Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2341

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
200.238.632/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1:160 BW. Man heeft samenwoning vrouw met rechercherapport voldoende onderbouwd. Geen uitsluiting van dit bewijs op grond van onrechtmatig verkregen bewijs. Vrouw heeft stellingen man met betrekking tot samenwoning onvoldoende betwist. Bewijsaanbod vrouw wordt daarom gepasseerd. Hof veroordeelt vrouw tot betaling van € 10.000,-- aan recherchekosten aan de man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2019-0085
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5176
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.238.632/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/119242 / FA RK 17-1142)

beschikking van 14 maart 2019

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.Q.N. Renon te Assen,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. C.F.N. Seip te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 februari 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 4 mei 2018;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Renon van 5 juli 2018 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 12 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Mr. Renon heeft het woord ter zitting mede gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota.

3 De feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 september 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [C] (hierna te noemen [C] ), geboren [in] 1998.

3.3

Bij beschikking van 16 augustus 2016 heeft dit hof - voor zover hier van belang - bepaald dat de man aan de vrouw vanaf het moment dat de voormalige echtelijke woning is overgedragen een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (verder ook te noemen: partneralimentatie) dient te voldoen van € 5.460,- per maand en per 1 januari 2017 een bedrag van € 4.548,-. Gelet op de wettelijke indexering bedroeg deze bijdrage in 2018

€ 4.616,22 per maand.

3.4

Bij inleidend verzoekschrift heeft de man de rechtbank verzocht deze beschikking te wijzigen, zodanig:

I. dat de aan de vrouw te betalen partneralimentatie met terugwerkende kracht, namelijk

per 1 september 2016, op nihil wordt bepaald, en voorts

II. de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man yan de door hem onverschuldigd

aan haar betaalde partneralimentatie door verrekening daarvan met de vordering ad

€ 94.671,- die zij uit hoofde van de verdeling na echtscheiding op de man heeft;

III. de vrouw te veroordelen tot vergoeding aan de man van de kosten die hij ten behoeve

van de waarheidsvinding heeft moeten maken, te weten € 47.190,- ten behoeve van

[D] Bedrijfsrecherche en zijn advocaat;

IV. met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding.

3.5

De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.6

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man om de door hem te betalen partneralimentatie op nihil te stellen op grond van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW) afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van

21 februari 2018. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog te beslissen conform het inleidende verzoek, althans zoals het hof in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van de vrouw in de kosten van beide procedures.

4.2

De vrouw voert verweer en verzoekt het hof het hoger beroep van de man af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking en met veroordeling van de man in de (volledige) kosten van de procedure in zowel eerste aanleg als in hoger beroep.

5 De motivering van de beslissing

Hoor en wederhoor

5.1

De man stelt dat de rechtbank hem na ontvangst van de fax met bijlage van de vrouw van 12 januari 2018 ten onrechte niet in staat heeft gesteld om daarop te reageren. Aldus is het processuele beginsel van hoor en wederhoor volgens hem geschonden. De vrouw betwist dit.

5.2

Voor zover de man zich heeft beroepen op schending van het beginsel van hoor en wederhoor, heeft de man geen belang bij behandeling van die klacht. Immers, de man heeft nu in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld zijn inhoudelijke bezwaren tegen de fax van de vrouw van

12 januari 2018 kenbaar te maken. Verder strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.

Het samenleven van de vrouw

5.3

In geschil is de vraag of de onderhoudsverplichting van de man is geëindigd omdat de vrouw samenleeft als ware zij gehuwd met een nieuwe partner, te weten de heer [E] .

5.4

Ingevolge artikel 1:160 BW eindigt een verplichting van een gewezen echtgenoot om uit hoofde van echtscheiding levensonderhoud te verschaffen aan de wederpartij wanneer deze opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren.

5.5

Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een samenleven met een ander als waren zij gehuwd als bedoeld in artikel 1:160 BW is vereist dat tussen de samenwonenden een affectieve relatie bestaat van duurzame aard die meebrengt dat de gescheiden echtgenoot en die ander elkaar wederzijds verzorgen, met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de in artikel 1:160 BW besloten liggende sanctie vergt dat deze bepaling restrictief dient te worden uitgelegd, hetgeen meebrengt dat niet snel mag worden aangenomen dat is voldaan aan de door deze bepaling gestelde eisen voor de beëindiging van de partneralimentatie. Het gevolg is immers dat de alimentatiegerechtigde, die met een ander is gaan samenleven als waren zij gehuwd, definitief een aanspraak op levensonderhoud verliest (HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724).

Duurzame affectieve relatie

5.6

Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een duurzame affectieve relatie tussen de vrouw en de heer [E] , zodat het hof daarvan uitgaat.

Samenwoning

5.7

De man stelt dat de vrouw samenwoont en dat dit duidelijk blijkt uit het rapport van het door hem ingehuurde detectivebureau, dat hij in het geding heeft gebracht. De vrouw heeft bestreden dat zij samenleeft als bedoeld in artikel 1:160 BW.

5.8

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw per september 2016 vanuit [A] naar [B] is verhuisd en dat zij hier een eigen appartement heeft. Haar partner, de heer [E] , met wie de vrouw sinds 2014 een relatie heeft, heeft een woning die op korte afstand van het appartement van de vrouw ligt.

5.9

Het hof stelt voorop dat het door de man in eerste aanleg overgelegde rapport van het recherche- en adviesbureau [D] bedrijfsrecherche (hierna te noemen: [D] ) aangemerkt kan worden als een verslag van de objectieve waarneming van een onafhankelijk onderzoeksbureau. [D] heeft een vergunning van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De observaties zijn door verschillende rechercheurs uitgevoerd in de periode van 31 december 2016 tot en met 2 april 2017. De observaties hebben in het eerste deel van die periode (van 31 december 2016 tot en met 29 januari 2017) intensiever en frequenter plaatsgevonden dan tijdens de periode daarna. De observaties zijn verwerkt in het rapport van [D] van 18 april 2017. Het hof ziet in hetgeen door partijen is aangevoerd en ter zitting is gesteld, geen aanleiding aan te nemen dat de bevindingen gedurende de periode van waarneming een van het normale patroon afwijkend beeld zouden vertonen.

5.10

De vrouw stelt dat [D] de Privacygedragscode sector particuliere onderzoeksbureaus van de Nederlandse Veiligheidsbranche heeft overschreden. Volgens haar is het rapport niet deugdelijk samengesteld. De vrouw heeft gesteld dat een aantal zaken in het rapport alleen kunnen zijn vastgesteld door een combinatie van frequente en langdurige observaties en door privégrond te betreden. Dit is volgens haar niet toegestaan.
Voor zover de vrouw heeft willen stellen dat er sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs overweegt het hof dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in beginsel een onrechtmatige daad oplevert, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Of een dergelijke rechtvaardigingsgrond zich voordoet, kan slechts worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het geval, door tegen elkaar af te wegen enerzijds de ernst van de inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en anderzijds de belangen die met de inbreuk makende handelingen redelijkerwijs kunnen worden gediend. De vrouw heeft onvoldoende concreet gesteld dat [D] - dat zoals hiervoor aangegeven een vergunning heeft van het Ministerie van Veiligheid en Justitie - (on)geschreven (gedrags)regels heeft overtreden of dat sprake is van een rechtens ontoelaatbare inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de vrouw.
Overigens geldt in een civiele procedure niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd (zie onder andere HR 18 april 2014 ECLI:NL:HR:2014:942). Deze bijkomende omstandigheden zijn door de vrouw niet, althans onvoldoende gesteld, zodat het hof hetgeen in het rapport is opgenomen zal betrekken in zijn oordeel.

5.11

Uit voormeld rapport blijkt dat tijdens de in de periode van 31 december 2016 tot en met 2 april 2017 geobserveerde achtenvijftig dagen (te weten van 31 december 2016 tot en met 4 januari 2017, 6 tot en met 8 januari 2017, van 10 tot en met 18 januari 2017, van 20 januari tot en met 1 februari 2017, van 3 tot en met 7 februari 2017, op 9 februari 2017, op 12, 13, 18, 21, 23, 24 en 25 februari 2017, 4, 6 en 7 maart 2017, van 12 tot en met 18 maart 2017, op 25, 26, 28 en 29 maart 2017 en op 2 april 2017) de vrouw op tweeëndertig dagen is gezien in dan wel nabij de woning van de heer [E] (en wel op 1, 2, 3, 6 tot en met 8 en 10 tot en met 15, 29 en 31 januari 2017, 4 tot en met 7, 9, 12, 21, 23 en 24 februari 2017, 4, 6, 7, 12, 13, 14, 28 en 29 maart 2017 en 2 april 2017). Op twaalf dagen is de heer [E] in dan wel nabij de woning van de vrouw gezien (en wel op 4, 16, 17, 18, 23 tot en met 28 januari 2017 en op 25 en 26 maart 2017). Zes van de geobserveerde dagen leek de vrouw afwezig te zijn (op 20 tot en met 22 januari 2017, 1 februari 2017 en op 15 en 16 maart 2017), op één avond verliet de vrouw de woning van de heer [E] samen met haar dochter om vervolgens naar haar eigen huis te gaan (te weten op 18 februari 2017, waarbij in het rapport wordt genoteerd dat dit de eerste maal is dat lopende het onderzoek wordt opgemerkt dat de heer [E] en de vrouw niet samen de nacht doorbrachten), op één dag was er wel het vermoeden dat de heer [E] bij de vrouw verbleef maar kon dit niet met 100% zekerheid worden gezegd (te weten op 13 februari 2017) en op een aantal dagen werd alleen de auto van de vrouw bij de woning van de heer [E] gezien (en wel op 30 januari 2017 en op 3 en 25 februari 2017). Gelet op de tijdstippen waarop de vrouw dan wel de heer [E] zijn waargenomen in de woning van de ander, vaak laat in de avond en de aansluitende volgende ochtend vroeg, is het hof van oordeel dat de conclusie gerechtvaardigd is dat de vrouw en de heer [E] in de geobserveerde perioden nagenoeg alle nachten wanneer zij in de thuissituatie in [B] waren samen doorbrachten. Daarnaast blijkt genoegzaam dat zij nagenoeg dagelijks in elkaars aanwezigheid verbleven, veelal in de woning van de heer [E] . Ook betraden zij elkaars woningen door gebruik te maken van een eigen sleutel.

De vrouw heeft weliswaar gesteld dat zowel de woning van de heer [E] als haar appartement op verschillende wijze te verlaten zijn zodat niet gezegd kan worden dat de heer [E] en zij de nachten bij elkaar doorbrengen, maar het hof acht dit gezien de frequentie van de waarnemingen en de tijdstippen daarvan niet onderbouwd. De vrouw had in het licht van de vele observatiemomenten waarbij de heer [E] en zijzelf zich (tezamen) in de woning van een van hen bevonden en de tijdstippen waarop deze momenten plaatsvonden (meer) bewijsmiddelen in het geding moeten brengen om de geoorloofde conclusie dat zij zodanig veel in elkaars nabijheid vertoeven en zoveel nachten tezamen doorbrengen dat er sprake is van samenwonen te ontkrachten. Dit geldt temeer nu het voor de man zeer lastig is om meer bewijsmateriaal aan te dragen en hij niet meer in het geding kan brengen dan dat hij nu heeft gedaan, terwijl de vrouw in staat moet worden geacht om voldoende feitelijke gegevens te verstrekken ter onderbouwing van haar stellingen. Door de enkele ontkenning van het samenwonen met de heer [E] heeft ze de onderbouwde stelling van de man dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist. Na vergelijking van de observatieverslagen in het rapport van [D] en de weerlegging van die observaties door de vrouw (in met name haar verweerschrift in eerste aanleg) komt het hof tot de conclusie dat de door de vrouw genoemde dagen die zij niet met de heer [E] zou hebben doorgebracht bijna geheel overeenkomen met de data in het rapport van [D] waarop er geen samenzijn (geconstateerd) is. Weliswaar heeft de vrouw betwist diverse geobserveerde momenten met de heer [E] te hebben doorgebracht, maar dit blijkt dan juist vaak ook uit de observaties, of de stellingen van de vrouw zijn in elk geval niet strijdig met de observaties. Dit leidt voor geen enkele hierboven genoemde datum tot een geslaagde betwisting dat de vrouw en de heer [E] samen waren. Uit het verweer van de vrouw blijkt bovendien dat zij die nachten meestal elders logeerde (in [F] , bij haar dochter of een vriendin), zodat dit niet afdoet aan de conclusie dat zij de nachten in de thuissituatie met de heer [E] doorbrengt.

5.12

Gelet op het feit dat in de observatieperiode de vrouw en de heer [E] elkaar (bijna) dagelijks zagen in de woning van de heer [E] of het appartement van de vrouw en het samenzijn vele avonden en ochtenden achter elkaar betrof is het hof van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de vrouw en [E] feitelijk samenwonen. Dat de vrouw ook af en toe elders verbleef, in haar eigen woning of bij anderen, en dat er sprake is van (een samenzijn in) twee woningen maakt dit niet anders.

Wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding

5.13

Voor een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW is echter niet voldoende dat sprake is van samenwoning en een duurzame affectieve relatie maar zal ook aan de andere cumulatieve vereisten als genoemd in r.o. 5.5 dienen te zijn voldaan, te weten dat sprake is van een daaruit voortvloeiende wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. De onderdelen wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding impliceren een zekere verstrengeling in die zin dat betrokkenen financieel en/of anderszins elkaar het nodige verschaffen.

5.14

Het hof stelt voorop dat het voor de man, op wie de stelplicht, en bij voldoende betwisting, de bewijslast rust, niet eenvoudig is om bewijs aan te dragen ten aanzien van de wederzijdse verzorging en de gemeenschappelijke huishouding. Naar het oordeel van het hof heeft de man hierover, in onderling verband bezien, voldoende onderbouwing aangeleverd om te voldoen aan zijn stelplicht op dit punt, en heeft de vrouw daar onvoldoende tegen ingebracht. Daarvoor is het volgende redengevend.

5.15

Uit de hiervoor genoemde observaties is gebleken dat de vrouw en de heer [E] nagenoeg elke nacht samen doorbrengen. Gelet op de tijdstippen waarop zij in de ochtend in elkaars woningen worden gesignaleerd en het tijdstip dat zij die woning(en) vervolgens weer verlaten kan het niet anders dan dat zij in ieder geval samen het ontbijt nuttigen. Voorts rijden zij elke week in de auto van de vrouw dan wel de heer [E] naar de kerk, waarbij zij de vader van de heer [E] onderweg ophalen, die vaak door de vrouw wordt ondersteund gedurende de wandeling van de auto naar de kerk. De wederzijdse verzorging blijkt volgens het hof daarnaast uit de volgende observaties van [D] :

- op 4 januari 2017 verlaat de heer [E] zijn woning met een lege boodschappentas. Hij gaat vervolgens naar het centrum en wordt gesignaleerd met een ogenschijnlijk volle boodschappentas. Hij rijdt vervolgens door naar de woning van de vrouw, opent met eigen sleutel de bergruimte/stalling aldaar, komt na enige momenten weer naar buiten en loopt via de hoofdingang het complex waar de vrouw woont binnen. Aldaar opent hij de brievenbus van de vrouw met een eigen sleutel, haalt de inhoud eruit en gaat door naar de woning van de vrouw;

- op 10 januari 2017 rijdt de vrouw in de auto van de heer [E] en opent zij de deur van de woning van de heer [E] met een eigen sleutel;

- op 11 januari 2017 opent de vrouw om 08.37 uur de jaloezieën en gordijnen in de woning van de heer [E] ;

- op 16, 17, 23 en 26 januari 2017 gaat de heer [E] met een eigen sleutel het wooncomplex van de vrouw binnen en opent hij de brievenbus;

- in de avond van 27 op 28 januari 2017 waren er meerdere mensen in de woning van de vrouw, waaronder de heer [E] . Na het vertrek van het bezoek wordt gezien hoe de heer [E] onder meer stofzuigbewegingen, dan wel soortgelijke bewegingen maakt in de woning van de vrouw en kabels oprolt.

5.16

Aanwijzingen dat er sprake is van financiële verwevenheid kunnen gevonden worden in de volgende observaties van [D] :

- de hiervoor gememoreerde observatie op 4 januari 2017 waarbij de heer [E] zijn woning verlaat met een lege boodschappentas, naar het centrum gaat, wordt gesignaleerd met een ogenschijnlijk volle boodschappentas, waarna hij naar de woning van de vrouw rijdt en het complex betreedt;

- op 4 maart 2017 komen de vrouw en de heer [E] vanuit de richting van de slager en/of bakker lopen. De heer [E] draagt een boodschappentas en de vrouw heeft een portemonnee in haar handen. Vervolgens gaan zij met de boodschappen naar de woning van de heer [E] ;

- op 25 maart 2017 is de vrouw samen met de heer [E] en een ander stel met de veerpont van [B] naar [G] gegaan. Na een wandeltocht hebben zij een aantal drankjes genuttigd die door de vrouw en de man van het andere stel worden afgerekend. De heer [E] betaalt vervolgens de terugreis met de veerpont voor het hele gezelschap middels een knipkaart.

Verder impliceert het feit dat de vrouw en heer [E] veelvuldig in elkaars woningen verblijven enige financiële verwevenheid. Op de momenten dat de vrouw in de woning van de heer [E] verbleef voorzag de heer [E] haar immers van woon- dan wel verblijfsruimte en betaalde hij voor die momenten de kosten van het gebruik van gas, licht, water en kabel en/of internet.

Op de momenten dat de heer [E] bij de vrouw verbleef voorzag de vrouw daar juist in.

5.17

Het hof is op grond van het feit dat partijen praktisch elke dag in ieder geval samen de dag beginnen, bijna elke avond in elkaars gezelschap doorbrengen in één van de twee woningen in combinatie met de hierboven vermelde observaties waaronder die dat de vrouw en de heer [E] gezamenlijk boodschappen doen, dat [E] boodschappen haalt en daarmee naar de woning van de vrouw gaat, dat de vrouw consumpties afrekent en dat de heer [E] een pontovertocht betaalt van oordeel dat de man zijn stellingen op dit punt, kort gezegd inhoudende dat de vrouw en de heer [E] in financieel opzicht (in enige mate) in elkaars verzorging hebben voorzien, en er in elk geval een zekere verstrengeling is in die zin dat betrokkenen financieel en/of anderszins elkaar het nodige verschaffen, voldoende heeft onderbouwd.

Gelet hierop rustte op de vrouw de plicht om deze stellingen in voldoende mate te betwisten. De vrouw heeft in dat verband als verweer gevoerd dat zij en de heer [E] elk hun vaste lasten (huur, energie e.d.) voldoen, eigen kosten van vakanties voor hun rekening nemen en dat ieder thuis zijn eigen voorraad boodschappen heeft en dat wanneer er gezamenlijk wordt gekookt de kosten worden verrekend. Het had op de weg van de vrouw gelegen om, daar waar de man een gedetailleerde rapport met aanwijzingen overlegt, haar verweer nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door het overleggen van (financiële) stukken waaruit blijkt dat zij geheel in de kosten van haar eigen levensonderhoud voorziet dan wel gemaakte kosten met de heer [E] verrekent. Dat heeft zij echter nagelaten.

5.18

Alles in ogenschouw nemende is het hof van oordeel dat de vrouw de gemotiveerde stellingen van de man op het punt van het samenwonen, de wederzijdse verzorging en de gemeenschappelijke huishouding onvoldoende heeft betwist. Bij deze stand van zaken bestaat geen grond voor bewijslevering, en wordt het bewijsaanbod gepasseerd. Dit brengt mee dat is komen vast te staan dat de vrouw is gaan samenleven met een ander als waren zij gehuwd, zoals omschreven in artikel 1:160 BW, waardoor de verplichting van de man om alimentatie aan de vrouw te betalen is geëindigd.

5.19

Met betrekking tot de ingangsdatum overweegt het hof onder verwijzing naar HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:BC4884 en HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724 dat in geval van beëindiging van de alimentatieverplichting op de voet van artikel 1:160 BW de aanspraak eindigt met ingang van de datum dat sprake was van de samenleving en dat de rechter niet de vrijheid heeft om een andere beëindigingsdatum vast te stellen dan die datum. Gelet op de bevindingen in het rapport van [D] acht het hof voldoende onderbouwd dat ten tijde van de start van het onderzoek door [D] , te weten op 31 december 2016, aan de vereisten van 1:160 BW was voldaan. Dat al per 1 september 2016 aan die vereisten was voldaan is door de man onvoldoende onderbouwd.

5.20

De man heeft verzocht dat de alimentatie op nihil wordt gesteld. Door de vaststelling dat de vrouw samenleeft met een ander als waren zij gehuwd is de alimentatieverplichting van de man per die datum echter van rechtswege geëindigd. Het hof zal het verzoek van de man derhalve begrijpen als een verzoek om vast te stellen dat de alimentatieverplichting van de man op grond van artikel 1:160 BW is geëindigd per een bepaalde datum, welk verzoek op grond van het hiervoor overwogene toewijsbaar is per 31 december 2016 (HR 31 januari 1986, ECLI:NL:HR1986:AG5182).

De kosten van het rechercheonderzoek

5.21

De man verzoekt het hof de vrouw te veroordelen in de kosten van het recherchebureau ad € 47.190,-. Volgens de man is er aan de zijde van de vrouw sprake van een onrechtmatige daad nu de vrouw hem niet heeft medegedeeld dat zij samenwoont als ware zij gehuwd.

5.22

De vrouw is van mening dat in een verzoekschriftprocedure geen ruimte is voor toewijzing van het verzoek met betrekking tot de kosten van het ingeschakelde recherchebureau. Daarnaast zijn de kosten van de rapportage volgens haar excessief en staan deze niet in verhouding tot de geleverde rapportage.

5.23

Het hof beschouwt het verzoek met betrekking tot de kosten van het ingeschakelde recherchebureau als een kwestie betreffende het personen- en familierecht, meer in het bijzonder betreffende het vaststellen/eindigen van de verplichting tot levensonderhoud, waarop de verzoekschriftprocedure van toepassing is. Het verzoek is verweven met het primaire geschilpunt, de toepasselijkheid van artikel 1:160 BW. Een ander oordeel zou tot het onwenselijke effect leiden dat een aparte procedure zou moeten worden gestart met betrekking tot deze kosten, zodat ook om reden van proceseconomie beoordeling van het verzoek aangewezen is.

5.24

Met de man is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid mocht worden verlangd, dat zij de man actief had geïnformeerd over haar samenleving met een ander als waren zij gehuwd, zeker nu de man dat diverse keren aan de orde had gesteld. Door dit niet te doen heeft zij naar maatschappelijke normen bezien onzorgvuldig jegens de man gehandeld, zodat sprake is van een onrechtmatige daad. Dat zij van mening was dat een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW zich niet voordeed, bevrijdt haar niet van die verplichting, en de gevolgen van een andersluidend oordeel komen voor haar rekening en risico. Nu de vrouw de samenwoning steeds heeft betwist, waardoor een samenleving nauwelijks anders dan door (veelvuldig) observeren kon worden vastgesteld, zijn de kosten van het inschakelen van het recherchebureau aan te merken als schade die de man heeft geleden door het nalaten aan de zijde van de vrouw.
Het hof is echter van oordeel dat niet gebleken is dat de hoogte van de gestelde kosten in overeenstemming is met de door het nalaten van de vrouw in gang gezette activiteiten. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de hoge kosten van de rapportage van [D] . De man heeft geen inzage gegeven in de opbouw van de nota’s, de drie door de man overgelegde nota’s van [D] van elk € 15.730,- zijn niet gespecificeerd en bovendien ontbreken betaalbewijzen. Als het hof de door [D] gedeclareerde kosten vergelijkt met de kosten in vergelijkbare zaken dan acht het hof de kosten in dit geval - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - buitensporig hoog. Het hof zal deze kosten daarom begroten en op basis van de redelijkheid en billijkheid vaststellen op € 10.000,-.

De terugbetalingsverplichting

5.25

De man verzoekt het hof de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan de man yan de door hem onverschuldigd aan haar betaalde partneralimentatie door verrekening daarvan met de vordering ad € 94.671,- die zij uit hoofde van de verdeling na echtscheiding op de man heeft.

5.26

Nu de alimentatieverplichting op de voet van artikel 1:160 BW van rechtswege eindigt met ingang van de datum dat sprake is van de samenleving hoeft de beslissing tot terugbetaling niet te voldoen aan de motiveringseisen zoals die in de rechtspraak zijn geformuleerd bij een wijziging van alimentatie met terugwerkende kracht. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw aan hem de door haar ten onrechte ontvangen partneralimentatie vanaf 1 september 2016 dient terug te betalen. Nu de alimentatieverplichting van de man eindigt met ingang van 31 december 2016 is de door de man vanaf die datum aan de vrouw betaalde partneralimentatie onverschuldigd betaald. Daaruit vloeit een terugbetalingsverplichting van de vrouw jegens de man voort. Het hof ziet geen aanleiding te bepalen dat dit bedrag verrekend mag worden met het bedrag dat de man de vrouw eventueel nog verschuldigd is, nu geenszins duidelijk is of er nog sprake is van een vordering van de vrouw op de man en wat hiervan de hoogte is.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen slaagt de tweede grief van de man. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten (niet zijnde de recherchekosten) in beide instanties compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van

21 februari 2018, en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van het hof van 16 augustus 2016 en stelt vast dat de alimentatieverplichting van de man met ingang van 31 december 2016 is geëindigd;

veroordeelt de vrouw tot betaling van € 10.000,- aan recherchekosten aan de man;

veroordeelt de vrouw om de over de periode van 31 december 2016 tot heden ontvangen bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud aan de man terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en

M.A.F. Holtvluwer-Veenstra, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 14 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.