Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2455

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
200.213.175/01 en 200.213.466/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg van een garantieovereenkomst; wat de ene partij heeft moeten begrijpen en de andere partij heeft kunnen begrijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummers gerechtshof 200.213.175/01 en 200.213.466/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 4902251 CV EXPL 16-2004)

arrest van 19 maart 2019

In de zaak met nummer 200.213.175

Clean World Nederland B.V.,

gevestigd te IJsselmuiden,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: CWN,

advocaat: mr. J.W. Both, kantoorhoudend te Kampen,

tegen

Handelsmaatschappij Teunissen & Becking B.V.,

gevestigd te Almelo,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: T&B,

advocaat: mr. P.H.A. Mulder, kantoorhoudend te Almelo,

en in de zaak met nummer 200.213.466

Handelsmaatschappij Teunissen & Becking B.V.,

gevestigd te Almelo,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: T&B,

advocaat: mr. P.H.A. Mulder, kantoorhoudend te Almelo,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [A] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.W. Both, kantoorhoudend te Kampen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarresten van 19 juni en 21 augustus 2018 in beide zaken hier over. Daarin is telkens een comparitie van partijen gelast. Deze gecombineerde comparitie is gehouden op 8 februari 2019. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken. Vervolgens heeft het hof bepaald dat in beide zaken arrest wordt gewezen op basis van de met dat proces-verbaal aangevulde comparitiedossiers.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die zijn beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis van 14 februari 2017, aangevuld met enkele feiten die in appel zijn komen vast te staan.

2.2

T&B exploiteert een groothandel in tegels, keukens en badkamers. CWN richt zich op advisering op reclame- en promotiegebied. De echtgenote van [geïntimeerde] (hierna: mw. [B] ) is enig aandeelhouder van CWN. Die vennootschap wordt ook door haar bestuurd, tezamen met haar zoon [C] - in dat laatste geval door middel van een andere vennootschap.

2.3

In artikel 2 van de statuten van CWN, opgenomen in een oprichtingsakte van

13 april 1999, aanhef en onder lid 1, staat vermeld:

"De vennootschap heeft ten doel:

(…)

voorts het stellen van zekerheden voor schulden van andere ondernemingen, met name voor die waarmede de vennootschap in een groep verbonden is;"

2.4

Op 28 maart 2013 heeft [C] namens CWN aan T&B onder meer het volgende geschreven.

"Op verzoek is er een garantie verklaring afgegeven voor een borgstelling t.w.v. 30.000 euro. Nu vallen jullie over een ontbrekende handtekening. Deze handtekening is inmiddels onder het document geplaatst en wordt bij dezen aan u verzonden zodat u deze kunt doorsturen aan het contact persoon bij Euler Hermes.

(...)

Tevens wordt er verzocht om goederen die geleverd moeten gaan worden om die vooraf te voldoen. Hier kunnen wij heel kort over zijn; dit gaan niet gebeuren!

Waarom niet? Wij zijn bereid garant te staan voor een bedrag van 30.000 euro en dit bedrag is bij lange na nog niet uitgeleverd.

(...)

Wij verwachten aan het begin van de middag (...) de schriftelijk bevestiging van de kant van Teunissen & Becking te krijgen dat de gevraagde tegels gewoon uitgeleverd gaan worden (en ook de tegels voor de showroom Dronten) en dat er tot een bedrag van 30.000 euro (en uiteraard binnen de 105 dagen) geen getouwtrek over betalingen meer gaat plaatsvinden."

2.5

Euler Hermes is de kredietverzekeraar van T&B.

2.6

In antwoord op de e-mail van [C] heeft [D] (hierna: [D] ) diezelfde dag aan CWN geschreven:

"Mbt tot de garantie verklaring staat er niet duidelijk in dat het leveringen in de genoemde periode betreft dit moet volgens euler cobac wel zo benoemd worden.

Dit svp aanpassen en mij opsturen dan is het ok."

2.7

Op 5 april 2013 schrijft [D] aan CWN onder meer:

"Ik vraag nog even jouw aandacht voor de nieuwe garantie verklaring waarin de termijn moet worden benoemd, deze hebben wij nog niet ontvangen…"

2.8

[C] reageert diezelfde dag met:

"Ik zorg dat deze verklaring dit weekend wordt aangepast.

Hopende je hiermee voldoende geïnformeerd te hebben."

2.9

Op 18 april 2013 is in een brief van CWN aan T&B een garantstelling afgegeven met de volgende, door [C] ondertekende tekst.

"Hierbij verklaren wij voor een totaal bedrag van € 30.000,00 (dertigduizend euro) aan leveranties, betreffende geleverde tegels en showroommaterialen t.b.v. Delta Sanitair & Tegels B.V. gevestigd te Genemuiden, garant te staan.

Deze garantstelling is van kracht voor een periode van twaalf maanden te rekenen vanaf 01- 02-2013 en eindigt derhalve op 31-01-2014, waarna opnieuw zal worden beoordeeld of een verlenging met wederom een jaar gewenst is.

Garantstelling is opeisbaar indien facturen ouder zijn dan 75 dagen na factuurdatum."

2.10

Op 27 januari 2014 heeft mw. [B] namens de directie van CWN aan T&B het volgende geschreven.

"Hierbij verklaren wij voor een totaal bedrag van € 15.000.00 (vijftienduizend euro) aan leveranties, betreffende geleverde tegels en aanverwante artikelen t.b.v. Delta Sanitair & Tegels B.V. gevestigd te Genemuiden, garant te staan.

Deze garantstelling is van kracht voor een periode van twaalf maanden te tekenen vanaf 01- 02-2014 en eindigt derhalve op 31-01-2015.

Garantstelling is van toepassing op facturen die ouder zijn dan negentig dagen en waarop kredietverzekering niet meer van toepassing is."

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

T&B heeft in eerste aanleg kort gezegd gevorderd dat CWN en [geïntimeerde] worden veroordeeld om aan T&B respectievelijk € 17.324,43 en € 22.155,72 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente. Ook wordt hoofdelijke veroordeling gevorderd van CWN en [geïntimeerde] tot betaling van € 998,61 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.2

De kantonrechter heeft de vordering tegen [geïntimeerde] afgewezen en heeft CWN veroordeeld tot betaling van € 18.272,67, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW.

3.3

In de zaak met nummer 200.213.175 komt CWN tegen deze toewijzing op, in de zaak met nummer 200.213.466 ageert T&B tegen de afwijzing van de vordering tegen [geïntimeerde] Die samenhang is aanleiding beide zaken gezamenlijk te behandelen. Het hof zal hierna eerst ingaan op de grieven van CWN (genummerd 1 tot en met 5), en daarna de grieven van T&B (genummerd 1 tot en met 9).

4 Doeloverschrijding (grief 1 van CWN)

4.1

CWN heeft de vernietiging ingeroepen van de garantstellingen wegens doeloverschrijding in de zin van artikel 2:7 BW. Dat verweer heeft de kantonrechter niet gehonoreerd. Daarbij heeft zij overwogen dat niet per definitie sprake hoeft te zijn van doeloverschrijding wanneer de statutaire doelomschrijving de rechtshandeling niet uitdrukkelijk toestaat. CWN bestrijdt dat niet, en onderkent zelfs (terecht) dat onder het statutaire doel ook handelingen kunnen vallen die uit het doel voortvloeien en daarmee samenhangen, ook al waren zij niet uitdrukkelijk in de concrete statutaire doelomschrijving vermeld (zogenoemde secundaire handelingen).

4.2

Gelet op het voorgaande kan in dit geval uit de door CWN gegeven onderbouwing niet volgen dat een beroep op nietigheid van de garantstelling wegens doeloverschrijding mogelijk is. Uit de statuten van CWN, opgenomen in de oprichtingsakte (productie 1, memorie van grieven), blijkt dat zij onder meer tot doel heeft "het stellen van zekerheden voor schulden van andere ondernemingen, met name voor die waarmede de vennootschap in een groep verbonden is". Hieruit volgt naar oordeel van het hof dat afgifte van de garanties waar T&B zich op beroept binnen de doelomschrijving van CWN valt. Daarmee ontvalt elke zinnige onderbouwing aan de stellingen van CWN. Voor zover CWN heeft willen betogen dat deze formulering aldus moet worden begrepen dat uitsluitend zekerheden ten behoeve van groepsvennootschappen (als bedoeld in artikel 2:24b NW) onder de doelstelling vallen, dan geldt dat die stelling als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen. De tekst van de betreffende bepaling wijst daar niet op; de woorden ‘met name’ duiden niet zonder meer op een beperking tot groepsmaatschappijen. Op grond van welke feiten en omstandigheden dat wel zo zijn, is door CWN niet duidelijk gemaakt.

4.3

De grief faalt.

5 De strekking van de garanties (grief 2 van CWN)

Inleiding

5.1

Tussen partijen is gediscussieerd over de strekking van de twee afgegeven garanties. Volgens T&B is daarin op verzoek van haar kredietverzekeraar telkens een periode opgenomen ter afbakening van de leveringen waar de garantie op betrekking heeft. CWN en [geïntimeerde] verdedigen het standpunt dat niet sprake is van een dergelijke periode, maar van een eindtermijn (de garantie zou slechts zien op leveringen die stammen van voor de desbetreffende datum; in de eerste garantie is dat 1 februari 2013) en een vervaltermijn (in de eerste garantie: na 31 januari 2014; de garantie kan volgens CWN en [geïntimeerde] na die datum niet meer worden ingeroepen).

De beslissing van de kantonrechter

5.2

Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en die door de kantonrechter gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de kantonrechter ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe.

Uitganspunten

5.3

Met de kantonrechter stelt het hof voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (HR 13 maart 1981, NJ 1981,635; Haviltex).

5.4

Bij de beoordeling van de omstandigheden waaronder in dit geval de garantie is aangegaan, staat centraal dat deze is afgegeven nadat Euler Hermes de kredietlimiet met betrekking tot CWN met ingang van 15 februari 2013 had ingetrokken, en dat die verzekeraar zekerheid verlangde voor de herleving van kredieten ter zake van toekomstige leveringen aan CWN. Dat dit ook voor CWN duidelijk was, staat niet ter discussie. Het blijkt ook uit de correspondentie die aan de ondertekening van de garantie vooraf is gegaan: in een mail van 28 maart 2013 vraagt [D] aan [C] de tekst van de garantie aan te passen, omdat volgens de kredietverzekeraar benoemd moest worden dat het ‘leveringen in de genoemde periode betreft’. Onbestreden is daarbij dat de betaling van wat inmiddels al was geleverd, door de kredietverzekering gedekt bleef.

Wat CWN heeft moeten begrijpen

5.5

Gelet op het hiervoor geformuleerde uitgangspunt ligt het voor de hand dat de garantie betrekking had op toekomstige leveringen in de in de garantie genoemde periode. Dat het voor CWN duidelijk was dat het daar voor T&B inderdaad om ging, blijkt uit de

e-mailcorrespondentie. In haar e-mail van 28 maart 2013 spreekt T&B immers over een garantie ten aanzien van leveringen in die periode. [C] heeft ten tijde van het overleg over de tekst van de garantie aan [D] geschreven dat CWN (in concept) al een garantieverklaring heeft afgegeven voor 30.000,-, met de toevoeging dat dit bedrag bij lange na nog niet was uitgeleverd. Hij ging er op dat moment dus zelf ook van uit dat nog leveringen konden plaatsvinden die onder de garantie zouden vallen. Dat blijkt eveneens uit zijn opmerking in dezelfde mail dat hij wel tot een garantie bereid was, maar goederen die geleverd moesten gaan worden niet vooraf wenste te voldoen. Al deze uitlatingen staan haaks op de lezing van CWN, en ondersteunen die van T&B. CWN heeft dat ook zo moeten begrijpen.

Wat T&B heeft kunnen begrijpen

5.6

Mocht CWN al hebben bedoeld niet uit te gaan van een periode (een begin- en een eindtermijn), maar van een eerste en een latere eindtermijn, dan is dat onverenigbaar met de door haar zelf aangepaste tekst en de uitlatingen van [C] , en heeft T&B dat om die reden niet hoeven te begrijpen. Er is ook verder hoegenaamd niets aangevoerd dat voor T&B aanleiding had moeten zijn daarover te twijfelen. De uitdrukking ’geleverde tegels’ in de tekst van de garantie die uiteindelijk is getekend, is niet zo’n omstandigheid, omdat de garantie hoe dan ook niet ziet op tegels die nog niet zijn geleverd - ook niet in de lezing van T&B. Meer in het bijzonder is op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat T&B de uitdrukking ‘geleverde tegels’ toch, in weerwil van de overige tekst van de garantie, had moeten opvatten als een verhulde weigering van CWN om te spreken over ‘nieuw te leveren goederen’.

Conclusie

5.7

Het voorgaande kan slechts tot de conclusie leiden dat wat T&B heeft aangevoerd over de strekking van de garantie als onvoldoende gemotiveerd betwist is vast komen te staan. Wat geldt voor de eerste garantie, geldt in gelijke mate voor de tweede. Ook in hoger beroep is daarom, ondanks het gedane bewijsaanbod, geen ruimte voor het leveren van (tegen)bewijs door CWN.

6 De voorwaarde in de tweede garantie (grief 3 van CWN)

6.1

De tweede garantie is van toepassing op facturen waarop de kredietverzekering niet meer van toepassing is, en bevat daarmee een voorwaarde ter zake van die toepasselijkheid. CWN beroept zich erop dat die voorwaarde aan de nakoming in de weg staat, en stelt daartoe dat deze voorziening is ingebouwd om zeker te stellen dat de garantie niet geldt als Euler Hermes toch ter zake van gedane leveringen dekking zou bieden (memorie van grieven onder 9). Daarmee beroept zij zich op het ontbindende karakter van de voorwaarde. De stelplicht ter zake van het bestaan en in werking treden van een dergelijke voorwaarde rust op CWN. Aan die stelplicht heeft zij in onvoldoende mate voldaan door in essentie slechts bij gebrek aan wetenschap te betwisten dat Euler Hermes ter zake de door de tweede garantie gedekte facturen (nog steeds) geen dekking bood. Een specifiek op dit bevrijdende verweer toegespitst bewijsaanbod ontbreekt bovendien.

6.2

Dit alles betekent dat de grief geen doel kan treffen.

7. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (ongenummerde grief van CWN)

7.1

In de grieven onder 10 treft het hof een verwijzing aan naar de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, die ook kan worden begrepen als een beroep op de beperkende werking van dat leerstuk. Hierin kan een niet-genummerde (verholen) grief worden gelezen. Die grief is echter vergeefs voorgedragen, omdat elke onderbouwing ervan ontbreekt.

8 De aan Delta Keukens Dronten B.V. gerichte factuur (grief 4 van CWN)

8.1

Onderdeel van de vordering van T&B maakt uit een bedrag van € 1.061,40. De factuur voor die vordering is op naam gesteld van Delta Keukens Dronten B.V., en niet op naam van Delta Sanitair & Tegels B.V. CWN handhaaft het verweer dat die vordering om die reden niet onder de garantie valt.

8.2

Het hof leest in de grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie opnieuw geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de kantonrechter gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de kantonrechter ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog aan toe dat de kantonrechter in de procedure waarin voldoening van deze factuur is gevorderd, onder verwijzing naar de bestel- en afleverbon heeft overwogen dat niet Delta Keukens Dronten B.V. maar Delta Sanitair & Tegels B.V. de bestelling heeft geplaatst en daarom als contractpartij heeft te gelden.

9 Wettelijke rente (grief 5 van CWN)

9.1

De vijfde grief, die is gericht tegen toewijzing van de wettelijke rente, deelt het lot van de andere grieven van CWN.

10. De aansprakelijkheid van [geïntimeerde] als feitelijk leidinggevende van CWN (de grieven van T&B)

10.1

Behalve CWN is ook [geïntimeerde] aangesproken tot betaling van de onder de garantie vallende leveringen. Uit het verhandelde ter zitting maakt het hof op dat die vordering is gebaseerd op het leerstuk onrechtmatige daad, meer in het bijzonder op het leerstuk betreffende bestuurdersaansprakelijkheid en dan nog meer specifiek op de stelling dat [geïntimeerde] feitelijk leidinggevende was van CWN (en niet ook: dat hij leiding gaf aan een van de Deltavennootschappen).

10.2

Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichtingen in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en die door de kantonrechter in rechtsoverwegingen 4.29 en 4.30 gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft wat de kantonrechter ter motivering van haar beslissing heeft overwogen en neemt die motivering over.

Van beleidsbepaler als bestuurder zal in beginsel slechts sprake zijn indien de betreffende persoon op de stoel van de bestuurder is gaan zitten. Het moet gaan om het rechtstreeks bemoeienis hebben met de beleidsbepaling en het zodoende aan zich trekken van bestuursmacht. Er is sprake van feitelijk leidinggeven als de feitelijke leidinggever aan de bestuurder zijn wil oplegt en die daarmee terzijde stelt (o.a. Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden 27 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10333). De grief kan geen doel treffen, omdat onvoldoende is onderbouwd dat dhr. [geïntimeerde] als feitelijk beleidsbepaler van CWN in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt, alsmede omdat elke onderbouwing ontbreekt voor de stelling dat hij bij het stellen van de garanties wist of moest weten dat die niet zouden kunnen worden nagekomen (betalingsonmacht). Het enkele feit dat hij bemoeienis heeft gehad met het afgeven van de garantie – samen met zijn vrouw en zoon overigens – is daartoe niet voldoende. Voor zover bij gelegenheid van het pleidooi nog een beroep is gedaan op “betalingsonwil”, is dat tardief, want in strijd met de twee-conclusieregel, zonder dat sprake is van uitzonderingen op die regel.

10.3

In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof dat een op het voorgaande toegesneden bewijsaanbod ontbreekt. Ter zake van dit verwijt moeten de grieven daarom stranden.

11. De aansprakelijkheid van [geïntimeerde] , handelend in privé (de grieven van T&B)

11.1

Voor zover T&B heeft bedoeld dat [geïntimeerde] zich persoonlijk voor betaling van de onder de garantie vallende vorderingen borg heeft gesteld, heeft de kantonrechter overwogen dat T&B daarvoor onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht. Van een borgtochtovereenkomst in de zin van artikel 7:850 BW is immers niet gebleken, en uit de mededelingen van [geïntimeerde] tegenover T&B dat hij nog niet betaalde oude posten zou betalen, of dat hij er alles aan zou doen om binnen enkele weken de schulden af te lossen, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid dat hij zich persoonlijk borg heeft gesteld. Het hof deelt dat oordeel en voegt aan deze motivering het volgende toe.

11.2

Deze zaak kenmerkt zich door verwevenheid van zakelijke belangen en familieverhoudingen aan de zijde van CWN en wat tezamen wel als de Delta-vennootschappen is aangeduid. [geïntimeerde] vervulde weliswaar geen formele rol bij die vennootschappen, maar voerde er met zijn eigen accountantskantoor wel de administratie voor en bemoeide zich ook op inhoudelijk vlak intensief met de gang van zaken. Dat was ook het geval bij de contacten met T&B. Deze contacten hebben ertoe geleid dat - volgens T&B onder feitelijke leiding van [geïntimeerde] - afspraken met CWN zijn geformaliseerd in de vorm van schriftelijke, door de bestuurders van die vennootschap ondertekende garanties. Daaruit kan echter niet worden afgeleid dat [geïntimeerde] zich daarnaast door borgtocht of anderszins in privé heeft willen binden voor schulden van een van de Deltavennootschappen. Het enkele feit dat hij op enig moment met gebruikmaking van een privémailadres en zijn privételefoon geruststellende mededelingen heeft gedaan over te verrichten betalingen (hij zou sowieso nog oude posten betalen; [D] hoefde echt niet ongerust te zijn, 'wat er ook gebeurt'; hij zou er alles aan doen om binnen enkele weken de schuld af te werken c.q. openstaande rekeningen over laten maken) brengt dat onder de gegeven omstandigheden niet mee - in het bijzonder niet met het oog op de administratieve functie die het kantoor van [geïntimeerde] bij CWN en de Deltavennootschappen uitoefende. Het enkele feit dat hij zo ver is gegaan dat hij in verband met dit alles de verkoop van enkele privézaken heeft aangekondigd, kan dat niet veranderen. Ook overigens is het standpunt van T&B onvoldoende feitelijk onderbouwd.

11.3

Een en ander betekent dat de grieven van T&B op dit onderdeel eveneens falen.

12 Tot slot in beide zaken

12.1

De conclusie van al het voorgaande luidt dat het bestreden vonnis op alle onderdelen zal worden bekrachtigd, met veroordeling van de appellanten in de beide zaken in de proceskosten van het hoger beroep (telkens 2 punten, tariefgroep III).

Het hof:

In de zaken met de nummers 200.213.175 en 200.213.466

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 14 februari 2017.

In de zaak met de nummer 200.213.175

veroordeelt CWN in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van T&B vastgesteld op € 1.952,- voor verschotten en op € 2.782,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

In de zaak met de nummer 200.213.466

veroordeelt T&B in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 2.782,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit arrest en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

veroordeelt T&B in de nakosten, begroot op € 157, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,-- in geval T&B niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden.

In de zaken met de nummers 200.213.175 en 200.213.466

verklaart deze uitspraak ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. J. Smit en mr. C.S. Huizinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

19 maart 2019.