Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2398

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-03-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
200.239.183
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgangsregeling en informatieverplichting. Speciale overweging voor de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.239.183

(zaaknummer rechtbank Gelderland 316438)

beschikking van 19 maart 2019

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. F. van Nisselrooij te Zutphen,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.H. Kiesouw te Zutphen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 23 mei 2017 en 1 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. (De beschikking van 1 februari 2018 wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.)

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het beroepschrift met producties, ingekomen op 30 april 2018;

  • -

    het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kiesouw van 16 november 2018 met producties;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van Nisselrooij van 16 november 2018;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kiesouw van 20 november 2018 met productie;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kiesouw van 22 november 2018 met productie;

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 27 november 2018.

2.2.

De hierna te noemen minderjarigen [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] hebben ieder afzonderlijk bij brieven, ingekomen bij het hof op 17 september 2018, respectievelijk 16 januari 2019, aan het hof hun mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2018 plaatsgevonden. De moeder is in persoon verschenen, bijgestaan door haar advocaat. Namens de vader is

mr. Van Nisselrooij ter zitting verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is [medewerker RvdK] verschenen.

Wegens het niet verschijnen van de vader is de behandeling van de zaak aangehouden. Vervolgens heeft op 12 februari 2019 de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is [medewerker 2 RvdK] verschenen.

3 De feiten

3.1.

Bij beschikking van de rechtbank Zutphen van 5 oktober 2011 is tussen de vader en de moeder de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken. Deze beschikking is op 21 november 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

  • -

    [kind 1] (verder: [kind 1] ), geboren op [geboortedatum] 2003 te [plaats] ;

  • -

    [kind 2] (verder: [kind 2] ), geboren op [geboortedatum] 2004 te [plaats] ;

  • -

    [kind 3] (verder: [kind 3] ), geboren op [geboortedatum] 2007 te [plaats] ; en

  • -

    [kind 4] (verder: [kind 4] ), geboren op [geboortedatum] 2008 te [plaats] ,

gezamenlijk ook te noemen: de kinderen.

3.3.

Bij beschikking van 5 oktober 2011 heeft de rechtbank Zutphen, voor zover hier van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn en een zorgregeling vastgesteld inhoudende dat de kinderen bij de vader verblijven iedere woensdagmiddag van 12.00 uur tot 17.00 uur en eenmaal per veertien dagen op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur, welk contact in overleg met en op aanwijzing van de gezinsvoogd kan worden uitgebreid.

3.4.

De kinderen hebben van 17 augustus 2011 tot 17 februari 2016 onder toezicht gestaan van Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland.

3.5.

Bij beschikking van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de moeder belast met het eenhoofdig gezag over de kinderen. Bij beschikking van 16 september 2014 heeft het hof deze beschikking bekrachtigd.

3.6.

Bij beschikking van 6 augustus 2014 heeft de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de beschikking van de rechtbank Zutphen van 5 oktober 2011 gewijzigd in die zin dat de daarin vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met ingang van 6 augustus 2014 wordt beëindigd.

3.7.

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 27 februari 2017, heeft de vader de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, verzocht een omgangsregeling en een informatieregeling vast te stellen, zoals omschreven in zijn verzoekschrift, althans een regeling als de rechtbank juist acht.

De moeder heeft hiertegen verweer gevoerd en heeft verzocht het verzoek van de vader af te wijzen en haar te ontheffen van haar verplichting de vader te informeren over het wel en wee van de kinderen.

3.8.

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft bij beschikking van 23 mei 2017 een raadsonderzoek gelast naar de vraag of wijziging van de omgangsregeling conform het verzoek van de vader in het belang van de kinderen is, waarbij de raad de mogelijkheid heeft het onderzoek uit te breiden met een kinderbeschermingsonderzoek indien de raad daartoe aanleiding ziet, de raadslieden verzocht schriftelijk te reageren na ontvangst van het raadsrapport en iedere verdere beslissing aangehouden.

3.9.

De raad heeft bij rapport van 30 oktober 2017 geadviseerd.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, de verzoeken van de vader afgewezen en de moeder ontheven van haar informatieverplichting.

4.2.

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 februari 2018. Deze grieven (grief 1 heeft betrekking op de afwijzing van de omgangsregeling en grief 2 op de ontheffing van de moeder van haar informatieplicht) beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan het hof voor te leggen.

De vader verzoekt het hof, bij beschikking zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, een omgangsregeling vast te stellen die het hof juist acht en te bepalen dat aan de moeder wederom een informatieverplichting wordt opgelegd, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.3.

De moeder heeft in het principaal hoger beroep gemotiveerd verweer gevoerd en is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op het recht op omgang van de vader met de kinderen.

De moeder verzoekt het hof in het principaal hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te houden en in het incidenteel hoger beroep (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het de omgang betreft, en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de vader de uitoefening van het omgangsrecht met de kinderen gedurende hun minderjarigheid wordt ontzegd, voor de periode vanaf de datum van de te wijzen beschikking tot en met 17 september 2026, althans een beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.4.

De vader heeft in het incidenteel hoger beroep verweer gevoerd en verzoekt het hof de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen, dan wel een beslissing te nemen als het hof juist acht.

4.5.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

De omgangsregeling

5.1.

Bij beschikking van 6 augustus 2014 heeft de kinderrechter de eerder vastgestelde zorgregeling beëindigd. Doordat meer dan een jaar is verstreken, kan de vader zich opnieuw tot de rechter wenden om een omgangsregeling te laten vaststellen. De vader is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.

5.2.

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wijst de rechter dit verzoek tot omgang af dan wel ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

  1. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

  2. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

  3. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

  4. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.3.

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

5.4.

Het hof neemt het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank in de bestreden beschikkingen ten aanzien van de afwijzing van het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling over en maakt deze – na eigen onderzoek – tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het hof nog als volgt.

5.5.

Sinds de bestreden beschikking (1 februari 2018) is geen sprake van een verandering van de situatie bij de vader. De afgelopen periode heeft de vader geen hulp voor zichzelf gezocht, zodat de zorgen over zijn situatie onverkort aanwezig zijn. Hoewel de vader bij zijn standpunt blijft dat hij geen problemen heeft en daarom ook geen hulpverlening nodig heeft, heeft de vader in het verleden meermaals de belangen van de kinderen geschaad. Zo hebben de kinderen veel last (gehad) van de negatieve uitspraken van de vader over onder andere de moeder en de grootvader van moederszijde, alsook van onverwachte bezoeken van de vader aan de school van de kinderen. De vermoedens van persoonlijke problematiek bij de vader blijven bestaan. Zonder adequate en professionele zorg ligt het niet in de lijn der verwachtingen dat de vader zijn gedrag zal veranderen. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de vader kennelijk (nog steeds) niet in staat is tot omgang met de kinderen. Op grond van het voorgaande ziet het hof geen aanleiding over te gaan tot het vaststellen van een omgangsregeling, ook niet onder begeleiding. De eerste grief van de vader faalt.

5.6.

De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep een stap verder te gaan en de vader het recht op omgang te ontzeggen tot aan de meerderjarigheid van de kinderen, door haar gesteld op de datum waarop het jongste kind van partijen, meerderjarig zal worden.

Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste rechtspraak is elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen, zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen (Hoge Raad 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045). Het verzoek van de moeder is dan ook niet toewijsbaar, zodat het hof dit verzoek zal afwijzen. De grief van de moeder in het incidenteel hoger beroep faalt dus.

Een speciale overweging voor de kinderen

5.7.

Omdat [kind 2] en [kind 3] hebben laten weten dat zij wel omgang met de vader willen, zal het hof in deze aparte alinea proberen uit te leggen waarom het hof vindt dat er geen omgang tussen de vader en de kinderen kan zijn. De raad (voor de kinderbescherming) is twee keer bij de vader thuis op bezoek geweest voor een onderzoek. Tijdens die bezoeken zijn de raadsonderzoekers erg geschrokken van de situatie bij de vader thuis. De woning van de vader was erg vies en ook de vader maakte tijdens die bezoeken een onverzorgde indruk. Hij zag er sterk vermagerd en niet netjes uit. Het was voor de raadsonderzoekers lastig een gesprek met de vader te voeren. Hij was snel opgewonden, erg onrustig en kon over bijna niets anders praten dan op een negatieve manier over de moeder en de grootvader van moederskant (hierna ook: opa). Door die bezoeken hebben de raadsonderzoekers de indruk gekregen dat bij de vader sprake is van problemen. Het is daardoor maar de vraag in hoeverre het de vader lukt om op een normale manier omgang met de kinderen te hebben. Voor het hof staat het belang van de kinderen voorop. Voor de kinderen is het van belang dat de vader tijdens de omgang niet op een negatieve manier over hun moeder en opa praat. De vader zegt wel dat hij dit niet doet, maar in de afgelopen jaren heeft de vader meerdere keren toch dingen gedaan die niet goed waren voor de kinderen. Zo heeft hij toch tegenover de kinderen op een negatieve manier over de moeder en opa gesproken. Ook heeft hij de kinderen onverwacht opgezocht op school, hoewel hij wist dat hij dit niet moest doen omdat dit erg vervelend is voor de kinderen. Daarom heeft de raad in zijn rapport aan de vader het advies gegeven om hulp te zoeken. Behalve dat hulpverlening de vader zou kunnen helpen om zijn woning netjes te krijgen en ervoor zou kunnen zorgen dat hij weer meer aandacht krijgt voor zijn uiterlijk, kan deze hulp kan hem helpen om zijn negatieve gedachten over de moeder en opa een plek te geven en ervoor te zorgen dat hij deze negatieve gedachten niet met de kinderen bespreekt. De vader is van mening dat hij geen problemen heeft en dus ook geen hulp nodig heeft. Omdat de vader weigert hulp te zoeken, blijft het hof zorgen houden over de situatie bij de vader en de manier waarop hij over de moeder en opa spreekt. Ook tijdens de zitting bij het hof lukt het niet om hierover op een goede manier met de vader te praten. Zolang deze zorgen blijven bestaan, vindt het hof het niet verstandig omgang tussen de vader en de kinderen te laten plaatsvinden. Als de kinderen keer op keer last hebben van uitspraken of acties van de vader, zal dit in de toekomst ervoor kunnen zorgen dat de kinderen zelf problemen krijgen. Het hof vindt dat dit moet worden voorkomen en daarom zal het hof de uitspraak van de rechtbank, dat er geen omgang tussen de vader en de kinderen kan zijn, in stand laten. Als de vader echt omgang met de kinderen wil, zal hij eerst moeten laten zien dat het echt beter met hem gaat en dat de kinderen geen last zullen krijgen van de omgang met hem. Hoe begrijpelijk het hof het ook vindt dat de kinderen graag omgang met hun vader willen, is het hof van oordeel dat de vader op dit moment geen omgang met de kinderen kan hebben zonder het risico dat de kinderen nu of in de toekomst last daarvan zullen krijgen.

De informatieregeling

5.8.

Ingevolge artikel 1:377b, eerste lid, BW is de ouders die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter ter zake een regeling vaststellen. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de rechter, indien het belang van het kind dit vereist, zowel op verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft.

5.9.

Het hof overweegt als volgt. De vader wenst geïnformeerd te worden over de kinderen, terwijl de moeder aangeeft dat zij het niet langer kan opbrengen om aan enige informatieverplichting te voldoen. Voorwaarde voor het buiten toepassing verklaren van een informatieverplichting is dat het belang van de kinderen dit vereist. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is niet gebleken dat de kinderen op enige wijze last hebben van de informatieregeling. Het is vooral de moeder die last heeft van de informatieregeling door de reacties hierop van de vader. Dit laatste is echter geen wettelijke grond om de informatieregeling buiten toepassing te laten, nu niet is gebleken dat de kinderen belast worden door de problemen die moeder ervaart door de informatieregeling. Nu de vader geen omgang met de kinderen heeft is de informatieregeling de enige manier voor de vader om informatie over de kinderen te krijgen. Niet is uitgesloten dat de vader op enig moment wel contact zal (kunnen) hebben met de kinderen. Mede met het oog daarop is het belangrijk dat de vader op de hoogte is van het wel en wee van zijn kinderen, zodat hij bij een eventuele hervatting van de omgang beter bij hen kan aansluiten. Gelet op de toezegging van de vader, waaraan het hof de vader houdt, gaat het hof ervan uit dat de vader niet naar de moeder op de ontvangen informatie zal reageren. Het hof acht het voorstelbaar dat de moeder, vanwege de belasting die zij ervaart om de vader van informatie te voorzien, de vader – eventueel door tussenkomst of hulp van een derde, zoals een hulpverlener – hem de informatie verschaft. Wel ziet het hof in de belasting die de moeder ervaart, aanleiding te bepalen dat de moeder slechts tweemaal per jaar informatie aan de vader dient te verschaffen. De tweede grief van de vader slaagt.

6 De slotsom

in het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, voor zover het de ontheffing van de informatieregeling betreft, en voorts beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 1 februari 2018, voor zover de moeder daarin is ontheven van haar informatieverplichting, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de moeder – eventueel door tussenkomst of hulp van een derde, zoals een hulpverlener – de vader één keer per zes maanden informeert over gewichtige aangelegenheden betreffende [kind 1] , [kind 2] , [kind 3] en [kind 4] , waaronder de gezondheid van de kinderen, de schoolprestaties van de kinderen met daarbij een kopie van hun schoolrapporten, het verloop van de hulpverlening en bijzondere gebeurtenissen, onder bijvoeging van een recente foto van de kinderen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 1 februari 2018, voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Krijger, C.J. Laurentius-Kooter en H. Phaff, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. H. Phaff en is op 19 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.