Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2019:234

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-01-2019
Datum publicatie
11-02-2019
Zaaknummer
WAHV 200.226.492
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De gemachtigde heeft volstaan met de stelling dat de naam en handtekening van de ambtenaren, die krachtens mandaat besluiten hebben genomen, niet zichtbaar en daarmee controleerbaar zijn.

Die stukken heeft de gemachtigde niet overgelegd of - als dat niet mogelijk zou zijn - met een voldoende mate van precisie aangegeven op welke stukken hij doelt. Daarmee is het gestelde niet te beoordelen. Het hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd over de besluiten tot beëdiging geen reden tot twijfel aan de bevoegdheid van de

verbalisant wordt gevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.226.492

14 januari 2019

CJIB 199554383

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 28 september 2017

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] ,

voor wie als gemachtigde optreedt mr. [B] ,

kantoorhoudende te [C] .

Het tussenarrest

Op 2 oktober 2018 is in deze zaak tussenarrest gewezen, waarbij een onjuist CJIB-nummer is vermeld. Het juiste CJIB-nummer is hierboven aangegeven. De inhoud van het tussenarrest blijft verder ongewijzigd en wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Van de gemachtigde van de betrokkene is op 5 oktober 2018 een brief ontvangen, waarin hij onder meer heeft aangegeven dat de zaak niet ter zitting hoeft te worden behandeld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld om op de brief te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Op 12 december 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling

  1. Gelet op de inhoud van het tussenarrest, waarin is overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de gemachtigde behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. De overige klachten die daartegen gericht zijn, worden daarom buiten beschouwing gelaten. Ter beoordeling van het hof staat nu het bij de kantonrechter ingestelde beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

  2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat het recht om te worden gehoord is geschonden omdat de betrokkene niet op adequate wijze in de gelegenheid is gesteld om ter hoorzitting het beroep toe te lichten.

3. Het hof stelt vast dat door de gemachtigde in het administratief beroepschrift een verzoek tot horen is gedaan. De officier van justitie geeft in diens beslissing aan dat er drie pogingen tot horen zijn gedaan, maar dat deze pogingen geen resultaat hebben gehad. Het beroep is vervolgens ongegrond verklaard. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie de gemachtigde onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord in de onderhavige zaak. Dat er meerdere pogingen zijn gedaan om hem telefonisch te horen, is daartoe onvoldoende. In dit verband wijst het hof op artikel 7:19, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald dat horen in het openbaar geschiedt tenzij het beroepsorgaan op verzoek van een belanghebbende of om zwaarwichtige redenen anders beslist. Dat drie pogingen tot telefonisch contact niet tot resultaat hebben geleid, betekent niet dat van het horen in het openbaar kan worden afgezien.

4. Het voorgaande brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie zal worden vernietigd. Vervolgens staat ter beoordeling het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 54,- is opgelegd ter zake van “overschrijding van de maximum snelheid op autosnelwegen, met 9 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 8 juli 2016 om 21.52 uur op de A12 rechts (trajectcontrole) te Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .

5. De gemachtigde betwist dat de betrokkene te hard heeft gereden. Hij voert daartoe aan dat uit de stukken niet blijkt welke wegafstand is gereden. Ook valt niet op te maken dat de foto's bij het zaakoverzicht horen. Verder was er geen sprake van deugdelijke bebording.

Tot slot stelt de gemachtigde dat niet kan worden vastgesteld dat de verbalisant bevoegd was om op te treden. Hoewel de aktes en processen-verbaal van de beëdiging van de verbalisant raadpleegbaar zijn, zijn de naam en de handtekening van de ambtenaren, die krachtens mandaat besluiten hebben genomen, niet zichtbaar. Hierdoor is niet controleerbaar of de besluiten tot beëdiging van de betreffende boa bevoegdelijk zijn genomen.

6. Met betrekking tot dit laatste stelt het hof vast dat de gemachtigde heeft volstaan met de stelling dat de naam en de handtekening van de ambtenaren, die krachtens mandaat besluiten hebben genomen, niet zichtbaar zijn. De gemachtigde heeft de stukken waarop hij doelt echter niet overgelegd of -als overlegging niet mogelijk zou zijn- met een voldoende mate van precisie aangegeven op welke stukken hij doelt. Daarmee is het gestelde niet te beoordelen. Het hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd over de besluiten tot beëdiging geen reden tot twijfel aan de bevoegdheid van de verbalisant wordt gevonden.

7. Het zaakoverzicht houdt, naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, onder meer het volgende in:

“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) snelheid : 113 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid : 109 km per uur.
Toegestane snelheid : 100 km per uur.
Overschrijding met : 9 km per uur. (…)
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 62,1R”

8. In het dossier bevinden zich foto's van de gedraging. Daarop is het onder 4. genoemde voertuig te zien op de genoemde datum, tijd en plaats.

9. Uit de door de advocaat-generaal overgelegde schouwrapporten blijkt dat de trajectcontrole is aangevangen bij hectometerpaal 58,8 en geëindigd bij hectometerpaal 62,1. Verder blijkt dat de bebording op 22 juni 2016 en 10 juli 2016 is gecontroleerd en in orde is bevonden.

10. Het hof is van oordeel dat op basis van de schouwrapporten voldoende is komen vast te staan dat de bebording ten tijde van de gedraging aanwezig en voldoende kenbaar was. De bebording is immers vijftien dagen voor de dag waarop de snelheidsmeting is verricht gecontroleerd en in orde bevonden. Daarnaast heeft eenzelfde controle twee dagen na de pleegdatum plaatsgevonden.

10. Het hof volgt de gemachtigde evenmin in zijn stelling dat de foto's en het zaakoverzicht niet kunnen worden gekoppeld aan de onderhavige zaak. Het kenteken, de datum, de locatie en het verbalisantnummer komen immers overeen. Dat het fotofilmnummer en het zaaknummer wel worden vermeld in het zaakoverzicht, maar niet bij de foto's, maakt dit niet anders. Uit de schouwrapporten blijkt daarnaast over welke wegafstand de meting heeft plaatsgevonden en ook uit de foto's blijkt waar de meting is gestart en geëindigd.

12. Aldus treffen de door de gemachtigde opgeworpen gronden geen doel. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal ongegrond worden verklaard.

13. De gemachtigde verzoekt het hof verder om een dwangsom verbeurd te verklaren, omdat de officier van justitie te laat op het beroep heeft beslist en appellant de officier van justitie in gebreke heeft gesteld.

14. Artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) houdt in:
“1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.”'

15. De inleidende beschikking is op 20 juli 2016 aan de betrokkene toegezonden. Daartegen is door de gemachtigde op 27 juli 2016 beroep ingesteld bij de officier van justitie. Het instellen van administratief beroep kan worden beschouwd als het indienen van een aanvraag als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, Awb. De officier van justitie heeft bij beslissing van 16 februari 2017 het beroep ongegrond verklaard.

16. Artikel 7:24 van de Awb houdt - voor zover hier van belang - in:
“1. Het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken.”

17. Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb eindigde de beroepstermijn in dit geval op 31 augustus 2016. In het dossier bevindt zich een brief waarin de officier van justitie aangeeft de beslistermijn met tien weken te verlengen en een brief waarin de gemachtigde een termijn wordt gegeven om de gronden van het beroep aan te vullen. Nu echter niet is gebleken dat deze brieven zijn verzonden en de gemachtigde aanvoert ze niet ontvangen te hebben, is de beslistermijn niet verlengd of opgeschort en eindigde die op 21 december 2016. De beslissing van de officier van justitie van 16 februari 2017 is dus niet tijdig gegeven.

18. Bij brief van 25 januari 2017, ingekomen bij de CVOM op 30 januari 2017, heeft de gemachtigde de officier van justitie meegedeeld dat de beslistermijn is verstreken en de officier van justitie onder verwijzing naar artikel 4:17 van de Awb in gebreke gesteld.

19. In aanmerking genomen dat deze brief op 30 januari 2017 bij de CVOM is ingekomen verbeurde de officier van justitie ingaande 13 februari 2017 tot 16 februari 2017 derhalve een dwangsom van 3 x € 20,- = € 60,- . De officier van justitie heeft echter, in strijd met artikel 4:18 van de Awb, niet een beschikking gegeven waarbij de verschuldigdheid van deze dwangsom is vastgesteld. Het hof zal beslissen zoals hieronder aangegeven.

20. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het hoger beroepschrift en de -als nadere toelichting te duiden- reactie op de nadere informatie van de advocaat-generaal dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 640,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 640,-, over te maken op rekeningnummer [00000] ten name van [B] ;

stelt vast dat de officier van justitie aan de betrokkene een dwangsom van € 60,- is verschuldigd.

Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.