Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:2340

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2019
Datum publicatie
20-03-2019
Zaaknummer
200.244.314/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang. Ondanks persoonlijke problematiek moeder wordt gestart met uitbreiding van de omgang. In verband met tijdsverloop wordt niet gewacht tot moeder voldoende hersteld en weerbaar is. Gehechtheidsrelatie met vader moet verder worden op- en uitgebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.244.314/01

(zaaknummers rechtbank Noord-Nederland C/19/118232 / FA RK 17-496 en C/19/118793 / FA RK 17-850)

beschikking van 12 maart 2019

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.A. Wortmann te Groningen,

en

[verweerder] ,

wonende te [B] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. S.C. Janssens-Van Drooge te Zwolle.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

mr. [C] , in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [de minderjarige],

kantoorhoudende te Assen,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen (hierna: de rechtbank), van 11 oktober 2017 en 8 augustus 2018, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 15 augustus 2018;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie(s);

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wortmann van 29 augustus 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wortmann van 15 oktober 2018 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Janssens-Van Drooge van 22 oktober 2018;

- een brief van de bijzondere curator van 26 november 2018;

- een journaalbericht van mr. Janssens-Van Drooge van 10 januari 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Wortmann van 21 januari 2019 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Janssens-Van Drooge van 21 januari 2019 met productie(s);

- een faxbericht van de bijzondere curator van 29 januari 2019.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 1 februari 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de bijzondere curator is mr. W.J.P. Suringar verschenen. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) is, in het kader van zijn adviserende taak, de heer [D] verschenen. Ter zitting hebben mr. Wortmann en mr. Janssens-Van Drooge mede het woord gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen.

2.3

Na de mondelinge behandeling zijn, naar aanleiding van hetgeen ter zitting is besproken, ingekomen twee brieven van de raad van 4 en 27 februari 2019. Hierin wordt door de raad medegedeeld dat de moeder geen toestemming geeft om informatie te verstrekken over de zitting bij het hof en het onderzoek van de raad aan de medewerker van Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) Tynaarlo.

3 De feiten

3.1

Uit de - verbroken - relatie van de vrouw en de man is [in] 2016 geboren [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ). De vrouw is alleen belast met het gezag over [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de vrouw.

3.2

Bij beschikking van 31 mei 2017 heeft de rechtbank - naar aanleiding van het door de man ingediende inleidend verzoek tot verlening van vervangende toestemming tot erkenning - mr. [C] , advocaat te Assen, benoemd tot bijzondere curator over [de minderjarige] .

3.3

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 8 augustus 2018 heeft de rechtbank:

- de man vervangende toestemming verleend voor erkenning van [de minderjarige] ;

- het verzoek van de man dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over [de minderjarige] afgewezen;

- de volgende omgangsregeling toegewezen: de man heeft eenmaal per twee weken anderhalf tot twee uur omgang met [de minderjarige] . De omgang zal begeleid worden door [E] ;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4

Bij beschikking van 23 oktober 2018 heeft dit hof de werking van de bestreden beschikking geschorst voor zover deze de vervangende toestemming tot erkenning betreft, totdat in de hoofdzaak is beslist.

3.5

Tot eind 2016 zag de man [de minderjarige] ongeveer één keer per week gedurende enkele uren bij de vrouw thuis. Van eind 2016 (sinds de verhuizing van de vrouw naar [A] ) tot september 2017 vond er - behalve van eind juni 2017 tot medio augustus 2017 toen de man in detentie zat vanwege een niet uitgevoerde voorwaardelijke taakstraf - eenmaal per twee weken gedurende ongeveer drie uur omgang plaats tussen de man en [de minderjarige] bij de vrouw thuis. In de periode van september 2017 tot januari 2018 heeft er wekelijks en sinds januari 2018 (in verband met een operatie van de vrouw) tweewekelijks begeleide omgang plaatsgevonden op het kantoor van de raad. Sinds augustus 2018 is de omgang op grond van de bestreden beschikking eenmaal per twee weken gedurende anderhalf tot twee uur, begeleid door [E] .

4 De omvang van het geschil

4.1

De vrouw is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 8 augustus 2018. Deze grief ziet op de vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] door de man. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man tot het verlenen van vervangende toestemming voor erkenning van [de minderjarige] af te wijzen.

4.2

De man voert verweer en verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde principaal hoger beroep, althans dit ongegrond te verklaren.

De man is op zijn beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grieven zien op het gezag en de omgangsregeling.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling en opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat de man naast de vrouw belast wordt met het gezag over [de minderjarige] , voor zover de man [de minderjarige] rechtsgeldig heeft erkend;

- te bepalen dat de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] gedurende zes maanden gefaseerd wordt opgebouwd tot een regeling waarbij de man recht heeft op omgang met [de minderjarige] gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur, wekelijks op woensdag van 10.00 uur tot 17.00 uur en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, althans een dusdanige regeling te bepalen als het hof in goede justitie juist acht. En tevens te bepalen dat de man rondom de verjaardag van [de minderjarige] hem mag zien in bijzijn van zijn familie in [B] .

4.3

De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde incidenteel hoger beroep, althans dit ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag en de vaststelling van de omgangsregeling te bekrachtigen, zo nodig met aanvulling of verbetering van de gronden, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Erkenning

5.1

Op grond van artikel 1:204 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan, voor zover hier van belang, de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen door toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker is van het kind.

5.2

Voor de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de wettelijke vereisten als genoemd onder rechtsoverweging 5.1, komt het aan op een afweging van het belang van de vader om te erkennen tegenover de belangen van de moeder en de minderjarige bij het niet-erkennen. Hierbij geldt als uitgangspunt dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke rechtsbetrekking. De moeder heeft er belang bij dat zij een ongestoorde relatie met haar kind kan hebben. Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien een reëel risico bestaat dat het kind door de erkenning wordt belemmerd in zijn sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou onder meer het geval kunnen zijn wanneer erkenning ertoe zou leiden dat de moeder daardoor in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat is het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat het nodig heeft. Bij de afweging van de belangen dient daarbij mede in aanmerking te worden genomen dat het noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, alsmede dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is.

5.3

Niet in geschil is dat de man de verwekker van [de minderjarige] is.

5.4

Het is aan de vrouw om haar stelling dat het verzoek niet moet worden toegewezen te onderbouwen, door feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat voormelde belangenafweging dient te leiden tot afwijzing van het verzoek van de man.

5.5

Volgens vaste jurisprudentie is daarvoor niet voldoende dat er sprake is van emotionele weerstand bij de vrouw dan wel dat er sprake is van een moeizame of ernstig verstoorde verhouding tussen de vrouw en de man, of slechte of geen communicatie en loyaliteitsconflicten. Ook beschuldigingen aan het adres van de man staan niet zonder meer in de weg aan toewijzing van het verzoek van de man.

5.6

Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stellingen dat sprake is van de in 5.1 weergegeven "tenzij-situatie" onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is niet aannemelijk geworden dat, in geval van erkenning door de man, de evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] in het gedrang komt.

Alle betrokkenen zijn het erover eens dat het goed gaat met [de minderjarige] , dat hij de man kent en dat de huidige begeleide omgangsregeling goed verloopt. Weliswaar is uit de stukken naar voren gekomen dat bij de vrouw sprake is van angsten, maar dit acht het hof onvoldoende om te concluderen dat de onder 5.2 omschreven risico's reëel zijn en zich in dit geval zullen voordoen. Voor zover deze angsten zijn gelegen in de persoon van de man - die volgens de vrouw zeer onbetrouwbaar is en onwaarheden vertelt - en de mogelijk schadelijke invloed die hij daardoor op [de minderjarige] zou hebben, wijst het hof er op dat het al dan niet verlenen van vervangende toestemming voor erkenning los staat van de vraag of en zo ja op welke wijze de man omgang heeft met [de minderjarige] . De vrouw heeft in eerste aanleg en ook in haar beroepschrift nog betoogd dat zij vreest dat de man [de minderjarige] mee zal nemen naar Guinee en dat [de minderjarige] door de erkenning - op enig moment - de nationaliteit van Guinee zou kunnen krijgen met alle mogelijke gevolgen, bijvoorbeeld voor wat betreft dienstplicht, van dien. Het hof is echter van oordeel dat de vrouw, in het licht van de uitvoerige en gemotiveerde betwisting van de man, haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan. Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van de vrouw dat een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [de minderjarige] mede in het gedrang komt doordat de man weigert [de minderjarige] bij zijn naam te noemen en hem [F] noemt. De man heeft ter zitting toegezegd dat ook hij [de minderjarige] voortaan [de minderjarige] zal noemen. Het hof gaat ervan uit dat de man zijn toezegging zal nakomen.

5.7

Naar het oordeel van het hof is verder onvoldoende aannemelijk geworden dat de vrouw specifiek ten gevolge van de erkenning psychisch uit haar doen zal geraken dan wel dat haar problemen zodanig zijn dat haar relatie met [de minderjarige] onder druk zou komen te staan door de erkenning en aldus haar belangen bij een ongestoorde verhouding met [de minderjarige] zou schaden. Gebleken is immers dat de vrouw, ondanks de huidige juridische procedures en de mate van stress die zij daardoor stelt te ervaren, in staat is een goede opvoeder voor [de minderjarige] te zijn en hem een stabiel opvoedingsklimaat te bieden. De vrouw heeft bovendien professionele hulp ingeschakeld om aan haar spannings- en stressklachten te werken.

5.8

Op grond van het vorenstaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot de erkenning van [de minderjarige] als zijn kind dient te worden toegewezen. Voor de volledigheid merkt het hof hierbij op dat met deze eindbeslissing over de erkenning de taak van de bijzondere curator eindigt.

Omgang

5.9

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).

5.10

Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09). Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder - of zelfs geen - goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91).

5.11

De vrouw stelt dat zij (nog) niet toe is aan een uitbreiding van de huidige begeleide omgangsregeling. Zij ervaart veel stress van de man en zijn handelwijze. Ook kampt zij met trauma's uit haar verleden. De vrouw volgt een hulpverleningstraject voor haar persoonlijke problematiek en is van mening dat [de minderjarige] erbij gebaat is dat zij eerst de tijd, rust en ruimte krijgt om aan herstel dan wel verbetering van haar mentale gezondheid te werken. Uitbreiding van de omgangsregeling zal juist ten koste gaan van de fysieke en mentale gezondheid van de vrouw.

5.12

Het hof stelt vast dat de door de vrouw benoemde belemmeringen voor uitbreiding van de omgang met name zijn gelegen in de problematiek tussen haar en de man als ex-partners en in haar eigen persoonlijke problematiek. Het hof is van oordeel dat deze door de vrouw ervaren belemmeringen minder zwaar wegen dan het belang van [de minderjarige] bij omgang met zijn vader, welke omgang goed verloopt, en op welk belang het hof hierna zal ingaan.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de vrouw de man geen rol als vader gunt, althans een zeer beperkte rol. Ter zitting is zelfs gebleken dat zij de man naar [de minderjarige] toe zelfs niet als vader benoemt, maar uitsluitend bij zijn voornaam aanduidt. Het hof acht dit zeer zorgelijk. Het hof wijst de vrouw erop dat op haar als moeder de verplichting rust om [de minderjarige] te stimuleren in en te ondersteunen bij het contact met zijn vader en dat zij daarbij niet haar eigen tempo maar het tempo van [de minderjarige] dient te volgen. Zo nodig dient zij hulp te zoeken, bijvoorbeeld door het inschakelen van haar netwerk, indien zij zelf niet in staat is om de omgangsregeling uit te voeren dan wel onrust en ruis ervaart door de bij de omgang betrokken instanties. De raad heeft in dat kader ter zitting een handreiking aan de vrouw (en de man) gedaan in die zin dat de raad - indien partijen zorgen hebben over de omgang - bereid was (tijdelijk) de regie op zich te nemen. De vrouw heeft dit aanbod echter - zo leidt het hof af uit de brieven van de raad van 4 en 27 februari 2019 - afgeslagen.

5.13

Het hof heeft ter zitting met partijen ook de mogelijkheid besproken om een persoonlijkheidsonderzoek bij beide ouders door het NIFP te gelasten. Het hof zal hier echter niet toe overgaan. Het hof overweegt in dat verband dat ter zitting naar voren is gekomen dat de vrouw - ondanks de door haar aangevoerde problematiek - andere belangrijke levensgebeurtenissen (een nieuwe baan en nieuwe relatie) wel op orde lijkt te hebben. Het hof ziet dan ook onvoldoende aanleiding om eerst tot een dergelijk onderzoek over te gaan alvorens tot een beslissing over de (uitbreiding van de) omgang tussen [de minderjarige] en de man te kunnen komen. De stelling van de vrouw dat niet eerder tot een dergelijke beslissing kan worden overgegaan dan dat zij voldoende hersteld en weerbaar is zal het hof eveneens passeren. Het hof overweegt daarbij dat er geen concreet zicht is op wanneer de vrouw in haar visie voldoende hersteld zal zijn dan wel wanneer het hulpverleningstraject met positief resultaat afgerond zal zijn. De psychotherapeut van de vrouw heeft aangegeven dat de vrouw nog ten minste twee jaar hulpverlening nodig heeft. Het hof acht het niet in het belang van [de minderjarige] dat gedurende die periode de huidige beperkte begeleide omgangregeling onveranderd blijft.

5.14

Voorop staat het belang van [de minderjarige] . Gelet op zijn zeer jonge leeftijd en het feit dat hij volop in ontwikkeling is, is het van groot belang dat hij een gehechtheidsrelatie en een bestendige band met zijn vader kan op- en uitbouwen. Dit belang van [de minderjarige] en zijn recht op omgang wegen zwaarder dan het belang van de moeder. Zoals hiervoor reeds overwogen, verloopt de omgang tussen de man en [de minderjarige] goed. [de minderjarige] , die zijn vader inmiddels ook kent, heeft het naar zijn zin met zijn vader tijdens de omgangsmomenten. De vrouw heeft dit ook erkend. Het hof gaat voorbij aan de door de vrouw geuite - en door de man betwiste - bezwaren tegen de man, onder andere dat hij leugenachtig zou zijn en niet op tijd zou verschijnen bij een omgangsmoment, nu het in de kern gaat om (het opbouwen van) de band tussen [de minderjarige] en zijn vader. Niet is gebleken dat de man voor [de minderjarige] onbetrouwbaar is.

5.15

Naar het oordeel van het hof kan voornoemde band en gehechtheidsrelatie tussen de man en [de minderjarige] met de huidige beperkte begeleide omgangsregeling onvoldoende worden opgebouwd en bestendigd. De omgang wordt inmiddels reeds ongeveer anderhalf jaar begeleid. De omgang kan niet voor onbepaalde tijd begeleid blijven plaatsvinden.

Het hof is niet gebleken van contra-indicaties voor uitbreiding van de omgangsregeling in die zin dat wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang bij de man thuis.

Gezien het hiervoor overwogene zal het hof daarom de volgende opbouwregeling vaststellen. Met ingang van de datum van deze beschikking zal er gedurende twee maanden eens in de twee weken gedurende drie uur door [E] begeleide omgang plaatsvinden (derhalve in totaal vier omgangsmomenten). Vanaf juni 2019 vindt er eenmaal per twee weken gedurende vier uur omgang plaats tussen de man en [de minderjarige] bij de man thuis, waarbij [E] de eerste twee maanden de overdrachtsmomenten begeleidt.

5.16

Het hof zal verder nu reeds de raad opdracht geven om uiterlijk 15 juli 2019 een verkort briefrapport uit te brengen over het verloop van voornoemde omgangsregeling en de stand van zaken op dat moment. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de raad zo nodig zijn onderzoek uitbreidt met een onderzoek naar de eventuele noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel.

Gezag

5.17

Gelet op de bovenstaande beslissing over de omgang ziet het hof aanleiding om eerst het verloop van de omgangsregeling af te wachten en de beslissing over het gezag aan te houden.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als na te melden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 8 augustus 2018 voor zover daarbij aan de man vervangende toestemming is verleend voor erkenning van [de minderjarige] ;

houdt de beslissing met betrekking tot het gezag en de (definitieve) omgang aan;

stelt de volgende voorlopige omgangsregeling vast:

- met ingang van heden vindt er gedurende twee maanden eens in de twee weken gedurende drie uur door [E] begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de man plaats;

- vanaf juni 2019 totdat het hof nader heeft beslist hebben [de minderjarige] en de man eens in de twee weken gedurende vier uur onbegeleide omgang bij de man thuis, waarbij [E] de eerste twee maanden de overdrachtsmomenten begeleidt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de raad een nader onderzoek in te (doen) stellen naar de omgang als hiervoor onder 5.16 omschreven en daaromtrent uiterlijk op 15 juli 2019 in een verkort briefrapport te rapporteren en te adviseren;

stelt partijen in de gelegenheid om uiterlijk twee weken na ontvangst van het rapport van de raad hun schriftelijke reactie aan het hof te doen toekomen, waarna het hof schriftelijk zal beslissen dan wel zal bepalen (al dan niet na een gemotiveerd verzoek daartoe) dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum in of omstreeks augustus 2019, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.M. Dölle en R. Feunekes, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 12 maart 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.