór 3 maart 2016 en in ieder geval voordat [slachtoffer] om het leven is gebracht op de iPad door de verdachte zijn ingevoerd. Het hof verwijst naar de hiervoor opgenomen zoektermen die eerder zijn ingevoerd dan het invoeren van de zoekterm “ [naam 6] ” en “ [naam 6] ” (het betreft de zoektermen zoals hiervoor weergegeven volgend op “ [naam 6] ” en “ [naam 6] ”). Daar komt bij dat een deel van deze zoektermen in verband kan worden gebracht met de wijze waarop [slachtoffer] om het leven is gekomen. Het rapport van de politie is deugdelijk onderbouwd. Het hof heeft derhalve geen reden om aan de betrouwbaarheid van de daarin opgenomen bevindingen te twijfelen en het niet te gebruiken voor het bewijs. Dat niet exact kan worden vastgesteld hoeveel tijd vóór 3 maart 2016 is verstreken alvorens de zoektermen zijn ingevoerd die onder “ [naam 6] ” en “ [naam 6] ” worden genoemd, doet hieraan niet af. Het hof leidt onder meer uit de periode waarin de aangetroffen zoektermen zijn gebruikt en uit de inhoud en aard van de zoektermen af dat de verdachte z’n minst genomen heeft overwogen om [slachtoffer] om het leven te brengen.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij de op zijn iPad aangetroffen zoektermen heeft ingevoerd bij of naar aanleiding van nieuwsberichten en/of het bekijken van de serie “Dexter”. Het hof acht die verklaring niet aannemelijk geworden, reeds omdat een aantal van de zoektermen die op de iPad van de verdachte is aangetroffen specifiek betrekking heeft op onderwerpen die [slachtoffer] betreffen, zoals onder meer “ [slachtoffer] ”, “ [slachtoffer] horloge”, “serienummer horloge” en “serienummer horloge IWC”. Het hof gaat voorbij aan het door de verdediging in hoger beroep ingebrachte rapport van Digital Investigation (hierna: DI) van 8 februari 2019, reeds omdat dat rapport, gezien de eisen die dienen te worden gesteld aan dergelijke rapportages als het gaat om het gebruik daarvan in strafzaken, kwalitatief beneden de maat is.

De verdediging heeft – naar het hof begrijpt – aangevoerd dat de zoektermen in de uiteindelijke vorm niet door de verdachte zijn ingevoerd, maar (gedeeltelijk) automatisch zijn aangevuld door de gebruikte programma’s (zoals zoekmachines). Ter onderbouwing daarvan heeft de verdediging erop gewezen dat een aantal zoektermen dat in het “Google localstorage” (vereenvoudigd: het Google zoekarchief) is gevonden, niet in de “user dictionary” is aangetroffen. Het hof acht de door de verdediging gegeven verklaring voor het aantreffen van de zoektermen niet aannemelijk geworden, in aanmerking genomen dat een aantal zoektermen specifiek betrekking heeft op onderwerpen die [slachtoffer] betreffen, zoals hiervoor ook al is overwogen.

Voorbedachten rade

Verweren met betrekking tot de voorbedachten rade

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – indien het hof bewezen acht dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht – de voorbedachten rade niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Samengevat is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld wanneer de verdachte daadwerkelijk tot het besluit zou zijn gekomen om [slachtoffer] van het leven te beroven, zodat ook niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zich gedurende de avond van 3 maart 2016 enige tijd heeft kunnen beraden op dat besluit en aldus niet kan worden uitgesloten dat een dergelijk besluit pas op een later moment is genomen (toen er geen echte gelegenheid meer bestond tot nadenken). De verdediging heeft er in dat verband op gewezen dat de zoektermen op de iPad van de verdachte niet redengevend zijn voor het aannemen van voorbedachten rade, op het lemmet van het mes dat (van buiten) zou zijn meegebracht de woning van [slachtoffer] in geen sporen van de verdachte zijn aangetroffen en voorts geenszins is gebleken dat de verdachte dit mes zou hebben aangeschaft. Daarbij acht de verdediging het hoogst ongeloofwaardig dat de verdachte rustig bij [slachtoffer] op de bank zou hebben gezeten met een mes in zijn zak om vervolgens de recent door [slachtoffer] aangekochte kleding van [winkel] – op aangegeven van [slachtoffer] – te passen en vervolgens zijn eigen kleding (met daarin het mes) weer aan te trekken.

Juridisch kader voorbedachten rade

Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdsspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat in het gegeven geval niet met voorbedachten rade is gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat het bestanddeel ‘voorbedachten rade’ heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachten rade vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachten rade niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven.

De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat in het geval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vergelijk het overleg en nadenken dat in de wetgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling).

Dat een verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven, leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat zijn verklaringen en/of die van eventuele getuigen geen inzicht geven in hetgeen voor en ten tijde van het begaan van het feit in hem is omgegaan.

Of in een bepaald geval voorbedachten rade bewezen kan worden, hang sterk af van de hiervoor bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van verdachte voor en tijdens het begaan van het feit.

Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachten rade.9

Beoordeling door het hof

Het hof acht in het kader van de vraag of sprake is van voorbedachten rade de volgende feiten en omstandigheden redengevend:

  • -

    dat zoals hiervoor reeds is overwogen en vastgesteld op de iPad van de verdachte voorafgaand aan de avond van 3 maart 2016 gezocht is op manieren om iemand uit te schakelen en dodelijk letsel toe te brengen;

  • -

    dat het toebrengen van messteken in de rug en het snijden van de halsslagader, overeenkomen met de wijze waarop [slachtoffer] om het leven is gebracht;

  • -

    dat de verdachte voordat hij op “ [naam 6] ” (op 3 maart 2016) zocht ook heeft gezocht op “serienummer horloge iwc”, terwijl het hof heeft vastgesteld dat in de nacht van 3 op 4 maart 2016 uit de woning van [slachtoffer] een IWC-horloge is weggenomen en vervolgens in het bezit (van de familie) van de verdachte is aangetroffen;

  • -

    dat op de plaats delict, op het aanrecht, tussen twee keukenapparaten, een afgebroken lemmet van een mes van het merk Carl Schmidt Sohn (AAJL3474NL) is aangetroffen, waarop bloed is gevonden aan de hand waarvan – van de bemonsteringen AAJL3474NL#02 en #03 – een DNA-profiel is bepaald dat matcht met dat van [slachtoffer] , met een matchkans kleiner dan één op één miljard; het hof leidt uit deze onderzoeksbevindingen af dat op het lemmet bloed is aangetroffen van [slachtoffer] , terwijl het bijbehorende heft na grondig onderzoek niet in de woning van [slachtoffer] is aangetroffen;

  • -

    dat uit de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] , de vaste schoonmaaksters van de woning van [slachtoffer] , naar voren komt dat één van de messen die bij het misdrijf is gebruikt, niet afkomstig is uit de woning van [slachtoffer] :

o de verklaring van [getuige 1] houdt – samengevat – in dat zij alleen bekend is met de koksmessen uit het messenblok op het aanrecht, terwijl die koksmessen geen nerfjes hebben op het lemmet die het getoonde mes – de verbalisanten hebben [getuige 1] een foto getoond van een mes identiek aan het mes met het afgebroken lemmet – wel heeft. [getuige 1] heeft dus een mes dat identiek is aan het mes met het afgebroken lemmet niet als een mes uit de woning van [slachtoffer] herkend;

o de verklaring van [getuige 2] houdt – samengevat – in dat zij alleen bekend is met de koksmessen uit het messenblok op het aanrecht en dat zij alleen messen miste uit dat messenblok.

- dat op basis van diezelfde verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] kan worden vastgesteld dat het niet anders kan dan dat het mes waarvan het lemmet is afgebroken en dat bij het misdrijf is gebruikt, door de verdachte is meegebracht.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte het vooropgezette plan had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Het hof neemt op grond van diezelfde feiten en omstandigheden als vaststaand aan dat de verdachte vóór de uitvoering van de door hem voorgenomen daad, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niet gebleken. De door de verdediging aangevoerde omstandigheden – indien en voor zover die al aannemelijk zijn geworden – zijn naar het oordeel van het hof niet van zodanig gewicht dat deze (een) contra-indicatie(s) vormen en zodoende aan een bewezenverklaring van de voorbedachten raad in de weg zouden staan. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachten rade in de weg staan.

Indien en voor zover de verdediging heeft willen betogen dat het exacte moment waarop die beslissing zou zijn genomen dient te worden vastgesteld om tot een bewezenverklaring van de voorbedachten rade te kunnen komen, vindt dit geen steun in het recht. Enkel dient te worden vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld ter uitvoering van een voorgenomen daad, waarbij hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. Op basis van de hiervoor door het hof genoemde feiten en omstandigheden die redengevend worden geacht voor de voorbedachten rade kan worden vastgesteld dat de verdachte het besluit in ieder geval vóór donderdagavond 3 maart 2016 heeft genomen.

De lezing van de verdachte

De verklaring van de verdachte tezamen genomen
De door de verdachte bij de politie afgelegde verklaringen tezamen genomen/overziend houden – samengevat – het volgende in. Op de wijze waarop deze uiteindelijke lezing van de verdachte tot stand is gekomen zal het hof hieronder ingaan. In de maanden voorafgaand aan 3 maart 2016 zou de verdachte meermalen benaderd zijn door voor hem onbekende mannen die het gemunt zouden hebben op [slachtoffer] . Op 17 december 2015 – bij een van de negen ontmoetingen met onbekende mannen (in wisselende samenstelling) – zou in het centrum van Almere een mesje van de verdachte zijn afgepakt dat hij kort daarvoor had gekocht. Op de avond van 3 maart 2016 zou de verdachte, nadat hij bij de woning van [slachtoffer] is weggereden, in dezelfde straat door onbekende mannen zijn tegengehouden en op de achterbank van zijn eigen auto zijn geplaatst, waarna de auto een stukje zou zijn teruggereden. Twee van deze onbekende mannen zouden zijn uitgestapt en één zou met de verdachte in de auto zijn achtergebleven. De verdachte zou hierbij bedreigd zijn met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp en zou een donkere zak over zijn hoofd hebben gekregen. Na enige minuten stil te hebben gestaan, zouden de twee mannen weer zijn ingestapt en zouden zij met de verdachte op de achterbank zijn weggereden en korte tijd later verderop bij het RIVM-terrein gestopt zijn. De verdachte zou gevraagd zijn af te tellen van twintig naar nul. Aan hem zou zijn medegedeeld dat hij 28 dagen zijn mond moest houden omdat zij wisten waar zijn moeder, zus en (toenmalige) vriendin woonden. De onbekende mannen zouden de verdachte vervolgens alleen in zijn auto hebben achtergelaten, nadat zij de zak weer van zijn hoofd zouden hebben gedaan. Nadat de verdachte zou hebben afgeteld zou hij zijn uitgestapt en zou hij een rondje om zijn auto hebben gelopen. Hij zou zijn jack en trui uit hebben gedaan en een trui die nog in de auto lag zou hij hebben aangetrokken, waarna hij vervolgens is in één streep naar het adres [adres] in Rotterdam zou zijn gereden. De volgende dag – op 4 maart 2016 – zou de verdachte na een bezoek aan de podoloog het IWC-horloge van [slachtoffer] in zijn auto hebben gevonden en zou hij bij aankomst bij zijn woning op de oprit een vuilniszak hebben aangetroffen met daarin zijn vest. In een zak van het vest zou hij een briefje hebben gevonden met de tekst “Voor het horloge komen we terug, komen we jou halen”. Het vest uit de vuilniszak zou de verdachte op 4 maart 2016 hebben gewassen. De vuilniszak en het briefje uit een van de zakken van dat vest zou de verdachte hebben weggegooid.

Verweer van de verdediging

De verdediging heeft zich meer subsidiair op het standpunt gesteld dat het alternatieve scenario van de verdachte in het licht van gehele dossier niet kan worden weerlegd door de bewijsmiddelen. Evenmin is het alternatieve scenario als zeer onaannemelijk terzijde te stellen en is het niet dermate onaannemelijk dan wel dusdanig ongeloofwaardig dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Beoordeling van het hof

Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.
Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten.

Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In sommige gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging nodig heeft.10

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat [slachtoffer] door een ander of door anderen dan de verdachte om het leven is gebracht en zijn horloge door een ander of anderen dan door de verdachte is gestolen. In het bijzonder acht het hof niet aannemelijk geworden de lezing van de verdachte in alle versies en schakeringen waaruit kennelijk zou moeten voortvloeien dat niet hij, maar onbekende personen die zich tot hem hebben gewend op de avond van 3 maart 2016 en hem vervolgens hebben ontvoerd [slachtoffer] zouden hebben gedood. Naar het oordeel van het hof is in het dossier geen begin van aannemelijkheid, laatst staan enige vorm van steun te vinden voor de door de verdachte gegeven lezing. Het hof hecht om diverse redenen geen geloof aan die lezing van de verdachte.

In de eerste plaats verwijst het hof naar de hiervoor vermelde bewezen geachte feiten en omstandigheden en hetgeen het hof daaruit afleidt, waarmee de lezing van de verdachte niet verenigbaar is.

In de tweede plaats neemt het hof in aanmerking de wijze waarop de uiteindelijke lezing van de verdachte trapsgewijs, beetje voor beetje tot stand is gekomen. De verdachte heeft niet van meet af aan het hele verhaal verteld. In plaats daarvan heeft de verdachte cruciale aspecten van zijn lezing op verschillende momenten gegeven en daarbij zijn verhaal op onderdelen gewijzigd en aangevuld, soms nadat hij door de politie was geconfronteerd met (nieuwe) onderzoeksresultaten. Dit alleen al doet ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verdachte en de betrouwbaarheid van de door hem gegeven alternatieve gang van zaken. Het hof neemt de overweging uit het vonnis van de rechtbank op dit punt verder over en maakt die tot de zijne.

De overwegingen van de rechtbank houden het volgende in:

“Verdachte is verhoord (het hof begrijpt: door de politie) op 4 maart 2016, op 24 maart 2016, tweemaal op 25 maar 2016, op 4 april 2016, op 13 juni 2016, op 5 september 2016 en ten slotte op 7 september 2016. Verdachte heeft zijn verklaringen over de eerdere ontmoetingen met mannen, de ontvoering op de avond van 3 maart 2016, het aantreffen van zijn vest met daarin het briefje, het aantreffen van het IWC-horloge in zijn auto en het afpakken van het door hem gekochte mesje op verschillende momenten afgelegd en daarbij steeds op onderdelen gewijzigd en aangevuld. De rechtbank wijst daarbij op de volgende punten:

Op 4 maart 2016 is verdachte voor de eerste keer – op dat moment nog als getuige en niet als verdachte – gehoord door de politie. Hij heeft toen verklaard dat hij op donderdagavond (het hof begrijpt: 3 maart 2016) omstreeks 23.15 uur bij [slachtoffer] is weggegaan. Het enige wat hij zich kon herinneren over het moment van wegrijden, is dat aan het einde van de straat twee mannen stonden. Eén van die personen was aan het bellen en verdachte had niet het idee dat deze mannen daar woonden.

Verdachte heeft voor het eerst tegenover de politie melding gemaakt van de ontvoering bij het verhoor op 24 maart 2016. Met deze verklaring kwam hij terug op de verklaring die hij op 4 maart 2016 had afgelegd.

Verdachte heeft vervolgens pas tijdens het verhoor in de ochtend van 25 maart 2016 voor het eerste verklaard over het vest dat hij in de ochtend van 4 maart 2016 op de oprit thuis heeft gevonden. Dat verdachte zou zijn vergeten om hiervan bij de eerdere verhoren melding te maken komt de rechtbank niet waarschijnlijk voor, nu verdachte heeft verklaard dat hij in paniek raakte toen hij het vest aantrof en deze gebeurtenis blijkbaar dus veel indruk op hem heeft gemaakt.

Dat verdachte al vanaf het najaar van 2015 is benaderd door mannen die het kennelijk op [slachtoffer] hadden gemunt, heeft verdachte pas verklaard tijdens het verhoor op 4 april 2016. Tijdens de verhoren op 4 en 24 maart 2016 en de beide verhoren op 25 maart 2016 heeft hij over deze ontmoetingen dus gezwegen, terwijl deze ontmoetingen in zijn verklaring toch van groot belang waren. Het is vreemd dat verdachte, terwijl hij onschuldig vast zou zitten, niet vertelt over ontmoetingen met mannen die in direct verband staan met het overlijden van [slachtoffer] (het hof begrijpt: in de lezing van de verdachte).

Vervolgens heeft verdachte pas op 13 juni 2016 een verklaring afgelegd over het IWC-horloge dat hij op 4 maart 2016 in zijn auto heeft aangetroffen. Ook heeft hij bij dat verhoor voor het eerst melding gemaakt van het briefje in de vestzak met de tekst ‘voor het horloge komen we terug, komen we jou halen’.

Tot slot heeft verdachte pas op 5 september 2016 voor het eerst genoemd dat twee mannen bij een ontmoeting in het centrum van Almere op 17 december 2015 een mesje, dat hij vlak daarvoor had gekocht, van hem hebben afgepakt. Verdachte heeft deze verklaring pas afgelegd nadat hij was geconfronteerd met een afgeluisterd gesprek tussen zijn ouders. Bij eerdere verhoren heeft hij niet verteld dat er spullen van hem zijn afgenomen.

Verdachte heeft bij de politie en tijdens de behandeling ter zitting geen overtuigende verklaring kunnen geven voor het aanpassen en aanvullen van zijn verklaringen. Niet valt in te zien dat verdachte op 24 en 25 maart niet op zijn minst melding heeft gemaakt van de cruciale onderdelen van zijn relaas. Daarbij is van belang dat verdachte zich aanvankelijk geen zorgen maakte over mogelijke vooringenomenheid aan de zijde van de politie. Aan het einde van het verhoor op 24 maart 2016 verklaarde verdachte dat zijn verhoorders ‘redelijk ontvankelijk’ het gesprek met hem waren aangegaan en er ‘wel redelijk in zitten’. De politie heeft verdachte vervolgens tijdens het verhoor op 4 april 2016 expliciet gevraagd of er feiten waren waarover hij nog niet had verklaard. Verdachte heeft toen geantwoord dat hij dacht dat hij alles tot in detail had verklaard. Bij het afsluiten van dit verhoor had de verdachte nog altijd niet tegen de politie verteld over het briefje in de vestzak, over het aantreffen van het horloge in zijn auto en over het afpakken van het mesje. Over het horloge heeft de verdachte uiteindelijk op 13 juni 2016 een verklaring afgelegd, maar pas nadat zijn vader daarover een verklaring had afgelegd en het horloge door de politie in beslag was genomen”.

In de derde plaats meent het hof dat de lezing van de verdachte talloze ongerijmdheden bevat, die zich enkel laten verklaren door de omstandigheid dat hij die lezing stukje voor stukje heeft verzonnen. In dat verband wijst het hof – onder meer – op de volgende vijf punten:

  • -

    De ontvoerders zouden de verdachte op de avond van 3 op 4 maart 2016 hebben betrokken in hun complot. Niet valt in te zien welk voordeel het de ontvoerders zou kunnen opleveren om dat doen. De wijze waarop de ontvoerders de verdachte zouden hebben benaderd – te voet, midden op straat, met bivakputsen op en voorzien van een vuurwapen midden in een woonwijk – bracht aanzienlijke risico’s op ontdekking met zich, nu buurtbewoners en/of voorbijgangers dit hadden kunnen zien. Deze wijze van handelen hield voorts de mogelijkheid open dat de verdachte – na de ontvoering – de politie zou inschakelen met alle mogelijke gevolgen van dien.

  • -

    De verdachte heeft op geen enkel moment nadat hij door de ontvoerders is vrijgelaten op welke manier dan ook contact opgenomen met [slachtoffer] – met wie hij goed bevriend was – om na te gaan of er hulp moest worden verleend aan [slachtoffer] of diens dochtertje, van wie hij nota bene wist dat zij zich in de woning bevond. Ook heeft de verdachte op geen enkele andere wijze hulp ingeschakeld, door bijvoorbeeld de politie te informeren. De verdachte heeft hiervoor tijdens de verhoren en ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep geen (aannemelijke) verklaring kunnen geven. Hoewel hij heeft verklaard dat hij destijds in paniek was, heeft hij toen hij bij zijn woning in Rotterdam aankwam op aangeven van zijn broer de vuilnisbak die de dag daarna zou worden opgehaald aan de straat gezet. Ook is de verdachte op vrijdagochtend 4 maart 2016 gewoon volgens afspraak naar zijn podoloog gegaan.

  • -

    Voorts valt niet in te zien waarom de ontvoerders de moeite zouden hebben genomen – en het daarbij behorende risico zouden hebben gelopen – om naar de woning van de verdachte te gaan om op de oprit een vuilnisbak achter te laten met daarin het vest van de verdachte met in één van de zakken een briefje met een boodschap voor de verdachte. Dit klemt temeer, omdat de ontvoerders het waardevolle IWC-horloge van [slachtoffer] in de auto van de verdachte zouden hebben achtergelaten, terwijl zij dit bewust uit de woning van [slachtoffer] zouden hebben meegenomen. De verdachte heeft het in de vuilniszak aangetroffen vest diezelfde dag nog gewassen, naar eigen zeggen omdat hij in paniek was en bang was dat sporen op het vest hem zouden belasten. Zoals hiervoor al is overwogen is dat niet logisch nu in de lezing van de verdachte op dit vest juist mogelijk sporen zouden kunnen zitten en die sporen zouden kunnen leiden naar de ontvoerders van de verdachte en de belagers van [slachtoffer] . Dat de verdachte zich hiervan bewust is geweest illustreert zijn verklaring van 25 maart 2016, inhoudende dat hij eerder die avond (het hof begrijpt: op 3 maart 2016) na het vertrek van de ontvoerders zijn jack en trui heeft uitgetrokken om eventuele sporen op deze voorwerpen te bewaren. De door de verdachte in hoger beroep hieromtrent afgelegde verklaring dat hij deze kledingstukken heeft uitgetrokken uit emotionele overwegingen sluit hier niet op aan. In dat kader valt tevens niet in te zien waarom de verdachte het briefje (en de vuilniszak) heeft weggegooid, nu hierop in de lezing van de verdachte mogelijkerwijs sporen van de ontvoerders/daders zouden kunnen zitten. Dit beweerde handelen van de verdachte zou er dan de oorzaak van zijn geweest dat (nader) onderzoek naar deze voorwerpen niet mogelijk was.

  • -

    De verdachte heeft het IWC-horloge van [slachtoffer] verstopt in de kamer van zijn overleden zusje in de ouderlijke woning in Rotterdam, waar hij verbleef als hij in Nederland was. De ontvoerders hadden door middel van het briefje in het vest aangekondigd dat zij voor het horloge terug zouden komen, terwijl zij op enig moment gedurende de ontvoering hadden aangegeven op de hoogte te zijn van de namen van de moeder, zus en toenmalige vriendin van de verdachte. Op 5 maart 2016 is de verdachte voor enkele weken voor zijn werk als tenniscoach vertrokken naar de Verenigde Staten. Niet valt in te zien waarom de verdachte uitgerekend in de ouderlijke woning, waar zijn moeder en zus destijds verbleven het horloge heeft verstopt, terwijl hij blijkens de informatie op het briefje wist dat de ontvoerders terug zouden komen voor het horloge. Dit klemt te meer nu de verdachte heeft verklaard dat hij bang was dat de ontvoerders zijn familie en/of toenmalige vriendin iets aan zouden doen, gelet op de uitspraak van één van hen dat de verdachte de komende 28 dagen zijn mond moest houden, omdat er anders iets zou gebeuren.

  • -

    Volgens de verklaring van verdachte zou hij in de periode vóór het overlijden van [slachtoffer] een negental ontmoetingen hebben gehad met verschillende mannen in wisselende samenstelling. Onduidelijk blijft wat nu de bedoeling is geweest van deze ontmoetingen. Bij meerdere gelegenheden zou verdachte geld hebben ontvangen van de mannen. Ook de bedoeling hiervan blijft duister.

Bij elkaar genomen, leidt het hof ook uit dit soort punten af dat de verdachte zijn lezing heeft verzonnen, teneinde – in strijd met de waarheid – niet als dader van het tenlastegelegde aangewezen en veroordeeld te worden. Derhalve schuift het hof de door de verdachte gegeven lezing terzijde.

Conclusie

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen – die in een eventueel op te maken aanvulling worden opgenomen – in onderling verband en samenhang bezien, in samenhang met de hiervoor genoemde overwegingen bewezen, dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op [slachtoffer] (het tenlastegelegde onder 1 primair) en de diefstal van het IWC-horloge van [slachtoffer] (het tenlastegelegde onder 2 primair). De diefstal van de iPhone van [slachtoffer] acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen en het spreekt de verdachte daarvan vrij.

De verzoeken van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv noodzakelijk is dat nader onderzoek wordt verricht. Aangevoerd is dat in deze zaak de verdachte betrokkenheid bij het tenlastegelegde ontkent en bewijs in zowel belastende als ontlastende zin enkel kan worden gevonden in zogeheten stille getuigen (de uitkomst van technisch onderzoek), terwijl dit de laatste feitelijke instantie is waar de verdachte zijn onschuld kan aantonen.

De verzoeken van de verdediging houden – kort gezegd – in:

  1. Nader DNA-onderzoek naar de DNA-mengprofielen op het mes (AAJL3499NL#03) en op de trui (AAHD2627NL#01) en nader onderzoek naar de complexe mengprofielen in de zaak middels de MPS-methode;

  2. Verstrekking van de piekenprofielen en van een overzicht van de door het NFI en TMFI aangetroffen (vreemde) DNA-kenmerken;

  3. Nader onderzoek naar het bij het slachtoffer toegebrachte letsel;

  4. Aanvullend onderzoek naar de aard van het celmateriaal op de bijrijdersstoel (AAJJ2748NL#02);

  5. Aanvullend autosomaal DNA-onderzoek naar veiliggestelde, maar nog niet onderzochte, bemonsteringen en aanvullend bemonsteren van de trui, broek, slippers, sokken, inclusief de (bloed)sporen), handdoek, theedoek en de auto;

  6. Onderzoek naar de nog niet-onderzochte op de sokken aangetroffen haren en de haar op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte;

  7. Het horen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] naar aanleiding van de anonieme tipbrieven;

  8. Onderzoek naar vingerafdruk AAJL3477NL.

De advocaat-generaal heeft betoogd dat in de kern bezien alle onderzoekswensen zien op onderbouwing van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, terwijl dit scenario enkel uit de koker van de verdachte komt en tot op heden geen nadere informatie boven tafel is gekomen, waarbij gezegd kan worden dat zich ten minste een uiterst bescheiden begin van een schetst begint af te tekenen van een reële mogelijkheid dat dat scenario aan de orde is. De thans voorgelegde verzoeken zijn in essentie al eerder door het hof afgewezen en de nu aan de verzoeken ten grondslag gelegde onderbouwing (te weten: de door de verdediging na het tussenarrest van het hof ingebrachte rapportage in hoger beroep) maakt niet dat het gevraagde onderzoek thans wel noodzakelijk is. Derhalve dienen de verzoeken te worden afgezien.

Oordeel van het hof

Zoals reeds in het tussenarrest is overwogen dienen de door de verdediging ingediende verzoeken te worden geplaatst in de sleutel van het door de verdachte geschetste alternatieve scenario.

Het hof is van oordeel dat – tenzij anders is vermeld – gelet op de aard van de verzoeken het noodzakelijkheidscriterium van toepassing is. Voor de invulling van dit criterium verwijst het hof naar de jurisprudentie van de Hoge Raad hieromtrent (in het bijzonder het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, rov. 2.8). De toepassing van het noodzaakcriterium houdt volgens de Hoge Raad verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Verzoeken komen, als getoetst moet worden aan dit criterium, enkel voor toewijzing in aanmerking wanneer de strafrechter dit onderzoek noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Die noodzaak ontbreekt wanneer de strafrechter zich door de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting voldoende ingelicht acht.

Het hof stelt het volgende voorop. Zoals het hof in het kader van de bespreking van de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en in het tussenarrest van 13 juli 2018 heeft overwogen, is in deze zaak zeer uitvoerig opsporingsonderzoek en (nader) forensisch onderzoek verricht, mede op verzoek van de verdediging. In eerste aanleg zijn diverse deskundigen op zitting gehoord en is de verdediging in de gelegenheid geweest deze deskundigen te bevragen en heeft zij van die mogelijkheid ook gebruikgemaakt. Ondanks de uitgebreidheid van het onderzoek zijn geen min of meer tastbare aanwijzingen gevonden op basis waarvan de lezing van de verdachte een begin van aannemelijkheid heeft gekregen. In zekere zin kan gezegd worden dat het tegendeel het geval is: sommige van de in de (door het hof niet geloofde) lezing van de verdachte voorkomende mogelijkheden voor onderzoek zijn in de lezing van de verdachte door zijn eigen toedoen tenietgedaan. In dat verband wijst het hof er op dat de verdachte naar eigen zeggen de vuilniszak die hij op 4 maart 2016 op de oprit vond met daarin het vest en het briefje dat in het vest zat heeft weggegooid en dat hij dat vest waarop in zijn lezing mogelijk sporen van de door hem beschreven onbekende personen zou kunnen zitten op 4 maart 2016 in de wasmachine heeft gestopt.

Het hof neemt met betrekking tot de verzoeken van de verdediging in algemene zin in aanmerking dat:

  • -

    de omstandigheid dat mogelijk méér dan één mes is gebruikt bij het toebrengen van de verwondingen behoeft in het algemeen op zichzelf niets te zeggen over het aantal daders;

  • -

    niet valt te verwachten dat niet-matchende DNA-kenmerken tot het vinden van een dader zal (kunnen) leiden, te meer nu er vele verklaringen kunnen zijn voor het aantreffen van die kenmerken en de delictgerelateerdheid daarmee niet vaststaat. In dat verband wijst het hof ook op de verklaring van deskundigen Warnaar van het NFI en Herbergs van het TMFI ter terechtzitting van 8 mei 2017 bij de rechtbank:

De verklaring van Warnaar houdt blijkens het proces-verbaal van die zitting – zakelijk weergegeven – het volgende in:

“Aan de hand van het aantal kenmerken in een profiel kun je zien hoeveel personen hebben bijgedragen aan het mengprofiel. In deze zaak hebben we te maken met DNA dat niet is toe te schrijven aan een van de betrokkenen in de zaak. Dat is dan onbekend DNA, maar dat leidt niet naar een bepaalde persoon, het is niet geoormerkt. Als je een willekeurig huis gaat bemonsteren verwacht je ook DNA dat niet goed te plaatsen is, de kunst is om iets te vinden dat naar een persoon leidt. Dat is hier dus niet gelukt”.

De verklaring van Herbergs houdt blijkens het proces-verbaal van die zitting – zakelijk weergegeven – het volgende in:

“Ik wil opmerken dat ik twijfels heb bij nader onderzoek, het gaat om onvolledige complexe profielen. Naar mijn mening zal hier ook na aanvullend onderzoek geen profiel van een derde onbekende uit komen. In 10 van 25 sporen die ik heb onderzocht is sprake van een onbekende. Ik zeg niet dat dit dezelfde onbekende is, het kan in alle verschillende sporen een andere donor zijn. Ik denk dat de data te complex zijn om met nader onderzoek een derde te vinden. Dat geldt ook voor het Y-chromosomale onderzoek omdat we hier te maken hebben met een low template DNA. Dan is het lastig een Y-chromosomaal profiel op te maken. Ook met meerdere mannelijke donoren in een bemonstering wordt dit lastig, als sprake is van meerdere mannelijke donoren dan het Y-chromosomaal onderzoek weinig opleveren”.

Ter onderbouwing van de verzoeken heeft de verdediging (onder meer) verwezen naar het rapport van IFS van 8 februari 2019. Het hof ziet aanleiding in dit verband het volgende over IFS op te merken. De rechtbank heeft in het vonnis over IFS onder meer het volgende overwogen:

“IFS heeft een persbericht verspreid waarin bekend werd gemaakt dat IFS heeft vastgesteld dat zeer waarschijnlijk meerdere daders bij het misdrijf betrokken zijn. Door deskundigen van IFS zijn gelijkluidende uitlatingen gedaan in de televisieprogramma’s. De rechtbank is van oordeel dat een optreden in de media tijdens een nog lopende strafzaak moeilijk verenigbaar is met een optreden in een strafzaak als onafhankelijke deskundige. De inhoud van de gedane uitlatingen is in ieder geval niet verenigbaar met een positie als onafhankelijke deskundige. Een deskundige zal immers alleen de bevindingen kunnen duiden van zijn eigen onderzoek en die zich bevinden binnen zijn deskundigheidsgebied. Een oordeel of het misdrijf is gepleegd door één of meer daders zal alleen kunnen worden gevormd na kennisneming van alle relevante feiten en omstandigheden van de zaak. De desbetreffende deskundigen van IFS zijn hun onafhankelijke taak als deskundige bij hun publieke optreden te buiten gegaan”.

Het hof neemt deze overweging van de rechtbank over en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende. In het tussenarrest van 13 juli 2018 heeft het hof reeds overwogen dat het voor de benoeming tot deskundige van medewerkers die verbonden zijn aan IFS, alles overziend, geen ruimte meer ziet in deze zaak, gelet op de door de wet gestelde eis van onafhankelijkheid/onpartijdigheid. Daar komt bij dat ter zitting van 29 juni 2018 de raadsman van de verdachte – mr. Hoogendam – heeft aangegeven dat IFS een zogeheten afgeleide geheimhoudingsplicht heeft, nu IFS door de verdediging is ingeschakeld. In dit licht dient het rapport van IFS van 8 februari 2019 naar het oordeel van het hof dan ook met de nodige behoedzaamheid te worden bezien.

Het hof zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen achtereenvolgens nader op de verzoeken van de verdediging ingaan.

1. Nader DNA-onderzoek naar de DNA-mengprofielen op het mes (AAJL3499NL#03) en op de trui (AAHD2627NL#01) en nader onderzoek naar de complexe mengprofielen middels de MPS-methode

Het hof is van oordeel dat deze onderzoeken – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van de verzoeken is aangevoerd en tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor door het hof is overwogen – niet noodzakelijk zijn voor de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv, nog daargelaten dat de MPS-methode zich nog in een experimentele fase bevindt en wetenschappelijke literatuur over deze onderzoeksmethode zeer beperkt is. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst deze verzoeken derhalve af.

2. Verstrekking van de piekenprofielen en van een overzicht van de door het NFI en TMFI aangetroffen (vreemde) DNA-kenmerken

Nu het hof nader DNA-onderzoek bij het ontbreken van de noodzaak daartoe afwijst, ziet het hof – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd en tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor door het hof is overwogen – ook geen noodzaak om de piekenprofielen aan de verdediging ter beschikking te stellen dan wel het NFI en het TMFI een overzicht te laten opmaken van de aangetroffen (vreemde) DNA-kenmerken. Conform de motivering in het tussenarrest van 13 juli 2018 wijst het hof er daarbij op dat piekenprofielen doorgaans geen onderdeel uitmaken van het procesdossier. Anders dan de verdediging meent is het niet zo dat alle stukken die bij forensische onderzoeken worden gebruikt en/of daaraan ten grondslag liggen per definitie ook een processtuk zijn. Zoals door de advocaat-generaal is toegezegd en opgemerkt, bestaan geen bezwaren tegen het verstrekken van piekenprofielen aan een te benoemen deskundige, voor zover die deskundige aan zou geven de piekenprofielen nodig te hebben voor de uitvoering van een aan hem gegeven opdracht. Het hof wijst er nog op dat blijkens het door de verdediging ingebrachte rapport van IFS van 8 februari 2019 het IFS kennelijk de beschikking had over (enkele) piekenprofielen, nu deze zijn opgenomen in het rapport. Derhalve wijst het hof het verzoek af.

3. Nader onderzoek naar het bij het slachtoffer toegebrachte letsel

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd, waaronder het ingebrachte rapport van Bosmans en tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor door het hof is overwogen in het bijzonder waar het de bevindingen van Soerdjbalie-Maikoe betreft – niet noodzakelijk dat nader onderzoek wordt verricht op dit punt. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

4. Aanvullend onderzoek naar de aard van het celmateriaal op de bijrijdersstoel (AAJJ2748NL#02)

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing van dit verzoek is aangevoerd – en in aanmerking genomen dat de deskundigen over dit celmateriaal in eerste aanleg op zitting zijn gehoord en hetgeen hiervoor door het hof is overwogen – niet noodzakelijk dat dit onderzoek wordt verricht. Opgemerkt dient te worden dat het hof de sporen op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte in onderling verband en samenhang met de overige hiervoor genoemde bewijsmiddelen heeft bezien. Het door de verdediging ingebrachte rapport van Bosmans doet aan dit oordeel niet af, mede gelet op de door Bosmans gegeven onderbouwing. Daarnaast plaatst het hof vraagtekens bij de vraag of Bosmans op dit gebied wel voldoende deskundig is. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

5. Aanvullend autosomaal DNA-onderzoek naar de veiliggestelde, maar nog niet onderzochte bemonsteringen, en het aanvullend bemonsteren van trui, broek, slippers, sokken, inclusief de (bloed)sporen), handdoek, theedoek en auto

Evenals in het tussenarrest van 13 juli 2018 is overwogen acht het hof het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing is aangevoerd en het feit dat er al uitgebreid, door verschillende instanties, onderzoek is gedaan naar verschillende op deze sporendragers aangetroffen sporen – niet noodzakelijk dat dit onderzoek wordt verricht. De door de verdediging na het tussenarrest ingebrachte rapportages doen hieraan niet af. Het hof wijst in aanvulling daarop ook nog op de inleidende overwegingen onder het kopje ‘De verzoeken van de verdediging’. Het hof acht zich voldoende ingelicht en wijst het verzoek derhalve af.

6. Onderzoek naar de nog niet-onderzochte op de sokken aangetroffen haren en de haar op de bijrijdersstoel in de auto van de verdachte

Evenals in het tussenarrest van 13 juli 2018 is geoordeeld acht het hof het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing is aangevoerd – niet noodzakelijk dat dit onderzoek wordt verricht. De door de verdediging na het tussenarrest ingebrachte rapportages doen aan dit oordeel niet af. Het hof wijst in aanvulling daarop ook op de hiervoor, onder het kopje ‘De verzoeken van de verdediging’, weergegeven inleidende overwegingen. Het hof acht zich voldoende ingelicht en wijst het verzoek derhalve af.

7. Het horen van getuigen [getuige 3] en [getuige 4] naar aanleiding van de anonieme tipbrieven

Zoals het hof in het tussenarrest van 13 juli 2018 heeft opgemerkt is uit onderzoek van de politie gebleken dat de informatie in de anonieme brieven feitelijk niet juist kan zijn. Zoals eerst tijdens de inhoudelijke behandeling van het hof is gebleken, is de verdachte bekend met [getuige 3] en [getuige 4] , omdat hij met deze personen gedetineerd heeft gezeten. De advocaat-generaal heeft de registratiekaarten van [getuige 3] en [getuige 4] waaruit blijkt dat zij gedurende een zekere periode gelijktijdig met de verdachte in detentie hebben gezeten, aan het hof en de verdediging overgelegd. Van enig verband van deze personen met de feiten is niet gebleken. Gelet op de plek waarop de sporen zijn aangetroffen (en die te herleiden zouden zijn naar [getuige 3] en [getuige 4] ) op de enveloppe waarin deze tipbrieven zaten, is het goed mogelijk dat deze personen deze enveloppen op enig moment hebben aangeraakt en zodoende sporen hebben achtergelaten dan wel de verdachte hebben willen helpen door onjuiste informatie te verspreiden.

Het hof wijst het verzoek om het horen van deze personen als getuige af ook als aan het toepasselijke noodzaakcriterium op zo’n wijze invulling wordt gegeven dat het niet wezenlijk verschilt van het criterium van het verdedigingsbelang. Mede gelet op wat aan het verzoek ter grondslag is gelegd en wat ter terechtzitting in hoger beroep over de te horen personen is gebleken, kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat het horen van [getuige 3] en [getuige 4] met het oog op de volledigheid van het verzoek noodzakelijk is of dat de verdachte bij afwijzing van het verzoek redelijkerwijs in zijn belang is geschaad. Het hof wijst het verzoek daarom af.

8. Onderzoek naar vingerafdruk AAJL3477NL

Het hof acht het – mede gelet op hetgeen door de verdediging ter onderbouwing is aangevoerd – niet noodzakelijk dat dit onderzoek wordt verricht. Het hof wijst op de inleidende overwegingen onder het kopje ‘De verzoeken van de verdediging’ en merkt op dat de advocaat-generaal tijdens de inhoudelijke behandeling in reactie op dit verzoek heeft medegedeeld dat de politie de vingerafdruk heeft vergeleken met de databank van het vingerafdrukkenherkenningssysteem [naam systeem] en dat dit geen hit heeft opgeleverd. Het hof acht zich voldoende voorgelicht en wijst het verzoek derhalve af.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016, te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans éénmaal, voornoemde [slachtoffer] met een mes, a lthans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2016 tot en met 4 maart 2016 te Bilthoven, gemeente De Bilt, althans in het arrondissement Midden-Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een horloge (merk IWC) en/of een telefoon (merk Apple, type IPhone 6 S plus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte .

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

moord.

Het onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

diefstal .

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.

Het oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder de volgende omstandigheden in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.

De verdachte heeft zich in de periode van 3 maart 2016 tot 4 maart 2016 te Bilthoven schuldig gemaakt aan de moord van [slachtoffer] en de diefstal van diens kostbare horloge. De verdachte heeft het slachtoffer in diens eigen huis – terwijl de verdachte wist dat de toen zes jaar oude dochter van het slachtoffer boven lag te slapen – op een gruwelijke wijze van het leven beroofd door hem meermalen met een mes in het lichaam te steken. Bij het slachtoffer zijn door de arts en forensische patholoog 24 steekverwondingen vastgesteld. De verdachte heeft door zo te handelen het slachtoffer het meest fundamentele recht ontnomen waarover een mens beschikt, het recht op leven, terwijl het slachtoffer nog vol in het leven stond. Het moet voor het slachtoffer vreselijk zijn geweest om in zijn eigen woning te worden aangevallen door iemand met wie hij bevriend was, wetende dat zijn dochtertje boven lag te slapen en zij hem hoogstwaarschijnlijk zou vinden.

Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, heeft de verdachte gehandeld ter uitvoering van een door hem voorgenomen plan om het slachtoffer om het leven te brengen. Het hof sluit niet uit dat het motief van de verdachte om het slachtoffer van het leven te beroven is gelegen in schulden en terugbetalingsproblemen die door gokken zijn ontstaan en die de verdachte kennelijk heeft gemeend op te moeten lossen door het doden van [slachtoffer] .

Een dergelijk feit schokt de rechtsorde in ernstige mate en brengt voorts gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid mee.

Met voornoemd handelen heeft de verdachte aan de naaste familie, vrienden en bekenden van het slachtoffer onnoemelijk veel en onherstelbaar leed toegebracht. De door de vader en de broer van het slachtoffer ter terechtzitting bij het hof voorgelezen verklaringen en de verklaring van [naam 7] namens de dochter van het slachtoffer, evenals de door de andere broer van het slachtoffer ingebrachte schriftelijke slachtofferverklaring illustreren dit enorme verlies. Uit die verklaringen komt onder meer naar voren hoezeer zij het slachtoffer – ieder op hun eigen manier – missen en ook in de toekomst zullen blijven missen. Het verdriet dat zij ervaren is voor hen ook op dit moment nog onbeschrijfelijk.

Aan de destijds zes jaar oude dochter van het slachtoffer is bijzonder veel leed toegebracht. Al op zeer jonge leeftijd moet zij haar vader missen, terwijl het slachtoffer een warme band met haar onderhield en actief onderdeel uitmaakte van haar leven, onder meer omdat hij de gedeelde zorg voor haar droeg. Daar komt bij dat de dochter van het slachtoffer degene was die (in de vroege ochtend op 4 maart 2016, nadat zij wakker was geworden) als eerste werd geconfronteerd met de onomkeerbare gevolgen van het zeer gewelddadige handelen van de verdachte. Het kan niet anders dan dat het voor haar bijzonder schokkend en traumatisch moet zijn geweest om haar eigen vader – het slachtoffer – aan te treffen en zich nu of op enig ander moment te moeten realiseren dat zij boven lag te slapen, terwijl haar vader overleed en uren levenloos op de keukenvloer heeft gelegen. In dat verband hecht het hof eraan er op te wijzen dat de dochter van het slachtoffer tegenover de politie heeft verklaard dat zij op de bewuste avond/nacht wakker is geworden van gegil van haar vader, dat zij heeft gehoord dat hij “Au” riep en dat dit in haar beleving wel 100 seconden duurde. Door toedoen van de verdachte zal zij haar hele leven deze ervaringen mee moeten dragen.

Met de rechtbank overweegt het hof dat de wetgever voor moord als strafmaximum een levenslange gevangenisstraf dan wel een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren heeft gesteld. Voor dergelijke feiten zijn er binnen de rechtspraak geen landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting vastgesteld. Het hof heeft bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf gekeken naar straffen die zijn opgelegd ter zake van soortgelijke misdrijven en heeft – evenals de rechtbank – geconstateerd dat dergelijke zaken uniek zijn en zich niet tot nauwelijks laten vergelijken met andere zaken, nu iedere moord wel een aantal specifieke elementen in zich draagt. Beginpunt van denken over de aan de verdachte op te leggen straf is voor het hof een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren geweest.

In strafverzwarende zin slaat het hof acht op de – reeds hiervoor genoemde – omstandigheid dat het slachtoffer en de verdachte bevriend waren en dat het slachtoffer in zijn eigen huis om het leven is gebracht.

Eveneens weegt het hof in strafverzwarende zin mee dat de verdachte het slachtoffer op een zeer gewelddadige wijze van het leven heeft beroofd, terwijl hij wist dat de destijds zes jaar oude dochter van het slachtoffer in de woning lag te slapen en dat hij zich ervan bewust moet zijn geweest dat zij, wanneer zij wakker zou worden en op zoek zou gaan naar haar vader, als eerste geconfronteerd zou worden met de gevolgen van zijn gewelddadig handelen. Kennelijk hebben deze omstandigheden de verdachte er niet van weerhouden zich schuldig te maken aan dit feit en heeft hij er ook niets aan gedaan om de dochter de confrontatie met haar overleden vader te besparen. Het hof rekent de verdachte dat zeer zwaar aan.

Verder heeft het hof in strafverzwarende zin meegewogen dat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven over wat er in de avond van 3 maart 2016 op 4 maart 2016 precies tussen hem en [slachtoffer] is voorgevallen en wat voor hem de reden is geweest [slachtoffer] van het leven te beroven. Op geen enkele wijze heeft de verdachte getoond op enigerlei wijze verantwoordelijkheid te nemen van de door hem gepleegde strafbare feiten. Dit klemt temeer nu deze houding van de verdachte met zich brengt dat veel vragen van de nabestaanden op dit punt onbeantwoord zullen blijven. Daar komt bij dat uit het dossier genoegzaam naar voren is gekomen dat de verdachte meermalen, enkel uit eigen belang, heeft getracht sporen te (laten) wissen en/of achter te houden.

Het hof laat deze omstandigheden zwaarder in het nadeel van verdachte wegen dan de rechtbank eerder heeft gedaan. Het legt daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 jaar op.

De omstandigheid dat de verdachte first offender is werkt in dit geval niet strafverminderend naar het oordeel van het hof, gelet op de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde (in het bijzonder het bewezenverklaarde onder 1).

Alles afwegende is het hof van oordeel dat de oplegging van een zeer lange tijdelijke gevangenisstraf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof op het beslag beslist conform de beslissing van de rechtbank op dit punt.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto van de verdachte dient te worden aangemerkt als een stuk van overtuiging en derhalve een opheffing van het beslag, meer in het bijzonder teruggave aan de verdachte, niet dient plaats te vinden. Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de goederen op de beslaglijst onder 10, 28 en 29 aan de verdachte dienen te worden teruggeven, nu deze goederen onder de verdachte in beslag zijn genomen. Voor de overige goederen die in beslag zijn genomen onder de verdachte en of diens naaste familieleden maar niet zijn vermeld op de beslaglijst dient het hof te bepalen dat deze goederen aan de verdachte worden teruggegeven.

Het hof zal op het beslag beslissen conform de beslissing van de rechtbank hieromtrent, met uitzondering van de goederen zoals vermeld op de beslaglijst onder 10, 28 en 29. Naar het oordeel dienen deze goederen – conform het standpunt van de verdediging – terug te worden gegeven aan de verdachte en niet aan de erven van [slachtoffer] . Voor de overige goederen die in beslag zijn genomen, maar niet zijn opgenomen op de beslaglijst is het hof van oordeel dat deze goederen dienen te worden teruggegeven aan degene onder die de goederen in beslag zijn genomen. Het hof ziet geen reden om de auto van de verdachte aan te merken als stuk van overtuiging en zal dan ook teruggave van de auto aan de verdachte gelasten.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij – de vader van [slachtoffer] – heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.024,73,- (aan materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Tevens is gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] volledig dient te worden toegewezen, nu die kosten die direct betrekking hebben op het thans gevoerde proces een direct gevolg zijn van de door de verdachte gepleegde feiten en bovendien door de proceshouding van de verdachte fors hoger zijn dan nodig was geweest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd aan de verdachte ten aanzien van het toe te wijzen bedrag, alsmede voor de verschuldigde wettelijke rente, de schadevergoedingsmatregel op te leggen.

De verdediging heeft zich in het algemeen wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen waaronder [benadeelde 1] primair op het standpunt gesteld dat zij afgewezen dienen te worden dan wel niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op de verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde (onder 1). Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen een te grote belasting voor het strafproces vormen en om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Wat betreft de vordering van [benadeelde 1] heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat deze benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat de vordering dient te worden afgewezen, nu zij niet voldoet aan de wettelijke vereisten en de wetgever geen ruimte heeft gelaten om de hier door een nabestaande gevorderde schadecomponenten voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat in geval van een (gedeeltelijke) toewijzing het gevorderde bedrag moet worden gematigd.

Het hof overweegt – met de rechtbank – dat de door [benadeelde 1] gevorderde schade betstaat uit reiskosten en verblijfs-/logieskosten, die samenhangen met bezoeken aan de officier van justitie en de rechtbank. Het is aannemelijk, mede gelet op de stukken die ter onderbouwing aan de vordering zijn toegevoegd, dat deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Het betreft echter geen kosten die vallen onder de in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) limitatief opgesomde schade die de in die bepaling bedoelde personen wegens aansprakelijkheid wegens iemands overlijden vergoed kunnen krijgen. Het hof is daarom – met de rechtbank – van oordeel dat de door [benadeelde 1] gevorderde schadevergoeding niet kan worden toegewezen en dat hij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De vordering

De benadeelde partij – de minderjarige dochter van [slachtoffer] – heeft zich door middel van haar wettelijk vertegenwoordiger in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 140.851,80 (aan materiële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Tevens is gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De benadeelde partij heeft ook een vergoeding van haar proceskosten gevorderd ten bedrage van € 121,38.

Naast de vergoeding van de hiervoor genoemde materiële schade is namens [benadeelde 2] door haar wettelijk vertegenwoordiger een schadevergoeding in natura gevorderd, op grond van artikel 6:103 BW, in die zin dat aan de verdachte een contactverbod ten opzichte van [benadeelde 2] en een gebiedsverbod voor Bilthoven (gemeente De Bilt) wordt opgelegd. Deze verboden dienen in te gaan op de datum van de (voorwaardelijke) invrijheidstelling van de verdachte en dienen een duur te hebben van tien jaren. Alles op straffe van een dwangsom van € 500,- per keer dat de verdachte de opgelegde verboden overtreedt.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 46.105,85.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering benadeelde partij [benadeelde 2] volledig dient te worden toegewezen, evenals de gevorderde proceskosten. Betoogd is dat de rechtbank bij het beoordelen van de vordering onvoldoende rekening heeft gehouden met de aard van de bewezenverklaarde onrechtmatige daad. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd aan de verdachte ten aanzien van de toe te wijzen bedragen, alsmede voor de verschuldigde wettelijke rente, de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich in het algemeen wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen waaronder [benadeelde 2] primair op het standpunt gesteld dat zij afgewezen dienen te worden dan wel niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, gelet op de verweren strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde (onder 1). Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen een te grote belasting voor het strafproces vormen en om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

Wat betreft de vordering van [benadeelde 2] heeft de verdediging zich verder op het standpunt gesteld dat, met de in de pleitnota genoemde onderbouwing, enkel de directe kosten die zien op de teraardebestelling tot een bedrag van € 45.214,55 voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van deze vordering op het standpunt gesteld dat de gevorderde schadevergoeding dient te worden gematigd omdat de verdachte thans en bij een eventueel op te leggen vrijheidsbenemende straf geen enkele financiële draagkracht heeft. In het verlengde hiervan is verzocht af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel, nu de verdachte gedurende zijn detentie de vordering niet zal kunnen voldoen en er voorts geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat dit in de jaren na zijn detentie wel het geval zou zijn. In die situatie zou de verdachte bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel met zekerheid tot een langere detentie worden veroordeeld, hetgeen niet strookt met het doel van de schadevergoedingsmaatregel.

Oordeel van het hof

Het hof komt tot dezelfde conclusies als de rechtbank wat betreft de vordering van [benadeelde 2] en neemt onderstaande overwegingen van de rechtbank zodoende over en maakt die tot de zijne. De rechtbank overwoog:

“Artikel 51f, tweede lid, Sv geeft, in samenhang met artikel 6:108 BW een regeling voor kosten die nabestaanden kunnen vorderen als benadeelde partij in het strafproces bij het overlijden van iemand als gevolg van het strafbare feit. Artikel 6:108 BW geeft een limitatieve (uitputtende) opsomming van wat gevorderd kan worden. Alleen de kosten die in dit artikel worden genoemd, kunnen voor een vergoeding in aanmerking komen. Het gaat dan om de kosten van levensonderhoud en lijkbezorging. Ook kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar. Vergoeding van andere schade dan deze posten kan in beginsel niet gevorderd worden door nabestaanden in het kader van de strafprocedure.

De rechtbank zal allereerst de door [benadeelde 2] gevorderde schade met betrekking tot de kosten van de uitvaart bespreken. In totaal is in dat verband een bedrag gevorderd van € 138.334,39, bestaande uit 38 posten. De volgende posten zijn, met inachtneming van artikel 6:108, tweede lid, BW naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar:

- post 1 en 22 factuur [bedrijf] uitvaartzorg € 19.365,79

- post 7 advertentiekosten € 328,90

- post 9 aankoop enveloppen en postzegel € 100,00

- post 10 en 37 grafsteen € 6.954,57

- post 16 onderhoud graf € 1.500,00

- post 18 gebruiksrecht graf € 10.768,00

- post 21 bloemen plechtigheid € 3.981,36

- post 30 bloemen in de kerk € 3.047,65

Totaal € 46.046,27

De rechtbank is van oordeel dat een beoordeling van het overige gedeelte van de gevorderde uitvaartkosten niet kan plaatsvinden in dit strafproces. Het betreffen onder andere kosten die verband houden met de opbaring van [slachtoffer] in zijn beoogde nieuwe woning. Of dergelijke kosten betrekking hebben op de lijkbezorging en in hoeverre overige kosten die zijn gemaakt rondom de plechtigheid daaronder vallen zijn (deels) principiële vragen waarvan de beantwoording daarvan niet thuishoort in een strafproces, maar in een civiele procedure. Een nader onderzoek levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. De rechtbank zal het overige gedeelte van de gevorderde uitvaartkosten daarom niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Daarmee komt de rechtbank vervolgens toe aan de overige gevorderde schade ter hoogte van in totaal € 2.517,41.

De post reis- en parkeerkosten ter hoogte van € 59,58 heeft betrekking op bezoeken aan het UMC Psychotraumacentrum voor de behandeling van de dochter van [slachtoffer] . Uit de overgelegde stukken en uit de namens de dochter afgelegde slachtofferverklaring in het kader van het spreekrecht is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat de dochter van [slachtoffer] is getraumatiseerd door de gebeurtenissen rondom het overlijden van haar vader. Zij is als zesjarige geconfronteerd met haar overleden vader. De kosten die in dit verband zijn gemaakt, zijn daarom aan te merken als shockschade en zullen door de rechtbank worden toegewezen. Voor de overige kosten geldt dat dit geen kosten zijn die vallen onder de eerder genoemde limitatieve opsomming van artikel 6:108 BW. Dat betekent dat de vordering voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

In totaal wordt aan [benadeelde 2] een bedrag toegewezen van € 46.105,85.

[benadeelde 2] heeft ten slotte een contact- en gebiedsverbod gevorderd. De rechtbank overweegt dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte, tegen de wil van de dochter van [slachtoffer] in, contact met haar zal zoeken of in de omgeving van haar huis zal komen. Daar komt bij dat een dergelijk verbod pas zou ingaan nadat verdachte een gevangenisstraf van een aanzienlijk aantal jaren heeft uitgezeten. Het is nu niet te voorzoen of en, zo ja, hoe dat er concreet uit zou moeten zien. Daarom zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Verdachte en de benadeelde partij zijn allebei te beschouwen als de (gedeeltelijk) in het ongelijk gestelde partij. Om die reden zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [benadeelde 2] aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 46.105,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente, steeds vanaf het moment dat de (afzonderlijke) betalingen zijn verricht, tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 265 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft”.

In aanvulling daarop overweegt het hof nog dat het – in hetgeen de verdediging hieromtrent heeft aangevoerd – geen reden ziet de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen, nu niet aannemelijk is geworden dat de verdachte nu of in de toekomst niet beschikt of kan beschikken over voldoende vermogen om de vordering te voldoen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 289 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Wijst de door de verdediging gedane verzoeken (strekkende tot (nader) onderzoek) af;

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beslag

Gelast de teruggave aan de rechthebbenden, te weten de erven van [slachtoffer] , van de voorwerpen genoemd op de aan dit arrest gehechte beslaglijst, te weten de goederen met de nummers 3 t/m 6 en 30, alsmede het inbeslaggenomen horloge, merk IWC (met goednummer 328822);

Gelast de teruggave aan de verdachte van de voorwerpen genoemd op de aan dit arrest gehechte beslaglijst, te weten de goederen met de nummers 1, 2, 7 t/m 29, 31 t/m 60;

Gelast ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen, niet zijnde de goederen zoals vermeld op de beslaglijst, teruggave aan degene onder wie de voorwerpen in beslag zijn genomen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 46.105,85 (zesenveertigduizend honderdvijf euro en vijfentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, steeds vanaf het moment dat de (afzonderlijke) betalingen zijn verricht, tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 46.105,85 (zesenveertigduizend honderdvijf euro en vijfentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, steeds vanaf het moment dat de (afzonderlijke) betalingen zijn verricht, tot aan de dag der voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 265 (tweehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. W.A. Holland, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

en op 22 maart 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 De verdediging heeft in dat kader gewezen op een vonnis van de rechtbank Rotterdam van 2 november 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BO4086.

2 Vgl. Hoge Raad 1 juni 1999, NJ 1999/567.

3 EHRM 8 januari 2016, appl.no. 77212/12 (Korosec/Slovenië).

4 Hoge Raad 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584.

5 Hoge Raad 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673.

6 Hoge Raad 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.

7 Hoge Raad 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:652.

8 Indien wordt gesproken over “een matchkans kleiner dan 1 op 1 miljard”, dan wordt hiermee telkens bedoeld: “de kans dat een willekeurig onbekend persoon matcht met het DNA profiel is kleiner dan één op één miljard”.

9 Hoge Raad 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, Hoge Raad 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, en Hoge Raad 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761.

10 Vgl. Hoge Raad 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359.