Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2423

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
21-03-2019
Zaaknummer
200.208.912/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen auteursrecht op een natuurgetrouwe kopie van de oorspronkelijke Nachtwacht van Rembrandt van Rijn. Verkrijgers van de kopie zijn te goeder trouw en worden op de voet van artikelen 1:92 en 3:86 BW beschermd tegen eventuele bestuurs- en beschikkingsbevoegdheid van de maker van de kopie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.208.912/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/184425 / HA ZA 16-133)

arrest van 19 maart 2019

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. A.J. ter Wee, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

1 V.O.F. Café-Restaurant Expo-Madrid,

gevestigd te Dalfsen,

hierna: Expo-Madrid,

2. [geïntimeerde2] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde3],

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde4],

5. [geïntimeerde5] ,

wonende te [A] ,

hierna: [geïntimeerde5],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: Expo-Madrid c.s.,

advocaat: mr. J.I. Veldhuis-Lampe, kantoorhoudend te Meppel.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 maart 2017 hier over.

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie van aanbrengen gelast. Deze comparitie is op
13 april 2017 gehouden. Het proces-verbaal van de comparitie bevindt zich bij de stukken.

1.2

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven tevens houdende wijziging/aanvulling van eis met producties
1 t/m 27,

- de memorie van antwoord met productie 28,

- akte uitlating productie van de zijde van [appellante] ,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van de advocaten van partijen.

1.3

Vervolgens heeft [appellante] de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

[appellante] vordert in het hoger beroep na wijziging van eis - samengevat - het door de rechtbank op 2 november 2016 gewezen vonnis te vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht dat [appellante] eigenaresse is van de door haar genoemde werken, waaronder de kopie van de Nachtwacht (hierna ook: het schilderij);

  2. te verklaren voor recht dat Expo-Madrid c.s. de onder a bedoelde werken zonder recht onder zich houden;

  3. te verklaren voor recht dat op het schilderij auteursrechten zijn ontstaan, waartoe [appellante] gerechtigd is;

  4. Expo-Madrid c.s. te veroordelen de werken aan [appellante] terug te geven;

  5. Expo-Madrid c.s. te verbieden op straffe van een dwangsom het schilderij zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van [appellante] te openbaren of te verveelvoudigen en voor het geval het hof deze vordering niet toewijst, Expo-Madrid c.s. te gebieden de naam van [appellante] toe te voegen als maker van het schilderij;

  6. Expo-Madrid c.s. op straffe van een dwangsom te verbieden inhoudelijke mededelingen te doen aan de media met betrekking tot de inhoud van deze procedure,

  7. Expo-Madrid c.s. te veroordelen aan [appellante] te betalen een bedrag van € 5.000,- voor de door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten;

  8. Expo-Madrid c.s. hoofdelijk te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

1.5

Tegen de eiswijziging zijn geen bezwaren gemaakt. Het hof ziet ook geen redenen de wijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten, zodat zal worden beslist op de gewijzigde eis.

2 De vaststaande feiten

2.1

De rechtbank heeft in het vonnis van 2 november 2016 in rechtsoverweging
2 (2.1 tot en met 2.12) de feiten vastgesteld. Tegen de vaststelling van de feiten zijn drie grieven gericht.

2.2

De klacht in grief 1 onder a en b dat [B] , de overleden echtgenoot van [appellante] , niet de Nachtwacht zoals te zien in het Rijksmuseum heeft gekopieerd, maar de originele nachtwacht in de oorspronkelijke kleuren en het oorspronkelijke formaat, berust op een onjuiste lezing van rechtsoverweging 2.4 van het vonnis. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat de door [B] gemaakte kopie een reconstructie betreft van de oorspronkelijke Nachtwacht met verwijderde boven- en zijkanten.

2.3

De grieven 2, 3 en 4 richten zich onder andere tegen de vaststellingen in rechtsoverwegingen 2.5, 2.9 en 2.10. Het hof zal de feiten hierna met inachtneming van deze grieven zelf vaststellen, zodat de grieven 2, 3 en 4 wat betreft de vaststelling van de feiten geen verdere beoordeling behoeven.

2.4

[appellante] is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [B] . [B] is [in] 2014 overleden. [B] heeft bij testament van 20 juli 2007 beschikt over zijn nalatenschap. In zijn testament is bepaald dat zijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld en dat alle tot de nalatenschap behorende goederen door [appellante] worden verkregen. Het testament bevat een herroepingsbepaling waarin is bepaald dat alle uiterste wilsbeschikkingen die door [B] (eerder) zijn gemaakt door hem worden herroepen.

2.5

[B] was kunstschilder. Hij heeft in de periode van 1984 tot 1990 onder andere een kopie van de Nachtwacht van Rembrandt van Rijn geschilderd. De Nachtwacht, tentoongesteld in het Rijksmuseum te Amsterdam, is kleiner dan het werk dat Rembrandt oorspronkelijk schilderde; van de zijkanten en de bovenkant van de oorspronkelijke Nachtwacht is in de loop der tijd een gedeelte verwijderd. De door [B] geschilderde kopie van de Nachtwacht is op ware grootte van ongeveer 4m x 5m, waarbij een reconstructie is gemaakt van de oorspronkelijke, verwijderde boven- en zijkanten.

2.6

Het schilderij is sinds 1 juli 1992 met de overige werken van [B] geëxposeerd bij Expo Madrid. De familie [C] heeft in verband met de afmetingen van het schilderij een speciale expositieruimte laten bouwen.

2.7

Voor de expositie van het schilderij heeft Expo Madrid tot en met 1997 geen vergoeding aan [B] betaald. Het schilderij is met andere werken van [B] door Expo Madrid geëxposeerd. Een aantal van de geëxposeerde werken is door Expo Madrid verkocht. De opbrengst daarvan is aan [B] uitgekeerd.

2.8

In maart 1997 is door [B] een overeenkomst opgesteld tussen hem en
de “Fam. [C] ”. De overeenkomst is door beide partijen voor akkoord ondertekend en luidt als volgt:

"Betreft: verlenging bestaande overeenkomst copie “Nachtwacht” (1/7 1992 - 30/6 1997)

In gezamenlijk overleg besloten het doek (met de zelfde voorwaarden) te laten staan tot 31/12/1997 tegen een bedrag ad fl. 5.000-, te voldoen op 1 juli 1997.

Vervolgens van 1 jan. 1998 - 31 dec. 1998 tegen betaling, op 1 juli 1998, van fl. 10.000,-
Verlenging na 31/12 1998 mogelijk, kan elk jaar in september voorafgaande, besloten worden.

Zolang de copie “Nachtwacht” in Expo. Madrid staat zal [B] of zijn assistenten, exposities verzorgen".

2.9

De overeenkomst is telkens met een jaar verlengd.

2.10

Op een op 28 november 2000 gedateerd handgeschreven stuk staat het volgende:

" [A] , 28 nov. 2000

[appellante] het is wenselijk dat ik
(mede in verband met mijn kinderen)
per heden de “Nachtwacht”
en alle andere schilderijen aan jou schenk!
Vanaf vandaag ben je dus eigenaresse
van alle doeken.
Overleg t.z.t. maar even met [D]
over de “Nachtwacht”, mogelijk kan de
onkosten/hangprijs omlaag.
Ik zou wel graag de doeken daar laten".

Het stuk is door [B] ondertekend. [appellante] heeft na het overlijden van [B] van het stuk kennis genomen.

2.11

Op een op 1 oktober 2001 gedateerd handgeschreven stuk staat het volgende:

"Betreft: overdracht cop. "Nachtwacht”

Indien nog 5 jaar de bepaalde betaling

plaats vindt (zie overeenkomst) vervalt het
eigendom na 2006 aan “Expo Madrid”
(fam. [C] )

Indien belangstelling voor het zelfportret
van “Rembrandt” alsmede de 2 ezels met schets-
doek, dan dient hiervoor Fl. 1000.= betaald
te moeten worden.

[A] , 1 oktober 2001

[volgt handtekening]

[B] ,

[a-straat 1] ,

[A]

[in een lichtere kleur]

1. N.B. Het doek mag t/m 2006 niet verkocht worden anders dient 50% van de opbrengst aan mij
(of erven) betaald te worden.
2. Bij wisseling van eigenaar vervalt deze overeenkomst".

2.12

In de periode van 1997 tot 2006 hebben Expo Madrid en haar rechtsvoorgangers

een totaalbedrag van fl. 96.000,- aan [B] betaald.

2.13

Ten tijde van het overlijden van [B] werden er naast het schilderij drieëntwintig andere schilderijen van [B] bij Expo Madrid geëxposeerd. Expo Madrid heeft in november 2014 twintig van die schilderijen aan [appellante] afgegeven.
Expo Madrid heeft het schilderij de Nachtwacht niet aan [appellante] afgegeven, noch een kopie van het zelfportret van Rembrandt van Rijn met ezel, een schets met 33 figuren met daarop de namen van 18 personen die aan het schilderij de Nachtwacht hebben meebetaald, met ezel, en een kopie van Schelfhout met goudkleurige lijst (hierna gezamenlijk: de overige zaken).

2.14

De advocaat van [appellante] heeft Expo Madrid c.s. bij brief van 2 december 2015 gesommeerd het schilderij en de overige zaken aan [appellante] af te geven.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Tegen de achtergrond van de onder 2 genoemde feiten heeft [appellante] bij inleidende dagvaarding van 18 maart 2016 Expo Madrid c.s. gedagvaard en daarbij de afgifte gevorderd van het schilderij en de overige zaken en een verbod op het openbaar maken of verveelvoudigen van het schilderij. [appellante] heeft daarnaast betaling gevorderd van een bedrag van € 5.000,- en veroordeling van Expo Madrid c.s. in de kosten van de procedure.

3.2

[appellante] heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij eigenaresse is van het schilderij en de overige zaken, respectievelijk dat zij als executeur bevoegd is om het schilderij en de overige zaken als goederen die tot de nalatenschap behoren op te vorderen.

[appellante] beroept zich daarnaast op het gemeenschappelijke auteursrecht van haar en [B] op het schilderij.

3.3

Expo Madrid c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Zij hebben zich onder andere op het standpunt gesteld dat zij het schilderij en de overige zaken bij overeenkomst van 1 oktober 2001 van [B] hebben gekocht. Expo Madrid c.s. hebben betwist dat het schilderij een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat [appellante] op grond van haar inbreng als mede-rechthebbende op het werk kan worden beschouwd.

3.4

De rechtbank heeft in haar vonnis van 2 november 2016 in het midden gelaten of het schilderij een auteursrechtelijk werk is. De rechtbank heeft geoordeeld dat de bijdrage van [appellante] aan het schilderij niet van dien aard is dat er sprake is van een gemeenschappelijk auteursrecht en het daarop gebaseerde verbod afgewezen. Ten aanzien van het eigendom van het schilderij en de overige zaken heeft de rechtbank geoordeeld dat Expo Madrid op grond van de overeenkomst van 1 oktober 2001 eigenaar is geworden van het schilderij. De rechtbank heeft daarbij het beroep van [appellante] op buitengerechtelijke vernietiging van die rechtshandeling op de voet van artikel 1:88 lid 1 sub d BW afgewezen. De rechtbank heeft [appellante] veroordeeld in de proceskosten als bedoeld in artikel 237 Rv.

3.5

[appellante] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen onder aanvoering van tien grieven.

4 De beoordeling van de (overige) grieven

Auteursrecht op het schilderij

4.1

De eerste vraag die voorligt (grief 1 onder c) is of het schilderij een werk is in de zin van artikel 2 van de Auteurswet. Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof het volgende voorop.

4.2

Naar vaste rechtspraak geldt dat wil een voortbrengsel kunnen worden beschouwd als een werk van letterkunde, wetenschap of kunst als bedoeld in artikel 1 in verbinding met artikel 10 van de Auteurswet (hierna: Aw) vereist is dat het i) een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en ii) het persoonlijk stempel van de maker draagt. Het persoonlijk stempel moet blijken uit het werk zelf. Deze werktoets stemt overeen met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie geformuleerde maatstaf dat het moet gaan om een eigen intellectuele schepping van de auteur (zie HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529).

4.3

Dat een voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt - kort gezegd - in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk (vgl. artikel 13 Aw). De eis dat een voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt te aan te wijzen. Een combinatie van niet-auteursrechtelijk beschermde elementen kan, zoals [appellante] onder 18 van haar memorie van grieven opmerkt, een werk in de zin van de Auteurswet zijn, mits die combinatie het persoonlijk stempel van de maker draagt. De stelplicht dat een voortbrengsel aan de in de rechtspraak ontwikkelde werktoets voldoet, rust op degene die het auteursrecht inroept, in dit geval [appellante] .

4.4

De vraag is of [B] , met het maken van een weergave van het (niet meer door auteursrecht beschermde) werk “De Nachtwacht” van Rembrandt van Rijn, een nieuw werk heeft gecreëerd dat voldoet aan de hierboven uiteengezette criteria. Het hof is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. Daartoe overweegt het hof als volgt.

4.5

Uit de interviews met [B] in de door partijen overgelegde nieuwsberichten en het transcript van het gesprek met [E] , leidt het hof af dat het zijn bedoeling was dat het schilderij een natuurgetrouwe kopie zou worden van de Nachtwacht, zoals die oorspronkelijk door Rembrandt van Rijn in de 17e eeuw is geschilderd inclusief de stukken die bij de Nachtwacht in het Rijksmuseum ontbreken. Voor de ontbrekende stukken heeft [B] , zo heeft [appellante] ter comparitie in eerste aanleg verklaard, een foto gebruikt van de kopie van de oorspronkelijke compositie van de Nachtwacht door [F] . Uit de verschillende krantenartikelen blijkt verder dat het [B] na jaren van inspanningen gelukt is om een natuurgetrouwe kopie van de Nachtwacht te maken.

4.6

Het betoog van [appellante] dat [B] met haar hulp veel tijd in onderzoek heeft gestoken om de oorspronkelijke Nachtwacht inclusief de tegenwoordig ontbrekende delen zo getrouw mogelijk na te schilderen en daarbij talrijke persoonlijke keuzes heeft gemaakt met betrekking tot de compositie, de opbouw en het kleurgebruik kan auteursrechtelijk slechts relevant zijn indien de gestelde keuzes ook in het schilderij tot uitdrukking zijn gebracht. Van belang is vervolgens of in die keuzes, indien het schilderij wordt vergeleken met De Nachtwacht in het Rijksmuseum en de kopie van [F] , het persoonlijk stempel van [B] is te herkennen.

4.7

Door [appellante] zijn geen afbeeldingen van de betrokken schilderwerken in het geding gebracht, zodat het hof de betrokken werken niet kan vergelijken. Het hof kan dus niet vaststellen of [B] met de door [appellante] genoemde interpretatie van het hondje (staart tussen de benen of omhoog), de rode vlekjes en de donkere bolletjes bij de schutters, de oude sinaasappel dan wel de prop papier, de naam in de kazuifel en de benen van enkele figuren, een eigen invulling aan de Nachtwacht heeft gegeven. Mede in het licht van de herhaalde uitlatingen van [B] dat het hem erom ging een zo getrouw mogelijke kopie te maken van de oorspronkelijke Nachtwacht in de oorspronkelijke afmetingen, had op de weg van [appellante] gelegen haar stellingen verder toe te lichten. Dit heeft zij echter nagelaten. Gesteld en niet betwist is dat [B] zijn kopie van de oorspronkelijke Nachtwacht met eigen naam heeft ondertekend en het oog van een van de figuren heeft vervangen door zijn eigen oog. Het enkele vervangen van de naam getuigt in deze context niet van (vrije) creativiteit. Met het vervangen van een oog wordt kennelijk bedoeld het aanpassen van de kleur van een oog. Het hof kan echter niet vaststellen wat de visuele impact van deze wijziging is op het gehele werk, maar aan te nemen valt dat deze van onvoldoende belang is om te kunnen spreken van een eigen persoonlijk stempel van [B] .

4.8

Het aanbod van [appellante] in punt 26 van de memorie van grieven om bewijs te leveren van de persoonlijke en creatieve keuzes wordt door het hof gepasseerd omdat het hof van oordeel is dat zij op dit punt, hoe dan ook, niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

4.9

De klacht van [appellante] dat de rechtbank haar ten onrechte niet heeft aangemerkt als maker van het schilderij, behoeft in het licht van de conclusie dat het schilderij niet als een werk in de zin van de Auteurswet kan worden beschouwd, geen verdere bespreking. Het belang daarbij ontbreekt.

4.10

Het voorgaande betekent dat grief 1 c faalt. De op het auteursrecht gebaseerde vorderingen onder 1.4 c en e zijn niet toewijsbaar.

Eigendom van het schilderij en de overige zaken

4.11

Het tweede deel van dit geschil draait om de vraag wie van partijen eigenaar is van het schilderij en de overige zaken. De rechtbank heeft geoordeeld dat Expo Madrid c.s. het schilderij en de overige zaken op grond van de koopovereenkomst van 1 oktober 2001 in eigendom hebben verkregen. Dit oordeel wordt door [appellante] met de grieven 4 -10 bestreden. Het hof zal deze grieven hierna thematisch bespreken, onder de aantekening dat grief 10 geen zelfstandige klacht bevat en daarom niet voor nadere bespreking in aanmerking komt.

Geen geldige titel, geen (koop)overeenkomst (grieven 4 - 6)

4.12

[appellante] betwist allereerst dat de voor de overdracht vereiste titel aanwezig is. [appellante] erkent dat het onder 2.10 weergegeven stuk van 1 oktober 2001 door [B] is opgesteld, maar betwist dat daaruit een bod tot een (koop)overeenkomst kan worden afgeleid dat vervolgens door Expo Madrid c.s. stilzwijgend zou zijn aanvaard , omdat de wil tot verkoop bij [B] volgens haar ontbrak.

4.13

Het hof stelt voorop dat de vraag of er tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen en wat daarvan de inhoud is, dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de omstandigheden van het geval over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs mochten afleiden (de zogenaamde Haviltex-norm). Dat het schriftelijk stuk van 1 oktober 2001 door [B] eenzijdig is opgesteld, betekent daarom niet, zoals [appellante] onder 70 van haar memorie van grieven ten onrechte stelt, dat zijn bedoelingen doorslaggevend zijn.

4.14

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat op grond van de niet mis te verstane bewoordingen van het door [B] opgestelde stuk van 1 oktober 2001 ("overdracht cop. "Nachtwacht" en "indien nog 5 jaar de bepaalde betaling plaatsvind (zie overeenkomst) vervalt het eigendom na 2006 aan Expo Madrid/fam. [C]") moet worden aangenomen dat [B] wilde dat het schilderij na betaling in het vermogen van Expo Madrid c.s. zou vallen. Daarbij betrekt het hof, zoals blijkt uit de handgeschreven notities en facturen van [B] , dat [B] niet alleen heel precies was in het vastleggen van zijn afspraken met Expo Madrid c.s., maar ook bekend was met het onderscheid tussen bruikleen en verkoop. Van belang is verder dat [B] uitvoering heeft gegeven aan hetgeen hij in genoemd stuk van 1 oktober 2001 heeft verklaard door vanaf januari 2006 geen facturen meer te versturen. De tekst en de geschetste omstandigheden bieden geen steun voor de stelling van [appellante] dat [B] de Nachtwacht alleen aan Expo Madrid c.s. wilde overdragen in het geval dat hem en [appellante] iets zou overkomen.

4.15

Het hof overweegt verder dat zelfs indien zou blijken dat de wil tot overdracht bij [B] in feite ontbrak, Expo Madrid c.s. daartegen in de gegeven omstandigheden op de voet van artikel 3:35 BW moeten worden beschermd. Het hof is van oordeel dat Expo Madrid c.s. gelet op de duidelijke bewoordingen van genoemde schriftelijke verklaring van [B] en het feit dat er na 2006 geen facturen meer zijn verstuurd, gerechtvaardigd erop mochten vertrouwen dat de door [B] in zijn schriftelijke verklaring uitgedrukte wil tot eigendomsoverdracht overeenstemde met zijn daadwerkelijke wil. De mogelijk afwijkende bedoelingen van [B] , zoals een aantal vrienden en familieleden hebben verklaard, doen er dan niet toe. Het aanbod van [appellante] onder 106 van haar memorie van grieven om hen als getuigen te horen wordt daarom als niet ter zake dienend gepasseerd. Ook indien zou worden aangenomen dat [B] eerder in 2000 zijn schilderijen aan [appellante] heeft geschonken, doet dit geen afbreuk aan het gerechtvaardigd vertrouwen van Expo Madrid c.s. omdat zij (en [appellante] ) niet bekend waren met zo'n schenking.

4.16

Expo Madrid c.s. hebben de in de verklaring van [B] tot uitdrukking gebrachte wil tot eigendomsoverdracht van de Nachtwacht en de overige zaken (zelfportret met twee ezels) aan Expo Madrid/fam. [C] aanvaard en daarmee is tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen.

Kwalificatie van de overeenkomst, koop of gift?(grieven 4 en 9)

4.17

Het geschil spitst zich vervolgens toe op de kwalificatie van die overeenkomst. [appellante] stelt de overeenkomst niet als koop in de zin van artikel 7:1 BW kan worden aangemerkt omdat er geen koopprijs is bepaald, althans geen redelijke of reële koopprijs. Volgens [appellante] betreft het een gift. Expo Madrid c.s. betwisten dat er geen koopprijs is betaald en dat de overeengekomen prijs in de gegeven omstandigheden niet redelijk of reëel zou zijn.

4.18

De vraag of een overeenkomst in een concreet geval kan worden aangemerkt als een overeenkomst van koop dient te worden beoordeeld met in achtneming van de wettelijke omschrijving van koop in artikel 7:1 BW. Artikel 7:1 BW definieert koop als de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs te betalen.

4.19

De stelling van [appellante] dat er geen koopprijs is bepaald, kan niet worden gevolgd. Uit het schriftelijk stuk blijkt immers dat is overeengekomen dat de eigendom van het schilderij aan Expo Madrid "vervalt" indien "5 jaar de bepaalde betaling plaatsvind (zie overeenkomst)".

4.20

Partijen zijn het er over eens dat met de "bepaalde betaling" de jaarlijkse bruikleenvergoeding van fl. 10.000,- wordt bedoeld. Uit het stuk volgt dat hoewel deze betaling voorheen slechts was bedoeld als vergoeding voor bruikleen deze vervolgens geheel of gedeeltelijk van kleur is verschoten door (tevens) te fungeren als koopprijs. Tussen partijen is niet in geschil dat Expo Madrid c.s. de overeengekomen bedragen van in totaal
fl. 50.000,- voor het schilderij (5 x fl. 10.000,-) hebben betaald, zodat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een overeenkomst "om niet" of een gift, zoals [appellante] onder grief 9 betoogt, maar van een koopovereenkomst. De betaalde som is bovendien substantieel zodat niet valt in te zien waarom, zoals [appellante] betoogt, deze niet “reëel” zou zijn zodat de rechtshandeling zou zijn te beschouwen als een gift. De stelling dat voor het schilderij eerder veel hogere bedragen zouden zijn geboden is door [appellante] onvoldoende onderbouwd en wordt om die reden gepasseerd. Nu naar het oordeel van het hof geen sprake is van een gift dient het beroep van [appellante] op artikel 1:88 lid 1 sub b BW te worden afgewezen.

4.21

Dit geldt ook voor de in het schriftelijke stuk genoemde overige zaken. Vaststaat dat Expo Madrid c.s. voor de kopie van het zelfportret van Rembrandt en 2 ezels met schetsdoek het bedrag van € 455,- (het equivalent van fl. 1.000,-) hebben betaald, zodat er geen sprake is van een gift. In het stuk van 1 oktober 2001 wordt een kopie van een schelfhout met goudkleurige lijst niet specifiek genoemd. De rechtbank heeft geoordeeld dat ook dit werk is overgedragen. Daartegen is niet gegriefd, zodat ook het hof daarvan uitgaat.

Ontbinding overeenkomst (grief 8)

4.22

[appellante] meent daarnaast dat de overeenkomst is ontbonden omdat de vennoten van Expo Madrid in 2002 en 2010 zijn gewijzigd. Zij beroept zich daartoe op het bepaalde onder sub 2 van het schriftelijke stuk van 1 oktober 2001 "Bij wisseling van eigenaar vervalt deze overeenkomst". Volgens [appellante] wordt onder "wisseling van eigenaar" tevens verstaan de eigendomsveranderingen binnen de VOF Expo Madrid.

4.23

Het hof leest in deze grief en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg door [appellante] waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing in rechtsoverweging 4.13 heeft overwogen en neemt die beslissing over. Het hof voegt daar nog het volgende aan toe. De intentie van [B] was, zoals [appellante] ook zelf betoogt, dat het schilderij bij Expo Madrid in de daarvoor speciaal gebouwde ruimte zouden blijven. Mede gelet op die intentie en de zinsnede "vervalt het eigendom na 2006 aan Expo Madrid/fam. [C]", kan niet worden volgehouden dat met "wisseling van eigenaar" ook is bedoeld wijzigingen in de vennootschapsstructuur van Expo Madrid door natuurlijke uitredingen en toetredingen van leden behorend tot de familie [C] .

Beschikkingsbevoegdheid [B] , derdenbescherming (grief 7)

4.24

[appellante] betwist tot slot dat [B] in september 2001 bevoegd was over het schilderij en de overige zaken te beschikken, omdat hij de betrokken zaken reeds in november 2000 aan haar had geschonken. Volgens [appellante] heeft de rechtbank het beroep van Expo Madrid c.s. op derdenbescherming ten onrechte gehonoreerd.

4.25

Het hof stelt voorop dat de vraag of [B] beschikkingsbevoegd was, zoals Expo Madrid c.s. stellen en [appellante] betwist, niet nader hoeft te worden beantwoord indien Expo Madrid c.s. een beroep kunnen doen op de derdenbescherming van de artikelen
3:86 BW en 1:92 BW. Artikel 1:92 lid 1 BW bepaalt dat een derde aan wie niet kenbaar is wie van de echtgenoten bevoegd is tot het bestuur over een roerende zaak die echtgenoot voor bevoegd mag houden die de zaak onder zich heeft. Op grond van artikel 3:86 lid 1 BW is ondanks de onbevoegdheid van de vervreemder de overdracht toch geldig indien de verkrijgers, in dit geval Expo Madrid c.s., te goeder trouw zijn en aan de overige vereisten van het eerste lid is voldaan.

4.24

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat Expo Madrid c.s. in de gegeven omstandigheden erop mochten vertrouwen dat [B] vrij over de schilderijen kon en mocht beschikken. Doorslaggevend daarbij is dat hij de gesprekken daarover met Expo Madrid c.s. voerde, de afspraken bevestigde en de facturen stuurde. Ter zitting is door [appellante] met zoveel woorden bevestigd dat zij zich daarmee niet bemoeide. Een indicatie dat Expo Madrid c.s. niet op de beschikkingsbevoegdheid van [B] mochten vertrouwen ontbreekt. Van belang is verder dat de zogenoemde schenkingsbrief volgens [appellante] in een gesloten envelop zat die pas na het overlijden van [B] mocht worden geopend; zodat Expo Madrid c.s. niet van de inhoud daarvan op de hoogte waren of konden zijn. Gelet op dit alles waren Expo Madrid c.s. zowel in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW als in de zin van artikel 1:92 BW te goeder trouw.

4.25

Dat de levering van het schilderij en de overige zaken op de voet van artikel 3:115 sub b BW heeft plaatsgevonden, staat als onbetwist vast. Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat sprake was van een eigendomsoverdracht anders dan om niet. Daarmee is aan alle voorwaarden van artikel 3:86 lid 1 BW voldaan en worden Expo Madrid c.s. beschermd tegen de gestelde beschikkings- en bestuursonbevoegdheid van [B] en moeten zij op grond van artikel 3:84 BW als eigenaren van het schilderij en de overige zaken worden beschouwd.

5 De Slotsom

5.1

De conclusie uit het voorgaande is dat de grieven falen en de vorderingen van [appellante] ook in hoger beroep zullen worden afgewezen. Dit geldt ook voor het op de voet van artikel 29 Rv gevorderde verbod op het doen van mededingen over de inhoud van de procedure. Een dergelijk verbod staat haaks op het beginsel van openbaarheid van rechtspraak in artikel 27 Rv en zal bovendien een onrechtmatige beperking opleveren op de vrijheid van meningsuiting van Expo Madrid c.s. Dat Expo Madrid c.s. in hun uitingen de grenzen van het onbehoorlijke hebben overschreden, is gesteld noch gebleken.

5.2

Het bestreden vonnis van de rechtbank van 2 november 2016 zal door het hof worden bekrachtigd. [appellante] zal in de proceskosten van Expo Madrid c.s. worden veroordeeld (3 punten in tarief II).

6 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle van 2 november 2016;

- wijst het meer of anders gevorderde af;

- veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Expo Madrid c.s. vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 3.222,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. R.E Weening, mr. I.F. Clement en mr. M. Schut en is, bij afwezigheid van de voorzitter, ondertekend door de rolraadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 19 maart 2019.