Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2358

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
29-07-2019
Zaaknummer
200.246.892
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot scheiding van tafel en bed. Alsnog verzochte echtscheiding in hoger beroep afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0204
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5207
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.246.892

(zaaknummer rechtbank 430210)

beschikking van 14 maart 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Ran te Utrecht,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.M.H. Nelissen te Houten.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 25 april 2017 en 29 juni 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 29 juni 2018 zal verder ook ‘de bestreden beschikking’ worden genoemd.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 31 augustus 2018;

- het verweerschrift.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 februari 2019 plaatsgevonden te Zwolle. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn op [huwelijksdatum] 2009 te [woonplaats] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [woonplaats] , en

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2013 te [woonplaats] ,

gezamenlijk verder te noemen: de kinderen, over wie de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

3.3

Bij de bestreden beschikking van 29 juni 2018 heeft de rechtbank de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken en - uitvoerbaar bij voorraad - de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw bepaald en een voorlopige zorgregeling vastgesteld.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief ziet op de scheiding van tafel en bed. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, in zoverre opnieuw beschikkende, de echtscheiding tussen de man en de vrouw uit te spreken.

4.2

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof om de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen en om de man bij beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de door de vrouw betaalde eigen bijdrage ad € 287,- en het griffierecht.

5 De motivering van de beslissing

5.1

De man voert ter onderbouwing van zijn verzoek aan dat de vrouw op 30 december 2016 een verzoekschrift heeft ingediend, waarbij de scheiding van tafel en bed is verzocht. Hij heeft zich destijds gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, omdat hij er toen nog van uitging dat het huwelijk niet zodanig was ontwricht dat een herstel onmogelijk was. Na verloop van tijd is hij tot de conclusie gekomen dat het huwelijk niet meer kan worden gerepareerd en dat een scheiding van tafel en bed geen zin heeft. De vrouw werkt volgens de man onvoldoende mee aan het in stand houden van het contact tussen hem en de kinderen. Daarom wenst de man dat alsnog de echtscheiding tussen partijen wordt uitgesproken. Gedurende de procedure in eerste aanleg heeft hij dit al geventileerd naar zijn toenmalige advocaat, maar die advocaat heeft dat niet kenbaar gemaakt bij de rechtbank. Volgens de man is het, onder verwijzing naar een uitspraak van het gerechtshof

’s-Gravenhage, ECLI:NL:GHSGR:2010:BL7183, in de gegeven omstandigheden mogelijk om alsnog de echtscheiding uit te spreken. Zijn verzoek betreft een zaak van familierechtelijke aard en daarbij kan worden gekeken naar de persoonlijke belangen van partijen. Indien het niet gezond is voor een van partijen om het huwelijk in stand te houden dan moet deze te allen tijde kunnen scheiden. Nieuwe ontwikkelingen kunnen in aanmerking worden genomen, zoals dat ook in een alimentatieprocedure het geval is. De man verwijst daarbij verder naar de mogelijkheid dat in gevallen waarin een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding wordt toegewezen en partijen een akte van berusting tekenen, partijen toch van de echtscheidingsbeschikking in hoger beroep kunnen komen. Nu de beslissing nog niet onherroepelijk is, kan hij zijn verzoek wijzigen.

5.2

De vrouw voert verweer en stelt dat voor de beoordeling van belang is dat de man zich in eerste aanleg niet heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar de rechtbank zelfstandig heeft verzocht een scheiding van tafel en bed uit te spreken. Nu de man in de bestreden beschikking heeft gekregen wat hij heeft verzocht, heeft hij geen belang bij dit hoger beroep. De vrouw wenst in verband met haar geloofsovertuiging nog steeds een scheiding van tafel en bed. Zij wil geen definitieve echtscheiding, omdat zij hoopt dat een verzoening op langere termijn toch mogelijk zal worden. Partijen hebben bijvoorbeeld nog geen huwelijkstherapie geprobeerd. De man probeert in deze procedure op oneigenlijke wijze voorbij te gaan aan de gevolgen van een scheiding van tafel en bed en dat tast haar rechtszekerheid aan. De man kan zijn verzoek daarom niet in hoger beroep wijzigen.

5.3

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in eerste aanleg en de bestreden beschikking blijkt dat zowel de vrouw als de man een scheiding van tafel en bed hebben verzocht. Er is dus geen sprake van een referte van de zijde van de man, zoals de man aanvankelijk heeft gesteld. Het hof concludeert dan ook dat de man in hoger beroep komt van een beslissing van de rechtbank waarmee hij heeft gekregen waarom hij heeft verzocht. De door de man genoemde uitspraak van het gerechtshof ’s-Gravenhage ziet naar het oordeel van het hof op een andere situatie dan de onderhavige nu het hof in die zaak concludeerde dat, terwijl door de rechtbank de scheiding van tafel en bed tussen partijen was uitgesproken, de man in die procedure in eerste aanleg (ook) had verzocht om echtscheiding zodat dat verzoek (ook) in hoger beroep aan de orde kon komen.

5.4

Het rechtsmiddel van hoger beroep, zo volgt uit vaste jurisprudentie, is niet gegeven om aan een partij wiens verzoek door de eerste rechter is toegewezen gelegenheid te geven die beschikking ongedaan te maken, omdat hij bij nader inzien de voorkeur aan iets anders geeft. De man was zich destijds, bij indiening van zijn zelfstandig verzoek, bewust van de rechtsgevolgen van een scheiding van tafel en bed, maar heeft naderhand spijt gekregen. Dat de man zijn toenmalige advocaat op een zeker moment heeft geïnformeerd dat hij toch liever een echtscheiding wilde en expliciet heeft verzocht dat als een gewijzigd standpunt en/of verzoek aan de rechtbank kenbaar te maken, kan hem - nog daargelaten dat die stelling niet is onderbouwd - niet baten, omdat vast staat dat de man zijn verzoek niet daadwerkelijk heeft gewijzigd, zodat de gevolgen daarvan voor zijn risico komen. De door de man aangevoerde gewijzigde omstandigheden, inhoudende dat de vrouw volgens hem onvoldoende meewerkt aan het tot stand brengen van contact tussen hem en de kinderen en dat in zijn visie inmiddels geen enkele kans meer bestaat op een verzoening, doet niet af aan de omstandigheid dat de man heeft gekregen waarom hij heeft verzocht.

5.5

Het hof acht tenslotte het volgende nog van belang. Een scheiding van tafel en bed heeft andere rechtsgevolgen dan een echtscheiding. Met het oog op de verschillende rechtsgevolgen kan een verzoek tot echtscheiding thans, in hoger beroep, naar het oordeel van het hof ook niet worden beschouwd als een wijziging (vermeerdering) van het verzoek van de man in eerste aanleg. Het stelsel van de wet laat wijziging in hoger beroep van het verzoek van de man tot scheiding van tafel en bed - na toewijzing ervan in eerste aanleg - in een verzoek tot echtscheiding daarom niet toe.

Op grond van het hiervoor overwogene moet het verzoek van de man in hoger beroep worden afgewezen.

5.5

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep gelet op de aard van de zaak compenseren. Hetgeen de vrouw heeft gesteld is onvoldoende reden om van dit algemene uitgangspunt af te wijken.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

wijst het verzoek van de man af;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 29 juni 2018 voor zover daarbij de scheiding van tafel en bed is uitgesproken;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, R. Feunekes en A.W. Beversluis, bijgestaan door de griffier, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. R. Feunekes en is op 14 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.